Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Politieke in(kt)vloed: Een vergelijkende visuele analyse van politieke cartoons uit De Roode Vaan, De Schelde, Volk en Staat, en De Standaard (1929-1945)

KU Leuven
2025
Pauline
Stofferis
Een vergelijkende visuele analyse van politieke cartoons uit het communistische blad De Roode Vaan, het Vlaams-nationalistische dagblad De Schelde en zijn opvolger Volk
en Staat, en de centrumrechtse krant De Standaard van 1929 tot 1945.
Meer lezen

Mapping Memory: Colonial Street Names and Public Memory in Belgium

Andere
2025
Lotte
Claerhout
Deze masterproef onderzoekt hoe België omgaat met de herinnering aan zijn koloniale verleden via straatnamen die nog steeds verwijzen naar het koloniale tijdperk. Aan de hand van zowel kwantitatieve als kwalitatieve methoden wordt nagegaan waar deze straatnamen voorkomen, welke types namen het zijn en in welke politieke context ze behouden of hernoemd werden.

Op basis van gegevens uit de drie gewesten brengt het onderzoek in kaart welke koloniale straatnamen bleven bestaan, welke verdwenen en hoe die beslissingen samenhangen met lokale en institutionele factoren.

Een diepgaande analyse van vijf Vlaamse gemeenten (Balen, Dendermonde, Gent, Mechelen en Kortrijk) toont aan dat bijna alle bevestigde hernoemingen sinds 2002 gericht waren op verwijzingen naar koning Leopold II. Opvallend genoeg vonden deze naamsveranderingen uitsluitend in Vlaanderen plaats, wat wijst op duidelijke regionale verschillen in de omgang met het koloniale verleden.

Door koloniale sporen in de publieke ruimte letterlijk op de kaart te zetten, laat deze studie zien hoe België vandaag zijn verleden herinterpreteert en hoe discussies over identiteit, verantwoordelijkheid en historische rechtvaardigheid daarin een rol spelen.
Meer lezen

Vergeten kennis: wat zeventiende- en achttiende eeuwse medicinale recepten onthullen over de impact van botanica op de geneeskunde in de Zuidelijke Nederlanden.

Universiteit Gent
2025
Lien
Vandenbroucke
In mijn scriptie ben ik via een vergelijkende analyse van zeventiende- en achttiende-eeuwse medicinale recepten en hun ingrediënten, gefocust op medicinale planten, nagegaan welke impact de globalisering van botanica had op de geneeskunde in de Zuidelijke Nederlanden. De scriptie is opgedeeld in twee grote delen.

In het eerste deel bespreek ik de bestaande literatuur of historiografie en schets ik aan de hand van een literatuurstudie de zeventiende- en achttiende eeuwse situatie in Italië, de Noordelijke Nederlanden en de Atlantische Wereld. Vervolgens heb ik een eigen studie gedaan van huishoudboeken en archiefstukken uit familiearchieven om zo te achterhalen welke nieuwe plantensoorten, medicinale recepten en aandoeningen zijn toegevoegd of verdwenen; Hierbinnen heb ik ook aandacht voor de dierlijke en minerale ingrediënten die voorkwamen in recepten om op die manier ook de impact van chemische geneeskunde te kunnen schetsen. Vervolgens onderzocht ik de oorzaken die aan de basis lagen van deze veranderingen. Ik heb me hierbij afgevraagd welke trends en individuen een impact hadden op de evolutie binnen medicinale recepten, hoe nieuwe kennis werd verspreid en in welke mate apothekers en medicinale instituties hier verantwoordelijk voor waren.

Om af te sluiten maakte ik een vergelijkende analyse tussen de situatie in de Zuidelijke Nederlanden en de regio's die voorkwamen in de literatuurstudie (Italië, de Noordelijke Nederlanden en de Atlantische Wereld). Op deze manier kon ik bijdragen aan de debatten omtrent de impact die de val van Antwerpen al dan niet had op het intellectuele leven in de Zuidelijke Nederlanden alsook mijn casus terugplaatsen in zijn bredere context.

Meer lezen

Une vague de femmes françaises? Een studie naar professionele beroepsmigratie van buitenlandse sekswerkers in Antwerpen tijdens de periode november 1922 tot juni 1925

Universiteit Gent
2025
Helena
Van Hiel
Tussen november 1922 en juni 1925 was Antwerpen getuige van een opmerkelijke migratiegolf van buitenlandse vrouwelijke sekswerkers. Deze migratie werd niet alleen gekenmerkt door haar aanzienlijke omvang, maar ook door de homogeniteit van de migranten. Bijna al deze vrouwen kwamen uit dezelfde regio, werden binnen korte tijd geregistreerd bij de zedendienst van de stad, werkten in een beperkt aantal bordelen – voornamelijk gelegen in de Spuistraat, een straat die bekend stond om haar sekswerk – en verhuisden na een kort verblijf naar een andere stad, meestal Parijs. Deze gelijkenissen wijzen op georganiseerde beroepsmigratie binnen de gereguleerde seksindustrie.
Meer lezen

Rubens' portretkunst als spiegel voor zijn interesse in fysiognomie

Universiteit Gent
2025
Mariette
Van Gysegem
Mijn onderzoek bekijkt de portretpraktijk van Peter Paul Rubens vanuit een fysiognomische lens. Vooraleer dit denkkader kan toegepast worden op zijn oeuvre, wordt Rubens' fascinatie voor fysiognomie in zijn culturele context bekeken. Het vertrekt vanuit de oorsprong en ontwikkeling van het gedachtegoed om zo het belang in de leefwereld van Rubens te contextualiseren. Vervolgens onderzoekt het de connectie tussen fysiognomie en de vroegmoderne kunstpraktijk. Hierna wordt ingezoomd op Rubens' aantoonbare interesse in het onderwerp als vereiste voor het gebruik van een fysiognomische lens.

Daarna wordt het fysiognomisch denkkader toegepast op case-studies binnen zijn oeuvre. Hierbij richt de beeldanalyse zich op vorm, kleur en textuur, aangezien bestaand onderzoek vaak enkel naar vorm keek. Voor de karaktertypologie werden primaire zeventiende-eeuwse fysiognomische traktaten bestudeerd en zo de typerende elementen van verschillende karaktertypes geïdentificeerd om ze toe te passen op de case-studies. De afbakening tot portretkunst is een logisch gevolg van het gezicht als primaire plek voor de fysiognomische lezing. Binnen zijn portretten wordt gefocust op familieportretten en kopieën naar oude meesters aangezien hij bij deze genres het meeste vrijheid had om te experimenteren.

Voor deze analyse werd een methodologie ontwikkeld die vertrekt vanuit het uitgangspunt van de fysiognomie, waarbij het uiterlijk en het innerlijk van een persoon onlosmakelijk verbonden zijn. Het onderzoek bekijkt deze connectie in twee richtingen. Ten eerste worden familieportretten geanalyseerd om te onderzoeken in hoeverre het innerlijk iets zegt over het uiterlijk, met het sanguinische temperament als uitgangspunt, omdat dit karaktertype als positief en zeldzaam werd beschouwd en Rubens vermoedelijk warme genegenheid voor zijn familieleden voelde. Ten tweede worden zijn kopieën naar oude meesters bestudeerd om de omgekeerde richting te ondervragen. Het uitgangspunt is de beeldanalyse van visuele aanpassingen die Rubens doorvoert in zijn kopie ten opzichte van het origineel. Vervolgens wordt gekeken of deze aansluiten bij de representatie van een specifiek innerlijk karakter.

