Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

HOOG SENSITIVITEIT IN HET DOMEIN VAN DE SENSUALITEIT Een beschrijvend onderzoek naar het verband tussen hoog sensitiviteit en seksualiteit

KU Leuven
2025
Vanessa
Verlinden
Deze masterproef onderzoekt de mogelijke invloed van hoog sensitiviteit op seksualiteit, beide worden beïnvloed door een combinatie van persoonlijkheidskenmerken en biologische factoren. Ondanks het feit dat hoog sensitiviteit een aantoonbare impact kan hebben op de fysieke en mentale gezondheid (Costa-lópez et al.,2021), is de relatie met seksuele gezondheid tot op heden weinig onderzocht. Voorts blijkt uit onderzoek van Lionetti et al. (2018) dat hoog sensitieve personen, door hun verhoogde gevoeligheid voor positieve omgevingsinvloeden, ook sterker kunnen reageren op psychotherapeutische interventies. Dit impliceert dat hun verhoogde kwetsbaarheid tegelijk ook kansen biedt voor een effectieve behandeling.
In het kader van dit beschrijvend onderzoek werd via sociale media en HSP Vlaanderen een online vragenlijst verspreid, resulterend in een steekproef van 273 respondenten die voldeden aan de inclusiecriteria. De vragenlijst omvatte reeds gevalideerde vragenlijsten die persoonlijkheidskenmerken, Sensation Seeking, seksuele inhibitie en excitatie en seksuele disfuncties nagaan. Bij de analyses werd er een onderscheid gemaakt op basis van geslacht en Sensation Seeking. Er werden 241 vrouwen en 32 mannen weerhouden met een HSP score die boven gemiddeld was.
De resultaten toonden enkele discrepanties met de bestaande literatuur wat betreft persoonlijkheidskenmerken. Hoog sensitieve personen scoorden doorgaans lager op extraversie, terwijl het gemiddelde in deze steekproef het theoretisch gemiddelde benaderde. Ook op vriendelijkheid lag het gemiddelde hoger dan wat de literatuur aangeeft. De hogere scores op openheid en neuroticisme bij hoog sensitieve personen werden wel bevestigd. Deze kenmerken kunnen enerzijds bijdragen aan grotere seksuele tevredenheid, maar anderzijds ook een negatieve invloed uitoefenen door verhoogde prikkelgevoeligheid. Ook op het vlak van seksuele inhibitie en excitatie waren er afwijkingen. Mannen scoorden hoger dan vrouwen op inhibitie, terwijl vrouwen hoger scoorden op excitatie. Opvallend is dat de hoog sensitieve personen in dit onderzoek vaker seksuele problemen, lijdensdruk en seksuele disfuncties rapporteerden dan wat in de algemene Vlaamse populatie werd vastgesteld in het Sexpert-onderzoek (Buysse et al., 2013). De hogere prevalentie van seksuele disfuncties kon echter niet worden verklaard op basis van seksuele inhibitie, excitatie of Sensation Seeking.
Uit deze studie blijkt dat hoog sensitieve personen hoog scoren op vriendelijkheid en openheid, waardoor ze mogelijk een hogere seksuele tevredenheid ervaren. Daarnaast lopen ze een verhoogd risico op seksuele problemen en eventuele lijdensdruk, waardoor er mogelijk ook meer kans is op seksuele disfuncties. Hoog sensitieve personen vertegenwoordigen vermoedelijk een groot deel van de populatie die vroeg of laat nood heeft aan seksuologische hulpverlening. Het is dan ook opportuun om seksualiteit in relatie tot hoog sensitiviteit verder te onderzoeken, bij voorkeur op basis van grotere en meer representatieve steekproeven om de bevindingen te versterken. Daarbij verdient ook de rol van mogelijke biologische factoren aandacht. Tot slot is het aangewezen om bestaande interventies meer toe te spitsen op specifieke kenmerken van hoog sensitieve personen. Meer inzicht in de seksuele beleving van hoog sensitieve personen is niet alleen van belang voor henzelf, maar ook voor hun partners en de hulpverleners die hen begeleiden bij seksuele bezorgdheden.
Meer lezen

Samen bouwen aan klasmanagement. De ondersteunende rol van schoolbeleid

Universiteit Antwerpen
2025
Karlien
Tiebout
Klasmanagement vormt een van de grootste uitdagingen in het onderwijs, met een directe impact op leerprestaties en welzijn van leerlingen en leraren. Waar klasmanagement traditioneel wordt beschouwd als een individuele competentie van leraren, toont recent onderzoek een verschuiving naar schoolbrede benaderingen. Deze studie onderzoekt welk beleid basisscholen met sterk klasmanagement voeren om leraren te ondersteunen en welke maatregelen leraren als ondersteunend ervaren.
Via een kwalitatief exploratief onderzoek werden semi-gestructureerde interviews afgenomen met schoolleiders en leraren van vijf basisscholen die schoolbreed sterk presteren op klasmanagement.
De onderzochte scholen kenmerken zich door een bewuste evolutie van reactief naar proactief klasmanagementbeleid. Die verschuiving werd vaak ingegeven door urgentie en door inzichten uit de cognitieve psychologie. Alle scholen investeren sterk in structuur en schoolbrede routines, maar hanteren twee verschillende benaderingen: een expliciete gestandaardiseerde aanpak met gedetailleerde richtlijnen versus een meer impliciete aanpak via observatie en informele uitwisseling. Leraren ervaren gemeenschappelijke routines, gedeelde verwachtingen en concrete ondersteuningsmaterialen als meest ondersteunend. Daarnaast waarderen zij professionalisering via collegiale ondersteuning, coaching en expertiserollen, waarbij tijd voor implementatie als cruciale voorwaarde wordt benoemd.
Effectief klasmanagement blijkt geen louter individuele opdracht maar wordt mede mogelijk gemaakt door doordacht schoolbeleid. De combinatie van structuur en warme relaties, ondersteund door gemeenschappelijke afspraken, gerichte professionalisering en betrokken leiderschap, creëert een omgeving waarin leraren zich ondersteund voelen. Deze bevindingen bieden concrete handvatten voor schoolleiders en teams om klasmanagement als gedeelde verantwoordelijkheid aan te pakken.
Meer lezen

Het potentieel van tuinen in de strijd tegen klimaatverandering De rol van het lokale recht en vergunningenbeleid

Universiteit Antwerpen
2025
Matthias
Vangenechten
Deze meesterproef onderzoekt hoe lokale overheden hun stedenbouwkundige verordeningen en hun vergunningenbeleid inzetten om private tuinen klimaatadaptief te reguleren en op welke beperkingen ze stoten. Het onderzoek bestaat uit een klassiek juridisch bronnenonderzoek, een inventarisatie en analyse van alle lokale Vlaamse stedenbouwkundige verordeningen en kwalitatieve interviews met omgevingsdeskundigen uit de Vlaamse centrumsteden. De keuze voor een onderzoek naar private tuinen is welbewust. Ze beslaan in Vlaanderen 12,5% van het grondgebied en hun klimaatadaptieve potentieel is dus aanzienlijk.

