Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Een participatief actie-onderzoek naar inclusieve stadsvernieuwing en de integratie van de Comunidade do Pilar.

Universiteit Antwerpen
2026
Delphine
De Roy
Hoe kan een binnenstedelijke, gemarginaliseerde gemeenschap zoals de Comunidade do Pilar mee vormgeven aan inclusievere stadsvernieuwingsconcepten voor haar onmiddellijke en ruimere omgeving, en zo de noodzakelijke kennis ontwikkelen om haar recht op ruimtelijke inspraak beter te versterken en structureel te verankeren?
Meer lezen

De optimalisatie van het psychosociaal welzijn van verpleegkundestudenten op de klinische stageplaats.

Hogeschool UCLL
2026
Jules
Buyle
Het psychosociaal welzijn van verpleegkundestudenten tijdens klinische stages staat onder toenemende druk door hoge werkdruk, onduidelijke verwachtingen en wisselende teamculturen. Media‑getuigenissen en parlementaire vragen tonen dat negatieve stage-ervaringen geen uitzonderingen zijn, maar structurele problemen blootleggen. Tegelijkertijd bestaan er afdelingen waar studenten zich wél veilig, welkom en ondersteund voelen, wat bewijst dat kwaliteitsvolle begeleiding mogelijk is wanneer teams bewust investeren in een sterk leerklimaat.

Uit recente wetenschappelijke literatuur blijkt dat vier factoren het welzijn van studenten bepalen: kwalitatieve begeleiding, een veilig en pedagogisch leerklimaat, individuele veerkracht en structurele randvoorwaarden zoals werkdruk en toegankelijkheid van mentoren. Vooral een vaste, competente mentor blijkt cruciaal voor veiligheid, duidelijkheid en professionele groei.
Meer lezen

Van penseelstreek tot pixel: de hedendaagse visuele cultuur en de waarneming van kunst

Universiteit Gent
2025
Malou
Perquy
Deze masterproef onderzocht welke voorwaarden nodig zijn om kunst ten volle te kunnen waarnemen en waarderen, en op welke manier deze voorwaarden beïnvloed worden door digitale media en de cognitieve toestand waarin deze media hun gebruikers achterlaten. De factoren die bepalend zijn voor de waarneming en ervaring van kunst werden afgewogen tegen de impact van digitale media op diezelfde factoren.

In het eerste hoofdstuk werd duidelijk dat de waarnemer geen neutrale observator is, maar een beïnvloede kijker, gevormd door culturele, sociale, historische, conventionele en psychologische factoren, die op hun beurt mede worden bepaald door digitale media. Digitale media creëren zowel een nieuwe kijker als een nieuwe manier van kijken naar kunst. Vervolgens werd onderzocht hoe digitale media de aard van het kunstwerk beïnvloeden, zowel wat de reproductie betreft als het fysieke kunstwerk. Het bleek dat digitale media niet enkel de inherente aard van het kunstwerk veranderen, maar ook betekenis, receptie, de relatie tot de toeschouwer en het concept van authenticiteit een andere invulling geven.

Tot slot werd ingegaan op de context waarin de waarneming plaatsvindt: de ervaring van kunst in musea tegenover die op digitale media. Beide contexten beïnvloeden hoe een beeld wordt opgevat, wat en hoe er wordt gezien, hoe men zich ertoe verhoudt en hoe erop gereageerd wordt. In tegenstelling tot de beperkte ruimte van musea, die zich onderscheidt van het dagelijkse leven, worden digitale media gekenmerkt door hun alomtegenwoordigheid en hun ontwerp dat gericht is op het genereren van constante betrokkenheid. Hierdoor dringt de invloed van digitale media door tot in de hedendaagse musea en in de perceptie van hun kunst. Dit heeft implicaties voor de tijdsbesteding in musea, het geheugen van wat wordt waargenomen en het vermogen om aandachtig waar te nemen.

Het is duidelijk dat digitale media zowel de waarnemer, het kunstwerk als de context van beschouwing aanzienlijk beïnvloeden. Wanneer deze factoren samenkomen in de kunstwaarneming, wordt hun onderlinge interactie – en bijgevolg de perceptie en de ervaring van kunst – in belangrijke mate mee bepaald.
Meer lezen

Erfgoediseren van digitale cultuur: door musea en andere erfgoedinstellingen

KU Leuven
2025
Floor
Arnauts
Digitale cultuur ontwikkelt zich in een ongekend tempo en wordt gekenmerkt door zowel overvloed als kwetsbaarheid. De vluchtigheid van digitale creaties, van interactieve installaties tot websites, sociale mediaplatformen en andere databestanden, stelt musea en erfgoedinstellingen voor fundamentele vragen. Hoe kan born-digital erfgoed worden geïdentificeerd als cultureel waardevol, duurzaam worden vastgelegd en vervolgens toegankelijk en betekenisvol worden gepresenteerd? Dit onderzoek benadert deze uitdaging vanuit het proces van erfgoedisering, waarbij de vier kernfuncties waarderen, verzamelen, bewaren en presenteren centraal staan. In de digitale context blijken deze functies niet los van elkaar te opereren, maar voortdurend op elkaar in te grijpen. Door middel van beleidsanalyse, theoretische kaders en casestudies van Vlaamse erfgoedinstellingen, waaronder Design Museum Gent, Amsab, de Hendrik Conscience Bibliotheek en KADOC, wordt zichtbaar hoe technische, juridische en beleidsmatige drempels een structurele inbedding van born-digital erfgoed bemoeilijken. Tegelijkertijd tonen innovatieve praktijken aan dat interdisciplinariteit, het gebruik van open standaarden en samenwerking met makers en publiek effectieve strategieën kunnen opleveren. De bevindingen wijzen erop dat een geïntegreerde en structureel verankerde aanpak onontbeerlijk is om digitale cultuur niet alleen te bewaren, maar ook haar betekenis te behouden voor toekomstige generaties.
Meer lezen

Een onderzoek naar de meerwaarde van een nieuw zelfontworpen dentaal hulpmiddel voor zorgverleners in woonzorgcentra

Arteveldehogeschool Gent
2025
Laurence
Bonamie
  • Tania
    Cautaerts
Wat als er een dentaal hulpmiddel beschikbaar zou zijn dat het tandenpoetsen bij kwetsbare zorgafhankelijke ouderen toegankelijker, eenvoudiger en comfortabeler maakt?
Het doel van dit onderzoek is om de meerwaarde van een nieuw zelfontworpen dentaal hulpmiddel – VisaBite – na te gaan bij zorgverleners die instaan voor de mondzorg van hun bewoners.
Meer lezen

Vergeten kennis: wat zeventiende- en achttiende eeuwse medicinale recepten onthullen over de impact van botanica op de geneeskunde in de Zuidelijke Nederlanden.

Universiteit Gent
2025
Lien
Vandenbroucke
In mijn scriptie ben ik via een vergelijkende analyse van zeventiende- en achttiende-eeuwse medicinale recepten en hun ingrediënten, gefocust op medicinale planten, nagegaan welke impact de globalisering van botanica had op de geneeskunde in de Zuidelijke Nederlanden. De scriptie is opgedeeld in twee grote delen.