De analyse toont hoe Rubens systematisch ronde vormen, roodheid en glanzende huidaccenten gebruikte, kenmerken die overeenstemmen met het sanguinische temperament, dat in zijn tijd overwegend positief gewaardeerd werd. Hierdoor creëerde Rubens een fysiognomisch ideaaltype dat functioneerde binnen de beeldcommunicatie met zijn publiek. Dit onderzoek vult een lacune in de bestaande literatuur, die vaak enkel de passies en niet de fysiognomie in Rubens’ werk behandelde. Bovendien wordt dit gedachtegoed nooit bekeken zij-aan-zij met het effectieve kunstwerk, hoewel deze combinatie cruciaal is. Het besluit dat Rubens’ intellectuele fascinatie voor fysiognomie niet enkel een persoonlijke interesse was, maar een diep ingebed cultureel referentiekader dat zijn portretkunst beïnvloedde.

Deze studie opent de weg om Rubens’ intellectuele interesses concreet te verbinden met zijn oeuvre en suggereert verdere uitbreiding via technische beeldanalyses zoals kleuranalyse en reflectografie. Daarnaast vormt ze een vertrekpunt om ook andere categorieën binnen zijn portretkunst, zoals de keizerportretten, door een fysiognomische lens te bestuderen. Verdere analyses kunnen nagaan hoe andere temperamenten werden verbeeld en in welke mate Rubens’ leerlingen en tijdgenoten dit gedachtegoed overnamen of er eigen invullingen aan gaven.
Meer lezen

De representatieve voorzijde: sporen van de historische 'goede kamer' in het Vlaanderen van vandaag

Universiteit Gent
2025
Femke
Blum
Deze masterproef onderzoekt enerzijds de historische goede kamer en
anderzijds de hedendaagse Vlaamse wooncultuur en architectuurpraktijk.
Die twee facetten worden met elkaar verbonden via de onderzoeksvraag:
hoe vinden aspecten van de historische goede kamer hun weg in de
hedendaagse woning en op welke manier blijven ze toepasbaar?
Meer lezen

Revisiting Early Modern Female History Writing Lucy Hutchinson’s History of the English Civil War and Restoration in the Memoirs of the Life of Colonel Hutchinson

Universiteit Gent
2025
Roxan
Dewaele
In de jaren 1660’s schreef de Engelse Lucy Hutchinson (1620-1681) de Memoirs of the Life of Colonel Hutchinson, een republikeinse en puriteinse geschiedenis van de Engelse Burgeroorlog (1642-1651) tot de Restauratie (1660) met haar echtgenoot als protagonist. In het zog van de tweede feministische golf werden de Memoirs erkend als geschiedschrijving. Onder invloed van de herstory-beweging die op zoek gaat naar de specificiteit van de vrouwelijke pen, werd dit geschiedkundig werk tot nu toe bestudeerd op basis van de dichotomie tussen vrouwelijke en mannelijke geschiedschrijving. Deze thesis toont aan dat deze dichotomie gepaard gaat met twee andere gegenderde assumpties: (1) vroegmoderne mannen schreven eerder publieke, politieke, militaire
geschiedschrijving, terwijl vrouwen private familiegeschiedenissen schreven; (2) vrouwen schreven hun geschiedenissen met een grotere focus op de menselijke passies en emoties. Ik stel dat deze benadering resulteert in een misinterpretatie van vrouwelijke geschiedschrijving, met Hutchinson als voorbeeld.
Ik beargumenteer aan de hand van de Memoirs dat Hutchinson de dichotomie tussen
het private en het publieke overstijgt en dat zij geen onderscheid maakt tussen
familiegeschiedenis en politieke geschiedenis. Veder toon ik aan dat Hutchinson geen
emotioneel geladen stijl gebruikt om haar werk een vrouwelijke toon te geven, maar dat ze haar geschiedenis onderbouwt met een antropologische analyse van de menselijke passies als destructieve factor in de Burgeroorlog. Om haar eigen bottom-up analyse van de Burgeroorlog te ondersteunen, baseert ze zich op bestaande filosofische en theologische kaders, voornamelijk de leer van St. Augustinus.
Deze studie toont aan dat het herstory-paradigma de meest fascinerende aspecten van Hutchinsons geschiedschrijving in de schaduw laat, en een misinterpretatie van de tekst oplevert. Ik hoop andere onderzoekers te inspireren om de herstory-zoektocht naar binaire verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke geschiedschrijving achterwege te laten, om samen een nieuw theoretisch raamwerk te creëren. Alleen zo wordt het mogelijk om vroegmoderne geschiedschrijfsters op een genuanceerde manier te benaderen en om hen volwaardig op te nemen in de geschiedenis van de geschiedschrijving.
Meer lezen

Denken of doen over de auto: Mindset-analyse van stadsplanners tijdens de heropbouw van Antwerpen (1940-1973)

KU Leuven
2025
Lenn
De Buysscher
Deze scriptie onderzoekt de evolutie van de gedachten van stadsplanners tijdens de heropbouw van Antwerpen in de periode 1940 tot 1973. Daarbij heeft deze scriptie specifieke aandacht voor de auto en bijhorende ontwikkelingen. Dit onderzoek gebruikt daarvoor bronnen uit het Felixarchief, het Vlaams Architectuur Instituut, het Rijksarchief te Antwerpen en verschillende bibliotheken van KULeuven. Die bronnen tonen via een close reading aan dat de gedachten van de stadsplanners doorheen de jaren heen evolueerden. Die evolutie was weliswaar niet rechtlijnig en verschillende elementen zoals stedelijk groen of historische monumenten kregen, afhankelijk van de periode, meer of minder aandacht binnen de gedachten van stadsplanners. Daarnaast beïnvloedde een combinatie van verschillende internationale tendensen de gedachten van de stadsplanners. Hun gedachten waren namelijk eerder een combinatie van verschillende invloeden uit andere landen zoals Groot-Brittannië, Duitsland of de Verenigde Staten.
Meer lezen

Een vergeten zijde van de Verlichting? Een kritische analyse van het beeld van de Verlichting in Vlaamse geschiedenishandboeken

Universiteit Gent
2025
Natan
Maes
Deze masterproef onderzoekt in hoeverre recente historiografische en filosofische nuances over de Verlichting weerspiegeld worden in het Vlaamse geschiedenisonderwijs. In de academische literatuur wordt de Verlichting steeds minder als een homogeen en eenduidig fenomeen beschouwd, en er is toenemende aandacht voor de interne spanningen, contradicties en exclusieve aspecten binnen deze intellectuele stroming. Dit onderzoek analyseert of en hoe deze kritische perspectieven doordringen in de onderwijspraktijk, met specifieke aandacht voor de manier waarop verlichtingsdenkers en hun ideeën worden gepresenteerd in geschiedenishandboeken. Finaal betoogt dit onderzoek dat de incorporatie van een genuanceerd narratief over de Verlichting pedagogische voordelen met zich meebrengt inzake het bereiken en behandelen van de eindtermen van de sleutelcompetentie historisch bewustzijn.

