Openwervendag

 

De politieke dimensie in P.-P. Verbeeks techniekfilosofie. Een kritische dialoog met A. Feenberg

Thomas Vleeshouwers
Vertrekkend vanuit het belang van democratie, ook op het domein van de techniek, bekijk ik in deze thesis twee belangrijke stromingen binnen de techniekfilosofie. De postfenomenologische benadering van Verbeek probeer ik zo te verbinden met de politieke techniekfilosofie van Feenberg. Dit biedt een vruchtbare wisselwerking die het maatschappelijk debat over techniekontwikkeling kan voeden en aanmoedigen.

Schuilt er politiek achter de techniek?

Schuilt er politiek achter de techniek?

Wist u dat er negen keer meer Europese subsidies gaan naar biotechnologisch onderzoek dan naar onderzoek over biologische landbouw? Wist u dat Facebook zelf een paper publiceerde over het succesvol manipuleren van de stemming van zijn gebruikers? De kans is groot dat u dat niet wist. Maar waarom weten we zulke dingen niet? Beide voorbeelden betreffen technieken die erg centraal staan in ons dagdagelijkse leven.

Context van techniekontwikkeling

We lijken er vanuit te gaan dat de technieken die ontwikkeld en toegepast worden nuttig zijn en vooruitgang betekenen. Vaak spreekt dat ook voor zich: meer, compacter, sneller, eenvoudiger… Daarbij mogen we echter niet vergeten welk doel de onderzoekers en ontwerpers voor ogen hadden voor hun techniekontwerpen. Deze vraag is nog belangrijker omdat slechts enkele tientallen bedrijven in grote mate bepalen welke technieken toegankelijk worden en voor wie.

In het geval van de landbouw zijn er grosso modo twee stromingen die een antwoord proberen formuleren op de vraag hoe we de wereldbevolking het beste kunnen voeden. Biotechnologie zet in op maximale productiviteit met minimale arbeid. Opvallend bij deze piste is dat biotechnologie denkt binnen een geglobaliseerde markteconomie en een centrale rol ziet voor slechts enkele bedrijven. Genetische manipulatie en bijhorende pesticiden zijn immers een erg kapitaalintensieve sector, wat het onmogelijk maakt voor kleine boeren om zelf dit

technische proces vorm te geven. Sinds de overname van Monsanto door Bayer zijn er nog slechts vier grote spelers in dit domein.

Anderzijds neemt ook de populariteit van biologische landbouw toe. Daarbij staat lange termijn duurzaamheid centraal en wordt vaak erg lokaal gewerkt. Deze landbouwvorm is meer arbeidsintensief, maar vooronderstelt minder hi-tech en grootschaligheid.

landbouw-image

Met deze ruwe karakterisering ik wijzen op de radicale implicaties van ons landbouwbeleid. Beide sluiten elkaar in principe uit (vanwege het gevaar op kruisbestuiving). In mijn thesis toonde ik aan dat de ontwikkeling van onder andere deze technieken niet neutraal is. Hun begrip en invulling van ‘het voedselprobleem’ is radicaal verschillend. Dit heeft verregaande gevolgen voor onze materiële en sociale omgeving.

Postfenomenologische techniekfilosofie

Dit voorbeeld van landbouw toont de meest zichtbare politieke dimensie van techniek. De maatschappij staat daar tegenover techniek en moet beschermd worden tegen bepaalde technieken. In de hedendaagse techniekfilosofie is er echter een nieuwe stroming die deze dualiteit relativeert. Dit is de postfenomenologische techniekfilosofie, waar de Nederlander Peter-Paul Verbeek een grote bijdrage aan leverde. Het is volgens hem belangrijk dat de verwevenheid tussen mens en techniek genoeg gezien wordt.

In mijn thesis analyseerde ik hoe deze visie op techniek zich verhoudt tot de politieke techniekfilosofie die ik hiervoor kort schetste. Vanuit de postfenomenologische visie kan er geen strikt onderscheid tussen mens en techniek gemaakt worden. De mens ontwikkelt uiteraard allerlei technieken, maar de concrete technieken die de mens omringen, geven ook fundamenteel mee vorm aan de mens.