In het eerste deel bespreek ik de bestaande literatuur of historiografie en schets ik aan de hand van een literatuurstudie de zeventiende- en achttiende eeuwse situatie in Italië, de Noordelijke Nederlanden en de Atlantische Wereld. Vervolgens heb ik een eigen studie gedaan van huishoudboeken en archiefstukken uit familiearchieven om zo te achterhalen welke nieuwe plantensoorten, medicinale recepten en aandoeningen zijn toegevoegd of verdwenen; Hierbinnen heb ik ook aandacht voor de dierlijke en minerale ingrediënten die voorkwamen in recepten om op die manier ook de impact van chemische geneeskunde te kunnen schetsen. Vervolgens onderzocht ik de oorzaken die aan de basis lagen van deze veranderingen. Ik heb me hierbij afgevraagd welke trends en individuen een impact hadden op de evolutie binnen medicinale recepten, hoe nieuwe kennis werd verspreid en in welke mate apothekers en medicinale instituties hier verantwoordelijk voor waren.

Om af te sluiten maakte ik een vergelijkende analyse tussen de situatie in de Zuidelijke Nederlanden en de regio's die voorkwamen in de literatuurstudie (Italië, de Noordelijke Nederlanden en de Atlantische Wereld). Op deze manier kon ik bijdragen aan de debatten omtrent de impact die de val van Antwerpen al dan niet had op het intellectuele leven in de Zuidelijke Nederlanden alsook mijn casus terugplaatsen in zijn bredere context.

Meer lezen

Sjorren aan de toekomst: een beleidsanalyse in functie van een duurzame toekomst voor Vlaamse jeugdbewegingen

Universiteit Gent
2025
Cato
De Roover
Het onderzoek analyseert de kwetsbaarheid van Vlaamse jeugdbewegingen, die onder druk staan door gebrekkige infrastructuur, administratieve lasten, dalende ledenaantallen en veranderend vrijwilligersengagement. Via een kwalitatieve beleidsanalyse, gebaseerd op literatuur, interviews en een participatiemoment, werden vijf beleidsalternatieven ontwikkeld om een duurzame toekomst voor Vlaamse jeugdbewegingen te stimuleren. Twee daarvan, "Zelfstandiger Jeugdwerk" en "Opgewaardeerd Jeugdwerk", bieden het meeste potentieel. Het eerste bevordert de oprichting van ondersteunende vzw’s om lokale groepen meer autonomie te geven. Het tweede stelt een onderzoek en campagne voor om de maatschappelijke en economische waarde van jeugdwerk beter in de verf te zetten. Daarnaast formuleert de scriptie nog twee bijkomende aanbevelingen: het verminderen van de versnippering van administratieve taken via het Verenigingsloket en het versterken van de Vlaamse Jeugdraad als participatiekanaal.
Meer lezen

Naar een territoriaal verankerde landbouw: De rol van slachthuisinfrastructuur als gedeelde en strategische voorziening

Universiteit Gent
2025
Basiel
Van Rillaer
Deze masterproef onderzoekt de rol van slachthuisinfrastructuur in de territoriale verankering van landbouw. Slachthuizen worden doorgaans gezien als technische voorzieningen, maar in werkelijkheid bepalen ze in hoge mate hoe voedselproductie georganiseerd wordt, wie toegang heeft tot verwerking en hoe producenten en consumenten met elkaar verbonden blijven. De centrale onderzoeksvraag luidt: hoe hebben slachthuisinfrastructuren bijgedragen aan de verankering van landbouw in haar territorium, welke transformaties hebben geleid tot hun ontkoppeling, en onder welke voorwaarden kan herterritorialisering plaatsvinden?
De relevantie van dit onderzoek ligt in de hedendaagse context. Terwijl de vraag naar korte ketens, dierenwelzijn en duurzame voedselvoorziening groeit, verdwijnen kleinschalige slachthuizen of worden ze opgeschaald tot industriële complexen. Dit creëert knelpunten voor boeren die niet in dat grootschalige model passen en ondermijnt de veerkracht van lokale voedselnetwerken. Slachthuizen vormen zo een vaak vergeten, maar cruciale schakel in de transitie naar duurzamere landbouwsystemen.
Methodologisch steunt de studie op vijf casestudy’s die verschillende vormen van slachthuisinfrastructuur in beeld brengen: de thuisslachter Erik De Vogelaere, Slagerij Vande Walle, het private slachthuis Matanza, de coöperatie WAPICOWP en de mobiele slachtunit voor pluimvee. Via interviews, historische analyse en beleidskaders worden deze praktijken onderzocht. De vergelijking resulteert in een typologie met vier hoofdtypes: geïntegreerd ambachtelijke infrastructuur, private slachthuizen met gedeeld gebruik, mobiele slachtunits en coöperatieve modellen. Deze typologie toont dat slachthuisinfrastructuren zich bewegen in een spanningsveld tussen schaalvergroting en lokale verankering, privaat ondernemerschap en collectieve organisatie, formele regelgeving en informele praktijken.
De cases laten zien dat kleinschalige infrastructuur kan overleven wanneer bepaalde randvoorwaarden aanwezig zijn, zoals familiale opvolging, ondernemerschap, sterke lokale netwerken of gedeeld eigenaarschap. Tegelijkertijd blijkt dat deze voorwaarden uitzonderlijk zijn en niet vanzelfsprekend reproduceerbaar. Beleidsmatig betekent dit dat de toekomst van kleinschalige infrastructuur niet enkel kan afhangen van toeval of familiale continuïteit, maar dat actieve ondersteuning noodzakelijk is. Herterritorialisering vraagt om randvoorwaarden zoals regelgeving op maat, institutionele steun en maatschappelijke herwaardering van voedselproductie.
Het besluit van deze masterproef is dat slachthuisinfrastructuur méér is dan een technische schakel: ze is een strategische en gedeelde voorziening die bepaalt hoe landbouw lokaal verankerd kan blijven. Herterritorialisering is daarbij geen terugkeer naar het verleden, maar een hedendaagse strategie om landbouwsystemen veerkrachtiger, duurzamer en sociaal rechtvaardiger te maken.
Meer lezen

De representatie van transmannen in pornografie - een focusgroepstudie

Universiteit Gent
2025
Odamé
Blommaert
Het onderwerp van seksualiteitsbeleving bij volwassen transgender en gender diverse (TGD) personen is ernstig onderbelicht in de wetenschappelijke literatuur. TGD personen zijn vaak protagonisten in seksueel expliciet materiaal, maar hun ervaringen met en noden op vlak van gender divers materiaal zijn zelden geëxploreerd. Deze masterproef voerde een focusgroepstudie uit alsook drie individuele interviews met transmannen die zich in een beslissingsproces rond genitale chirurgie bevinden. We wensten te onderzoeken of beschikbare genderdiverse kanalen voor seksueel expliciet materiaal, hier Himeros.tv, een exploratie kon bieden, wat potentieel kan bijdragen in het ontwikkelen van een sekspositief zelfbeeld. Hiernaast wilden we te weten komen of dit op zijn beurt een effect heeft op het beslissingsproces rond genitale chirurgie. Vanuit de data werden er 3 overkoepelende thema’s gevonden: 1) De functies van pornografie, 2) Het effect op seksualiteit en transitie en 3) De representatie van transmannen. De resultaten toonden over het algemeen dat Himeros.tv een respectvoller, realistischer en diverser alternatief bood in tegenstelling tot mainstream pornografie waar TGD personen vaak gerepresenteerd worden aan de hand van stereotiepe, fetisjerende en objectiverende beelden en verhaallijnen. Door de nadruk op intimiteit, consent en plezier, alsook een minder expliciete focus op de geslachtsdelen, droeg Himeros.tv in zekere mate bij aan de exploratie en de ontwikkeling van een sekspositief zelfbeeld. Tegelijkertijd waren er enkele kritische bedenkingen aanwezig, zoals onder andere de stereotiepe representatie van translichamen (vooral na een borstoperatie, en voor een genitale chirurgie), de beperkte diversiteit in lichamen en de doelgroepgerichtheid op homo- en biseksuele mannen. Hierdoor voelden niet alle deelnemers zich gerepresenteerd in de video’s van Himeros.tv. Daarnaast speelde TGD pornografie voor velen een rol in het beslissingsproces rond genitale chirurgie, met name als visuele en laagdrempelige informatiebron over translichamen na een geslachtsoperatie in een seksuele context. Dit kon helpen om de chirurgische opties af te wegen, het idee te versterken dat een bevredigend seksleven zonder chirurgie mogelijk is en om alternatieve narratieven te bieden in het seksuele leven als TGD persoon. De impact hiervan verschilde sterk per individu en was afhankelijk van de fase in de transitie, persoonlijke behoeften binnen pornografie en het vermogen om de beelden kritisch te interpreteren.
Meer lezen