De studie combineert een literatuuronderzoek met een handboekanalyse. Vier veelgebruikte Vlaamse geschiedenishandboeken werden geanalyseerd op hun benadering van de Verlichting, nl. de mate waarin zij aandacht besteden aan de diversiteit binnen de beweging en de integratie van recente historiografische inzichten. De resultaten tonen aan dat de handboeken nog grotendeels vasthouden aan een klassiek en lineair vooruitgangsnarratief. Hoewel sommige handboeken, zoals Sapiens, pogingen doen om een kritische en multiperspectivistische benadering te hanteren, blijft de uitwerking hiervan vaak beperkt. Andere handboeken presenteren de Verlichting voornamelijk als een eenduidig succesverhaal zonder diepgaande reflectie op haar interne spanningen en beperkingen.

Deze bevindingen wijzen op het potentieel voor verdere didactische ontwikkeling die een kritische en genuanceerde benadering van de Verlichting binnen het geschiedenisonderwijs bevordert, met duidelijke pedagogische voordelen als resultaat. De studie onderstreept het belang van een lespraktijk die niet alleen oog heeft voor de emancipatorische idealen van de Verlichting, maar ook ruimte maakt voor de schaduwzijden en historiografische discussies. Zo kunnen leerlingen een genuanceerd en historisch onderbouwd beeld ontwikkelen, wat tegelijkertijd bijdraagt aan een rijkere leerervaring en het behalen van de eindtermen.
Meer lezen

In de schaduw van het licht. Voorstellingen van culturele anderen en andere culturen, gerepresenteerd in geïllustreerde tijdschriften ten tijde van Belgisch imperialisme (c. 1868-1908)

KU Leuven
2025
Robin Oscar
Spruyt
Vanaf het midden van de negentiende eeuw sloot België zich als jonge natiestaat aan bij een bredere Europese tendens van imperialisme, waarbij het bezit van kolonies werd gezien als een schitterende parel in de erekroon van het moederland. In dat ideologische klimaat nam de media tijdens de Leopoldiaanse periode (1885-1908) een onmiskenbare maar onderbelichte rol op in het populariseren, normaliseren en verspreiden van een koloniaal wereldbeeld. Het creeëren van een culturele ‘andere’, waaraan het geïdealiseerde westerse ‘zelf’ zich kon spiegelen, bleek daarin van enorm belang voor het vormgeven van een nationale identiteit.
In dit werk wordt uitgebreid onderzocht hoe die culturele anderen (en andere culturen) gerepresenteerd werden in de Belgische, Nederlandstalige geïllustreerde pers tussen 1868 en 1908: een periode van wereldwijde kolonisatie, conflict en nationalisme. Door middel van een diepgaande visuele en discursieve analyse van drie geografische casussen – de Oriënt, Afrika en Azië – biedt dit onderzoek inzicht in de verschillende manieren waarop niet-westerse volkeren en regio’s werden gevisualiseerd. De analyse steunt op enkele centrale theoretische kaders binnen het postkoloniale denken, waaronder Edward Saids orientalism, Johannes Fabians denial of coevalness en Gayatri Spivaks concept van othering. Die kaders maken het mogelijk om beeld en tekst te lezen als ideologisch geladen constructies, eerder dan louter informatieve weergaven van een vertekende werkelijkheid.
Bevindingen, op basis van circa 900 geanalyseerde foto’s en gravures met hun bijbehorende teksten, laten consistente patronen zien in de visuele en discursieve constructie van de ‘andere’, ondanks geografische en culturele verschillen. De Oriënt werd overwegend afgebeeld als een exotisch, religieus fanatiek en passief land. De bevolking, gegeneraliseerd tot ‘Arabieren’, werd gestript van culturele, religieuze en ethnische diversiteit; de islam beschuldigt als drijfveer van geweld en bloedvergiet in Afrika. In die context propageerde Leopold II de overname van Congo als een filantropisch project tegen Arabische slavenhandel; een rookgordijn om de eigen wanpraktijken te maskeren. Afrika werd afgeschilderd als een continent waar primitiviteit primeerde, waar de bevolking wild, kinderlijk en onbeschaafd was, en waar de klok pas begon te tikken na de komst van westerse kolonisten. In Oost- Azië kon slechts Japan rekenen op enige culturele bewondering, door de zichtbare modernisering naar ‘westers’ model die er zich voltrok. China daarentegen was een vernederd land, aangetast door opium, bewoond door een volk dat als karikaturaal en wreed werd gekenmerkt. In Zuid-Azië, waar Groot- Brittannië en Nederland respectievelijk bewind voerden in India en Indonesië, werden economisch gewin en tropische schoonheid ingezet als bewijsstukken van succesvolle kolonisatie: voorbeeldmodellen van volgroeide kolonies, waaruit België inspiratie kon puren voor haar eigen kolonie.
De studie toont ten slotte aan dat de Belgische geïllustreerde pers niet op zichzelf stond, maar nauw aansloot bij bredere transnationale discursieve trends. De afgebeelde ‘culturele ander’ was in wezen een projectie van een vermeend superieur, westers zelfbeeld, dat voortdurend werd bevestigd door beroep te doen op een een zogenaamd inferieure ‘andere’.
Meer lezen

Een grote wereld aan een kleine universiteit. Buitenlandse studenten aan de Katholieke Universiteit Leuven, 1900 – 1968