Uit de analyse van de lokale stedenbouwkundige verordeningen blijkt dat ze op klimaatadaptief vlak hoofdzakelijk twee doelen nastreven: het beperken van verharding en het beschermen of creëren van groen. Sommige verordeningen leggen een maximale verhardingsgraad op, andere hanteren open criteria of verplichten een bepaald soort verharding. Ze kunnen ook bepalen dat groen moet worden aangeplant of dat bij werken boombeschermingsmaatregelen gelden. Ook verbinden lokale overheden voorwaarden aan het verstrekken van een vergunning zoals het verwijderen van verharding of het planten van een boom.

Er gelden echter drie belangrijke beperkingen. Ten eerste gelden stedenbouwkundige verordeningen alleen bij vergunningsaanvragen. Ten tweede kunnen gemeenten alleen maar voorwaarden met betrekking tot de tuin opleggen bij vergunningaanvragen die gerelateerd zijn aan de tuin. Ten derde kunnen gemeenten geen regels uitvaardigen die in strijd zijn met de hogere Vlaamse regelgeving.

De meesterproef identificeert mede aan de hand van de interviews de bepalingen op Vlaams niveau die contraproductief zijn om het klimaatadaptieve potentieel van tuinen te benutten. Ze maakt ook zichtbaar hoe gemeenten creatief regels en vrijstellingen op Vlaams niveau buiten werking plaatsen om tuinen klimaatadaptief te reguleren. Dit alles heeft echter als gevolg dat er een versnipperde en onduidelijke regelgeving is.

De meesterproef beveelt daarom een Vlaams klimaatadaptief kader op gebied van tuinen. Dat kader houdt in dat de geïdentificeerde contraproductieve bepalingen en vrijstellingen worden afgeschaft en dat er ambitieuze minimumeisen komen op het vlak van de bescherming en ontwikkeling van groen en het beperken van verhardingen. Er moet een zekere bewegingsmarge voor gemeenten blijven. Een stad is nu eenmaal geen plattelandsgemeente. In de praktijk zal dit leiden tot meer uniformiteit en een gewaarborgd klimaatadaptief tuinenbeleid.

Meer lezen

How do political parties affect the financial health of Flemish municipalities?

Universiteit Gent
2025
Ruben
Vander Haeghen
Dit onderzoek bekijkt de invloed van politieke partijen op het financieel beleid van Vlaamse gemeenten. Op basis van een originele dataset van 267 gemeenten (2014–2023) analyseerde ik de rol van politieke ideologie en electorale motieven op vier domeinen: belastingdruk, uitgaven, begrotingssaldo en schuldontwikkeling. De resultaten tonen dat ideologie vooral bepalend is voor belastingbeleid, rechtse besturen heffen systematisch lagere belastingen, terwijl uitgaven stijgen in coalities met ideologische diversiteit door interne onderhandeling. Begrotingstekorten blijken vooral te volgen uit de verkiezingscyclus en pieken in de aanloop naar verkiezingen, ongeacht ideologie. Schuldgroei wordt daarentegen nauwelijks beïnvloed door politieke factoren, een verwijzing naar het minder zichtbare karakter en de lange termijn aard van leningsbeslissingen.
Meer lezen

Van scène naar systematiek. Over het documenteren van creatieve processen in de podiumkunsten, aan de hand van het archief van Greet Vissers

Vrije Universiteit Brussel
2025
Renée
Ryckx
Dit onderzoeksartikel verkent hoe het archief van een kunstenaar kan helpen om creatieve processen in de podiumkunsten zichtbaar en toegankelijk te maken binnen de context van archiefinstellingen. Aan de hand van een casestudy rond theatermaker Greet Vissers wordt onderzocht hoe archiefbeschrijving en -structuur de werkmethodes van een kunstenaar kunnen weerspiegelen, zonder hun complexiteit te vereenvoudigen. De inclusieve praktijk van Vissers toont hoe hybride rollen en creatieve keuzes sporen nalaten in archiefmateriaal. Vanuit het concept van het performatief archief wordt de interactie tussen documentatie en artistieke praktijk geanalyseerd. Methodologisch combineert het project archiefanalyse, literatuurstudie en samenwerking met de kunstenaar. Op basis van de bevindingen werden vier aanbevelingen geformuleerd en besproken in dialoog met een archiefinstelling en een dienstverlenende organisatie binnen het erfgoedveld. Dit artikel draagt zo bij aan lopende discussies over kunstenaarsarchieven en de rol van archiefinstellingen in het bewaren en doorgeven van artistieke praktijken.
Meer lezen

ML-gebaseerde survival analyse met intervalgecensureerde gegevens voor leeftijdsvoorspelling bij honden

Universiteit Gent
2025
Jennifer
Martlé
Puppy’s worden vaak op te jonge leeftijd verhandeld. Dit kan gezondheidsimplicaties voor
zowel de hond, als de menselijke bevolking met zich meebrengen. Hierbij spelen de
minimumleeftijden van acht en vijftien weken een cruciale rol. Deze zijn ingevoerd om te
voorkomen dat te jonge en ongevaccineerde honden verhandeld worden. Deze studie
ontwikkelt daarom met behulp van machinaal leren en survival analyse een techniek om de illegale puppyhandel te bestrijden. Dit gebeurt door middel van modellen die accuraat de leeftijd van een pup kunnen bepalen op basis van zijn gebit.
Meer lezen

Gebruik van de fijne fractie van gerecycleerde puingranulaten in dekvloeren

Universiteit Gent
2025
Bjarne
Corryn
  • Wout
    Schelfhout
Wereldwijd wordt steeds meer ingezet op de recyclage van bouwpuin (zoals mengpuin en betonpuin), met
als doel dit niet enkel in te zetten als laagwaardig opvulmateriaal, maar ook als volwaardig bouwmateriaal.
De dringende nood aan duurzamere oplossingen in de bouwsector wordt onderbouwd in de literatuurstudie
aan de hand van een duurzaamheidsanalyse. In deze masterproef wordt specifiek onderzocht in hoeverre
de fijne fractie van gerecycleerde puingranulaten inzetbaar is als grondstof in dekvloermengsels
Meer lezen

De pluriformiteit van de overheid

Universiteit Hasselt
2025
Yorunn
Beeckelaers
Deze scriptie onderzoekt het overheidsbegrip binnen de Belgische rechtsorde met bijzondere aandacht voor de pluriformiteit ervan. De centrale vraag luidt: Wat is het juridische overheidsbegrip en hoe vertaalt de pluriformiteit ervan zich binnen de Belgische rechtsstaat?
Uit de analyse blijkt dat er geen eenduidige en alomvattende definitie bestaat, wat kan leiden tot rechtsonzekerheid en lacunes in de toepassing van het bestuursrecht. Daarnaast concluderen we echter ook dat het niet altijd wenselijk en mogelijk is om dit begrip volledig af te bakenen.
Deze scriptie bespreekt verschillende vormen waarin de overheid zich voordoet in onze staat. Zo
gaan we dieper in op de administratieve overheid, bestuursinstanties en overheidsinstanties en
openbare instellingen en diensten. Elk van deze begrippen kent een eigen juridische kwalificatie die
afhankelijk is van het toepassingsgebied. Ook behandelen we de toepassing van de
imperiumbevoegdheid binnen deze verschillende begrippen.
Daarnaast zullen we ook een rechtsvergelijking doen met onze buurlanden; Nederland en Frankrijk.
Dit toont de verschillende benaderingen en uitkomsten van beide landen en het verschil met België.
Nederland werkt met een functioneel overheidsbegrip in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wat
zorgt voor rechtszekerheid en ruime toepasselijkheid. Frankrijk leunt dan weer sterk op de jurisprudentie van de Raad van State. België blijft achter met een fragmentarische regelgeving en een gebrek aan systematische afbakening.
De conclusie van deze scriptie is dan ook dat het streven naar een alomvattende en omlijnde definitie van het overheidsbegrip in België niet wenselijk of haalbaar is. In plaats daarvan moet er sterk worden ingezet op een specifieke benadering waarbij men elke regelgeving individueel bekijkt en specifieke criteria opstelt. Enkel zo kan het overheidsbegrip worden afgestemd op de realiteit van een gelaagde en evoluerende bestuursstructuur.
Meer lezen

Jeugdbeleid zonder grenzen? Waarom gemeenten niet kiezen voor intergemeentelijke samenwerking omtrent jeugdbeleid.