Van koloniaal verleden naar inclusieve toekomst: De rol van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in de herwaardering en versterking van Congolees Immaterieel Cultureel erfgoed

Universiteit Antwerpen
2025
Ruth Iyombe
Busano
Cultureel erfgoed omvat meer dan objecten en kunstwerken; ook immaterieel cultureel erfgoed (zoals rituelen, muziek, orale tradities en ambachten) speelt een cruciale rol in de beeldvorming van gemeenschappen. Toch krijgt dit immateriële aspect vaak minder aandacht binnen museale contexten en restitutiedebatten, waar de focus doorgaans ligt op materiële collecties. Deze masterproef onderzoekt hoe het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika (AfricaMuseum) kan bijdragen aan de herwaardering en versterking van Congolees immaterieel erfgoed, in het bijzonder binnen de actuele context van dekolonisatie, restitutie en maatschappelijke kritiek.
Het onderzoek combineert deskresearch, beleidsanalyse, literatuurstudie en interviews met diverse stakeholders, waaronder de Congolese diaspora. In de analyse wordt ingegaan op de historische rol van het museum, de huidige strategieën rond immaterieel erfgoed en de percepties van verschillende betrokken actoren.
De conclusies benadrukken dat een toekomstgerichte rol voor het AfricaMuseum enkel mogelijk is door het versterken van partnerschappen met Congolese gemeenschappen, het bieden van ruimte voor immateriële praktijken en het uitbouwen van inclusieve beleidsprocessen. Deze studie draagt zo bij aan het bredere debat rond dekolonisering van musea en sluit aan bij internationale kaders zoals de UNESCO 2003 Conventie voor het borgen van immaterieel erfgoed en de Duurzame Ontwikkelingsdoelen, in het bijzonder SDG 11, 16 en 17.
Meer lezen

Beestige producten: De impact van slangenpatronen als emotioneel competente stimuli in product designs

Universiteit Gent
2025
Sterre
Coppens
In de hedendaagse marketingomgeving verwerken consumenten reclameboodschappen vaak oppervlakkig, door een gebrek aan motivatie of capaciteit (zowel cognitief als contextueel). Het Elaboration Likelihood Model verklaart hoe consumenten via deze perifere route attitudes vormen op basis van emotioneel competente stimuli of perifere cues. Een relatief onderbelichte categorie van dergelijke cues zijn gevaarlijke biophilische elementen. Deze studie richt zich specifiek op slangenprints. Slangen combineren een evolutionair ingebedde vermijdingsreflex met een fascinatie die vaak wordt geassocieerd met luxe, macht en elegantie, waardoor hun rol als marketingcue inherent ambivalent is.

Om te onderzoeken hoe consumenten reageren op slangenprints, werd een A/B-test uitgevoerd met 18 experimentele sets, elk bestaande uit een neutraal productontwerp en een gemanipuleerde versie met een camouflage- of waarschuwingsslangenprint. In totaal gaven 128 respondenten hun voorkeur aan voor elk paar. De resultaten tonen een duidelijke trend: producten met slangenprints worden over het algemeen als minder aantrekkelijk beoordeeld dan hun neutrale tegenhangers. Dit suggereert dat diepgewortelde, evolutionair gevormde emoties nog steeds een sterke invloed uitoefenen op consumentenevaluaties. De studie toont daarmee niet alleen de impact aan van een specifieke visuele cue, maar onderstreept ook het bredere belang van onbewuste emotionele reacties in hedendaags consumentengedrag.
Meer lezen

Magie en Macht: The wheel of power and privilege herwerkt tot een intersectioneel model voor analyse van young adult fantasy literatuur

Universiteit Gent
2025
Maya
Stuyven
Young adult fantasy literatuur leent zich voor kritische reflectie over identiteit, macht en
maatschappelijke structuren. Magie en alternatieve werelden bieden een symbolische
weergave van machtsstructuren, privilege en uitsluiting. Binnen het bestaande literatuur- en intersectionaliteitsonderzoek ontbreekt echter een intersectioneel instrument dat de
verwevenheid tussen magie en sociale machtsstructuren benadert. Deze masterproef herwerkt the wheel of power and privilege, zoals ontwikkeld door Sylvia Duckworth, om intersectionele machtsstructuren in YA-fantasy te analyseren, met specifieke aandacht voor magie. Ik demonstreer het gebruik van dit aangepaste model aan de hand van twee personages uit de boeken Shadow and Bone van Leigh Bardugo en Children of Blood and Bone van Tomi Adeyemi. Het aangepaste model biedt een systematisch en visueel denkkader dat toelaat om macht in fictieve werelden intersectioneel te analyseren en zo bijdraagt aan een verdiepend inzicht in de werking van fictieve machtssystemen.
Meer lezen

The Third Shift Uncovered: A Qualitative Study of Invisible Household Labour and Gendered Power in Flemish Couples

Universiteit Gent
2025
Adriana
Sinha Roy
Mijn thesis gaat over ervaring van de verdeling van onzichtbare huishoudelijke arbeid in Vlaamse gezinnen met kinderen. Ik onderzoek welke rol bepaalde 'bargaining resources' zoals arbeidsstatus spelen in deze verdeling en hoe ongelijke verdelingen worden gelegitimeerd via gender en explicit/implicit justifications.
Meer lezen

Reward processing and the preference for sweet taste: exploring the relationship between sweet liker phenotypes and dispositional impulsiveness

Vrije Universiteit Brussel
2025
Helen
Stuy
  • Anahit
    Amirzadian
While links between sweet taste preference and impulsivity exist, the relationship with specific sweet liking phenotypes remains underexplored. This relationship may have implications for understanding reward related systems and dysfunction. This study investigated the association between sweet liking phenotypes and dispositional
impulsivity, using the Barratt Impulsivity Scale-11 (BIS-11), the BIS/BAS Scales, the Effortful Control Scale, and the Iowa Gambling Task (IGT). A cross-sectional design was employed with N=97 healthy adult participants. Sweet liking phenotypes were classified based on sweet taste assessment. Analyses revealed no significant differences in
BIS/BAS, Effortful Control, BIS-11, or overall IGT learning trends across the sweet liking phenotype groups. Although not confirmed by primary group comparisons, exploratory analysis of IGT performance suggested a potential trend for increased selection of the disadvantageous Deck B over time among individuals with higher sweet liking, pointing to impaired learning from negative outcomes and an insensitivity to punishment. These
findings suggest that BIS/BAS, Effortful Control, BIS-11 scores, and Iowa Gambling Task performance may not strongly differentiate sweet liking phenotypes; however, the study's power was limited by the relatively small sample size. Future studies employing dedicated tasks designed to isolate specific impulsivity facets are warranted.
Additionally, investigating the neural correlates of this relationship, particularly involving the ventromedial prefrontal cortex, could further clarify its mechanisms.
Meer lezen