KU Leuven
2025
Alexe
Heleu
Deze thesis onderzoekt hoe de internationalisering van de KU Leuven zich heeft ontwikkeld tussen 1900 en 1968. Het doel is om een antwoord te bieden op de vraag: In welke mate ontwikkelde de KU Leuven zich tot ‘internationale’ universiteit? Daarvoor analyseer ik enerzijds het relatieve aantal internationale inschrijvingen en de diversiteit. Anderzijds besteedt de thesis aandacht aan het beleid en het imago van de KU Leuven. Een breed onderzoek, over een langere periode, naar studentenmobiliteit vanuit het oogpunt van een Belgische universiteit vormt een lacune in de bestaande academische historiografie. Daarnaast combineert het onderzoek kwantitatieve en kwalitatieve bronnen om de internationaliseringsgraad van de universiteit te bepalen. Voor het kwantitatieve aspect digitaliseerde ik de inschrijvingsgegevens, afkomstig uit de Jaarboeken van de KU Leuven, in een databank. Daarnaast analyseerde ik correspondenties, rapporten en artikelen, uit de Archieven van voormalige rectoren Ladeuze en Van Waeyenbergh, om het kwalitatieve aspect vorm te geven. Het eerste hoofdstuk analyseert de evolutie van de inschrijvingen van buitenlandse studenten aan de KU Leuven om zo het ‘internationale’ karakter te bepalen. Daaruit bleek dat de aantallen relatief beperkt bleven, maar dat de afkomst van de studenten enorm divers was, zeker na de Tweede Wereldoorlog. Daarna onderzocht ik aan de hand van correspondenties en rapporten hoe de KU Leuven en de rectoren hun beleid voerden ten opzichte van internationale studenten: de rectoren gebruikten de vernieling van de oorlogen als uitgangsbord om de Leuvense universiteit opnieuw te doen groeien. Ze deden dit door het beeld van de KU Leuven als een werelduniversiteit te propageren. Daarnaast gebruikten ze het katholieke karakter als bindmiddel. Tot slot ondersteunden ze opkomende organisaties om internationale studenten te helpen in Leuven. In het derde hoofdstuk ligt de nadruk op de individuele levensbelevingen van studenten. De analyse toont aan dat het eeuwenoude imago van de KU Leuven, haar katholieke karakter en culturele netwerken met de universiteit een positieve invloed hadden op de motivaties van studenten. Daarentegen vormden complexe, administratieve procedures en integratieproblemen struikelblokken. Het Frans, het financiële aspect en de geopolitieke situaties waren dubbelzinnige factoren, die zowel bevorderend als belemmerend werkten. Uit de analyse volgde dat Leuven zich in de vroege twintigste eeuw al ontwikkelde tot een internationale universiteit. Ze gebruikte de internationalisering in eerste instantie als een strategisch middel voor de wederopbouw na de oorlogen, maar geleidelijk aan evolueerde het naar een institutionele prioriteit. In de periode 1900 – 1968 legde ze de fundamenten voor een explosieve toename van internationale inschrijvingen vanaf 1970. Het ‘internationale’ karakter van de universiteit kwam dus naar voren dankzij een diverse studentengroep en was niet enkel afhankelijk van het aantal inschrijvingen.
Meer lezen

Ontwijken van oorlogsgeweld Hoe handelaars hun schepen veiligstelden door middel van neutralisatie in Oostende tijdens de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog 1775-1783.

KU Leuven
2025
Robbe
Degroote
Deze scriptie behandelt de praktijk van “neutralisatie” van schepen in Oostende tijdens de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783), met bijzondere aandacht voor de strategieën waarmee handelaars hun eigendommen probeerden te beschermen tegen de kaapvaart. Door te onderzoeken hoe schepen juridisch en praktisch “geneutraliseerd” werden, werpt dit onderzoek nieuw licht op de complexiteit van maritieme oorlogsvoering en handelsstrategieën in een Europa vol conflict.
Niet alleen wordt daarmee aangesloten bij het al bestaande onderzoek naar kapers, maritieme handel en neutraliteit, zoals dat van Parmentier, Farasyn en Schankenbourg. Deze thesis vult ook concrete gaten in de historiografie op. Zo focuste het onderzoek zich op onderbelichte aspecten zoals de naamsveranderingen van schepen; de praktische situatie aan boord van een geneutraliseerd schip en de band met de haven van registratie.
Methodologisch combineert dit onderzoek drie bronnen: de notariële akten opgemaakt in Oostende tijdens het conflict, scheepsbewegingen waarvan de gegevens met behulp van AI werden geëxtraheerd uit de Gazette van Gend; en de Prize Papers van het Engelse High Court of the Admiralty. Door deze bronnen systematisch te koppelen en te analyseren werd een beeld gevormd van de praktische werking van neutralisatie als de geografische netwerken erachter. In de verwerking werd gebruik gemaakt van AI voor datamining, met bijgevoegd een kritische reflectie over de betrouwbaarheid en inzetbaarheid van AI voor dit en toekomstig onderzoek.
De thesis bestaat uit drie inhoudelijke onderzoek hoofdstukken: een kwantitatieve analyse van de herkomst locatie en vaargeschiedenis naar Oostende van geneutraliseerde schepen; een semantische en taalkundige studie van naamsveranderingen; en een case study van de kaping van het schip “de Dageraad van Oostende”, waarbij de verborgen gezagsstructuur aan boord en de juridische verdediging nader onderzocht worden.
De conclusie toont aan dat neutralisatie in Oostende niet beperkt bleef bij het bekomen van scheepsdocumenten, maar dat er een complexe fictie gecreëerd werd om de schepen veilig te proberen stellen van kapers. Dit gebeurde aan de hand van naamsveranderingen en pragmatische organisatie. Daarnaast werd aangetoond dat geneutraliseerde schepen geen fysieke band met Oostende hoefden te hebben tijdens de neutralisatie. Hiermee levert deze scriptie een vernieuwende bijdrage aan de geschiedenis van zowel neutraliteit, handel en maritieme cultuur in de late 18de eeuw.

Meer lezen

Kepler between cosmos and calendar. A socio-historical study of Johannes Kepler (1571-1630) as prognosticator.

Universiteit Gent
2025
Heike
Bekaert
Deze thesis onderzoekt de rol van Johannes Kepler (1571-1630) als prognosticator binnen het bredere netwerk van lutheraanse astrologen, door een vergelijking met zijn tijdsgenoten Johannes Krabbe (1553-1616) en Melchior Schärer (1563-1624). Dit onderzoek wordt geconceptualiseerd als een microstudie van het netwerk van Wittenbergse astrologen beschreven in de literatuur en stelt de prognosticaties centraal binnen het onderzoek naar de vroegmoderne wetenschap van de sterren. Via een studie van de structuur, wiskundige basis en religieuze zingeving van de werken, toont deze thesis een aanzienlijke overeenkomsten tussen de drie astrologen. Elk beschouwen ze de prognosticaties op de eerste plaats als een religieus instrument, bedoeld om de mens dichter bij God te brengen. Via een kritische omgang met en uitwisseling van astrologische gegevens en theorieën proberen de astrologen elk op hun manier Gods wil, zoals die in de natuur geuit wordt, zo goed mogelijk te benaderen. Ondanks deze gedeelde basis komt Kepler naar voren als een radicale hervormer. Waar Krabbe en Schärer slechts stapsgewijze veranderingen doorvoerden, waren Keplers kritiek en structurele hervormingen veel ingrijpender. Hij bevond zich in een spreidstand tussen de verdedigers en critici van de astrologie: hij behield het religieuze kader, maar verwierp veel conventionele praktijken. Door een analyse van Kepler als prognosticator, draagt dit onderzoek bij aan een beter begrip van de wisselwerking tussen theorie en praktijk binnen wetenschappelijke netwerken.
Meer lezen

Oranje tegen Bonaparte. De Napoleontische mythe en het bonapartisme in de Zuidelijke Nederlanden (1815-1831)

KU Leuven
2025
Tuur
Porters
In deze scriptie onderzocht ik de ontwikkeling van de Napoleontische mythe en het bonapartisme in de Zuidelijke Nederlanden tussen 1815 en 1831. Ik legde daarbij de focus op de verhouding tussen die twee fenomenen, die door verschillen maar ook vele gelijkenissen gekenmerkt werden, maar ook op de houding van de Nederlandse overheid tegenover die napoleontische sentimenten.
Meer lezen

Towards a circular turn in heritage. Spolia, a bridge between past and present in Brussels' and Flemish contemporary preservation practices.