Zo spreekt het voor zich dat ons beeld en onze ervaring van vriendschap evolueert wanneer sociale media een steeds centralere plaats krijgen binnen onze leefwereld. Permanente aanwezigheid, delen van ervaringen, elkaar aanmoedigen… het zijn zaken die geen radicaal nieuw tijdperk inluiden, maar ze grijpen wel sterk in op onze sociale verhoudingen. Het is volgens Verbeek belangrijk dergelijke interacties goed te bestuderen, zodat we ons er kritisch én genuanceerd toe kunnen verhouden.

De belangrijkste bijdrage van Verbeek aan de techniekfilosofie is het inzicht dat ook onze ethiek evolueert “op de vleugels van de techniek”. Techniek en moraal evolueren samen en staan niet tegenover elkaar. Onze verwachtingen, wat we gepast vinden, wat we als zinvol ervaren is geen statische gegevenheid waarmee we technologieën aftoetsten. Ons ethisch kader is gegrond in onze dagelijkse ervaringen en percepties, en kan niet los worden gezien van onze interactie met technieken. Dit inzicht is belangrijk omdat dit het maatschappelijk debat een theoretisch kader biedt waarmee kan worden verduidelijkt welke ontwikkelingen we wenselijk en nuttig vinden. Dit heeft zowel bij landbouw als sociale media een erg grote relevantie voor onze maatschappelijke organisatie.

techniek-image

Politiek en postfenomenologie

Met dergelijk kader kunnen ontwerpers op hun verantwoordelijkheid worden gewezen. Zij ‘bouwen’ immers als het ware een bepaalde ethiek ‘in’ de technieken. Zo zou Facebook bewust positieve stemmingen kunnen versterken bij haar gebruikers. Dat verhoogt vanzelfsprekend de levenskwaliteit, maar vinden we zoiets echt wenselijk of gepast? Vanuit Verbeeks perspectief is het belangrijk te zien dat een techniek als Facebooks sociaalnetwerk sowieso een invloed heeft op ons welbevinden. Alleen is de vraag, als deze invloed bewust vorm gegeven wordt, wat moet dan het doel zijn van deze invloed?

Een politiek perspectief kan dan weer wijzen op de economische agenda van Facebook. Het is immers een bedrijf dat net zoals andere beursbedrijven gericht is op maximale winst. Positieve stemmingen versterken de koopgewilligheid en maken op die manier de advertenties van Facebook meer effectief.

In mijn thesis heb ik dit politieke perspectief proberen verenigen met de postfenomenologische techniekfilosofie. Beide zijn immers complementair. Het bestuderen van de fundamentele interacties tussen mens en techniek moeten meer licht werpen op de reële invloed van techniek. Maar we mogen ook niet blind zijn voor de politieke context waarin techniek wordt ontwikkeld. Als democratische idealen ter harte worden genomen, en techniek ten dienste moet staan van de maatschappij, moet er meer maatschappelijk debat gevoerd worden. Verbeek biedt en theoretisch raamwerk waarmee we dit verder kunnen ontplooien. Maar daar mag het natuurlijk niet bij blijven. De democratische conclusies van dat debat moeten ook reëel zeggenschap krijgen in de ontwikkeling van technieken. Een verbreding van de democratisch verworven rechten en instituties is daarvoor zeker nodig.

Bibliografie

·          ADDIN EN.REFLIST Bantwal Rao, M., Jongerden, J., Lemmens, P., & Ruivenkamp, G. (2015). Technological Mediation and Power: Postphenomenology, Critical Theory, and Autonomist Marxism. Philosophy & Technology, 28(3), 449.

·         Barber, B. R. (1998). Three scenarios for the future of technology and strong democracy. Political Science Quarterly, 113(4), 573-589. doi:10.2307/2658245

·         Barret, P., Marq, P., Mayer, C., & Padel, S. (2015). Research for transition: Europeans deserve a better agricultural and food policy. Retrieved from Organic Eprints: http://orgprints.org/29412/

·         Borgmann, A. (2005). Review of Peter-Paul Verbeek's What things do. Notre Dame Philosophical Reviews. Retrieved from Notre Dame Philosophical Reviews website: https://ndpr.nd.edu/news/24832-what-things-do-philosophical-reflections…

·         Feenberg, A. (1992). Subversive rationalization: Technology, power, and democracy. Inquiry, 35(3-4), 301-322.