In-between Demolition and Reuse: Actor Networks and Urban Logistics of Salvaged Materials between 1880-1960

Vrije Universiteit Brussel
2025
Liese
Van Holen
Wat vandaag een innovatieve uitdaging lijkt – het hergebruik van materialen – was tot het midden van de 20ste eeuw een vanzelfsprekende praktijk in de bouwsector. Pas daarna raakte dit hergebruik steeds versnipperd en minder goed georganiseerd. Cruciale momenten in dit proces zijn de opslag en verkoop van materialen tussen afbraak en hergebruik. Juist in die tussenfase wordt het zichtbaar hoe hergebruik in de praktijk werd georganiseerd en wie erbij betrokken was.

Deze scriptie toont aan hoe opslag en verkoop van afbraakmaterialen historisch gezien systematisch werden georganiseerd. Naast grote stadsdepots en private depots, werden ook toevallige open ruimtes benut om afbraakmaterialen op te slaan. Vaak werden gerecupereerde materialen zelfs rechtstreeks gesorteerd op de afbraakwerf. Dit vergemakkelijkte het uiteindelijke doel, efficiënte en snelle verkoop van gerecupereerde materialen.

Het historische hergebruiksproces waarbij elke open plek in de stad als potentiële opslagruimte diende, kan inspiratie bieden voor hedendaagse circulaire hubs en logistieke modellen. De scriptie benadrukt bovendien dat uitdagingen rond opslag en verkoop niet onderschat mogen worden. Uit analyse van historisch hergebruik blijkt namelijk dat opslag en verkoop een onmisbare rol speelden. Zodra deze processen veranderden, verdween het systematische hergebruik.

Naast de hergebruiksprocessen maken ook de betrokken stakeholders duidelijk waarom materialen systematisch werden hergebruikt. Ze deden dit om economische, pragmatische of kunsthistorische redenen. Zo ging de stad bijvoorbeeld systematisch tewerk met regelgeving en stadsdepots voor het behoud erfgoedelementen. Aannemers daarentegen, waren vooral op zoek naar de meest winstgevende manier om een afbraakproject te organiseren. Ook kleinere spelers droegen bij aan de waardering van hergebruiksmaterialen. Antiquairs zochten bijvoorbeeld naar elementen die zij aan een cultureel cliënteel konden verkopen, een praktijk die vandaag nog steeds herkenbaar is op rommelmarkten en in antiekwinkels.

Met een vernieuwend analytisch kader onderzoekt deze scriptie de circulariteit van hergebruiksmaterialen. Door processen en actoren in kaart te brengen, wordt duidelijk hoe we afbraakmaterialen kunnen leren herwaarderen. De studie biedt daarmee belangrijke inzichten in de evolutie van een historisch circulaire bouwsector naar de huidige stand van zaken.

Door te begrijpen hoe hergebruik vroeger structureel was georganiseerd, krijgen we ideeën om dit opnieuw een vanzelfsprekende plaats te geven in de bouwsector van de toekomst.
Meer lezen

Van lerarenopleiding naar beroep: Een mixed-method onderzoek naar de relatie tussen autonome motivatie, self-efficacy, zelfbeeld en de instapintentie van student-leraren

Universiteit Gent
2025
Kylian
Almey
Tegen de achtergrond van het Vlaamse lerarentekort is de instroom van afgestudeerde
student-leraren in het lerarenberoep cruciaal. Een kwart van de afgestudeerde student-leraren
secundair onderwijs stapt niet in het beroep binnen de drie jaar na het afstuderen. In de
onderzoeksliteratuur is er echter weinig recent Vlaams onderzoek dat autonome motivatie,
self-efficacy en zelfbeeld van student-leraren in verband brengt met de instapintentie.
Voorliggend masterproefonderzoek komt aan dit hiaat tegemoet door deze relaties in kaart te
brengen. Om dit te onderzoeken werd een mixed-method onderzoeksdesign opgezet. In het
kwantitatieve onderzoeksluik werd een online vragenlijst afgenomen bij 531 student-leraren
secundair onderwijs. Vervolgens werden de antwoorden geanalyseerd met behulp van een
hiërarchische regressieanalyse. Op die manier konden de verbanden tussen autonome
motivatie, self-efficacy, zelfbeeld en de instapintentie gekwantificeerd worden. In het
kwalitatieve onderzoeksluik werden 16 student-leraren secundair onderwijs geïnterviewd met
als doel de statistische verbanden te interpreteren en te verklaren. Met behulp van een
thematische analyse werden deze interviewdata geanalyseerd. Uit zowel de kwantitatieve als
kwalitatieve resultaten blijkt dat autonome motivatie en zelfbeeld een positieve relatie vertonen
met de instapintentie. Het resultaat voor self-efficacy is daarentegen minder eenduidig. De
kwantitatieve data wijzen op een significante negatieve relatie en de kwalitatieve data op een
positieve relatie tussen self-efficacy en de instapintentie. Een mogelijke verklaring is dat
andere factoren in vergelijking met self-efficacy meer doorwegen op de instapintentie of dat
het effect van self-efficacy afhangt van het niveau van autonome motivatie en zelfbeeld. De
kwalitatieve resultaten tonen aan dat naast autonome motivatie, self-efficacy en zelfbeeld er
diverse factoren zijn die invloed hebben op de instapintentie. Een andere bevinding uit het
kwalitatieve onderzoeksluik is dat de lerarenopleiding en stage-ervaringen een aanzienlijke rol
spelen in de ontwikkeling van autonome motivatie, self-efficacy en zelfbeeld bij student
leraren. Op basis van deze inzichten zijn er verschillende aanbevelingen aangereikt voor praktijk en beleid.
In de scriptie worden ook limitaties van het onderzoek en suggesties voor vervolgonderzoek
besproken.
Meer lezen

Horen, Zien en Zwijgen Verzet en Censuur in het stripmagazine Robbedoes tijdens de Tweede Wereldoorlog

KU Leuven
2025
Robbe
Schroyens
Deze masterproef onderzoekt hoe het stripweekblad Robbedoes tijdens de Tweede Wereldoorlog functioneerde als cultureel en politiek fenomeen binnen een repressief en gecensureerd medialandschap. Waar bestaande studies vooral focussen op collaboratie of expliciete propaganda, werpt dit onderzoek nieuw licht op verborgen vormen van verzet binnen populaire cultuur, met speciale aandacht voor kinderliteratuur en visuele media. Aan de hand van discursieve en visuele analyse wordt onderzocht hoe Robbedoes, ondanks Duitse controle, ruimte wist te creëren voor ironie, kritiek en stil protest. Strips en karikaturen werkten als visuele secondewijzers: ze zijn snel, beweeglijk en vaak onopgemerkt, maar hebben het vermogen om subtiel de tijdsgeest te registreren en zelfs te ondermijnen. De studie baseert zich op het volledige corpus van Robbedoes (1938–1944), rapporten van de Propaganda-Abteilung Belgien, repressiedossiers van uitgeverij Dupuis en secundaire literatuur. De thesis bestaat uit drie delen: het eerste behandelt het institutionele en ideologische kader van Dupuis tijdens de bezetting, het tweede analyseert censuur, zelfcensuur en redactionele strategieën en het derde en vierde hoofdstuk ontleden hoe visuele elementen in reeksen zoals Marc, de Moderne Herkules (Superman) en De Avonturen van Robbedoes toch een subversieve lading droegen via personages, lay-out en beeldtaal. De conclusie luidt dat Robbedoes meer was dan een kindertijdschrift: het vormde een onderhandelingsruimte waar cultuur, macht en verzet samenkwamen. Hiermee draagt dit onderzoek bij aan een bredere herwaardering van populaire cultuur als spiegel én tegenstem van haar tijd.
Meer lezen