Vrije Universiteit Brussel
2025
Judith
Cools
De klimaatopwarming is een feit, en onderzoekers vertellen ons al jaren over de snel aankomende gevolgen daarvan. Één van de transities die we kunnen maken om de klimaatopwarming een halt toe te roepen is overstappen naar een circulaire economie, en voor de constructiesector is dat niet anders. Een circulaire bouweconomie introduceren kan op verschillende manieren: 1. Het omkeerbaar ontwerpen van gebouwen, zodat wanneer ze niet meer van dienst kunnen zijn, we hun onderdelen elders opnieuw kunnen gebruiken 2. Het retrofitten van bestaande gebouwen 3. Materialen en bouwelementen recupereren en hergebruiken na volledige of gedeeltelijke demontage. De bouwsector volledig circulair maken kan dus niet door enkel in de toekomst slim te ontwerpen, maar ook alle bestaande gebouwen zijn deel van deze transitie. In Brussel en Vlaanderen tezamen hebben meer dan 130.000 van deze gebouwen erfgoedwaarde. Maar hoe kunnen we circulariteit en erfgoed laten samengaan om ook deze gebouwen van cultureel en historisch belang in de transitie te betrekken? Binnen de erfgoedpraktijk is traditioneel en strikt beschermen en behouden vaak dé strategie bij uitstek. Deze gebouwen strikt beschermen én conform houden aan onze duurzaamheidsvereisten van vandaag kost veel tijd, aandacht, geld, etc. Gebruik van deze strategie is onhaalbaar en onwenselijk voor al die 130.000 gebouwen. Daarnaast heeft een evoluerende maatschappij ook steeds veranderende noden. Zo werd het herbestemmen van gebouwen waarbij flexibiliteit, aanpassingen maken en respect voor het erfgoed gecombineerd en steeds gangbaarder onder titel 'adaptive reuse'. Alhoewel dit al een enorme stap is richting duurzaamheid voor zowel mens als maatschappij, wordt er vaak over het hoofd gezien dat er bij flexibele erfgoedbewaarstrategieën fragmenten overblijven die de selectie niet halen en zo later ‘afval’ worden. Daarom beargumenteer ik in dit onderzoek waarom ook het demonteren, verplaatsen en herintegreren van architecturale erfgoedfragmenten deel is van een volledige transitie naar een circulaire bouweconomie. Echter is de erfgoedpraktijk nog sceptisch over het transporteren van erfgoedfragmenten als bewaarstrategie. Met een betoog, uitgediept op niveau van theoretische debatten, lokale beleidsdocumenten en praktijkvoorbeelden, toont deze thesis aan dat het verplaatsen van erfgoedfragmenten ook bijdraagt aan een inclusievere erfgoedzorg. Indien toegepast onder voorwaarden, kan het verplaatsen van erfgoedfragmenten bijdragen aan een rijker begrip van erfgoedwaarden en -betekenissen. In deze masterproef wordt er getracht de complexe match tussen hergebruik van bouwmaterialen en architecturale erfgoedfragmenten te benutten en aan te tonen dat beide disciplines op deze manier de volgende stap kunnen zetten richting duurzaamheid. Tenslotte is er niet enkel een ecologische voetafdruk verbonden aan materialen en fragmenten, maar dus ook een culturele/historische voetafdruk. Niet alleen biedt deze masterproef een grondige basis, gebaseerd op theorie, beleid en praktijk voor stakeholders uit beide disciplines om dit innovatief debat verder te voeren, ze biedt ook een concrete uiteenzetting hoe deze transitie in de praktijk gerealiseerd kan worden. Dit gebeurt met een voorstel om erfgoed- en bouwbeleid te integreren en zo niet alleen geschiedenis en cultuur, maar ook de 'embodied carbon en energy' te waarborgen.
Meer lezen

Hoe beschermd is ons erfgoed? Een onderzoek naar de inrichting van toevluchtsoorden voor cultureel bezit in België, zoals opgenomen in de Conventie van Den Haag voor de bescherming van Cultureel Bezit tijdens gewapend conflict (1954) en het Tweede Protoco

Universiteit Antwerpen
2025
Karolien
Maho
Dit onderzoek streeft naar de opmaak van een stand van zaken wat betreft de inrichting van nationale en internationale toevluchtsoorden in België zoals opgenomen in de 1954 Conventie van Den Haag en het Tweede Protocol. In de eerste plaats biedt literatuurstudie een inkijk in historische en hedendaagse casussen inzake de toepassing van toevluchtsoorden. Daarnaast wordt er contact gelegd met acht stakeholders uit verschillende domeinen: beleid, erfgoedsector en Defensie. Van hieruit worden er vijf adviezen geformuleerd die van toepassing zijn op de bescherming van het cultureel bezit en de inrichting van toevluchtsoorden. Ondanks de ondertekening van de Conventie van Den Haag en haar Protocollen is België onvoldoende voorbereid op de bescherming van het cultureel bezit. Uit het onderzoekt blijkt dat het land niet beschikt over officieel geregistreerde toevluchtsoorden, hedendaagse prioriteitenlijsten, een nationale adviescommissie en een duurzaam netwerk tussen Defensie en de erfgoedsector. Om dit te kunnen realiseren heerst er een hoge nood aan wetenschappelijk onderzoek binnen zowel de toepassing van de Conventie als de bijkomende uitdagingen die komen kijken bij hybride oorlogsvoering.
Meer lezen

Gent tussen republiek en reconciliatie. Een vergelijkende analyse van de voorgeboden uitgevaardigd tijdens de Gentse Calvinistische Republiek en na de reconciliatie met Filips II (1581-87)

Universiteit Gent
2025
Jens
Van Mieghem
Een vergelijkende analyse van het regelgevend beleid van het Gentse stadsbestuur tijdens de Gentse calvinistische republiek en na de reconciliatie met Filips II, zoals veruitwendigd in de voorgeboden. De focus ligt op 3 grote beleidsdomeinen: politieke en militaire regelgeving, religieuze regelgeving en economische en fiscale regelgeving. Daarbij is er telkens aandacht voor de in de voorgeboden uitgevaardigde normen, de betrokken autoriteiten bij de totstandkoming en de retoriek in de voorgeboden.
Meer lezen

In-between Demolition and Reuse: Actor Networks and Urban Logistics of Salvaged Materials between 1880-1960

Vrije Universiteit Brussel
2025
Liese
Van Holen
Wat vandaag een innovatieve uitdaging lijkt – het hergebruik van materialen – was tot het midden van de 20ste eeuw een vanzelfsprekende praktijk in de bouwsector. Pas daarna raakte dit hergebruik steeds versnipperd en minder goed georganiseerd. Cruciale momenten in dit proces zijn de opslag en verkoop van materialen tussen afbraak en hergebruik. Juist in die tussenfase wordt het zichtbaar hoe hergebruik in de praktijk werd georganiseerd en wie erbij betrokken was.