KU Leuven
2025
Ward
Coemans
Intergemeentelijke samenwerking (IGS) wordt in Vlaanderen steeds vaker naar voren
geschoven als oplossing voor efficiënter lokaal jeugdbeleid, maar veel gemeenten blijven
voorlopig afwezig in dergelijke samenwerkingen. Deze masterproef onderzoekt welke
drempels schepenen van jeugd, jeugdambtenaren en jeugdraadsleden ervaren voor het
toetreden tot een IGS jeugdbeleid, en hoe deze drempels verschillen tussen landelijke en
stedelijke gemeenten. Via een kwalitatieve casestudie van twee niet-deelnemende gemeenten
werden focusgroepen georganiseerd met deze drie sleutelactoren. De data werden
geanalyseerd via open en axiale codering, resulterend in een drempelkader en -web. De
resultaten tonen dat politieke, organisatorische, budgettaire, inhoudelijke en sociaal-culturele
factoren elk een rol spelen. Politieke zichtbaarheid, organisatorische overbelasting, een
gebrek aan budgettaire gelijkheid, inhoudelijke mismatches en culturele weerstand vormen
belangrijke obstakels. Tegelijk wordt samenwerking erkend als hefboom voor efficiëntie,
professionalisering en bovenlokale impact. Landelijke en stedelijke contexten verschillen
duidelijk in noden en prioriteiten, wat wijst op de nood aan maatwerk in IGS-ondersteuning. Dit
onderzoek draagt bij aan het beperkte wetenschappelijke debat over intergemeentelijke
samenwerking in het jeugdbeleid en biedt beleidsmakers concrete handvatten en
beleidsinstrumenten om toekomstige samenwerkingen beter vorm te geven.
Meer lezen

Vergeten Conflicten: een blinde vlek van Vlaamse media?

KU Leuven
2025
Benthe
Vermeulen
In mijn scriptie onderzocht ik hoe het Nieuwsselectieproces van conflicten bijdraagt aan het voortbestaan van vergeten conflicten, door in gesprek te gaan met tien buitenlandjournalisten van uiteenlopende nieuwsmedia. De masterproef is opgebouwd uit vier delen. In het eerste deel wordt, op basis van de bestaande literatuur over vergeten conflicten en het nieuwsselectieproces, nagegaan welke theoretische kaders relevant zijn voor dit onderzoek. Deel twee omvat de probleemstelling en een uiteenzetting van de methodologische aanpak. In deel drie worden de resultaten van de interviews gepresenteerd. Deel vier sluit af met een bespreking van deze resultaten aan de hand van de in deel één besproken literatuur. Tot slot eindigt de masterproef met een algemene conclusie van het onderzoek.
Meer lezen

Een podium voor de verpleegkunde. 50 jaar Week van de Verpleegkunde

KU Leuven
2025
Nona
Vinken
In deze masterproef heb ik onderzocht hoe de Week van de Verpleegkunde tussen 1975 en 2024 een podium vormde waarop verpleegkundigen hun professionele identiteit konden ontwikkelen en uitdragen. Terwijl de Belgische geschiedschrijving zich tot nu toe vooral heeft gericht op de identiteitsvorming van verpleegkundigen vóór het verkrijgen van hun juridisch statuut in 1974, betoog ik dat die formele erkenning geen eindpunt was, maar juist het begin van nieuwe vormen van professionele profilering. Aan de hand van archiefmateriaal en mondelinge bronnen heb ik geanalyseerd hoe het grootste jaarlijkse congres van het Nationaal Verbond van Katholieke Vlaamse Verpleegkundigen (N.V.K.V.V.) niet alleen een spiegel was van de evoluerende professionele identiteit van verpleegkundigen, maar ook een actieve rol speelde in de constructie ervan. Tussen 1975 en 1980 zocht de verpleegkunde, in het kielzog van het nieuwe statuut, naar erkenning als volwaardig en autonoom beroep, los van de medische autoriteit. De Week speelde hierop in door een eigen kenniscultuur te ontwikkelen en het beeld van een standvastige en zelfbewuste beroepsgroep zowel binnen de verpleegkundige gemeenschap als naar de samenleving toe uit te dragen. In de jaren 1980 en 1990 begonnen verpleegkundigen zich, onder druk van overheidsbesparingen in de zorgsector, steeds meer politiek te roeren, onder andere via bewegingen zoals de Witte Woede. Het N.V.K.V.V. gebruikte die spanningen om verpleegkundigen intern te versterken door hen neer te zetten als veerkrachtige en gespecialiseerde professionals. Tegelijkertijd groeide de congresweek uit tot een platform waarop zij hun eisen naar het beleid toe konden uiten. Tussen 2000 en 2024 werd de beroepsgroep steeds diverser, met meer specialisaties, niveaus en culturele achtergronden. Het N.V.K.V.V. maakte de Week inclusiever, zodat al deze verschillende verpleegkundigen zich als professionals konden profileren en hun stemmen konden laten horen. Sinds de coronacrisis van 2020 kreeg de congresweek ook een digitaal platform, wat de democratisering van het congres zowel versterkte als bemoeilijkte. Zo toont deze masterproef aan dat de Week van de Verpleegkunde niet alleen een spiegel van haar tijd was, maar ook een motor die de interne en externe dimensies van de professionele identiteit van verpleegkundigen sinds 1975 actief heeft versterkt.

