Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Van penseelstreek tot pixel: de hedendaagse visuele cultuur en de waarneming van kunst

Universiteit Gent
2025
Malou
Perquy
Deze masterproef onderzocht welke voorwaarden nodig zijn om kunst ten volle te kunnen waarnemen en waarderen, en op welke manier deze voorwaarden beïnvloed worden door digitale media en de cognitieve toestand waarin deze media hun gebruikers achterlaten. De factoren die bepalend zijn voor de waarneming en ervaring van kunst werden afgewogen tegen de impact van digitale media op diezelfde factoren.

In het eerste hoofdstuk werd duidelijk dat de waarnemer geen neutrale observator is, maar een beïnvloede kijker, gevormd door culturele, sociale, historische, conventionele en psychologische factoren, die op hun beurt mede worden bepaald door digitale media. Digitale media creëren zowel een nieuwe kijker als een nieuwe manier van kijken naar kunst. Vervolgens werd onderzocht hoe digitale media de aard van het kunstwerk beïnvloeden, zowel wat de reproductie betreft als het fysieke kunstwerk. Het bleek dat digitale media niet enkel de inherente aard van het kunstwerk veranderen, maar ook betekenis, receptie, de relatie tot de toeschouwer en het concept van authenticiteit een andere invulling geven.

Tot slot werd ingegaan op de context waarin de waarneming plaatsvindt: de ervaring van kunst in musea tegenover die op digitale media. Beide contexten beïnvloeden hoe een beeld wordt opgevat, wat en hoe er wordt gezien, hoe men zich ertoe verhoudt en hoe erop gereageerd wordt. In tegenstelling tot de beperkte ruimte van musea, die zich onderscheidt van het dagelijkse leven, worden digitale media gekenmerkt door hun alomtegenwoordigheid en hun ontwerp dat gericht is op het genereren van constante betrokkenheid. Hierdoor dringt de invloed van digitale media door tot in de hedendaagse musea en in de perceptie van hun kunst. Dit heeft implicaties voor de tijdsbesteding in musea, het geheugen van wat wordt waargenomen en het vermogen om aandachtig waar te nemen.

Het is duidelijk dat digitale media zowel de waarnemer, het kunstwerk als de context van beschouwing aanzienlijk beïnvloeden. Wanneer deze factoren samenkomen in de kunstwaarneming, wordt hun onderlinge interactie – en bijgevolg de perceptie en de ervaring van kunst – in belangrijke mate mee bepaald.
Meer lezen

De theory-fiction van de CCRU: op zoek naar the Outside

Universiteit Gent
2025
Felix
De Backer
Een analyse van de filosofische pertinentie van de theory-fiction van de CCRU, aan de hand van hun notie van hyperstition.
Meer lezen

Politieke in(kt)vloed: Een vergelijkende visuele analyse van politieke cartoons uit De Roode Vaan, De Schelde, Volk en Staat, en De Standaard (1929-1945)

KU Leuven
2025
Pauline
Stofferis
Een vergelijkende visuele analyse van politieke cartoons uit het communistische blad De Roode Vaan, het Vlaams-nationalistische dagblad De Schelde en zijn opvolger Volk
en Staat, en de centrumrechtse krant De Standaard van 1929 tot 1945.
Meer lezen

EVALUATING DISINFECTION STRATEGIES FOR SUSTAINABLE REUSE OF MEDICAL DRUG ADMINISTRATION CUPS: A LIFE CYCLE ASSESSMENT

Universiteit Gent
2025
Camille
Masselis
Deze thesis vergelijkt de milieu-impact van drie alternatieve systemen die de dienst van geneesmiddelentoediening met een niet-kritisch medisch hulpmiddel leveren, met name een plastic geneesmiddelentoedieningsbekertje. Het doel is om de hypothese te toetsen of het vervangen van het huidige wegwerpsysteem in het Universitair Ziekenhuis Gent door een hergebruikssysteem via desinfectie van het bekertje leidt tot een lagere milieu-impact. Voor het herbruikbare systeem worden twee types desinfectie geëvalueerd en vergeleken met het wegwerpsysteem aan de hand van een attributionele milieugerichte Levenscyclusanalyse (LCA). De eerste vorm van desinfectie gebeurt met een gebruiksklare desinfecterende polyesterdoek van Clinell®. De tweede methode betreft geautomatiseerd wassen en desinfecteren in een thermodesinfector van Miele®. Primaire data zijn verzameld in nauwe samenwerking met het Universitair Ziekenhuis Gent en aangevuld met secundaire data, zoals uit de ecoinvent-database. De impacten zijn beoordeeld met behulp van de software SimaPro 9.5.0.1 en de ReCiPe2016 v1.07-methode. In het basisscenario (gemiddeld 270 keer hergebruikt) vertoont het systeem met het herbruikbare bekertje dat wordt gedesinfecteerd in de thermodesinfector de laagste netto-impact op vier van de zeven hotspot-middenindicatoren en op alle drie de eindpuntindicatoren. Daarentegen blijkt het herbruikbare systeem met natte doekjes minder gunstig, voornamelijk omdat het gebruik van wegwerpdoekjes voor herbruikbare bekertjes de milieulast verschuift van het ene product naar het andere. Bovendien worden de doekjes geproduceerd in China, wat extra impact veroorzaakt door transport. Wel kunnen gewijzigde aannames over de productie en de afvalverwerking van de thermodesinfector, evenals het aantal keren hergebruik de voorkeur voor dit systeem verminderen.
Meer lezen

Duurzaamheid in de leveranciersketen: een strategisch model voor het monitoren en verbeteren van duurzame prestaties van non-paintleveranciers bij BOSS paints in lijn met de CSRD-wetgeving

HOGENT
2025
Xander
Vansteenkiste
Korte inhoud – Bachelorproef “Duurzaamheid in de leveranciersketen: een strategisch model voor het monitoren en verbeteren van duurzame prestaties van non-paintleveranciers bij BOSS paints”

Deze bachelorproef werd uitgevoerd binnen de opleiding KMO-management aan HOGENT in samenwerking met BOSS paints. Het onderzoek ontwikkelt, implementeert en evalueert een CSRD-conform leveranciersscoremodel dat de duurzaamheidsprestaties van non-paintleveranciers op systematische wijze in kaart brengt.

De centrale onderzoeksvraag luidt:
“Hoe kan BOSS paints een systematische leveranciersranking ontwikkelen en implementeren voor non-paintproducten die voldoet aan de eisen van de CSRD en bijdraagt aan haar duurzame doelstellingen?”

Na een literatuurstudie over duurzaam supply-chain- en ESG-beheer werd een digitale vragenlijst ontworpen op basis van internationale standaarden zoals EcoVadis en de European Sustainability Reporting Standards (ESRS). De vragenlijst omvatte thema’s als bedrijfsgegevens, milieu, ethiek en duurzaam aankopen, en werd in vier talen verspreid naar 124 non-paintleveranciers.

De resultaten werden verwerkt in een Excel-geautomatiseerd scoremodel met gewichten en correcties op basis van bedrijfsgrootte. De empirische analyse (respons van 48 leveranciers, goed voor 70% van het aankoopvolume) toonde duidelijke verschillen in duurzaamheidsprestaties tussen grote ondernemingen en kleinere KMO’s. Structurele tekortkomingen werden vastgesteld op het vlak van CO₂-meting, transportelektrificatie en ketentransparantie.

Daarnaast werd een CO₂-nulmeting uitgevoerd van het inkomend transport van non-paintgoederen. In 2024 bedroeg de uitstoot 819.795 kg CO₂, een stijging van 11,84% tegenover 2022, waarbij drie leveranciers meer dan 54% van de emissies veroorzaakten. Gemiddeld werd 8,61 kg CO₂ per €1.000 aankoopwaarde uitgestoten.

Het model werd in mei 2025 gepresenteerd aan het Supply Chain Team van BOSS paints en formeel geïntegreerd in het aankoopbeleid. De aanbevelingen omvatten verdere benchmarking, de formalisering van een leveranciersgedragscode, en de uitbouw van ketentransparantie en transportoptimalisatie.