Deze scriptie toont aan hoe opslag en verkoop van afbraakmaterialen historisch gezien systematisch werden georganiseerd. Naast grote stadsdepots en private depots, werden ook toevallige open ruimtes benut om afbraakmaterialen op te slaan. Vaak werden gerecupereerde materialen zelfs rechtstreeks gesorteerd op de afbraakwerf. Dit vergemakkelijkte het uiteindelijke doel, efficiënte en snelle verkoop van gerecupereerde materialen.

Het historische hergebruiksproces waarbij elke open plek in de stad als potentiële opslagruimte diende, kan inspiratie bieden voor hedendaagse circulaire hubs en logistieke modellen. De scriptie benadrukt bovendien dat uitdagingen rond opslag en verkoop niet onderschat mogen worden. Uit analyse van historisch hergebruik blijkt namelijk dat opslag en verkoop een onmisbare rol speelden. Zodra deze processen veranderden, verdween het systematische hergebruik.

Naast de hergebruiksprocessen maken ook de betrokken stakeholders duidelijk waarom materialen systematisch werden hergebruikt. Ze deden dit om economische, pragmatische of kunsthistorische redenen. Zo ging de stad bijvoorbeeld systematisch tewerk met regelgeving en stadsdepots voor het behoud erfgoedelementen. Aannemers daarentegen, waren vooral op zoek naar de meest winstgevende manier om een afbraakproject te organiseren. Ook kleinere spelers droegen bij aan de waardering van hergebruiksmaterialen. Antiquairs zochten bijvoorbeeld naar elementen die zij aan een cultureel cliënteel konden verkopen, een praktijk die vandaag nog steeds herkenbaar is op rommelmarkten en in antiekwinkels.

Met een vernieuwend analytisch kader onderzoekt deze scriptie de circulariteit van hergebruiksmaterialen. Door processen en actoren in kaart te brengen, wordt duidelijk hoe we afbraakmaterialen kunnen leren herwaarderen. De studie biedt daarmee belangrijke inzichten in de evolutie van een historisch circulaire bouwsector naar de huidige stand van zaken.

Door te begrijpen hoe hergebruik vroeger structureel was georganiseerd, krijgen we ideeën om dit opnieuw een vanzelfsprekende plaats te geven in de bouwsector van de toekomst.
Meer lezen

Sonic Resistance: How Does the Iranian Metal Scene Function as a Form of Cultural and Political Resistance in an Authoritarian State?

Universiteit Gent
2025
João
Baptista
This thesis investigates how Iran’s underground Heavy Metal1 scene operates as a form of cultural and political resistance within the constraints of an authoritarian state. Drawing on qualitative methods, including semi-structured interviews, document analysis of lyrics and artwork, and digital ethnography of online communities, the study examines how musicians and fans negotiate political identity despite censorship and moral policing. The analysis is anchored in theoretical contributions from sound studies, subcultural theory, and resistance scholarship, particularly the works of Jacques Attali and Steve Goodman. Four interrelated analytical lenses are proposed: Sonic Resistance Identity (the formation of political subjectivity through sound), Repetitive Resistance (Camus’s Sisyphean logic applied to enduring subcultural defiance), Digital Vernacular Resistance (locally adapted strategies for
navigating surveillance), and Subcultural Infiltration (the slow diffusion of Metal aesthetics into mainstream youth culture due to infrastructural fatigue). Findings show that participation in metal, despite often not overtly political, is inherently oppositional in Iran, with distinct challenges for women, whose engagement constitutes “double dissidence.” The study concludes that resistance in this context is less about overt revolution and more about the sustained creation of alternative cultural spaces, where sound becomes both a medium and a metaphor for autonomy.
Meer lezen

Tussen voelen en vertellen: De emotionele cultuur tijdens de jaren 1960 in Vlaanderen

KU Leuven
2025
Lies-An
Desaever
Dit onderzoek focust zich op het voelen en het vertellen. Centraal staan de emotionele
herinneringen en herinnerde emoties van vertellers die opgroeiden tijdens de jaren 1960. Aan de hand van mondelinge interviews werd onderzocht hoe de emotionele cultuur in Vlaanderen tijdens dit decennium verschoof, en hoe de emotionele stijlen tussen stad en platteland verschilden. Daarvoor werden achttien vertellers geselecteerd die zowel op het West- en Oost-Vlaamse platteland als in de steden Kortrijk en Gent opgroeiden tijdens hun tienerjaren.

De analyse onderscheidt drie thema’s die inzicht geven in de toenmalige emotionele cultuur: het emotionele zelf, het gezin en de gemeenschap, en de invloed van technologie en de opkomst van de consumptiecultuur. De interviews tonen aan dat er een overgangsfase plaatsvond in de emotionele beleving, waarin de externe en relationele emoties aan belang verloren ten voordele van het interne zelf. Binnen de emotionele opvoeding is er vooral een verschil te zien, waarbij autoriteitsfiguren streefden naar stabiliteit en discipline, terwijl jongeren naar vrijheid en verbondenheid verlangden. De opkomst van de consumptiecultuur en de verspreiding van technologie beïnvloedde eveneens het emotioneel zijn. Er ontstond een tendens van verbondenheid en afstand, collectief geluk, maar vooral een stijgend individualisme.

Dit onderzoek biedt een andere kijk op het verleden door de focus te leggen op het belang van emoties. Het brengt de belevingsdimensie van het persoonlijke en geleefde verleden in beeld en toont hoe jongeren hun emoties ontwikkelden in een veranderende samenleving. Het theoretische fundament van dit onderzoek combineert inzichten uit de emotiegeschiedenis en mondelinge geschiedenis, en vult hiaten aan met multidisciplinaire literatuur. Zo levert dit onderzoek zowel methodologisch als inhoudelijk een bijdrage aan de historiografie. Het bewijst een vruchtbaar pad voor verder onderzoek naar de wisselwerking tussen emotie, herinnering en identiteit in verschillende historische contexten.
Meer lezen

L'Agiatissimo Madonna dell'Arcadia: Bianca Laura Saibante and the Arcadian inspiration of the Accademia Roveretana degli Agiati