What do children with autism need to function in the classroom/on the playground

Universiteit Gent
2025
Camille
Martens
  • Moira
    Chaerle
Kinderen met autisme willen, net zoals alle andere kinderen, graag meedoen op school, zich
goed voelen in de klas en erbij horen. Toch ervaren ze vaak obstakels die hen dat moeilijk
maken. Denk maar aan misverstanden in sociale situaties, onduidelijke communicatie of een
tekort aan de juiste ondersteuning. Deze drempels kunnen ervoor zorgen dat ze zich
onbegrepen of buitengesloten voelen.
In dit onderzoek gingen we in gesprek met kinderen met autisme, hun ouders en hun
leerkrachten. Door al deze stemmen samen te brengen, kregen we een duidelijk beeld van
wat participatie op school voor hen betekent. We ontdekten welke factoren helpen én welke
juist niet helpen om goed te kunnen meedraaien in het reguliere basisonderwijs en écht te
kunnen groeien op school.
Vijf elementen kwamen steeds terug als cruciaal voor een autismevriendelijke
schoolomgeving:
1. Ondersteuning op maat: Kinderen hebben nood aan duidelijke verwachtingen,
voorspelbaarheid en praktische hulp die inspeelt op hun individuele noden
2. Een veilig en verbonden gevoel: Emotionele veiligheid is essentieel. Alleen als
kinderen zich gerust en welkom voelen, kunnen ze zich openstellen en leren
3. Stimuleren van het zelfvertrouwen: Wanneer kinderen gezien worden in hun sterktes,
vertrouwen krijgen en autonomie mogen ervaren, groeit hun zelfvertrouwen
4. Open en eerlijke communicatie: Ouders voelen zich vaak verantwoordelijk voor de
afstemming, maar verlangen naar een echte samenwerking met de school.
Transparantie en wederzijds vertrouwen zijn hierbij onmisbaar
5. Waardering voor een andere manier van denken: Kinderen met autisme beleven de
wereld anders. Wanneer die unieke kijk wordt erkend, in plaats van aangepast of
afgevlakt, ontstaat er verbinding én leerrendement
De kernbooschap? Kinderen met autisme bloeien op in een schoolklimaat waar hun eigenheid
erkend wordt, waar leerkrachten, ouders en kinderen samenwerken, en waar meedoen niet
betekent ‘gelijk zijn aan de rest’ maar ‘aanvaard worden zoals je bent’
Meer lezen

FOMO OF JOMO: WAT MISSEN JONGEREN ECHT?

Universiteit Gent
2025
Hymke
Van der Meeren
In dit onderzoek werd nagegaan hoe Fear of Missing Out (FoMO) en Joy of Missing Out (JoMO) het mentaal welzijn en de zelfwaardering van jongeren (18-25 jaar) beïnvloeden. FoMO verwijst naar de angst om sociale activiteiten of ervaringen te missen, terwijl JoMO staat voor de vreugde en rust die men kan ervaren door bewust offline of afwezig te zijn.
Via een grootschalige survey met meer dan 1000 jongeren werd onderzocht hoe deze twee fenomenen samenhangen met mentaal welzijn, zelfwaardering, problematisch smartphonegebruik en sociale vergelijking.
De resultaten tonen dat FoMO een negatieve impact heeft: jongeren die sterker lijden aan FoMO vergelijken zich vaker met anderen en gebruiken hun smartphone problematischer, wat leidt tot meer stress en een lager zelfbeeld. JoMO heeft daarentegen een beschermend en positief effect: jongeren die JoMO ervaren, vergelijken zich minder met anderen, gebruiken hun smartphone gezonder en rapporteren een hoger welzijn en meer zelfwaardering.
De studie concludeert dat een evenwichtige omgang met sociale media cruciaal is. Het ontwikkelen van JoMO kan een tegengewicht vormen voor de schadelijke effecten van FoMO. Dit opent perspectieven voor preventieve initiatieven en educatieve programma’s rond digitale weerbaarheid.
Meer lezen

Differentiatie en autonomie tijdens de les fysica

Odisee Hogeschool
2025
Niels
De Kerf
In dit werk heb ik gezocht naar een efficiënte differentiatieaanpak om de leerontwikkeling en groeicurve van leerlingen tijdens de lessen fysica te optimaliseren. Op basis van diverse wetenschappelijke en betrouwbare bronnen heb ik de brede betekenis van differentiatie onderzocht, evenals de veelvoorkomende vormen waarin dit in de praktijk wordt georganiseerd. Hieruit blijkt dat differentiatie niet alleen een proces is dat in de les kan geïntegreerd worden, maar dat het ook actief bespreekbaar moet worden gemaakt met de leerlingen. Verder heb ik door mijn literatuurstudie geleerd dat differentiatie niet alleen in de leerinhouden kan worden toegepast, maar ook in de fysieke leeromgeving en via structurele aanpassingen die voor elke leerling voordelig zijn. Vooral differentiatie op procesgericht niveau kan daarbij leiden tot persoonlijke successen van individuele leerlingen in de klas.

De vragen die ik mezelf stelde, waren onder andere: Welke interventies kan een leerkracht inzetten om individuele ondersteuningsmiddelen te bieden, terwijl alle leerlingen naar dezelfde doelstellingen toewerken? Differentiatie betekent dus niet zomaar het aanpassen van lessen of het geven van extra oefeningen, maar ook het afstemmen, observeren en erover in gesprek gaan met de leerlingen.

Uit de literatuur is gebleken dat werken in niveaugroepen de meest voorkomende vorm van differentiatie is, maar hoe maak je deze aanpak succesvol? Er bestaan verschillende vormen van differentiatie, en het is van belang om deze goed af te stemmen op het onderwerp en de doelstellingen van de les. Daarnaast spelen factoren zoals de juiste voorbereiding, flexibele communicatie en een goede band met de leerlingen een grote rol in het slagen van niveaugroepering. Aan de hand van de literatuur heb ik een differentiatieproject (IGDI) uitgewerkt, gebaseerd op bekrachtigende factoren die het leerproces van leerlingen ondersteunen.