Deze bachelorproef bewijst dat datagedreven leveranciersbeheer binnen een KMO niet alleen haalbaar is, maar ook een hefboom vormt voor structurele verduurzaming in lijn met de CSRD-wetgeving.
Meer lezen

Framinganalyse van de zij-instromer in de Vlaamse pers tussen januari 2022 en juli 2025

KU Leuven
2025
Charlotte
Wright
In dit onderzoek werd nagegaan welke frames de Vlaamse kranten De Morgen, De Standaard, De Tijd, Het Laatste Nieuws, Het Nieuwsblad en het magazine Knack hanteren in hun berichtgeving over de zij-instromer tussen januari 2022 en juli 2025. Hiervoor werd een kwalitatieve, inductieve framinganalyse uitgevoerd. Naast deze centrale onderzoeksvraag werden ook twee deelvragen onderzocht. De eerste deelvraag richtte zich op mogelijke verschillen in de gebruikte frames tussen de
verschillende jaren binnen de onderzoeksperiode. De tweede deelvraag ging na hoe de frames verschillen tussen de kwaliteitsmedia (De Morgen, De Standaard, De Tijd en Knack) en de populaire media (Het Laatste Nieuws en Het Nieuwsblad).

Uit het onderzoek kwamen vier frames naar voren die het beeld van de zij-instromer in de Vlaamse pers tussen 2022 en midden 2025 vormgeven: ‘de uitvaller’, ‘de extra belasting’, ‘de meerwaarde’ en ‘de betekeniszoeker’. De eerste twee frames schetsen een eerder negatief beeld van de zij-instromer, terwijl de laatste twee frames juist een positief beeld uitdragen. Alle vier de frames kwamen terug in elk van de onderzochte jaren en waren aanwezig in zowel de kwaliteitsmedia als de populaire media.
Meer lezen

Nieuw kapitalisme: Juridische middelen om kapitaal te sturen naar ESG bedrijven

Vrije Universiteit Brussel
2025
Sara
Faes
Genomineerde shortlist NBN Sustainability Award
Mijn masterproef omvat een onderzoek naar welke ESG criteria reeds zijn opgenomen in de Belgische Corporate Governance Code en hoe deze laatste kan worden verbeterd opdat ESG de nieuwe bedrijfsfilosofie wordt.
Meer lezen

Mapping Memory: Colonial Street Names and Public Memory in Belgium

Andere
2025
Lotte
Claerhout
Deze masterproef onderzoekt hoe België omgaat met de herinnering aan zijn koloniale verleden via straatnamen die nog steeds verwijzen naar het koloniale tijdperk. Aan de hand van zowel kwantitatieve als kwalitatieve methoden wordt nagegaan waar deze straatnamen voorkomen, welke types namen het zijn en in welke politieke context ze behouden of hernoemd werden.

Op basis van gegevens uit de drie gewesten brengt het onderzoek in kaart welke koloniale straatnamen bleven bestaan, welke verdwenen en hoe die beslissingen samenhangen met lokale en institutionele factoren.

Een diepgaande analyse van vijf Vlaamse gemeenten (Balen, Dendermonde, Gent, Mechelen en Kortrijk) toont aan dat bijna alle bevestigde hernoemingen sinds 2002 gericht waren op verwijzingen naar koning Leopold II. Opvallend genoeg vonden deze naamsveranderingen uitsluitend in Vlaanderen plaats, wat wijst op duidelijke regionale verschillen in de omgang met het koloniale verleden.

Door koloniale sporen in de publieke ruimte letterlijk op de kaart te zetten, laat deze studie zien hoe België vandaag zijn verleden herinterpreteert en hoe discussies over identiteit, verantwoordelijkheid en historische rechtvaardigheid daarin een rol spelen.
Meer lezen

Knowledge clips assisted instructions during English lessons

Odisee Hogeschool
2025
Tine
Vercauteren
Genomineerde longlist Klasseprijs
Deze bachelorproef onderzoekt het gebruik van kennisclips als didactisch hulpmiddel in het tweede jaar Engels (eerste graad, A-stroom) ter ondersteuning van het leren van grammatica. De studie is gebaseerd op de theorie van multimedia learning, die het gecombineerde gebruik van gesproken uitleg en visuele elementen benadrukt om het leerproces te versterken. Het onderzoek gaat na of kennisclips kunnen bijdragen aan een beter begrip en een verbeterde retentie van complexe grammaticale onderwerpen bij leerlingen. Op basis van de ontwerprichtlijnen uit de theorie van multimedia learning werd een checklist ontwikkeld om het ontwerp en de integratie van kennisclips in het lesonderdeel te ondersteunen. De resultaten tonen aan dat kennisclips grammatica lessen efficiënt kunnen ondersteunen, als ze goed ontworpen zijn, de checklist volgen en worden geïntegreerd in lessen met Generative Activities onder begeleiding van de leerkracht. Hoewel het onderzoek een beperkte reikwijdte heeft, suggereren de bevindingen dat een kennisclip-ondersteunde instructie ook toepasbaar en waardevol kan zijn in andere leerjaren en vakken binnen het secundair onderwijs, en zo een hulpmiddel biedt waarmee leerkrachten hun lespraktijk kunnen versterken.
Meer lezen

DE RECHTSVORDERING VAN RECHTSPERSONEN TER VERDEDIGING VAN ALGEMENE BELANGEN Aan poten en hoeven gebonden? De rechtsvordering van verenigingen ter verdediging van dierenwelzijn: een kritische toetsing

Vrije Universiteit Brussel
2025
Astrid
Pepermans
De mogelijkheid voor verenigingen om in rechte op te treden ter verdediging van algemene belangen – dat wil zeggen belangen die verband houden met hun statutair doel – vormt al jarenlang een bron van juridische en maatschappelijke discussie. Het vraagstuk werd recent opnieuw op scherp gesteld door het arrest van het Belgische Hof van Cassatie van 11 juni 2024, waarin de burgerlijke partijstelling van vzw Animal Rights onontvankelijk werd verklaard wegens een gebrek aan eigen belang in de zin van artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek. De vzw had zich, naar aanleiding van ernstige schendingen van dierenwelzijnswetgeving, burgerlijke partij gesteld in een strafprocedure tegen een slachthuis en diens zaakvoerder. Hoewel het Gentse Hof van beroep het jaar voordien nog had geoordeeld dat de vzw een eigen belang kon aantonen op basis van haar statutair doel, kwam het Hof van Cassatie tot een tegengestelde conclusie.

De vraag of, en onder welke voorwaarden, dergelijke rechtspersonen een rechtsvordering kunnen uitoefenen, raakt aan fundamentele beginselen van het procesrecht en aan de klassieke tweedeling tussen het private en publieke domein waarop het Belgisch recht steunt. Deze indeling onderscheidt enerzijds private belangen, die via de burgerlijke procedure worden verdedigd door titularissen van subjectieve rechten of hun gemachtigden, en anderzijds het publieke belang, waarvoor doorgaans het openbaar ministerie optreedt, meestal binnen het strafrecht.

Deze bijdrage beoogt een diepgaande analyse van de ontvankelijkheidsvoorwaarden die de Belgische rechtsorde hanteert voor rechtspersonen die algemene belangen in rechte willen verdedigen, met bijzondere aandacht voor dierenwelzijnsverenigingen. De uiteenzetting vertrekt dan ook vanuit de centrale onderzoeksvraag: Hoe verhoudt de invulling van het belang, de hoedanigheid en de (potentieel) geleden schade als ontvankelijkheidsvoorwaarden voor de rechtsvordering van rechtspersonen ter verdediging van de algemene belangen zich tot de behartiging van dierenwelzijn?

Al in de jaren 60 wees de koninklijk commissaris bij het ontwerp van het gerechtelijk wetboek op het ontbreken van een uitgewerkte theorie rond de rechtsvordering, met inbegrip van vorderingen ingesteld door rechtspersonen. Een eenduidige, coherente en systematische wettelijke regeling kwam er tot op heden niet. Een wisselvallige rechtsleer én rechtspraak is het gevolg.