Meer lezen

Op zoek naar de optimale schaal voor intergemeentelijke samenwerking rond jeugdbeleid: de invloed van politieke, economische en organisatorische factoren

Universiteit Gent
2025
Margaux
Cattrysse
Samen sterk voor jongeren
“Alleen kan ik een druppel op een hete plaat zijn. Samen met buurgemeenten voel ik dat we écht verschil maken voor jongeren.” Die uitspraak van een jeugdambtenaar vat mijn onderzoek samen: kleine gemeenten botsen op hun grenzen, maar samenwerking maakt hen sterker.
In dorpen zonder jeugddienst vallen jongeren vaak uit de boot. Wie een skatepark wil, een fuif organiseert of vragen heeft over mentaal welzijn vindt zelden ondersteuning. Grote steden hebben teams van jeugdambtenaren, kleine gemeenten vaak slechts één medewerker of geen. En dat terwijl uitdagingen toenemen: jeugdhuizen verdwijnen, fuiven nemen af en mobiliteit blijft moeilijk.
Samenwerking kan dit keren. Voorbeelden tonen dat het werkt: taxicheques in de Westhoek, OverKop-huizen waar jongeren laagdrempelig hulp vinden of het rijke vrijetijdsaanbod in bestaande samenwerkingen.
Mijn onderzoek naar zes samenwerkingen in Vlaanderen toont dat de ideale schaal ligt tussen drie en zes gemeenten. Vanaf vier wordt het financieel interessant, boven zes dreigt bureaucratie. Vertrouwen en nabijheid maken kleine groepen sterker en slagvaardiger.
Voor jongeren betekent dit geen beleidsnota’s, maar concrete kansen: fuiven die doorgaan, vervoer naar activiteiten, een plek om te chillen. Zoals een jeugdambtenaar zei: “We zien jongeren opnieuw opduiken die we anders kwijt waren.”
De valkuilen zijn bekend: politiek wantrouwen, scheve verdeling, te veel administratie maar met transparantie en duidelijke afspraken zijn ze te vermijden.
De conclusie is helder: alleen red je het niet, samen maak je het verschil.
Meer lezen

Grenzen in de thuiszorg: coping met ongewenst patiëntengedrag en de rol van leidinggevenden

Universiteit Hasselt
2025
Femke
Iven
Ongewenst patiëntengedrag tegen zorgmedewerkers neemt aanzienlijk toe, ook in de thuiszorgsector (Boureghda et al., 2024; Elst et al., 2016). Onderzoek (VBZV & Veys, 2024) toont aan dat 94% van de zelfstandige verpleegkundigen in de thuiszorgsector al in aanraking is gekomen met een vorm van ongewenst patiëntengedrag. Het kan negatieve gevolgen hebben voor zorgverleners zoals burn-out (Yagil, 2008) en voor zorgorganisaties zoals personeelsverloop (Fisk et al., 2010). Dit onderzoek kadert binnen het toenemende ongewenst patiëntengedrag tegen zorgverleners. Het doel is om inzichten te verkrijgen in welke copingmechanismen zorgverleners toepassen en welke maatregelen organisaties kunnen nemen om ongewenst patiëntengedrag in de thuiszorgsector tegen te gaan. De onderzoeksvraag van dit onderzoek is: “Hoe ervaren zorgmedewerkers in de thuiszorg ongewenst gedrag van patiënten en welke acties hiertegen beschouwen zij als effectief?”
Het beantwoorden van de onderzoeksvraag gebeurt via een kwalitatief onderzoek door middel van vijftien semigestructureerde diepte-interviews bij zowel zorgmedewerkers, leidinggevenden als een interne vertrouwenspersoon. Daarnaast vormt het model over het copingproces van verpleegkundigen bij stress op het werk van Akbar et al. (2017) de onderzoekslens. Dit model dient als vertrekpunt om op basis van de empirische bevindingen te werken naar een model dat het copingproces in kaart brengt van thuiszorgmedewerkers bij ongewenst patiëntengedrag.
Meer lezen

Samen lesgeven in de wetenschap: De perceptie van leerkrachten op co-teaching

Universiteit Gent
2025
Tim
De Bels
Co-teaching wint aan belang. Meer en meer leerkrachten gebruiken het als een tool om hun lessen interessanter te maken. Daarbuiten is het een perfecte manier om van je school een lerende organisatie te maken. (Larock et al., 2017)
Onderzoek naar co-teaching is niets nieuw, maar het onderzoek in Vlaamse context ontbreekt gedeeltelijk. Percepties zijn een goed beginpunt en werden al onderzocht voor zowel leerkrachten als leerlingen uit het beroepssecundair onderwijs in Vlaanderen door Gotelaere (2020). Er werd hierbij gekeken naar de perceptie over co-teaching in het algemeen, hun co-teachingpraktijken en de uitkomstvariabelen bij de leerlingen. De literatuur gaat niet verder waardoor er ruimte is om de vraag te stellen wat leerkrachten denken over co-teaching. Om het onderzoek te beperken, en omdat ik een educatieve master in een wetenschapsvak volg, wordt er enkel gekeken naar leerkrachten uit het secundair onderwijs die wetenschapsvakken geven.
De hoofdonderzoeksvraag voor deze masterpraktijkproef luidt daarom als volgt:
1)
Wat is de perceptie van leerkrachten van wetenschapsvakken ten opzichte van co-teaching in het secundair onderwijs in Vlaanderen?
Aangezien dit een heel breed gegeven is, probeer ik de vraag iets concreter te maken. Dit wordt gedaan door de vraag te leiden naar volgende deelonderzoeksvragen:
2)
Welke invloed heeft de schoolcultuur op de perceptie van leerkrachten van wetenschapsvakken ten opzichte van co-teaching in het secundair onderwijs in Vlaanderen?
3)
Welke invloed heeft de finaliteit op de perceptie van leerkrachten van wetenschapsvakken ten opzichte van co-teaching in het secundair onderwijs in Vlaanderen?
4)
Welke invloed heeft het vak op de perceptie van leerkrachten van wetenschapsvakken ten opzichte van co-teaching in het secundair onderwijs in Vlaanderen?
2
Dit onderzoek bestaat uit verschillende hoofdstukken. In de eerste plaats wordt er een literatuurstudie gedaan die het theoretische kader biedt voor de rest van het onderzoek. Het tweede hoofdstuk beschrijft hoe het onderzoek wordt uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek worden besproken in hoofdstuk 3 waarna hoofdstuk 4 deze resultaten bediscussieert.
Meer lezen

Van pen naar prompt: eindwerken in een AI-era

Vrije Universiteit Brussel
2025
Lennerd
Kevelaerts
De opkomst van generatieve artificiële intelligentie (Gen-AI) stelt het hoger onderwijs
voor nieuwe uitdagingen op vlak van onderwijskwaliteit en evaluatie-aanpak. AI-tools zoals ChatGPT bieden opportuniteiten op vlak van efficiëntie en personalisatie, maar wanneer studenten de tools ongecontroleerd inzetten, kan dit de pedagogische waarde en geloofwaardigheid van opleidingen en hun evaluaties ondermijnen. Gen-AI maakt het mogelijk dat studenten met minimale input uitgebreide, grammaticaal correcte teksten genereren, die al snel de indruk wekken dat ze de materie beheersen.
Vooral bij eindwerken heerst momenteel een spanning tussen technologische
ondersteuning en valide evaluaties van studentenwerk. Waar het eindwerk vroeger volstond om na te gaan of eindcompetenties bereikt werden, blijkt uit dit onderzoek dat Gen-AI deze evaluatie sterk kan vertekenen. Wanneer studenten AI inzetten zonder kritisch inzicht of inhoudelijk begrip, komt de waarde van diploma’s onder druk te staan. Beleidsmatige sturing vanuit de Vlaamse overheid blijft beperkt, waardoor instellingen zelf richting moeten geven aan hun AI-beleid, vaak zonder overkoepelend kader.
Deze masterproef onderzoekt hoe evaluatiemethoden van eindwerken hertekend
kunnen worden om kerncompetenties te blijven borgen in een AI-tijdperk. Via een holistische single-case study binnen het domein Economie en Management werden expertinterviews en documentanalyses gecombineerd. De resultaten tonen aan dat competenties zoals domeinkennis, onderzoeksvaardigheden en kritisch denken essentieel blijven. Klassieke eindwerkvormen, zoals de academische paper, schieten echter tekort in het valide toetsen van deze vaardigheden. Tegelijkertijd wint AI-geletterdheid aan belang als nieuwe en onmisbare competentie.
Vier paradoxen (expertise, innovatie, equity en transparantie) illustreren de spanningsvelden die Gen-AI met zich meebrengt. Opvallend is vooral de vierde, nieuwe
paradox die tijdens de interviews naar voren kwam: de Transparantie Paradox. Deze tot dan toe onbenoemde paradox onderstreept hoe het streven naar transparantie, de controle op authenticiteit kan ondermijnen. Respondenten pleiten voor een verschuiving van productgerichte naar procesgerichte evaluatie, met nadruk op eigenaarschap, transparantie en contextgerichtheid. Beleidsmakers en instellingen worden uitgedaagd om voorbij het klassieke spanningsveld tussen controle en loslaten te denken, richting betekenisvolle vernieuwing van procesevaluatie.
Meer lezen