Om te bepalen of differentiatie in de lesaanpak daadwerkelijk een effect heeft op de leerontwikkeling en de groeicurve van leerlingen, heb ik dit gedurende vijf weken getest door middel van een praktijkonderzoek. Ik heb al het benodigde leermateriaal zelf ontwikkeld en ik was als onderzoeker ook zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van het project. Zo kon ik als leerkracht zelf ervaren wat differentiatie inhoudt en welke meerwaarde het kan bieden voor leerlingen. De resultaten van het onderzoek zijn verzameld via verschillende dataverzamelingsmethoden, waaronder individuele interviews met de leerlingen, observaties door de vaste klasleerkracht en een productgerichte schriftelijke evaluatie met zelfreflectie in de vorm van een toets. Hieruit blijkt dat differentiatie in de lesaanpak een duidelijke positieve invloed kan hebben op de leerontwikkeling en de groeicurve van leerlingen. Door differentiatie te koppelen aan keuzevrijheid en zelfselectie, ondervinden leerlingen tal van voordelen, die ze zelf ook ervaren. Er is dus zeker potentieel voor het toepassen van differentiatie in lesaanpak met behulp van niveaugroepen in het secundair onderwijs.
Meer lezen

Design and implementation of a sustainable solution for upgrading and distributing biogas in rural Tanzania.

Universiteit Hasselt
2025
Louis
Macours
  • Kenneth
    Dries
Toegang tot duurzame energie blijft een uitdaging in Tanzania, waar het gebruik van traditionele biomassa zoals hout en houtskool bijdraagt aan gezondheidsrisico’s en milieudegradatie. Biogas uit organisch afval biedt een alternatief, maar moet gezuiverd en gecomprimeerd worden om de kook efficiëntie te verbeteren en distributie mogelijk te maken. Deze thesis ontwikkelt een systeem om biogas, geproduceerd in Kimbiji, te zuiveren en te comprimeren. Daar produceert een anaerobe vergister ongeveer 100 l gas per dag met 35 % kooldioxide (CO2) en 260 ppm waterstofsulfide (H2S), wat moet reduceren tot 25 % CO2 en 5 ppm H2S.

Een testopstelling aan Ardhi University bood de mogelijkheid om verschillende zuiveringstechnieken te vergelijken. Twee CO2-verwijderingsmethoden werden getest: absorptie met calciumhydroxide (Ca(OH)2) en waterscrubbing. Voor de H2S-verwijdering werden vier lokale absorberende materialen getest.

Voor de opstelling in Kimbiji zijn Ca(OH)2-absorptie en verroeste ijzerwol voor CO2- en H2S-verwijdering gekozen. De CO2 concetratie bereikt 16% en het H2S-gehalte daalt tot 2 ppm. Om distributie te realiseren, wordt het gas gecomprimeerd tot 8 bar met zonne-energie en opgeslagen in LPG-tanks.

Een techno-economische analyse toont dat kleinschalige biogaszuivering leidt tot een genivelleerde kostprijs van 1 572 TZS/kWh, wat niet rendabel is. Voor een groter systeem, in dit werk voorgesteld om 6 500 l biogas per dag te verwerken, bleek de kost slechts 241 TZS/kWh. Dit evenaart de lokale alternatieven.
Meer lezen

Herstel boven straf: de Leuvense drugsopvolgingskamer en de nood aan uniforme wettelijke verankering

Hogeschool UCLL
2025
Sofie
Serré
Deze scriptie onderzoekt de juridische basis en structurele werking van de drugsopvolgingskamer (DOK) te Leuven, een relatief recent initiatief binnen het Belgische strafrechtsysteem dat herstelgerichte rechtspraak wil realiseren voor meerderjarige beklaagden met een ernstige verslavingsproblematiek. De DOK biedt een alternatief voor de klassieke strafvervolging waarbij gedragsverandering, maatschappelijke re-integratie en multidisciplinaire begeleiding centraal staan. De centrale onderzoeksvraag luidt: in welke mate is de huidige juridische basis van de DOK te Leuven voldoende, en is een expliciete wettelijke verankering wenselijk om de werking op een uniforme en transparante manier te garanderen?

De aanleiding voor dit onderzoek ligt in de vaststelling dat druggerelateerde criminaliteit vaak samenhangt met onderliggende problematieken zoals verslaving, sociale uitsluiting en psychische kwetsbaarheid. Klassieke bestraffingsmechanismen blijken in deze context vaak ontoereikend om recidive te voorkomen. De DOK tracht deze lacune te vullen door beklaagden de kans te bieden om, onder gerechtelijke opvolging en in samenwerking met justitieassistenten en zorgverleners, te werken aan hun herstel alvorens een definitieve veroordeling volgt.

Om de onderzoeksvraag te beantwoorden werd een kwalitatieve, multidisciplinaire methode toegepast. Het onderzoek combineert een diepgaande juridische analyse van relevante wetgeving en beleidsdocumenten met field research. Dat field research bestond uit observaties van zittingen van de Leuvense DOK en semigestructureerde interviews met rechters en parketmagistraten die betrokken zijn bij de werking van de DOK. Daarnaast werd een vergelijkende analyse gemaakt met de Gentse drugsbehandelingskamer, die al sinds 2008 operationeel is.

De onderzoeksresultaten tonen aan dat de DOK te Leuven momenteel opereert binnen een hybride juridisch kader. De wettelijke basis ligt hoofdzakelijk in artikel 190sexies van het Wetboek van Strafvordering, dat hersteltrajecten mogelijk maakt binnen het strafprocesrecht. Deze bepaling wordt in Leuven aangevuld met lokale samenwerkingsprotocollen tussen het parket, de rechtbank en hulpverleningsinstanties. Hierdoor blijft de concrete invulling grotendeels afhankelijk van lokale actoren, met als gevolg een aanzienlijke variabiliteit in aanpak, doelgroepselectie en opvolgingsstructuur tussen verschillende gerechtelijke arrondissementen.

Deze situatie creëert juridische knelpunten op het vlak van rechtszekerheid, transparantie en gelijke behandeling. De afwezigheid van een uniforme wettelijke regeling maakt de toepassing van de DOK afhankelijk van toevallige geografische factoren en de betrokkenheid van individuele actoren. De vergelijking met het model in Gent toont aan dat structurele elementen zoals vaste actoren, regelmatige zittingen en een geïntegreerde multidisciplinaire samenwerking essentieel zijn voor een effectieve werking. In Leuven belemmert het ontbreken van deze elementen de impact van het model.

Op basis van deze analyse concludeert de scriptie dat een expliciete wettelijke verankering van de DOK noodzakelijk is. Deze verankering zou moeten voorzien in duidelijke minimumnormen inzake organisatie, rechten en plichten van beklaagden, rolverdeling tussen actoren en samenwerking met de zorgsector.Tegelijkertijd moet er voldoende ruimte blijven voor lokale autonomie en contextspecifieke toepassing. Een hybride wettelijk model, ingebed in het Wetboek van Strafvordering, biedt hiervoor de meeste garanties. Enkel binnen een dergelijk rechtsstatelijk en transparant kader kan de DOK uitgroeien tot een duurzaam en gelijkwaardig alternatief binnen het Belgische strafrecht.
Meer lezen

De impact van congitieve biases op investeringsbeslissingen

Universiteit Hasselt
2025
Sander
Sobota
Deze scriptie onderzoekt hoe Belgische particuliere beleggers in hun beslissingen worden beïnvloed door cognitieve biases — systematische denkfouten zoals verliesaversie, overmoed en confirmation bias. Aan de hand van een enquête bij 246 beleggers toont het onderzoek aan dat deze biases vaak leiden tot irrationeel gedrag, zoals het vasthouden aan verlieslatende aandelen of het overschatten van eigen kunnen. De studie benadrukt het belang van gedragsinzichten in de financiële wereld, zowel voor beleggers zelf als voor adviseurs en beleidsmakers.
Meer lezen

Stoppen met spijbelen: een blik op hulp en aanpak

Hogeschool West-Vlaanderen
2025
Britt
De Clercq
Mijn bachelorproef ging over de aanpak van spijbelen bij jongeren. Ik onderzocht welke interventies effectief zijn voor leerlingen van 12 tot 18 jaar met schoolverzuim. Daarbij richtte ik me op de oorzaken van spijbelen, zoals sociale, emotionele en academische factoren. Ook analyseerde ik strategieën zoals ouderbetrokkenheid, samenwerking met hulpverleningsinstanties en motiverende gesprekstechnieken. Uit mijn onderzoek bleek dat een geïntegreerde aanpak, waarbij scholen, ouders en professionals samenwerken, essentieel is om schoolverzuim succesvol aan te pakken.
Meer lezen

Mis Gebouw(d)?