KU Leuven
2025
Aurélie
Lemmens
Deze thesis onderzoekt de evolutie in de toelating en deelname van vrouwen aan literair-wetenschappelijke academies tijdens het Italiaanse primo Settecento, te beginnen met het wettelijke precedent dat werd geschapen door de Arcadia Academie in 1700. Om de impact van de nationale literaire academie op het intellectuele leven van vrouwen verder toe te lichten, biedt deze thesis een vergelijkende, microhistorische casestudy van de rol van Bianca Laura Saibante bij het integreren van Arcadische principes in de Tiroolse context tijdens de vormingsjaren van de Accademia Roveretana degli Agiati (1750-1756). Aan de hand van grondwetten, ledenlijsten, anthologieën en academische sessies reconstrueert de thesis het vroege bestuur, het toelatingsbeleid en de toelatingsprocedures, evenals de academische output van beide Academies, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de deelname en publieke vertegenwoordiging van vrouwen. Tegen deze achtergrond traceert de thesis een evolutie van de symbolische vermelding van vrouwen in ledenlijsten naar hun officiële bijdrage aan academisch leiderschap en literair-intellectuele output, en onthult daarmee de tot nu toe onderschatte invloed van de Arcadia Academie bij het vormgeven van deze veranderingen. Gezien de aanhoudende debatten over de actuele noodzaak van gendergelijkheid in de academische wereld, biedt een persoonlijk interview met de huidige voorzitster van de Agiati Academie, Patricia Salomoni, een hedendaags perspectief op de erfenis van vrouwen uit de Verlichting, waarbij zowel belangrijke vooruitgang als aanhoudende uitdagingen worden belicht. Door het verleden in dialoog te brengen met het heden, benadrukt de thesis de continuïteit van de centrale rol van vrouwen binnen (Italiaanse) academische kringen waarmee ook de actuele waarde van deze geschiedenis bevestigd wordt.
Meer lezen

Een professioneel leven in het teken van l’art chrétien: De rol van Emilie van Outryve d’Ydewalle (1826-1894) in het neogotische bedrijf van Jean-Baptiste Bethune

KU Leuven
2025
Flora
Debaere
Deze scriptie onderzoekt de professionele rol van Emilie van Outryve d’Ydewalle (1826-1894) in het neogotische kunstbedrijf van haar echtgenoot Jean-Baptiste Bethune. De basis voor deze studie vormden ongeveer duizend brieven uit het familiearchief de Bethune in Marke. Zij waren geschreven door of geadresseerd aan Emilie van Outryve d’Ydewalle. Via een inhouds- en discoursanalyse kwamen bevindingen naar boven over de professionele rol van van Outryve d’Ydewalle op verschillende niveaus ’s: binnen het gezin, in het bedrijf en in het kader van een breder netwerk van gelijkgezinden. Die brieven maken duidelijk dat zowel van Outryve d’Ydewalle als Bethune samen meer artistieke en professionele mogelijkheden hadden dan ze alleen konden verwezenlijken.
Meer lezen

Door de huid heen: Performancekunst en de radicale esthetiek van pijn op de Duystere Markt

KU Leuven
2025
Lies
Bogaerts
Mijn scriptie/thesis onderzoekt hoe pijn en lichaamsmodificatie binnen performancekunst, en specifiek op de Duystere Markt, bewust worden ingezet als artistiek en ritueel middel. Ik toon hoe het lichaam zo fungeert als medium voor expressie, transformatie en verbondenheid, en hoe dit ons denken over kunst en identiteit verruimt.
Meer lezen

Horen, Zien en Zwijgen Verzet en Censuur in het stripmagazine Robbedoes tijdens de Tweede Wereldoorlog

KU Leuven
2025
Robbe
Schroyens
Deze masterproef onderzoekt hoe het stripweekblad Robbedoes tijdens de Tweede Wereldoorlog functioneerde als cultureel en politiek fenomeen binnen een repressief en gecensureerd medialandschap. Waar bestaande studies vooral focussen op collaboratie of expliciete propaganda, werpt dit onderzoek nieuw licht op verborgen vormen van verzet binnen populaire cultuur, met speciale aandacht voor kinderliteratuur en visuele media. Aan de hand van discursieve en visuele analyse wordt onderzocht hoe Robbedoes, ondanks Duitse controle, ruimte wist te creëren voor ironie, kritiek en stil protest. Strips en karikaturen werkten als visuele secondewijzers: ze zijn snel, beweeglijk en vaak onopgemerkt, maar hebben het vermogen om subtiel de tijdsgeest te registreren en zelfs te ondermijnen. De studie baseert zich op het volledige corpus van Robbedoes (1938–1944), rapporten van de Propaganda-Abteilung Belgien, repressiedossiers van uitgeverij Dupuis en secundaire literatuur. De thesis bestaat uit drie delen: het eerste behandelt het institutionele en ideologische kader van Dupuis tijdens de bezetting, het tweede analyseert censuur, zelfcensuur en redactionele strategieën en het derde en vierde hoofdstuk ontleden hoe visuele elementen in reeksen zoals Marc, de Moderne Herkules (Superman) en De Avonturen van Robbedoes toch een subversieve lading droegen via personages, lay-out en beeldtaal. De conclusie luidt dat Robbedoes meer was dan een kindertijdschrift: het vormde een onderhandelingsruimte waar cultuur, macht en verzet samenkwamen. Hiermee draagt dit onderzoek bij aan een bredere herwaardering van populaire cultuur als spiegel én tegenstem van haar tijd.
Meer lezen

The Sound of the City: Object Recognition of Sound Sources on Historical Photographs

Universiteit Antwerpen
2025
Vastert
Cuykens
This thesis explores how machine learning can be used to detect sound sources in historical photographs, with the aim of developing a model that can be used for historical soundscape reconstruction. While machine learning, and more specifically object detection, is increasingly being used in heritage studies, its application on historical photographs is largely unexplored.
The research is divided into four stages. First, three object detection models, YOLOv8, Faster R-CNN, and RetinaNet, were benchmarked on both modern and historical datasets to assess their baseline performance, without any training. Although all models performed significantly worse on historical photographs, YOLOv8 showed the smallest drop in accuracy. In the second and third parts, YOLOv8 was fine-tuned on two classes of sound-producing objects: an existing COCO class, “train”, and a newly added class, “carriage”. In total, over 1600 photographs were annotated for the various datasets. While the modest dataset size and limited computational resources influenced the performance of the custom models, the research nevertheless offers some interesting insights into the potential and limitations of applying object detection to historical photographs. In the last stage, a custom CycleGAN model was trained to transform modern images into a historical style and vice versa, helping to generate training data and reduce the need for manual annotation. The thesis demonstrates the feasibility of using object detection on historical photographs for historical soundscape research and highlights promising directions for future work on machine learning and heritage studies.
Meer lezen

Van scène naar systematiek. Over het documenteren van creatieve processen in de podiumkunsten, aan de hand van het archief van Greet Vissers

Vrije Universiteit Brussel
2025
Renée
Ryckx
Dit onderzoeksartikel verkent hoe het archief van een kunstenaar kan helpen om creatieve processen in de podiumkunsten zichtbaar en toegankelijk te maken binnen de context van archiefinstellingen. Aan de hand van een casestudy rond theatermaker Greet Vissers wordt onderzocht hoe archiefbeschrijving en -structuur de werkmethodes van een kunstenaar kunnen weerspiegelen, zonder hun complexiteit te vereenvoudigen. De inclusieve praktijk van Vissers toont hoe hybride rollen en creatieve keuzes sporen nalaten in archiefmateriaal. Vanuit het concept van het performatief archief wordt de interactie tussen documentatie en artistieke praktijk geanalyseerd. Methodologisch combineert het project archiefanalyse, literatuurstudie en samenwerking met de kunstenaar. Op basis van de bevindingen werden vier aanbevelingen geformuleerd en besproken in dialoog met een archiefinstelling en een dienstverlenende organisatie binnen het erfgoedveld. Dit artikel draagt zo bij aan lopende discussies over kunstenaarsarchieven en de rol van archiefinstellingen in het bewaren en doorgeven van artistieke praktijken.
Meer lezen