Een bed, een kans

Hogeschool VIVES
2025
Bart
Vergote
Ik deed een onderzoek naar hoe hulpverlening nu concreet vorm krijgt binnen het huidige BedBadBrood-principe binnen de West - Vlaamse Nachtopvang(-en). Daarnaast onderzocht ik hoe deze hulpverlening kan versterkt worden.
Meer lezen

Constructing Tales of Future Belgian Heatwaves Using Ensemble-Mining Strategies

Universiteit Gent
2025
Niels
Carlier
Hitte-extremen zijn moeilijk te onderzoeken door hun zeldzaamheid. Hoewel observaties en klimaatsimulaties essentiële inzichten bieden in toekomstige klimaatextremen, resoneren ruwe statistieken alleen vaak niet met het bredere publiek.

Storylines of Tales of Future Weather kunnen de kloof overbruggen tussen abstracte wetenschap en door mensen beleefde extreme weersomstandigheden, waardoor klimaatverandering tastbaar, herkenbaar en concreet wordt. Een storyline is een zelf-consistente beschrijving van een plausibel klimaatextreem - zoals een hittegolf - in een gegeven klimaat, gebaseerd grondige data-analyse, statistiek en impactmodellen. Zulke wetenschappelijk onderbouwde narratieven werpen licht op vragen als: "Hoe erg zouden de 2024 Balkanhittegolven geweest zijn in een warmer klimaat?" of "Waren ze mogelijk in een pre-industrieel klimaat?" Dergelijke informatie kan belangrijk zijn voor stakeholders en onze samenleving, maar het is niet a priori duidelijk wat de karakteristieken zijn van plausibele extremen in een gegeven, toekomstig klimaat. In mijn thesis introduceer ik een efficiënte methodologie om hittegolven te karakteriseren in een toekomstig Belgisch klimaat, die gebruik maakt van zowel geobserveerde temperatuursreeksen als gesimuleerde klimaatprojecties. Deze techniek kreeg de naam Global Warming Scaling of kortweg GWS.

In GWS wordt een observationele temperatuursreeks geschaald naar een toekomstig klimaat, bijvoorbeeld een opwarming van 2°C boven pre-industriële gemiddelden. In deze getransformeerde reeks zoeken we naar de recordwaarden voor bepaalde jaarlijkse klimaatindices die volgens ons jaren van extreme hitte aanduiden. Een voorbeeld hiervan is de jaarlijkse piektemperatuur. Deze geschaalde recordwaarden worden vervolgens gezien als drempelwaarden die in het toekomstige klimaat overschreden moeten worden vooraleer we van een extreem jaar spreken.

Deze GWS drempelwaarden kunnen gebruikt worden in een zogenaamde data-miningprocedure, waar we in een groot ensemble van gesimuleerde klimaatvoorspellingen dergelijke jaren van extreme hitte gaan identificeren. Eens we zo’n event gevonden hebben, beschikken we over een set meteorologische velden die volgens onze methode geloofwaardig zijn voor een bovengemiddeld warm jaar in het bestudeerde toekomstige klimaat.

We kunnen deze meteorologische data met andere woorden gebruiken als input voor impactmodellen. Dit zijn wiskundige modellen die de impact van extreme temperatuur op de samenleving inschatten. Ik modelleerde in mijn thesis onder andere het aantal werkdagen dat verloren zou gaan door een toename in hittestress, stijgingen in riviertemperaturen, bosbrandgevaar onder aanhoudende droogte, potentiële toename van invasieve insectensoorten en meer. De resultaten van soortgelijke impactstudies kunnen gebruikt worden als referentiemateriaal in het construeren van een storyline met betrekking tot extreme hitte. Op die manier kunnen stakeholders aan de hand van zulke verhaallijnen de zwakke plekken in hun respectievelijke sectoren blootleggen, en kunnen beleidsmakers een beeld vormen van waarop ze zich moeten voorbereiden.
Meer lezen

De mate van etnische discriminatie in wervings- en selectieprocedures binnen de publieke en private sector in Vlaanderen

Hogeschool UCLL
2025
Yousri
Meniaoui
Deze scriptie focust op de mate van etnische discriminatie binnen de wervings- en selectieprocedures van de publieke en private sector in Vlaanderen. Ondanks de aanwezigheid van wettelijke kaders, zoals de Antidiscriminatiewet van 2007 en CAO nr.38 blijken, kandidaten met een migratieachtergrond in de praktijk nog steeds minder vaak te worden uitgenodigd voor sollicitatiegesprekken (Devos, Lippens & Baerts, 2024). Het doel van deze scriptie is om te onderzoeken in welke mate er verschillen bestaan tussen beide sectoren en welke structurele factoren hieraan bijdragen.
Het onderzoek bestaat uit een uitgebreide literatuurstudie, een analyse van wetgeving en bestaand kwantitatief onderzoek. Daarnaast werd een praktijkonderzoek uitgevoerd met correspondentietesten. Hiervoor werden twee fictieve kandidaten met gelijkwaardige profielen, maar met respectievelijk een Vlaamse naam en een niet-Vlaams klinkende naam ingezet om te solliciteren naar administratieve/klantgerichte functies binnen de private sector in Vlaanderen. Uit de resultaten blijkt dat de kandidaat met een Vlaamse naam vaker werd uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek dan de kandidaat met een niet-Vlaamse naam, ondanks vergelijkbare of zelfs sterkere kwalificaties. De kandidaat met de Vlaamse naam werd in 43,2% van de gevallen uitgenodigd, tegenover 29,7% voor de kandidaat met de niet-Vlaamse naam.
In de publieke sector blijkt uit onderzoek van de Vrije Universiteit Brussel en de Universiteit Gent (2023) dat in de eerste fases van de selectieprocedure geen statistisch significante etnische discriminatie voorkomt. Dit wordt deels verklaard door het gebruik van gestandaardiseerde en objectieve procedures binnen de publieke sector. In de latere fases van de selectie zoals sollicitatiegesprekken blijken ook daar subtiele vormen van discriminatie voor te komen.
De bevindingen bevestigen dat transparante en gestandaardiseerde wervingsprocedures discriminatie kunnen beperken in de eerste fases. In de private sector blijft het risico op (onbewuste) discriminatie aanwezig. De resultaten wijzen op de noodzaak van aanvullende maatregelen zoals bias-training, het hanteren van objectieve selectiecriteria en het structureel inzetten van praktijktesten als monitoringinstrument.
Hoewel dit onderzoek qua schaal beperkt is en zich enkel richt op de eerste fase van het selectieproces binnen de private sector, sluiten de bevindingen aan bij bestaande literatuur en bieden ze duidelijke aanwijzingen voor structurele ongelijkheid. Verdere studies zijn nodig om het volledige selectieproces in kaart te brengen en ook andere sectoren te betrekken.
Meer lezen

Hoe maken we scholen autismevriendelijk voor leerkrachten? Een interviewstudie met autistische leerkrachten uit het secundair onderwijs in Vlaanderen.