KU Leuven
2025
Lotte
Van Hecke
Door de secularisatie vanaf einde jaren ‘60 lopen de kerken leeg en verliezen ze hun sociale en symbolische rol in de maatschappij. De klassieke kerk heeft dankzij zijn historisch karakter een draagvlak om deze te behouden of herbestemmen. De naoorlogse kerkbouw in Vlaanderen is minder gekend en gedragen bij het grote publiek waardoor een toekomstvisie ontbreekt voor dit jong erfgoed. Deze kerken volgen namelijk een nieuwe liturgische beweging conform Vaticanum II waardoor er verschillende en nieuwe architecturale uitingen aan een kerkgebouw gegeven werd zoals open grondplan en zichtbare materialen. Dit leidt onder andere tot kerken in brutalistische stijl. Brutalistische gebouwen kennen vele structurele gebreken en deze zijn ook in de kerkbouw aanwezig. Daarnaast bemoeilijkt het gebrek aan archiefmateriaal, kennis over de gebruikte materialen en constructiemethodes de instandhouding van de naoorlogse kerkbouw. De consolidering van het religieus patrimonium verergert deze algemene verwaarlozing. Hieruit ontstond de onderzoeksvraag, welke veelvoorkomende gebreken in brutalistische kerkgebouwen zijn er en wat zijn hun oorzaken? In deze masterproef ligt de focus op de gebouwde naoorlogse kerken van Marc Dessauvage (° 13 maart 1931, Moorslede. † 29 december 1984, Brugge), de officieus aangestelde kerkenbouwer door het Aartsbisdom Mechelen-Brussel. Marc Dessauvage ontwierp brutalistische en functionele huiskerken. Hij realiseert 14 kerkgebouwen op een relatief korte periode, voornamelijk in Vlaanderen en enkelen in Brussel. Tussen Dessauvages eerste ontwerpvoorstel in 1959 en de laatste oplevering in 1974 zit amper 16 jaar. Ondanks dat het oeuvre van Dessauvage extensief onderzocht is op zijn historische en architecturale kwaliteiten, blijven de technische en bouwfysische gebreken van zijn werk onderbelicht. In deze scriptie wordt de bouwtechnische zijde voor het eerste gebundeld, onderzocht en besproken. Doorheen het onderzoek komen de pathologische gebreken naar boven in zijn projecten, gebreken typerend voor Dessauvage en andere brutalistische (kerk)gebouwen. Eerst bestudeer ik het algemeen theoretisch beeld van brutalisme als ondersteunend kader, vanuit een sociaal en technisch perspectief. Hierbij legt het onderzoek de typische problemen voor gebouwen met een zichtbare constructie bloot. In een tweede fase wordt toegelicht hoe het brutalisme kon integreren in kerkelijke architectuur en hoe de Kerk zich positioneerde en hervormde na WOII. Vervolgens zoom ik verder in op de gerealiseerde projecten van Dessauvage. Er wordt onderzoek gedaan naar de levensloop van het gebouw, gaande van de constructie van het gebouw, de verschillende renovatiewerken doorheen de tijd, tot de huidige toestand. Hierbij wordt gekeken naar de materiële ingrepen alsook naar de betekenis van het gebouw voor de parochie. Uit het onderzoek komen 3 repetitieve gebreken naar voren, namelijk betonrot, waterinfiltratie en scheurvorming.
Meer lezen

Game changers? De rol van sociale media bij de gelijkheid van gender in de internationale topsport

KU Leuven
2024
Fleur
De Laet
Genderongelijkheid in de sport is een probleem dat zich ook in de media manifesteert. Deze studie probeert dit fenomeen als een vicieuze cirkel voor te stellen en gaat daarom op zoek naar een antwoord op de vraag: Hoe staat de vertegenwoordiging van atleten op sociale media, vergelijkend op basis van gender, in relatie tot de attitudes van het publiek ten opzichte van deze atleten? Zowel de mediadekking, media representatie en de publieke attitudes van en tegenover atleten werden onderzocht via de Instagramaccounts van twee prominente Vlaamse mediabedrijven. Hierdoor konden patronen ontdekt worden die bewijs leveren voor de relatie tussen de portrettering van mannelijke en vrouwelijke atleten en de publieke attitudes ten opzichte van hen. Een inhoudsanalyse is uitgevoerd op zowel de berichten die geplaatst zijn rond belangrijke sportevenementen van 12 verschillende sporten, alsook op de publieke reacties op Instagram op deze berichten. De resultaten bevestigen dat vrouwelijke atleten ook op Instagram ondervertegenwoordigd blijven in vergelijking met mannelijke atleten en dat sportgerelateerde genderstereotypen nog steeds aanwezig zijn in de actuele berichtgeving over sport. Wat betreft de publieke attitudes waren er enige tegenstrijdigheden te bemerken: hoewel het publiek gemiddeld een positievere houding had ten opzichte van vrouwelijke atleten, ontvingen zij tegelijk wel de meeste haatreacties. Bepaalde atleten of sporten konden meer betrokkenheid ontvangen vanwege de aard van hun berichtgeving, wat aantoont dat er een relatie is tussen mediarepresentatie en publieke attitudes. Een opvallende bevinding is dat het publiek ook kritiek uitte op het aanbod van de zender, omdat het programma naar hun mening niet voldoende gevarieerd was. Vervolgonderzoek zou zich kunnen richten op hoe de houding van het publiek ten opzichte van atleten kan veranderen na verloop van tijd, door het zien van sociale media posts. Daarnaast zou het interessant zijn om een experiment uit te voeren om een causaal verband tussen beide variabelen aan te tonen.
Meer lezen

What is the willingness-to-pay for sustainable product attributes?