Een podium voor de verpleegkunde. 50 jaar Week van de Verpleegkunde

KU Leuven
2025
Nona
Vinken
In deze masterproef heb ik onderzocht hoe de Week van de Verpleegkunde tussen 1975 en 2024 een podium vormde waarop verpleegkundigen hun professionele identiteit konden ontwikkelen en uitdragen. Terwijl de Belgische geschiedschrijving zich tot nu toe vooral heeft gericht op de identiteitsvorming van verpleegkundigen vóór het verkrijgen van hun juridisch statuut in 1974, betoog ik dat die formele erkenning geen eindpunt was, maar juist het begin van nieuwe vormen van professionele profilering. Aan de hand van archiefmateriaal en mondelinge bronnen heb ik geanalyseerd hoe het grootste jaarlijkse congres van het Nationaal Verbond van Katholieke Vlaamse Verpleegkundigen (N.V.K.V.V.) niet alleen een spiegel was van de evoluerende professionele identiteit van verpleegkundigen, maar ook een actieve rol speelde in de constructie ervan. Tussen 1975 en 1980 zocht de verpleegkunde, in het kielzog van het nieuwe statuut, naar erkenning als volwaardig en autonoom beroep, los van de medische autoriteit. De Week speelde hierop in door een eigen kenniscultuur te ontwikkelen en het beeld van een standvastige en zelfbewuste beroepsgroep zowel binnen de verpleegkundige gemeenschap als naar de samenleving toe uit te dragen. In de jaren 1980 en 1990 begonnen verpleegkundigen zich, onder druk van overheidsbesparingen in de zorgsector, steeds meer politiek te roeren, onder andere via bewegingen zoals de Witte Woede. Het N.V.K.V.V. gebruikte die spanningen om verpleegkundigen intern te versterken door hen neer te zetten als veerkrachtige en gespecialiseerde professionals. Tegelijkertijd groeide de congresweek uit tot een platform waarop zij hun eisen naar het beleid toe konden uiten. Tussen 2000 en 2024 werd de beroepsgroep steeds diverser, met meer specialisaties, niveaus en culturele achtergronden. Het N.V.K.V.V. maakte de Week inclusiever, zodat al deze verschillende verpleegkundigen zich als professionals konden profileren en hun stemmen konden laten horen. Sinds de coronacrisis van 2020 kreeg de congresweek ook een digitaal platform, wat de democratisering van het congres zowel versterkte als bemoeilijkte. Zo toont deze masterproef aan dat de Week van de Verpleegkunde niet alleen een spiegel van haar tijd was, maar ook een motor die de interne en externe dimensies van de professionele identiteit van verpleegkundigen sinds 1975 actief heeft versterkt.

Meer lezen

t' Vroetwijf met cloecken verstande. Een genderhistorische analyse van t'Boeck vande Vroet-Wijfs van Maarten Everaert uit de late zestiende eeuw.

Universiteit Gent
2025
Marthe
Clymans
Dit onderzoek bekijkt hoe man-vrouw verhoudingen aan bod komen in t’ Boeck vande Vroet-Wijfs. Dat werd geschreven door Maarten Everaert in de late zestiende eeuw. Aan de hand van een discoursanalyse onderzoekt de scriptie hoe mannelijke inmenging in de geneeskundige zorg terug te vinden is in een handboek voor vroedvrouwen. In het inleidend deel kadert de thesis de bron aan de hand van de auteur en het doelpubliek, de situatie van vroedvrouwen in de zestiende eeuw en de theorieën die het onderzoek ondersteunen. Het betoog is opgebouwd aan de hand van vier stadia waarbij de taak van de vroedvrouw beschreven wordt: preconceptionele fase, zwangerschap, bevalling en de postpartumzorg. Uit deze analyse blijkt dat er een verschil is in hoe Everaert zwangere vrouwen en vroedvrouwen beschrijft. Het onderzoek ent zich op verschillende vakgebieden en pleegt daartoe een bijdrage. Zo blijkt dat abortus een gangbare praktijk was en verbloemd werd, maar ook dat vroedvrouwen wel degelijk taken tijdens de bevalling mochten uitvoeren, zoals het gebruiken van operatieve instrumenten, die in de literatuur eerder aan mannen worden gekoppeld. Waar de bewegingsvrijheid van de zwangere vrouw in t’ Boeck van de Vroet-Wijfs uitermate beperkt wordt, krijgt de vroedvrouw veel beslissende en uitvoerende rollen toegelegd. Het onderzoek legt veel spanningsvelden in één van de eerste handboeken voor vroedvrouwen bloot. De verhoudingen tussen praktische en theoretische kennis, mannelijke en vrouwelijke zorgers en verschillende vrouwen onderling lagen nog niet vast en in die ruimte kon dit handboek ontstaan.
Meer lezen

Vrouwen in de museale marge. Een vergelijkend onderzoek naar de representatie van vrouwen in tweede wereldoorlogsmusea in België en Nederland

Universiteit Gent
2025
Kirsty
van der Voort van der Kleij
Deze masterproef onderzoekt hoe vrouwen worden gerepresenteerd in Tweede Wereldoorlogsmusea in België en Nederland. Met behulp van het gender blind model van Grahn worden zes musea geanalyseerd en vergeleken op hun niveau van genderbewustzijn, vanuit een feministisch-analytisch perspectief. De resultaten tonen een breed spectrum aan representaties: sommige musea presenteren vrouwen als volwaardige historische actoren, terwijl andere hen voornamelijk portretteren binnen traditionele, zorgende of ondersteunende rollen. De analyse identificeert terugkerende patronen, zoals absence/presence, genderstereotypische archetypes, en de
beperkte vertegenwoordiging van pariah femininities. De bevindingen suggereren dat substantiële integratie van vrouwelijke perspectieven gepaard gaat met expliciet beleid, contextuele verdieping, en reflectie op bestaande representatiestructuren. Dit onderzoek is de eerste toepassing van het gender blind model op Tweede
Wereldoorlogsmusea in België en Nederland en biedt een analytisch kader voor het bestuderen van genderrepresentatie. Het bevraagt wie als herinnerenswaardig wordt beschouwd, wie wordt gemarginaliseerd, en hoe musea deze keuzes presenteren binnen het collectieve oorlogsgeheugen.
Meer lezen

Een kijk op dekolonisatie: Vlaamse en Franse media over tien jaar onafhankelijkheid in hun voormalige koloniën

KU Leuven
2025
Margeaux
De Borger
Deze masterproef onderzoekt hoe de dekolonisatie van Congo en Algerije gerepresenteerd werd in Vlaamse en Franse televisiereportages, tien jaar na de onafhankelijkheid van beide landen. Aan de hand van een kwalitatieve, multimodale framingsanalyse worden de twee driedelige reportagereeksen Kongo (1970) en L’Algérie dix ans après (1972) geanalyseerd.
Meer lezen