Universiteit Gent
2025
Wim
Delanoy
Er wordt veel geschreven over het lerarentekort en over diversiteit in de klas, maar zelden krijgen leerkrachten met autisme hierin een stem. Deze onzichtbare - en tegelijk onmisbare - groep neurodiverse leerkrachten houdt mee het Vlaamse onderwijs recht. Deze interviewstudie (uitgevoerd door een autistische leerkracht in opleiding) stelt daarom de vraag aan hen. Hoe kunnen we scholen meer autismevriendelijk maken voor leerkrachten? Om deze onderzoeksvraag te beantwoorden nemen we een semigestructureerd interview af bij 8 leerkrachten met autisme, werkzaam in het Vlaamse secundair onderwijs. De thematische analyse van de interviews levert 5 grote thema’s op. Vooreerst verwoorden de geïnterviewde leerkrachten dat er in scholen nog steeds stereotiep gekeken wordt naar autisme, zowel bij leerkrachten als bij leerlingen, en dat het stigma hieromtrent bij deze leerkrachten leidt tot gevoelens van schuld, schaamte en angst. Ook type 9 scholen, waar de helft van de geïnterviewde leerkrachten werkt (of werkte), ontsnappen hier niet aan. Verder komt het les geven van deze leerkrachten opvallend weinig aan bod – dit loopt doorgaans goed. Wel zorgen de niet les gerelateerde activiteiten - zoals vergaderingen, toezichten, uitstappen - voor veel stress, en dit met een fatalistische ondertoon. Voorts geldt de uitspraak dat leerkracht zijn niet eindigt bij de laatste schoolbel nog meer voor leerkrachten met autisme. Enerzijds besteden deze leerkrachten veel privétijd aan ontprikkelen, en anderzijds zoeken zij professionele begeleiding in diezelfde privétijd, al dan niet gecombineerd met vooral prikkeldempende medicatie. Tenslotte geven de leerkrachten aan dat zij wel empathisch en creatief zijn, en dit volledig tegen de nog heersende stereotiepe kijk op autisme in. Ook zijn zij fier op hun sensorisch talent tot een volgehouden hyperfocus (monotropisme). Overeenkomstig het bovenstaande vragen de leerkrachten eerst en vooral een stigma doorbrekende beeldvorming – psycho-educatie – binnen de scholen omtrent autisme. Voorts is een bijzondere aandacht voor niet les gerelateerde activiteiten aangewezen, want het is daar waar de leerkrachten met autisme het meeste energie verspillen en zelfs kapot gaan. Ook vragen de leerkrachten om van scholen een meer prikkelluwe omgeving te maken, waarbij de vraag naar een stille lerarenkamer het luidst weerklinkt. Een vorm van structureel mentorschap binnen de schoolomgeving is eveneens belangrijk. Tenslotte vragen de leerkrachten ruimte voor en erkenning van hun bijzondere interesses en talenten. We hebben deze inzichten samengevat in vijf pijlers voor een autismevriendelijke school. We zijn ervan overtuigd dat het toepassen van deze vijf pijlers niet alleen ten goede komt aan leerkrachten en leerlingen met autisme, maar ook aan diegenen zonder. Sterker nog, we durven te stellen dat deze vijf pijlers essentieel zijn in alle organisaties waar mensen met en zonder autisme samenwerken, en bijdragen aan een meer inclusieve autismevriendelijke samenleving als geheel.
Meer lezen

Zachte warmte, grote impact: Kangaroo care als pijnbestrijding bij neonaten

Thomas More Hogeschool
2025
Amber
Monten
De scriptie gaat over kangoeroezorg als manier om acute pijn bij neonaten te verlichten, vooral op de NICU. Hoewel huid-op-huidcontact bewezen voordelen heeft wordt het tijdens medische handelingen zoals bloedafnames nog weinig toegepast. In het werk worden de belangrijkste drempels besproken, zoals beperkte ruimte, terughoudendheid van zorgverleners en praktische moeilijkheden voor ouders. Op basis van de literatuur is een verpleegkundig protocol uitgewerkt dat laat zien hoe kangoeroezorg veilig kan worden geïntegreerd in procedures zoals bloedafnames. De kernboodschap is dat kangoeroezorg niet alleen goed is voor de prematuur, maar ook ouders sterker betrekt en verpleegkundigen helpt om meer holistische zorg te bieden.
Meer lezen

Beyond Self-Assessment: Exploring Student-Teacher Agreement on Social and Emotional Skills (SEMS) Using the Too Little/Too Much (TLTM) Scale

Universiteit Gent
2025
Jana
De Smedt
Context
De sociaal-emotionele vaardigheden (SEMS) van leerkrachten worden steeds vaker erkend als essentieel voor het creëren van een positieve klasdynamiek. Toch baseert onderzoek zich doorgaans op zelfrapportage door leerkrachten om deze vaardigheden te meten.

Nieuwheid
Deze scriptie introduceert een leerlinggebaseerde evaluatie met behulp van de ‘Too Little/Too Much’-schaal (TLTM) en onderzoekt de mate van overeenstemming (self-other agreement, SOA) tussen SEMS beoordelingen door leerlingen en leerkrachten. Daarnaast wordt nagegaan in hoeverre deze overeenstemming – of het gebrek daaraan – verband houdt met de houding van leerkrachten ten aanzien van ontvangen feedback.

Methode
Gegevens werden verzameld bij 65 leerkrachten en 866 leerlingen uit het secundair onderwijs in Vlaanderen, verspreid over twee meetmomenten. Via exploratieve factoranalyse (EFA) werd de structuur van de TLTM-schaal onderzocht. Vervolgens werden correlaties en multilevel regressiemodellen gebruikt om de overeenstemming tussen leerkracht- en leerlingbeoordelingen van SEMS in kaart te brengen. Tot slot werd met lineaire regressiemodellen nagegaan in welke mate waargenomen discrepanties samenhangen met de feedbackattitude van leerkrachten.

Belangrijkste Bevindingen
Sommige TLTM-subschalen vertoonden een aanvaardbare betrouwbaarheid, terwijl andere meer variabiliteit lieten zien. De overeenstemming tussen leerkrachten en leerlingen was het sterkst voor expressieve, observeerbare gedragingen zoals het gebruik van persoonlijke anekdotes en/of humor in de klas. De verschillen tussen zelfbeoordelingen en leerlingbeoordelingen bleven over het algemeen beperkt. Leerkrachten stonden bovendien overwegend positief tegenover de ontvangen feedback.