Om de centrale onderzoeksvraag te beantwoorden, vat dit artikel aan met een verkenning van het juridisch en rechtsdogmatisch kader waarin de rechtsvordering, het belang, de hoedanigheid en de schade wordt geconceptualiseerd en geïnterpreteerd. Ook een overzicht van de historische en actuele positie van de rechtsvordering van rechtspersonen ter verdediging van algemene belangen is onontbeerlijk. Door de juridische en politieke premissen te onderzoeken waarop uiteenlopend invulling is gegeven aan de toepassingsvoorwaarden ervan, en door na te gaan hoe deze verschillende benaderingen zich tot op vandaag in de praktijk manifesteren, brengt dit artikel bestaande lacunes en begripsverwarring in kaart.

De focus wordt vervolgens, aan de hand van een veldstudie, toegespitst op de mogelijkheid voor verenigingen die milieubescherming en dierenwelzijn nastreven om als burgerlijke partij op te treden in strafzaken. Deze veldstudie, ingegeven door het arrest van 11 juni 2024, toont aan dat zelfs na de hervorming van artikel 17 Gerechtelijk Wetboek – waarmee de initiatiefnemers beoogden de juridische mist rond de rechtsvordering weg te nemen – nog steeds geen sluitende interpretatie bestaat over de ontvankelijkheidsvoorwaarden van de rechtsvordering van rechtspersonen.

Dit is niet alleen problematisch in de burgerlijke rechtspraak. Zoals de analyse in deze bijdrage aantoont, treden verenigingen ook in strafzaken op om dierenleed onder de aandacht van de rechter te brengen, met inconsistente rechtspraak als resultaat. Gezien de maatschappelijke urgentie en het toenemende draagvlak voor handhaving van dierenwelzijnswetgeving, is de nood aan een eenduidig wettelijk kader en aan rechtszekerheid des te groter. In dat opzicht overstijgt deze bijdrage de technisch-processuele discussie over ontvankelijkheid, en raakt ze ook aan fundamentelere vragen over wie er het best geplaatst is om dierenwelzijn te verdedigen in het gerecht, op welke manier dierenleed kan worden gesignaleerd, erkend en gecompenseerd, en welke belangen – vooral wanneer ze niet worden gestut door eigen subjectieve rechten – al dan niet een juridische stem verdienen.

Daarbij wordt ook stilgestaan bij de mogelijkheid van verdere wetgevende actie. Twee wetsvoorstellen van 16 september 2024 en van 11 oktober 2024 trachtten het hiaat in de toegang van dierenwelzijnsverenigingen tot de rechter op te vullen door in artikel 17 Gerechtelijk Wetboek een uitdrukkelijke rechtsvordering toe te kennen aan deze verenigingen. Dit roept de vraag op of het wenselijk is om opnieuw een bijzonder wettelijk regime in te voeren, dan wel of het tijd is om de conventionele, binaire fundamenten van de rechtsvordering in België te herzien, in het licht van belangen die vandaag nog te vaak noodgedwongen zonder juridisch klankbord blijven.
Meer lezen

DEVELOPMENT OF A MULTI-SENSOR MODULAR ELECTRONIC STETHOSCOPE

Vrije Universiteit Brussel
2025
Veronika
Schatz
De Open-Source Multi-Sensor Modulaire Elektronische Stethoscoop (OMES) is een elektronische stethoscoop, die jij heel gemakkelijk kunt gebruiken als een modulaire upgrade voor een analoge stethoscoop of als zelfstandig apparaat. Alle bestanden die nodig zijn om OMES te bouwen, zijn gratis en open-source beschikbaar. Jij kunt OMES dus op eenvoudige wijze zelf assembleren. Hier leest jij hoe dat werkt en wat OMES zo uniek maakt.
Meer lezen

Rubens' portretkunst als spiegel voor zijn interesse in fysiognomie

Universiteit Gent
2025
Mariette
Van Gysegem
Mijn onderzoek bekijkt de portretpraktijk van Peter Paul Rubens vanuit een fysiognomische lens. Vooraleer dit denkkader kan toegepast worden op zijn oeuvre, wordt Rubens' fascinatie voor fysiognomie in zijn culturele context bekeken. Het vertrekt vanuit de oorsprong en ontwikkeling van het gedachtegoed om zo het belang in de leefwereld van Rubens te contextualiseren. Vervolgens onderzoekt het de connectie tussen fysiognomie en de vroegmoderne kunstpraktijk. Hierna wordt ingezoomd op Rubens' aantoonbare interesse in het onderwerp als vereiste voor het gebruik van een fysiognomische lens.

Daarna wordt het fysiognomisch denkkader toegepast op case-studies binnen zijn oeuvre. Hierbij richt de beeldanalyse zich op vorm, kleur en textuur, aangezien bestaand onderzoek vaak enkel naar vorm keek. Voor de karaktertypologie werden primaire zeventiende-eeuwse fysiognomische traktaten bestudeerd en zo de typerende elementen van verschillende karaktertypes geïdentificeerd om ze toe te passen op de case-studies. De afbakening tot portretkunst is een logisch gevolg van het gezicht als primaire plek voor de fysiognomische lezing. Binnen zijn portretten wordt gefocust op familieportretten en kopieën naar oude meesters aangezien hij bij deze genres het meeste vrijheid had om te experimenteren.

Voor deze analyse werd een methodologie ontwikkeld die vertrekt vanuit het uitgangspunt van de fysiognomie, waarbij het uiterlijk en het innerlijk van een persoon onlosmakelijk verbonden zijn. Het onderzoek bekijkt deze connectie in twee richtingen. Ten eerste worden familieportretten geanalyseerd om te onderzoeken in hoeverre het innerlijk iets zegt over het uiterlijk, met het sanguinische temperament als uitgangspunt, omdat dit karaktertype als positief en zeldzaam werd beschouwd en Rubens vermoedelijk warme genegenheid voor zijn familieleden voelde. Ten tweede worden zijn kopieën naar oude meesters bestudeerd om de omgekeerde richting te ondervragen. Het uitgangspunt is de beeldanalyse van visuele aanpassingen die Rubens doorvoert in zijn kopie ten opzichte van het origineel. Vervolgens wordt gekeken of deze aansluiten bij de representatie van een specifiek innerlijk karakter.

De analyse toont hoe Rubens systematisch ronde vormen, roodheid en glanzende huidaccenten gebruikte, kenmerken die overeenstemmen met het sanguinische temperament, dat in zijn tijd overwegend positief gewaardeerd werd. Hierdoor creëerde Rubens een fysiognomisch ideaaltype dat functioneerde binnen de beeldcommunicatie met zijn publiek. Dit onderzoek vult een lacune in de bestaande literatuur, die vaak enkel de passies en niet de fysiognomie in Rubens’ werk behandelde. Bovendien wordt dit gedachtegoed nooit bekeken zij-aan-zij met het effectieve kunstwerk, hoewel deze combinatie cruciaal is. Het besluit dat Rubens’ intellectuele fascinatie voor fysiognomie niet enkel een persoonlijke interesse was, maar een diep ingebed cultureel referentiekader dat zijn portretkunst beïnvloedde.

Deze studie opent de weg om Rubens’ intellectuele interesses concreet te verbinden met zijn oeuvre en suggereert verdere uitbreiding via technische beeldanalyses zoals kleuranalyse en reflectografie. Daarnaast vormt ze een vertrekpunt om ook andere categorieën binnen zijn portretkunst, zoals de keizerportretten, door een fysiognomische lens te bestuderen. Verdere analyses kunnen nagaan hoe andere temperamenten werden verbeeld en in welke mate Rubens’ leerlingen en tijdgenoten dit gedachtegoed overnamen of er eigen invullingen aan gaven.
Meer lezen

Making Sense: Materiality, Memory and Imagination in Max Porter’s Grief is the Thing with Feathers and Lanny

KU Leuven
2025
Nils
Van den Keybus
Hoewel 4E-narratologie zich bij uitstek leent voor het bestuderen van de interactie tussen belichaamde lezers en narratieve teksten, wordt de materialiteit van dat narratief vaak over het hoofd gezien. Materiële benaderingen daarentegen leggen juist de nadruk op de tekstuele materialiteit, maar besteden zelden aandacht aan de rol van belichaamde lezers. Door beide theoretische stromingen met elkaar te verbinden, probeer ik deze kloof te overbruggen en de onscheidbaarheid van tekst, materialiteit en belichaamde lezers aan te tonen.