KU Leuven
2024
Margot
Himschoot
Following recent evolutions in sustainability, this master’s thesis examines what consumers are willing to pay for fast-moving consumer goods with certain eco-friendly attributes. The methodology used is ratings-based conjoint analysis, applied to data obtained via a web-based survey. Each respondent was asked to rate ten profiles of a body wash product with varying prices, ingredients, packaging and branding attribute levels. This rating data was later analysed using R. Based on the coefficients of a linear regression analysis, the willingness-to-pay and importance measures of each product attribute (level) were derived. The regression is then repeated for several subsamples constructed on sociodemographic characteristics, i.e., age, gender, income level and highest obtained degree. In this way, results can be compared across different types of consumers. The findings of this study are that the willingness-to-pay is highest for products that contain biological ingredients and that are sold in reusable packaging. In line with this trend, the product content is the most important attribute to consumers, followed by the product packaging. Furthermore, the price only comes in third place and branding has the lowest importance measure. The analysis of the demographic subgroups shows that the most sustainable shopper is female, older than 45 years old, highly educated and has a high-income level.
Meer lezen

The Performing Person. Judith Butler and Wojtyla on Gender

KU Leuven
2024
Bram
Schreurs
Over the last thirty years, gender has become an increasingly hotly debated topic within the Roman Catholic
Church. The core of the debate seems to revolve around the nature of gender. On one side stand gender
scholars such as de Beauvoir, Wittig, and Butler who regard gender as socially constructed. Butler as the
most influential philosopher of gender suggested that gender is performative. It has no particular basis in
nature but it is rather in performing acts that the reality of gender comes to be. On the other stands a reading
of gender as undetachable from biological sex. Readings of the latter sort often draw upon John Paul II’s
complementarian anthropology as sketched in his Theology of the Body. However, as an academic in
philosophy, Karol Wojtyła developed an understanding of the human person as constituted through their
acts in his book Person and Act. Due to the similarity in the concept of performed gender and that of the
enacted person, the following question arises: how does gender fit within Wojtyła’s understanding of the
person and how does this add up to John Paul II’s later complementarian anthropology?
To answer these questions, the first chapter will outline gender performativity as Judith Butler
understands is. However, the emphasis is placed on performativity rather than gender per se. Therefore, the
chapter first explores the roots of Butler’s gender performativity in the performative speech theory of J.L.
Austin. Thereafter Butler’s own contributions and adaptations to Austin’s framework are explored. The
main takeaways constitute the definition of performativity as a new reality established through acting act
as well as the insight that any performance is by definition rooted in social conventions.
In the second chapter, the primary findings of Karol Wojtyła in Person and Act are examined in
relation to Butler’s concept of performativity. Wojtyła presents an analysis of the human person in which
the person itself is constituted, changed, even “made”, through acts. The chapter goes on to illustrate just
how similar Butler’s concept of performativity really is to Wojtyła’s understanding of the establishing of
the person through the act. From there on several other similarities and differences between both authors
are explored, showing them to be better read in tandem than as opposed to one another.
In the third and final chapter, we explore where performative gender would fit in Wojtyła’s
framework established in Person and Act. This exploration results in the finding that gender is more
properly understood as part of the acting, personal capacities of the human person rather than their
biological nature. From this intermediary conclusion, the chapter shifts focus to John Paul II’s Theology of
the Body to see whether Person and Act’s personalistic framework is applied correctly when it comes to
gender. The thesis concludes that it is not because Theology of the Body intertwines biological sex with
gender, thereby not doing justice to gender as part of the person and as constituted in the act.
The entire thesis comes together in a brief conclusion about the performance of drag, summarising
the main points and showing how drag is met with different responses by Karol Wojtyła and John Paul II.
Meer lezen

'Gekleurde huid' op het witte scherm. Een exploratief onderzoek naar de ervaringen van Vlaamse niet-witte actrices en/of actrices met een migratieachtergrond.

Universiteit Gent
2024
Souad
Boukhatem
Deze masterproef onderzoekt de professionele ongelijkheden waarmee niet-witte actrices en actrices met een migratieachtergrond geconfronteerd worden in de Vlaamse film- en televisiesector, met een focus op de intersectionaliteit van ras en gender. De studie identificeert specifieke uitdagingen en barrières die deze actrices ervaren, uiteengezet in vier deelvragen die de complexe lagen van ongelijkheid binnen de sector blootleggen.

Ten eerste ervaren niet-witte actrices psychologische belasting door hun representatieve last en het gevoel van isolatie in een overwegend witte omgeving. Ze worden vaak gecast in stereotiepe rollen die hun echte identiteiten en ervaringen niet weerspiegelen, wat leidt tot professionele frustraties en psychologische stress. Daarnaast versterkt hun casting de dominantie van witte en mannelijke perspectieven, wat hun marginalisatie bevordert.

Het onderzoek toont verder aan dat discriminatie op basis van ras en gender leidt tot significante professionele, sociale en economische nadelen. Deze actrices stuiten op structurele barrières zoals beperkte en vaak stereotiepe rollen die hun carrièremogelijkheden beperken. Ze ervaren subtiele tot expliciete discriminatie, die samen met ontransparante loonstructuren hun financiële welzijn en professionele groei beïnvloeden.

Persoonlijk welbevinden van de actrices lijdt ook onder deze ongelijkheden. De cumulatieve effecten van discriminatie schaden hun geestelijke gezondheid, resulterend in symptomen van angst, onzekerheid en een verlaagd zelfvertrouwen. Ondanks deze uitdagingen ontwikkelen de actrices diverse copingstrategieën zoals het vormen van netwerken voor steun, het initiëren van eigen projecten, en het ontwikkelen van onverschilligheid om emotionele energie te bewaren.

De masterproef concludeert met aanbevelingen voor de sector, waaronder de noodzaak voor herziening van narratieve structuren en een meer inclusieve representatie in de media. Er moet een effectief diversiteitsbeleid komen met concrete, meetbare doelen voor inclusiviteit. Het Vlaams Audiovisueel Fonds kan een belangrijkere rol spelen door het bevorderen van diversiteit zowel voor de camera als in creatieve en leiderschapsposities achter de schermen. Onderwijs speelt een cruciale rol in het bevorderen van een meer inclusieve en minder Eurocentrische wereldvisie. Bovendien is dekolonisatie van het curriculum en aan toneelscholen noodzakelijk om een meer inclusieve opleiding te bieden. Ook het aanstellen van diversiteitscoördinatoren en het trainen van vertrouwenspersonen in discriminatie-herkenning zou bijdragen aan een inclusiever werkklimaat. Tot slot benadrukt deze masterproef de behoefte aan verder onderzoek naar de specifieke ervaringen van niet-witte actrices, acteurs en andere identiteitsaspecten zoals seksuele oriëntatie en disability om effectieve beleidsmaatregelen en interventies te ontwikkelen.
Meer lezen

From Seeing To Sensing Their Suffering Through The Screen

Universiteit Gent
2024
Valerie
Vanhove
Dit onderzoek verkent de reacties van het Westerse publiek op 'distant suffering' zoals afgebeeld in fictiefilms, een aspect dat tot nu toe onderbelicht bleef in de academische literatuur. Het bouwt voort op bestaand onderzoek naar de variërende reacties op het lijden van de niet-Westerse ‘Ander’ getoond in de klassieke nieuwsmedia en andere media (Huiberts & Joye, 2018). Het stelt vervolgens de vraag of fictiefilms empathie en actie kunnen bevorderen bij de Westerse toeschouwer. Door middel van vijf focusgroepen wordt onderzocht in welke mate de film The Impossible (2012) kon bijdragen aan het bewustzijn en de empathie van Westerse kijkers ten aanzien van niet-Westers lijden. Hierbij wordt de rol van empathie als basis voor een blijvende verbinding met de 'Ander' in vraag gesteld. Zo blijkt dat de emotionele connectie onderhevig is aan verschillende persoonlijke voorkeuren van filmconsumptie bij de respondenten. Desondanks bewijst de film effectief te zijn in het verhogen van het bewustzijn van Westerse kijkers over lijden dat zich ver weg afspeelt. Hier blijkt een ‘gezonde’ afstand tot de ‘Ander’ cruciaal te zijn voor de Westerse kijker om actie te ondernemen.
Meer lezen