Conclusie
Deze bevindingen onderstrepen het potentieel van door leerlingen geïnformeerde feedback om de professionele ontwikkeling van leerkrachten te versterken, vooral wanneer die feedback op een constructieve en contextgebonden manier wordt aangeboden. Dat leerkrachten over het algemeen positief reageerden, suggereert dat volledige overeenstemming geen voorwaarde is voor het ervaren van feedback als zinvol. De studie biedt voorlopige aanwijzingen dat genuanceerde, leerlinggebaseerde beoordelingen – zoals de TLTM-schaal – reflectie kunnen verdiepen en bijdragen aan een meer participatieve feedbackcultuur in het onderwijs.
Meer lezen

De eerste 1000 dagen met 1000 verwachtingen

KU Leuven
2025
Charlotte
Wong
Het discours rond de eerste 1000 dagen (van conceptie tot 2 jaar) geldt internationaal en in Vlaanderen als een cruciale periode voor kindontwikkeling. Het wil preventief werken door vroege zorg te promoten, maar legt impliciet ook veel verantwoordelijkheid bij ouders, vooral moeders. De focus ligt sterk op kinduitkomsten, terwijl ouderervaringen onderbelicht blijven. In Vlaanderen groeit kritiek op het deterministische karakter, de individualisering van verantwoordelijkheid en het gebrek aan structurele steun. Dit onderzoek verkent via diepte-interviews met negen koppels hoe ouders het discours beleven, welke invloed het heeft op hun ouderschap en welke rol gender speelt. Weinig ouders kennen de term expliciet, maar herkennen de principes (hechting, nabijheid). Informatie wordt als versnipperd en tegenstrijdig ervaren. Sommigen voelen zich gesteund, anderen onder druk gezet door hoge verwachtingen. Moeders ervaren meer druk en nemen vaker het voortouw; vaders hebben vaker een ondersteunende rol, mede door ongelijk verlof en sociale normen. Ouders filteren adviezen en zoeken aansluiting bij eigen waarden, maar de nadruk op individuele verantwoordelijkheid bemoeilijkt dit.
Het discours blijkt paradoxaal: het wil steun bieden, maar versterkt ook druk en ongelijkheid. Aanbeveling: een inclusiever beleid dat ook het welzijn en de leefwereld van ouders centraal zet.
Meer lezen

The importance of sex education for youth in Basse, URR, The Gambia

Hogeschool VIVES
2025
Silke
Colpaert
  • Caro
    Duvillers
We deden onderzoek naar de mogelijkheden en uitdagingen binnen seksuele voorlichting in Basse, URR, Gambia in samenwerking met lokale organisaties.
Meer lezen

De beoordelingsvrijheid van de jeugdrechter en het belang van de minderjarige in het jeugddelinquentierecht

Vrije Universiteit Brussel
2025
Damra
Citak
Mijn masterproef onderzoekt de beoordelingsvrijheid van Vlaamse jeugdrechters onder het Jeugddelinquentiedecreet van 15 februari 2019 en de wijze waarop het belang van de minderjarige in hun beslissingen doorweegt. Het decreet markeert een paradigmaverschuiving van een beschermingsgericht model naar een benadering waarin vooral responsabilisering centraal staat, naast herstel, beveiliging en sanctionering.

De ruime discretionaire bevoegdheid van jeugdrechters laat zowel juridische (legale) als buiten-juridische (extralegale) factoren toe in de besluitvorming, zoals leeftijd, geslacht, etnisch-culturele achtergrond, sociale context, gezinsstructuur, het gedrag van de minderjarige en de persoonlijkheid van de jeugdrechter. Ook praktische factoren, zoals de beschikbaarheid van voorzieningen, beïnvloeden de uiteindelijke sancties en maatregelen.

Het onderzoek combineert een juridische analyse van nationale en internationale regelgeving, rechtsleer en rechtspraak met een empirisch luik via interviews met zes Vlaamse jeugdrechters. Hierbij worden onder meer de interpretatie van het belang van de minderjarige, de toepassing van proces- en rechtswaarborgen en de rol van juridische en extralegale factoren onderzocht.

De bevindingen tonen dat jeugdrechters sterk rekening houden met de context van de minderjarige, maar dat de ruime beoordelingsvrijheid ook leidt tot variatie in beslissingen. De studie levert zowel een wetenschappelijke als praktijkgerichte bijdrage aan het begrip van de toepassing van het Jeugddelinquentiedecreet en benadrukt het spanningsveld tussen responsabilisering, bescherming en kindvriendelijkheid.
Meer lezen

Van opleiding naar opbrengst: De rol van jeugdacademies in het strategisch en financieel beleid van voetbalclubs – De case van KAA Gent Louis

Universiteit Gent
2025
Louis
Ampe
  • Luca
    Detavernier
Jeugdopleidingen in het Belgische profvoetbal bevinden zich op het kruispunt van sportieve ontwikkeling, economische logica en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Hoewel profclubs in essentie private actoren zijn, spelen ze via hun jeugdwerking ook een publieke rol. Ze bevorderen participatie, sociale cohesie en talentontwikkeling bij jongeren. Deze masterproef onderzoekt in welke mate jeugdwerkingen van profclubs afhankelijk zijn van overheidsbeleid en hoe die relatie structureel vorm kan krijgen in functie van maatschappelijk rendement.

Aan de hand van literatuuronderzoek, beleidsanalyse en interviews met stakeholders werd onder meer de werking van KAA Gent onderzocht. De studie toont aan dat jeugdopleidingen financieel sterk leunen op lidgelden, vrijwilligerswerk en occasionele subsidies, terwijl de opbrengsten uit transferpolitiek slechts zelden rechtstreeks terugvloeien naar jeugd- of infrastructuurinvesteringen. Tegelijk toont het onderzoek hoe de maatschappelijke impact van jeugdvoetbal, bijvoorbeeld op het vlak van gezondheid, integratie en buurtwerking, aanzienlijk is maar onvoldoende verankerd in het beleid.

De scriptie formuleert beleidsaanbevelingen op lokaal en Vlaams niveau. Zo wordt gepleit voor een vereenvoudiging van het subsidiekader en voor fiscale stimulansen die investeringen in jeugdvoetbal aanmoedigen. Op die manier draagt het onderzoek bij aan het bredere debat over publieke steun aan sport en de rol van voetbalclubs als maatschappelijke actoren.
Meer lezen

Met oog voor de toekomst: een vignettenonderzoek naar de bereidheid van leerkrachten om eye-tracking in te zetten bij begrijpend lezen

Universiteit Antwerpen
2025
Jolijn
Verbergt
Het leesniveau van leerlingen is al jaren een groeiende bekommernis binnen het Vlaamse onderwijs. Begrijpend lezen is immers een vaardigheid die bepalend is voor schoolsucces én voor een volwaardige integratie in de samenleving. Tegelijk ervaren leerkrachten moeilijkheden om zicht te krijgen op het leesproces van hun leerlingen, wat effectieve begeleiding bemoeilijkt. Innovatieve technologieën, zoals eye-tracking en artificiële intelligentie (AI), bieden nieuwe mogelijkheden om dit leesproces zichtbaar te maken en ondersteuning op maat te bieden. Hoewel deze technologie beschikbaar is, wordt ze vandaag nog niet toegepast in het Vlaamse onderwijs.