Aan de hand van close readings van het werk van Max Porter illustreer ik de theoretische en methodologische meerwaarde van het integreren van tekstuele materialiteit in de 4E-theorie. De manieren waarop Grief is the Thing with Feathers en Lanny lezers uitnodigen om zich onbekende lichamen, bewegingen en vormen van waarneming voor te stellen, kunnen slechts ten volle worden begrepen wanneer zowel tekstuele als niet-tekstuele middelen in beschouwing worden genomen.

Ik argumenteer dan ook dat de interactie tussen lezers en materieel gevormde narratieve teksten niet zomaar kan worden opgedeeld in verbale en materiële componenten. Deze scheiding is kunstmatig en leidt tot een onvolledig beeld. Ik stel dat lezers narratieven begrijpen via zintuiglijke verbeelding, waarbij zij ervaringssporen combineren met aanwijzingen in verschillende modaliteiten om perceptuele ervaringen te ensceneren. Alleen door tekst en materialiteit gelijktijdig te onderzoeken kunnen we begrijpen hoe lezers betekenis geven aan narratief.
Meer lezen

Fika (Zweden: waar koffi en kake niet zomaar koffie en cake zijn.)

Hogeschool VIVES
2025
Laura
De Pré
Fika is een Zweeds ritueel. Mensen die samen pauzeren, waardoor dit stress reduceert, teamdynamiek verbetert en werktevredenheid vergroot. Het onderzoek werd uitgevoerd op de kritieke diensten van een ziekenhuis in Zweden met als doel te onderzoeken wat de impact was op het welzijn van het zorgpersoneel. Na de verkenning van het concept werd er gekeken naar een mogelijke implementatie in de Belgische zorgsector als welzijnsinterventie.
Meer lezen

Probabilistic geotechnical calculations of dikes

Universiteit Gent
2025
Thibo
Verstrynge
Traditionele geotechnische ontwerpmethoden in België zijn in hoofdzaak gebaseerd op deterministische of semi-probabilistische benaderingen. Deze leiden vaak tot conservatieve schattingen die de inherente variabiliteit van het bodemgedrag slechts beperkt weerspiegelen. In deze thesis wordt de praktische toepassing van volledig probabilistische geotechnische berekeningen onderzocht, met specifieke aandacht voor het voorspellen van dijkzettingen.

Het onderzoek richt zich op het project voor dijkversterking te Groot Schoor (Bornem), dat deel uitmaakt van het bredere Vlaamse Sigmaplan voor waterveiligheid. Hierbij wordt uitgebreide veld- en laboratoriumdata geïntegreerd met geavanceerde probabilistische methoden.

Een omvattende methodologie wordt ontwikkeld, waarin PLAXIS 2D eindige-elementenmodellering wordt gecombineerd met Python-gebaseerde automatisering en probabilistische berekeningen. Via een sensitiviteitsanalyse worden de belangrijkste bodemparameters geïdentificeerd en gemodelleerd als stochastische variabelen, gebaseerd op kansverdelingen afgeleid uit CPT(u)-gegevens en laboratoriumproeven. Latin hypercube sampling wordt toegepast om representatieve inputsets te genereren, terwijl een response-surface model, getraind op een beperkt aantal PLAXIS-simulaties, een grootschalige probabilistische analyse mogelijk maakt. Bayesian updating, geïmplementeerd via de Markov Chain Monte Carlo-methode, verfijnt de probabilistische voorspellingen door de integratie van werkelijke zettingsmetingen uit de monitorcampagne.

De resultaten tonen aan dat probabilistische methoden niet alleen de variabiliteit en onzekerheid van zettingsgedrag accurater weergeven dan deterministische benaderingen, maar tevens waardevolle inzichten verschaffen in parametersensitiviteit en modelrobuustheid. Deze studie bevestigt de haalbaarheid en de voordelen van het structureel integreren van probabilistische technieken in geotechnisch ontwerp, wat de weg opent naar betrouwbaardere en kostenefficiëntere infrastructuurontwikkeling, evenals data-gestuurde besluitvorming.
Meer lezen

Economic feasibility and challenges of electric trucks in Belgium

Universiteit Antwerpen
2025
Alix
Bens
Deze studie onderzoekt de economische haalbaarheid en de belangrijkste uitdagingen bij de overstap naar elektrische vrachtwagens in België. Daarom wordt een kostenanalyse uitgevoerd, aangevuld met de potentiële voordelen, obstakels en infrastructurele uitdagingen die gepaard gaan met een duurzame transitie in het wegtransport.

Het onderzoek maakt gebruik van een mixed-methods-aanpak, waarbij zowel kwantitatieve als kwalitatieve analyses worden gecombineerd. Voor het kwantitatieve luik werd een Total Cost of Ownership (TCO)-analyse uitgevoerd. De resultaten van deze analyse variëren afhankelijk van verschillende factoren, zoals de analyseperiode, regio en bedrijfsgrootte. In 2020 lag de TCO van elektrische vrachtwagens nog boven die van dieselvoertuigen. Tegen 2025 ligt de TCO voor elektrische vrachtwagens bij kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) in Vlaanderen echter lager dan die van traditionele dieseltrucks. Voor grotere bedrijven of ondernemingen die actief zijn in Brussel en Wallonië blijft diesel voorlopig nog de economisch voordeligere optie. Tegen 2030 wordt verwacht dat de TCO van elektrische vrachtwagens in alle regio’s en voor alle bedrijfsgroottes lager zal zijn dan die van diesel.

De kwalitatieve analyse is gebaseerd op een enquête bij 69 Belgische bedrijven, actief in uiteenlopende sectoren en van verschillende groottes. Elk van deze bedrijven beschikt over minstens één vrachtwagen in zijn vloot. De resultaten van de enquête tonen aan dat de intrede van elektrische vrachtwagens in België nog steeds beperkt blijft. Opvallend is dat de meerderheid van de bedrijven die momenteel nog geen elektrische trucks gebruiken, ook niet overwegen om die op korte termijn aan te schaffen - ondanks de noodzaak van een uitstootvrije toekomst. Daarentegen hebben bedrijven die al elektrische vrachtwagens bezitten er vaak meerdere in gebruik: acht respondenten gaven aan dat hun vloot uit vijf of meer elektrische vrachtwagens bestaat.

De belangrijkste belemmeringen voor de uitbreiding naar duurzame vloten zijn de beperkte actieradius, hoge aankoopkosten, lange laadtijden, een tekort aan laadinfrastructuur en onvoldoende overheidssteun (Carlier, 2024). De resultaten van de enquête benadrukken de nood aan meer overheidssteun om de transitie te versnellen. Veel respondenten wijzen op het belang van hogere aankoopsubsidies en financiële ondersteuning voor de installatie van laadinfrastructuur. Bovendien is er een duidelijke vraag naar een ruimere uitbouw van laadinfrastructuur specifiek voor vrachtwagens in België.
Meer lezen

Biedt het rechterlijk toezicht van het Amerikaanse Hooggerechtshof op discriminatie op grond van seksuele geaardheid een doeltreffendere bescherming dan het rechterlijk toezicht van het Hof van Justitie van de Europese Unie?

Vrije Universiteit Brussel
2025
Eline
Canon
Hoewel gelijkheid en non-discriminatie tot de hoekstenen van onze samenleving behoren, worden LGBTQ+-personen wereldwijd nog steeds geconfronteerd met discriminatie en juridische uitsluiting van bescherming. Om dit spanningsveld tussen theorie en praktijk te onderzoeken en te contrasteren, analyseert deze thesis hoe twee invloedrijke rechtsstelsels — het Europese en het Amerikaanse — omgaan met discriminatie op grond van seksuele geaardheid.

Om de waarborgen van non-discriminatie op grond van seksuele geaardheid in de praktijk te kunnen begrijpen, wordt aan de hand van een rechtsvergelijkende analyse van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Amerikaanse Hooggerechtshof nagegaan welk systeem vandaag de meest doeltreffende bescherming biedt, en of beide rechtssystemen iets van elkaar kunnen leren.