·         Feenberg, A. (1999). Questioning technology. London, UK: Routledge.

·         Feenberg, A. (2005). Critical theory of technology: An overview. Tailoring Biotechnologies, 1(1), 47-64.

·         Feenberg, A. (2013a). Democratic rationalization: Technology, power, and freedom. In R. Scharff & V. Dusek (Eds.), Philosophy of technology: The technological condition: An anthology (pp. 706-719). West Sussex, UK: Wiley.

·         Feenberg, A. (2013b). Philosophy of technology at the crossroads: Critique of Heidegger and Borgmann. In R. S. V. Dusek (Ed.), Philosophy of technology: The technological condition: An anthology (pp. 363-374). West Sussex, UK: Wiley.

·         Feenberg, A. (2013c). What I said and what I should have said. Techne: research in philosophy and technology, 17(1), 163-178.

·         Han, B.-C. (2015). Psychopolitiek. Neoliberalisme en de nieuwe machtstechnieken. Amsterdam: Van Gennep.

·         Ihde, D. (1979). Technics and praxis: A philosophy of technology. Dordrecht: Springer Netherlands.

·         Kaplan, D. (2009). What things still don’t do. Human Studies, 32(2), 229-240. doi:10.1007/s10746-009-9116-2

·         Maurer, S., & Pachl, U. (2015). Durable goods: More sustainable products, better consumer rights (BEUC-X-2015-069). Retrieved from BEUC: http://www.beuc.eu/publications/beuc-x-2015-069_sma_upa_beuc_position_p…

·         Pietroni, P. (2001). Cuban health care systems and its implications for the NHS plan. London, UK: UK House of Commons Retrieved from http://www.publications.parliament.uk/pa/cm200001/cmselect/cmhealth/30/….

·         Scharff, R. C. (2013). Technoscience studies after Heidegger? Not yet. In R. Scharff & V. Dusek (Eds.), Philosophy of technology: The technological condition: An anthology (pp. 573-581). West Sussex, UK: Wiley.

·         Veak, T. (2000). Whose technology? Whose modernity? Questioning Feenberg's Questioning technology. Science, Technology, & Human Values, 25(2), 226-237.

·         Verbeek, P.-P. (2000). De daadkracht der dingen: Over techniek, filosofie en vormgeving. Amsterdam, the Netherlands: Boom.

·         Verbeek, P.-P. (2005). What things do: Philosophical reflections on technology, agency, and design. Philadelphia: Pennsylvania State University Press.

·         Verbeek, P.-P. (2007). The Technological Mediation of Morality: A Post-Phenomenological Approach to Moral Subjectivity and Moral Objectivity. Paper presented at the Workshop Moral Agency and Technical Artifacts, NIAS, The Hague, the Netherlands. http://doc.utwente.nl/61025/

·         Verbeek, P.-P. (2009). Let’s make things better: A reply to my readers. Human Studies, 32(2), 251-261. doi:10.1007/s10746-009-9118-0

·         Verbeek, P.-P. (2011). Moralizing technology. Chicago, IL: The university of Chicago.

·         Verbeek, P.-P. (2013). Resistance is futile. Techne: research in philosophy and technology, 17(1), 72-92.

·         Verbeek, P.-P. (2014). Op de vleugels van Icarus: Hoe techniek en moraal met elkaar meebewegen. Rotterdam, the Netherlands: Lemniscaat.

·         Verbeek, P.-P. (2015). Beyond interaction: A short introduction to mediation theory. Interactions: New Visions of Human-Computer Interaction, 22(3), 26. doi:10.1145/2751314

·         Wha-Chul, S. (2008). Philosophy of technology and macro-ethics in engineering. Science & Engineering Ethics, 14(3), 11.

·         Winner, L. (1980). Do artifacts have politics? Daedalus, 109(1), 121-136.

 

Universiteit of Hogeschool
Wijsbegeerte
Publicatiejaar
2016
Promotor
prof.dr. Hendrik Opdebeeck
Kernwoorden