Deze masterproef speelt in op die leemte door te onderzoeken in welke mate leerkrachten in het lager en secundair onderwijs bereid zijn om AI-technologie die gebruikmaakt van eye-tracking toe te passen bij begrijpend lezen. Daarbij wordt gekeken naar drie aspecten: de factoren die bereidheid beïnvloeden, de kennis die leerkrachten hierbij noodzakelijk achten en het type samenwerking tussen mens en technologie dat zij verkiezen.

Via een kwalitatieve vignettenstudie werden twintig leerkrachten geïnterviewd over deze bereidheid. Leerkrachten zien vooral meerwaarde in technologie die hun didactische rol ondersteunt, maar niet overneemt. De bruikbaarheid van deze technologie werd vooral gekoppeld aan het zichtbaar maken van het leesproces, de mogelijkheden tot differentiatie en zelfreflectie. Gebruiksgemak hing af van een eenvoudig dashboard, makkelijk gebruik in de klas en snel te leren technologie. Daarnaast geven leerkrachten aan nood te hebben aan technologische, didactisch-technologische, technologisch-vakinhoudelijke en ethische kennis. Vertrouwen in AI en transparantie over de werking en besluitvorming zijn essentieel voor leerkrachten om de technologie te aanvaarden. Tot slot benoemden respondenten aandachtspunten zoals verminderde sociale interactie, bezorgdheden rond schermlezen en het belang van menselijke betrokkenheid in het leerproces.

Deze bevindingen tonen aan hoe belangrijk het is om eye-tracking en op eye-tracking gebaseerde AI-technologie in het onderwijs op een manier te gebruiken die de leerkracht ondersteunt en niet vervangt. De technologie moet gebruiksvriendelijk en transparant zijn, maar vooral de professionele autonomie en didactische rol van de leerkracht versterken.
Meer lezen

DE RELATIE TUSSEN WERKBELASTING EN DE TURNOVER INTENTIE VAN LEERKRACHTEN IN HET VLAAMSE ONDERWIJS. DE ROL VAN INTRINSIEKE MOTIVATIE

Universiteit Gent
2025
Janne
Van Cauter
Mijn masterproef onderzoekt de relatie tussen werklast en de turnover intentie van leerkrachten in het Vlaamse onderwijs, met bijzondere aandacht voor de rol van intrinsieke motivatie. Het theoretische kader is het Job Demands-Resources (JD-R) model, waarin werklast een taakeis is en intrinsieke motivatie als persoonlijke hulpbron fungeert.

Via een grootschalige kwantitatieve survey werden data verzameld bij 346 leerkrachten uit 40 Vlaamse basis- en secundaire scholen. De analyse toont dat een hogere werklast samenhangt met een sterkere intentie om het onderwijs te verlaten. Ook blijkt dat intrinsieke motivatie de kans op turnover intentie verlaagt, maar niet significant modereert tussen werklast en turnover intentie.

Mijn onderzoek wijst op de nood aan werkbare en motiverende werkomstandigheden in het onderwijs en levert zowel wetenschappelijke als beleidsrelevante inzichten aan voor het behoud van leerkrachten in een context van groeiende werkdruk en een structureel lerarentekort.
Meer lezen

De schoolbel boven de beltoon: een onderzoek naar het smartphonebeleid op scholen

Universiteit Gent
2025
Jiska
Kuys
Deze studie onderzoekt welke motivaties en percepties een rol spelen in de vormgeving van het smartphonebeleid bij scholen in Vlaanderen. Smartphones zijn uitgegroeid tot onmisbare apparaten in het dagelijks leven, maar leiden in onderwijscontexten tot polariserende debatten over hun educatief potentieel en disruptieve impact. De paradoxale aard van smartphones als zowel hulpmiddel en risicofactor vormt het kernpunt van discussies bij stakeholders in het onderwijs. Deze studie maakt gebruik van semigestructureerde interviews met beleidsmedewerkers, leerkrachten en opvoeders, aangevuld met focusgroepen met leerlingen uit acht Vlaamse scholen om deze motivaties en percepties bloot te leggen. De onderzoeksvragen richtten zich op stakeholderpercepties tegenover smartphones, motivaties voor beleidsvorming, attitudes tegenover het smartphonebeleid en verschillen in percepties met het laptopbeleid. De resultaten tonen dat alle stakeholders de paradoxale aard van smartphones erkennen waarbij educatieve, sociale en gezondheidsgerichte motivaties centraal staan bij beleidsvorming. Beleidsmedewerkers associëren smartphones primair met concentratieverlies, terwijl leerkrachten en opvoeders een ambivalente houding hanteren en leerlingen openlijk hun smartphone-afhankelijkheid erkennen. Het onderzoek onthult spanningen tussen bescherming en zelfregulatie, waarbij een gefaseerde beleidsimplementatie per leeftijdsgroep wordt aanbevolen. De bevindingen onderstrepen de noodzaak van een geïntegreerd beleid voor alle digitale apparaten in het onderwijs waarbij de stakeholders beamen dat digitale geletterdheid en het aanleren van 21e-eeuwse vaardigheden onmisbaar zijn geworden.
Meer lezen

Trapped gold, flashy dyes: Taking advantage of zeolitic imidazolate framework-8’s weakness

KU Leuven
2025
Manu
Donders
In dit werk wordt het zuurgevoelige gedrag van zeolitic imidazolate framework‑8 (ZIF‑8) onderzocht en benut voor de ontwikkeling van een nieuwe aanpak voor de zuivering, hantering en dosering van goudnanodeeltjes (AuNPs). Daartoe worden AuNPs ingekapseld in ZIF‑8, waardoor hybride AuNP@ZIF‑8‑poeders ontstaan. Deze poeders vergemakkelijken het werken met AuNPs, maken efficiënte zuivering mogelijk via centrifugatie bij lage g‑krachten, en vertonen uitstekende resuspensie na zuur‑geïnduceerde afbraak van ZIF‑8. De inkapselingsstrategie bleek zeer effectief: na drie zuiveringscycli werd meer dan 80 % van het goud behouden, terwijl dit voor niet‑ingekapselde AuNPs slechts 25 % was. Bovendien maakt de inkapseling het mogelijk om ongezuiverde colloïdale AuNP‑systemen om te zetten in robuuste, resuspendeerbare poeders die geschikt zijn voor transport en langdurige opslag.
Meer lezen

Een kijk op dekolonisatie: Vlaamse en Franse media over tien jaar onafhankelijkheid in hun voormalige koloniën

KU Leuven
2025
Margeaux
De Borger
Deze masterproef onderzoekt hoe de dekolonisatie van Congo en Algerije gerepresenteerd werd in Vlaamse en Franse televisiereportages, tien jaar na de onafhankelijkheid van beide landen. Aan de hand van een kwalitatieve, multimodale framingsanalyse worden de twee driedelige reportagereeksen Kongo (1970) en L’Algérie dix ans après (1972) geanalyseerd.
Meer lezen