De bevindingen tonen aan dat het Hof van Justitie een coherent, consistent en stabiel beschermingskader biedt, in overeenstemming met de fundamentele waarden waarop de Unie is gebouwd, en met een sterke nadruk op de effectiviteit van het recht. In de Verenigde Staten daarentegen blijft de bescherming wisselvallig en kwetsbaar. Hoewel het Europese systeem institutionele en bevoegdheidsbeperkingen kent, waarborgt het een meer gestructureerde en voorspelbare bescherming.

Toch mag niet worden genegeerd dat bepaalde uitspraken van het Amerikaanse Hooggerechtshof in sommige gevallen verder gaan in hun bescherming. Die vaststelling moet echter worden genuanceerd in het licht van het huidige politieke klimaat en de samenstelling van het Hof, die weinig garanties bieden op verdere vooruitgang.

Meer lezen

Objectdetectie in sonardata met behulp van semi- en self-supervised learning

HOGENT
2025
Yoran
Gyselen
Sinds de opkomst van krachtige AI- en deep learning-modellen is data uitgegroeid tot een essentiële en vaak beperkende factor in het ontwikkelingsproces. Waar eenvoudige modellen vaak kunnen volstaan met beperkte en eenvoudige datasets, vereisen complexere modellen – zoals die voor objectdetectie – steeds grotere en rijkere hoeveelheden gelabelde data. Dit vormt een belangrijk probleem in domeinen zoals sonarbeeldvorming, waar dergelijke datasets niet beschikbaar zijn als kant-en-klare bronnen en handmatige annotatie buitengewoon tijdsintensief en kostbaar is. Dit onderzoek richt zich daarom op de centrale vraag: hoe kunnen semi-supervised en self-supervised leermethoden het labelproces bij objectdetectie in sonardata versnellen, zonder significant verlies aan nauwkeurigheid?

Om deze vraag te beantwoorden is een experimenteel kader opgezet waarin drie benaderingen zijn onderzocht: een volledig supervised baseline gebaseerd op Faster R-CNN, een semi-supervised model met FixMatch, en een self-supervised strategie waarbij een BYOL-model wordt gepretraind en vervolgens gebruikt als backbone binnen een Faster R-CNN-architectuur. De experimenten zijn uitgevoerd op een publieke sonardataset bestaande uit 7600 gelabelde sonarbeelden. Voor de supervised baseline is het model getraind op verschillende hoeveelheden gelabelde data: 1%, 5%, 10%, 50% en 100%. De bijbehorende mAP-scores tonen een sterke daling in nauwkeurigheid naarmate de hoeveelheid gelabelde data afneemt, met resultaten variërend van 0.7717 (100%) tot slechts 0.2799 bij gebruik van 1% van de data.

In het semi-supervised scenario is FixMatch toegepast met 5% en 10% gelabelde data, terwijl de resterende data werd gebruikt als ongelabelde input. Deze aanpak resulteerde in mAP-scores van respectievelijk 0.6649 en 0.6828, wat duidelijk betere prestaties zijn dan het supervised model op dezelfde labelniveaus. Voor het self-supervised model werd BYOL gepretraind op de volledige dataset zonder labels. De representaties die dit opleverde zijn vervolgens geïntegreerd in Faster R-CNN, waarbij opnieuw 5% en 10% van de data gelabeld werd gebruikt voor training. Deze benadering leverde de hoogste nauwkeurigheid binnen de lage-labelscenario's, met mAP-scores van respectievelijk 0.6452 en 0.7230.

De resultaten van dit onderzoek tonen aan dat zowel semi-supervised als self-supervised technieken effectief zijn in het verminderen van de afhankelijkheid van handmatig gelabelde data, terwijl de modelprestaties grotendeels behouden blijven. Met name self-supervised pretraining via BYOL blijkt zeer waardevol in situaties met beperkte gelabelde data. Deze bevindingen bieden praktische aanknopingspunten voor het ontwikkelen van efficiëntere workflows in sonarbeeldanalyse, en zijn relevant voor bredere toepassingen in domeinen waar gelabelde data schaars of moeilijk te verkrijgen is. Hoewel de resultaten veelbelovend zijn, is vervolgonderzoek nodig om de generaliseerbaarheid naar andere types sonardata of real-time toepassingen te evalueren.
Meer lezen

Design of self-healing composites using functionalized nanofibers

Universiteit Gent
2025
Wolf
Landuyt
Composieten zijn materialen met een uitstekende sterkte-gewichtsverhouding en over het algemeen een hoge stijfheid. Vanwege hun sterk anisotrope aard zijn ze echter meestal zeer kwetsbaar voor belastingen loodrecht op het vlak, zoals impact. Dit veroorzaakt schade, zoals delaminatie (het loslaten van twee lagen), die zeer moeilijk te herstellen is.
Daarom wordt een nieuwe oplossing voorgesteld, waarbij superparamagnetische magnetiet-nanodeeltjes coaxiaal worden geëlectrospind tot nanovezels. Deze nanovezels kunnen vervolgens worden geplaatst tussen twee lagen van een composiet, op de plaatsen waar doorgaans delaminatie optreedt. Dankzij de superparamagnetische eigenschappen van deze nanovezels zouden ze in staat moeten zijn hyperthermie op te wekken als reactie op een wisselend magnetisch veld. Dit zou ervoor moeten zorgen dat de nanovezels smelten en de delaminaties herstellen, waardoor uiteindelijk zelfherstellende composieten ontstaan.
Meer lezen

Patient-Specific CFD Simulations of Side-Hole Catheters for Transarterial Liver Cancer Embolisation: Effects of Hole Size and Radial Orientation on Particle Distribution

Universiteit Gent
2025
Marnix
Christiaens
Hepatocellulair carcinoom (HCC) is wereldwijd de derde belangrijkste oorzaak van kankergerelateerde sterfte. Een beschikbare behandeling is transarteriële radio-embolisatie, waarbij radioactieve microsferen rechtstreeks naar de tumor worden geïnjecteerd. Deze techniek maakt gebruik van de unieke arteriële bloedvoorziening van levertumoren om het therapeutisch effect te versterken, terwijl het omliggende gezonde weefsel wordt gespaard. Het succes van deze behandeling wordt sterk beïnvloed door klinische factoren, waaronder de patiëntspecifieke vaatstructuren van de lever, de injectiesnelheid van de deeltjes en het type katheter. Deze elementen zorgen voor aanzienlijke variatie in de behandelingsuitkomsten.

Deze thesis heeft als doel om de toediening van emboliserende deeltjes te optimaliseren met behulp van computationele stromingsdynamica (CFD), zodat de verdeling van de deeltjes beter overeenkomt met de bloedstroompatronen. Hiervoor wordt een zijgatkatheter ontworpen die deze afstemming moet verbeteren en de invloed van klinische variabelen moet verminderen, wat leidt tot meer voorspelbare resultaten en een betere tumortargeting. In het bijzonder onderzoekt dit werk zowel standaard microkatheters met eindopening (SMC) als zijgatkatheters (SHC) met gesloten voorzijde en verschillende zijgatdiameters.

Met Ansys Discovery werden verschillende kathetergeometrieën ontwikkeld en geïntegreerd in een patiëntspecifiek arterieel levermodel om deeltjestrajecten en stromingsdynamica te simuleren. Een roostergevoeligheidsanalyse werd uitgevoerd om de optimale volumemesh te bepalen. De simulaties omvatten zowel stationaire als transiënte analyses en onderzochten hoe het type katheter, de zijgatdiameter en de oriëntatie van de katheter de verdeling van de deeltjes beïnvloeden.

De resultaten van de in Ansys Discovery ontwikkelde katheters kwamen overeen met de verwachtingen wat betreft deeltjesverspreiding en verdeling. De Discovery-gebaseerde workflow behield de oorspronkelijke anatomie met een oppervlakteafwijking van slechts 0,0003% ten opzichte van het gesegmenteerde model. Belangrijke prestatie-indices zoals de Matching Deviation Index (MDI) en Targeting Deviation Index (TDI) bleken echter afhankelijk van de oriëntatie van de zijgaten. De MDI, die de overeenkomst tussen deeltjesverdeling en bloedstroom weergeeft, toonde aan dat de SHC beter presteerde dan de SMC. SHC’s met kleinere zijgaten (0,2 mm) vertoonden een hogere variabiliteit tussen oriëntaties (2,53%) door de vorming van geconcentreerde injectiestralen dicht bij de arteriewanden. De TDI, die de medische relevantie weerspiegelt door deeltjesverdeling te vergelijken met tumorperfusie, gaf consequent de voorkeur aan SHC’s met grotere zijgaten (0,4 mm). Deze vertoonden minder afhankelijkheid van de oriëntatie (0,89% variabiliteit t.o.v. 2,84%).
Deze bevindingen werden bevestigd in transiënte simulaties, die een twaalfvoudige toename in deeltjesverspreiding lieten zien. Transiënte simulaties leverden over het algemeen lagere MDI- en TDI-waarden op. SHC 0.2 behaalde de beste MDI dankzij de meest uniforme verdeling van de deeltjes, maar dit ging ten koste van de doelgerichtheid, wat resulteerde in de laagste TDI.

Deze thesis toont aan dat het zijgatkatheterontwerp het potentieel heeft om de gevoeligheid voor klinische parameters te verminderen en de behandeling beter te laten aansluiten bij de geplande therapie.
Meer lezen

MEVROUW KONIJN, MENEER KONIJN OF GEWOON KONIJN? EEN ONDERZOEK NAAR GENDER EN GENDERSTEREOTYPERING BIJ DIERLIJKE PERSONAGES IN KINDERBOEKEN

Universiteit Gent
2025
Linde
Wille
In dit onderzoek wordt een corpus van 54 oorspronkelijk Nederlandstalige kinderboeken met uitsluitend dierlijke personages geanalyseerd. In een eerste fase wordt nagegaan wat de verhoudingen tussen verschillende genderidentiteiten zijn , welke talige en visuele strategieën worden ingezet om personages als vrouwelijk of mannelijk voor te stellen en welke strategieën worden aangewend om personages neutraal voor te stellen. In het tweede deel wordt onderzocht in hoeverre er een correlatie bestaat tussen het grammaticale geslacht van het dier en het gender dat aan het dierlijke personage wordt toegekend in het verhaal. Daarnaast wordt nagegaan welke genderstereotypen voorkomen in zowel de tekstuele als visuele componenten van de boeken en of er ook voorbeelden zijn die deze stereotypen doorbreken. Ten slotte wordt onderzocht of het gender van de auteur een invloed uitoefent op het gender van het hoofdpersonage en de personages in het algemeen. Uit de analyse blijkt dat mannelijke personages duidelijk domineren binnen het corpus en dat expliciet non-binaire identiteiten volledig afwezig zijn. Gender wordt voornamelijk via talige middelen geconstrueerd, met illustraties als ondersteunende factor. Neutrale personages blijven doorgaans neutraal door het vermijden van voornaamwoorden en genderspecifieke namen. Er is een gedeeltelijke correlatie tussen het grammaticale geslacht van het dier en het toegewezen gender, al is deze correlatie niet absoluut. Genderstereotypen blijken ook in boeken met uitsluitend dierlijke personages aanwezig, zij het in beperktere mate. Het gender van de auteur lijkt voornamelijk invloed te hebben bij mannelijke auteurs: zij schrijven vaker over mannelijke hoofdpersonages. Bij vrouwelijke auteurs blijft een mannelijke dominantie aanwezig, ondanks hun eigen genderidentiteit. Het doel van dit onderzoek is om leerkrachten, ouders, onderwijsprofessionals, auteurs, illustratoren en uitgeverijen bewust te maken van deze bevindingen zodat zij deze kunnen meenemen in toekomstige keuzes en representaties binnen de kinderliteratuur.
Meer lezen

BURN-OUT BIJ VROEDVROUWEN IN HET ZIEKENHUIS Impact op de kwaliteit van de zorg, preventie en re-integratie

Arteveldehogeschool Gent
2025
Camille
Hendrickx
Burn-out onder vroedvrouwen in ziekenhuizen vormt een groeiend probleem dat niet alleen het welzijn van de zorgverleners bedreigt, maar ook de kwaliteit van de verstrekte zorg significant vermindert. Deze bachelorproef onderzoekt de impact van burn-out op vroedvrouwen en de directe en indirecte gevolgen voor de patiëntenzorg. Centraal staat de vraag: Welke maatregelen kunnen de impact van burn-out bij vroedvrouwen op de kwaliteit van de zorg verkleinen? Door een uitgebreide literatuurstudie en analyse van bestaande preventie- en re-integratiestrategieën wordt een overzicht geboden van effectieve interventies op micro-, meso- en macroniveau. Daarnaast wordt een preventiebrochure ontwikkeld, gericht op vroedvrouwen en hun leidinggevenden, met praktische tips voor vroegtijdige herkenning en zelfzorg. Uit de bevindingen blijkt dat factoren zoals werkdruk, emotionele belasting en persoonlijke kenmerken bijdragen aan de ontwikkeling van burn-out. Daarnaast worden de negatieve gevolgen voor de zorgkwaliteit benadrukt, waaronder verminderde empathie, toename in fouten en een hogere intentie om het beroep te verlaten. Het belang van preventieve maatregelen en ondersteuning is evident om de veerkracht van vroedvrouwen te versterken en de zorgstandaard te waarborgen. Concluderend onderstrepen de resultaten dat een holistische aanpak, gericht op zowel preventie als re-integratie, essentieel is om burn-out te voorkomen en de continuïteit en kwaliteit van de verloskundige zorg te garanderen.
Meer lezen

[uF]2Vec: Reframing Interpretability through a Neurodynamic Perspective on Select and Feature Stativity

KU Leuven
2025
Morris
Callens
Deze thesis integreert biofysische modellen van het werkgeheugen in taalkundige theorieën binnen het Minimalisme, met de focus op de Select-functie – het ophalen van Lexicale Elementen vanuit het langetermijngeheugen naar het kortetermijngeheugen. Ik vertaal eerst het traditionele feature- systeem naar een vectoren-gebaseerd mechanisme, waar de (on)interpreteerbaarheid als een vectoronderdeel gemodelleerd wordt. Deze verschuiving van een symbolisch naar een vector-systeem vangt niet alleen kenmerken van de Transfer-operatie, maar brengt het model ook in rooilijn met neurale populatiecodes. Daarna stel ik een hippocampus-gebasseerd biophysisch model van Lexicale Ophaling voor, waar neurodynamische principes statische features activeren en hun ophalen bepalen. Binnen dit framework vormt interpreteerbaarheid een neveneffect van het model en kan het [iF]-[uX]-mechanisme van Deal (2015) op natuurlijke wijze afgeleid worden as een vorm van sterk symmetrische paarophaling.
Meer lezen

Het gebruik van schoolfeedback uit de Vlaamse toetsen door schoolleiders en leraren

Universiteit Antwerpen
2025
Kaat
De Meutter
Genomineerde longlist Klasseprijs
Het duurzaam verbeteren van onderwijskwaliteit aan de hand van data is een actueel thema binnen het Vlaamse onderwijs. Dit kwalitatieve onderzoek onderzoekt hoe leraren en schoolleiders in het basis- en secundair onderwijs omgaan met de eerste schoolfeedback uit de Vlaamse toetsen en welke factoren het gebruik ervan beïnvloeden. Door middel van 24 semigestructureerde diepte-interviews, gelijk verdeeld over basis- en secundair onderwijs, werd het feedbackgebruik vanuit zowel leraren- als schoolleidersperspectief in kaart gebracht en via een iteratief coderingsproces geanalyseerd.
De resultaten laten zien dat schoolleiders en leraren de schoolfeedback voornamelijk raadplegen, bespreken en interpreteren, terwijl het diepgaander verklaren en het vertalen naar concrete acties ter bevordering van kwaliteitsontwikkeling minder vaak voorkomt. Slechts een beperkt deel van de respondenten ontwikkelt daadwerkelijk gerichte acties, zoals aanpassingen in het curriculum, professionele ontwikkeling of het verbeteren van computervaardigheden van leerlingen. Belemmeringen hierbij zijn onder andere tijdsdruk, beperkte datageletterdheid, de abstracte aard en timing van de schoolfeedback, evenals het ontbreken van mogelijkheden voor trendanalyses. Schoolleiders nemen een cruciale rol op zich in het faciliteren van het gebruik van feedback binnen de school, waarbij transparantie en gerichte professionele ondersteuning als cruciale factoren naar voren komen. Bovendien verschillen de gehanteerde referentiekaders binnen het feedbackdashboard tussen de onderwijsniveaus en bestaat er vooral in kansarme scholen terughoudendheid ten aanzien van de vergelijking met het Vlaams gemiddelde.
Deze studie onderstreept het belang van gerichte professionalisering, het versterken van eigenaarschap bij leraren in het gebruik van feedback en een betere afstemming van de schoolfeedback op de dagelijkse onderwijspraktijk. Tot slot worden aanbevelingen gedaan voor toekomstig onderzoek, waaronder longitudinale studies en onderzoek naar schoolfactoren die datagebruik bevorderen. De bevindingen leveren een waardevolle bijdrage aan de kennis over feedbackgebruik en bieden praktische handvatten voor schoolontwikkeling in Vlaanderen.
Meer lezen

Hebben we gaan twijfelen over het hulpwerkwoord? Een experimenteel en corpusgebaseerd onderzoek naar hulpwerkwoordselectie in clusters met een aspectueel werkwoord

KU Leuven
2025
Fien
Croux
Deze masterproef onderzoekt hulpwerkwoordvariatie in werkwoordsclusters met een aspectueel werkwoord, zoals "Ze is/heeft blijven wachten". Het onderzoek heeft tot doel de factoren te identificeren die de keuze voor het hulpwerkwoord van voltooid aspect (hebben of zijn) in zulke clusters beïnvloeden.

Op basis van onderzoek naar hulpwerkwoordvariatie in werkwoordsclusters met een modaal werkwoord, zoals "Ze is/heeft moeten vertrekken", worden taalinterne en -externe factoren geselecteerd die mogelijk een invloed hebben op hulpwerkwoordselectie in clusters met een aspectueel werkwoord (Hofmans 1981, Van Eynde et al. 2016, Dhont 2024). De onderzochte factoren zijn het type hoofdwerkwoord, de afstand tussen het hulpwerkwoord en het aspectuele werkwoord, irrealis, geografische regio en register. Het onderzoek combineert een experiment met een corpusonderzoek. In het experimentele onderzoek zijn acceptabiliteitsoordelen van Vlaamse en Nederlandse respondenten bevraagd en geanalyseerd aan de hand van lineaire regressieanalyses. Het corpusonderzoek in het SoNaR-corpus en het Corpus Gesproken Nederlands biedt inzicht in de frequentie van de onderzochte factoren in clusters waarin hebben het hulpwerkwoord is. Op basis van de resultaten en eerdere analyses (Cardinaletti & Shlonsky 2004, Draye & Van der Horst 2006, Pots 2020) wordt tot slot een formele analyse voorgesteld voor hulpwerkwoordvariatie in clusters met een aspectueel werkwoord.

De resultaten tonen aan dat hulpwerkwoordselectie in clusters met een aspectueel werkwoord beïnvloed wordt door irrealis, geografische regio en register. Een irrealislezing verhoogt de voorkeur voor het hulpwerkwoord hebben, dat meer aanvaard wordt in Vlaanderen dan in Nederland en meer voorkomt in informeel dan in formeel taalgebruik. De invloed van het type hoofdwerkwoord en afstand wordt in de resultaten niet eenduidig aangetoond. De hulpwerkwoordvariatie wordt in de analyse verklaard door de status van het aspectuele werkwoord, dat zich in een grammaticalisatieproces van semi-lexicaliteit naar functionaliteit bevindt en zich daarin verschillend positioneert in Vlaanderen en Nederland.
Meer lezen

In de schaduw van het licht. Voorstellingen van culturele anderen en andere culturen, gerepresenteerd in geïllustreerde tijdschriften ten tijde van Belgisch imperialisme (c. 1868-1908)

KU Leuven
2025
Robin Oscar
Spruyt
Vanaf het midden van de negentiende eeuw sloot België zich als jonge natiestaat aan bij een bredere Europese tendens van imperialisme, waarbij het bezit van kolonies werd gezien als een schitterende parel in de erekroon van het moederland. In dat ideologische klimaat nam de media tijdens de Leopoldiaanse periode (1885-1908) een onmiskenbare maar onderbelichte rol op in het populariseren, normaliseren en verspreiden van een koloniaal wereldbeeld. Het creeëren van een culturele ‘andere’, waaraan het geïdealiseerde westerse ‘zelf’ zich kon spiegelen, bleek daarin van enorm belang voor het vormgeven van een nationale identiteit.
In dit werk wordt uitgebreid onderzocht hoe die culturele anderen (en andere culturen) gerepresenteerd werden in de Belgische, Nederlandstalige geïllustreerde pers tussen 1868 en 1908: een periode van wereldwijde kolonisatie, conflict en nationalisme. Door middel van een diepgaande visuele en discursieve analyse van drie geografische casussen – de Oriënt, Afrika en Azië – biedt dit onderzoek inzicht in de verschillende manieren waarop niet-westerse volkeren en regio’s werden gevisualiseerd. De analyse steunt op enkele centrale theoretische kaders binnen het postkoloniale denken, waaronder Edward Saids orientalism, Johannes Fabians denial of coevalness en Gayatri Spivaks concept van othering. Die kaders maken het mogelijk om beeld en tekst te lezen als ideologisch geladen constructies, eerder dan louter informatieve weergaven van een vertekende werkelijkheid.
Bevindingen, op basis van circa 900 geanalyseerde foto’s en gravures met hun bijbehorende teksten, laten consistente patronen zien in de visuele en discursieve constructie van de ‘andere’, ondanks geografische en culturele verschillen. De Oriënt werd overwegend afgebeeld als een exotisch, religieus fanatiek en passief land. De bevolking, gegeneraliseerd tot ‘Arabieren’, werd gestript van culturele, religieuze en ethnische diversiteit; de islam beschuldigt als drijfveer van geweld en bloedvergiet in Afrika. In die context propageerde Leopold II de overname van Congo als een filantropisch project tegen Arabische slavenhandel; een rookgordijn om de eigen wanpraktijken te maskeren. Afrika werd afgeschilderd als een continent waar primitiviteit primeerde, waar de bevolking wild, kinderlijk en onbeschaafd was, en waar de klok pas begon te tikken na de komst van westerse kolonisten. In Oost- Azië kon slechts Japan rekenen op enige culturele bewondering, door de zichtbare modernisering naar ‘westers’ model die er zich voltrok. China daarentegen was een vernederd land, aangetast door opium, bewoond door een volk dat als karikaturaal en wreed werd gekenmerkt. In Zuid-Azië, waar Groot- Brittannië en Nederland respectievelijk bewind voerden in India en Indonesië, werden economisch gewin en tropische schoonheid ingezet als bewijsstukken van succesvolle kolonisatie: voorbeeldmodellen van volgroeide kolonies, waaruit België inspiratie kon puren voor haar eigen kolonie.
De studie toont ten slotte aan dat de Belgische geïllustreerde pers niet op zichzelf stond, maar nauw aansloot bij bredere transnationale discursieve trends. De afgebeelde ‘culturele ander’ was in wezen een projectie van een vermeend superieur, westers zelfbeeld, dat voortdurend werd bevestigd door beroep te doen op een een zogenaamd inferieure ‘andere’.
Meer lezen

Hoe kan thematisch werken met betekenisvolle verhalen het verhaalbegrip versterken van meertalige kleuters in een Brusselse derde kleuterklas?

Hogeschool VIVES
2025
Anouk
Stroobants
Deze bachelorproef binnen het thema ‘Lezen begint al in de kleuterklas’ onderzoekt hoe thematisch werken met betekenisvolle verhalen het verhaalbegrip van meertalige kleuters kan versterken. Het onderzoek vond plaats in de derde kleuterklas van GBS Everheide in Brussel, een school met een grote talige diversiteit. De centrale onderzoeksvraag luidt: Hoe kan thematisch werken met betekenisvolle verhalen het verhaalbegrip versterken van meertalige kleuters in een Brusselse derde kleuterklas? Op basis van literatuur over taalontwikkeling, begrijpend luisteren en meertaligheid werd een thematisch aanbod ontwikkeld rond het prentenboek Ridder Rikki van Guido Van Genechten. Gedurende de ontwerpweken werd het verhaal herhaald en verdiept aan de hand van een visueel verhalenpad, denkstimulerende vragen, gebaren en interactieve activiteiten. Om de impact van deze aanpak in kaart te brengen, werd een zelfontworpen meetinstrument ingezet om het verhaalbegrip van de kleuters te observeren en te evalueren. Daarnaast vloeide uit deze bachelorproef ook een praktijkgerichte bundel voort, opgebouwd rond het prentenboek Ridder Rikki. Het geheel vormt een bruikbare leidraad voor leerkrachten die doelgericht willen inzetten op verhaalbegrip bij meertalige kleuters.
Meer lezen

Een grote wereld aan een kleine universiteit. Buitenlandse studenten aan de Katholieke Universiteit Leuven, 1900 – 1968

KU Leuven
2025
Alexe
Heleu
Deze thesis onderzoekt hoe de internationalisering van de KU Leuven zich heeft ontwikkeld tussen 1900 en 1968. Het doel is om een antwoord te bieden op de vraag: In welke mate ontwikkelde de KU Leuven zich tot ‘internationale’ universiteit? Daarvoor analyseer ik enerzijds het relatieve aantal internationale inschrijvingen en de diversiteit. Anderzijds besteedt de thesis aandacht aan het beleid en het imago van de KU Leuven. Een breed onderzoek, over een langere periode, naar studentenmobiliteit vanuit het oogpunt van een Belgische universiteit vormt een lacune in de bestaande academische historiografie. Daarnaast combineert het onderzoek kwantitatieve en kwalitatieve bronnen om de internationaliseringsgraad van de universiteit te bepalen. Voor het kwantitatieve aspect digitaliseerde ik de inschrijvingsgegevens, afkomstig uit de Jaarboeken van de KU Leuven, in een databank. Daarnaast analyseerde ik correspondenties, rapporten en artikelen, uit de Archieven van voormalige rectoren Ladeuze en Van Waeyenbergh, om het kwalitatieve aspect vorm te geven. Het eerste hoofdstuk analyseert de evolutie van de inschrijvingen van buitenlandse studenten aan de KU Leuven om zo het ‘internationale’ karakter te bepalen. Daaruit bleek dat de aantallen relatief beperkt bleven, maar dat de afkomst van de studenten enorm divers was, zeker na de Tweede Wereldoorlog. Daarna onderzocht ik aan de hand van correspondenties en rapporten hoe de KU Leuven en de rectoren hun beleid voerden ten opzichte van internationale studenten: de rectoren gebruikten de vernieling van de oorlogen als uitgangsbord om de Leuvense universiteit opnieuw te doen groeien. Ze deden dit door het beeld van de KU Leuven als een werelduniversiteit te propageren. Daarnaast gebruikten ze het katholieke karakter als bindmiddel. Tot slot ondersteunden ze opkomende organisaties om internationale studenten te helpen in Leuven. In het derde hoofdstuk ligt de nadruk op de individuele levensbelevingen van studenten. De analyse toont aan dat het eeuwenoude imago van de KU Leuven, haar katholieke karakter en culturele netwerken met de universiteit een positieve invloed hadden op de motivaties van studenten. Daarentegen vormden complexe, administratieve procedures en integratieproblemen struikelblokken. Het Frans, het financiële aspect en de geopolitieke situaties waren dubbelzinnige factoren, die zowel bevorderend als belemmerend werkten. Uit de analyse volgde dat Leuven zich in de vroege twintigste eeuw al ontwikkelde tot een internationale universiteit. Ze gebruikte de internationalisering in eerste instantie als een strategisch middel voor de wederopbouw na de oorlogen, maar geleidelijk aan evolueerde het naar een institutionele prioriteit. In de periode 1900 – 1968 legde ze de fundamenten voor een explosieve toename van internationale inschrijvingen vanaf 1970. Het ‘internationale’ karakter van de universiteit kwam dus naar voren dankzij een diverse studentengroep en was niet enkel afhankelijk van het aantal inschrijvingen.
Meer lezen

Isoleren of Isoleren? Een analyse van conflicterende belangen tussen energie-renovatie en huur(betaal)baarheid

Universiteit Gent
2025
Gaëlle
Detrooz
Naarmate Europa richting een duurzame toekomst beweegt, herschept een groeiende golf aan groene beleidsmaatregelen het woonlandschap en ontstaan er kansen voor een meer rechtvaardige samenleving. De weg vooruit kent echter ook uitdagingen, vooral op het vlak van woonbetaalbaarheid.

Energiezuinige renovaties vragen vaak aanzienlijke investeringen vooraf, meestal gedragen door verhuurders, terwijl de resulterende energiebesparing bij de huurders terechtkomt. Die misalignment tussen kosten en baten staat bekend als het “split-incentive”-probleem. Het roept kritische vragen op over de manier waarop de renovatieagenda de huurprijzen en de beschikbaarheid van betaalbare woningen beïnvloedt. Al vóór deze groene transitie stonden huurders vaak op achterstand ten opzichte van eigenaars. Vandaag dringt zich een urgente vraag op: zal de golf van energierenovaties bestaande ongelijkheden vergroten?

Om dit aan te pakken biedt het concept van “just resilience” een zinvol kader. Het pleit voor benaderingen die ervoor zorgen dat de kosten van duurzame vooruitgang eerlijk worden verdeeld, in het bijzonder dat mensen met beperkte middelen niet onevenredig worden belast. In deze context wil rechtvaardige veerkracht de noden van de huurders van vandaag verzoenen met de langetermijndoelstellingen van het klimaatbeleid.

Deze thesis onderzoekt het kruispunt van ambitieuze renovatiepolitiek en woonrechtvaardigheid, en nodigt uit tot reflectie over hoe we deze transitie kunnen vormgeven op een manier die zowel ecologisch doeltreffend als sociaal rechtvaardig is.
Meer lezen

Kepler between cosmos and calendar. A socio-historical study of Johannes Kepler (1571-1630) as prognosticator.

Universiteit Gent
2025
Heike
Bekaert
Deze thesis onderzoekt de rol van Johannes Kepler (1571-1630) als prognosticator binnen het bredere netwerk van lutheraanse astrologen, door een vergelijking met zijn tijdsgenoten Johannes Krabbe (1553-1616) en Melchior Schärer (1563-1624). Dit onderzoek wordt geconceptualiseerd als een microstudie van het netwerk van Wittenbergse astrologen beschreven in de literatuur en stelt de prognosticaties centraal binnen het onderzoek naar de vroegmoderne wetenschap van de sterren. Via een studie van de structuur, wiskundige basis en religieuze zingeving van de werken, toont deze thesis een aanzienlijke overeenkomsten tussen de drie astrologen. Elk beschouwen ze de prognosticaties op de eerste plaats als een religieus instrument, bedoeld om de mens dichter bij God te brengen. Via een kritische omgang met en uitwisseling van astrologische gegevens en theorieën proberen de astrologen elk op hun manier Gods wil, zoals die in de natuur geuit wordt, zo goed mogelijk te benaderen. Ondanks deze gedeelde basis komt Kepler naar voren als een radicale hervormer. Waar Krabbe en Schärer slechts stapsgewijze veranderingen doorvoerden, waren Keplers kritiek en structurele hervormingen veel ingrijpender. Hij bevond zich in een spreidstand tussen de verdedigers en critici van de astrologie: hij behield het religieuze kader, maar verwierp veel conventionele praktijken. Door een analyse van Kepler als prognosticator, draagt dit onderzoek bij aan een beter begrip van de wisselwerking tussen theorie en praktijk binnen wetenschappelijke netwerken.
Meer lezen