Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Gehoorverlies in het kinderdagverblijf

Arteveldehogeschool Gent
2026
Julie
Wauman
In kinderdagverblijven is de kennis over de begeleiding van jonge kinderen met gehoorverlies vaak beperkt. Hierdoor hebben begeleiders weinig houvast in de dagelijkse praktijk. Deze bachelorproef brengt de kennis en noden van deze kinderverzorg(st)ers in kaart en werkt een mogelijke ondersteuning uit. Drie kinderdagverblijven werden bevraagd aan de hand van een gestructureerde vragenlijst. De resultaten tonen aan dat de kennis over gehoorverlies, hoorhulpmiddelen en luisteromstandigheden vaak beperkt en wisselend is. Begeleiders geven aan dat ze nood hebben aan praktische en eenvoudig toepasbare informatie. Op basis van deze bevindingen en een literatuurstudie werd een informatiebrochure ontwikkeld. De brochure bevat basisinformatie en concrete tips voor in de praktijk. Ze sluit aan bij de noden uit het werkveld. De brochure ondersteunt, maar vervangt geen externe begeleiding of samenwerking met externe partners zoals revalidatiecentra.
Meer lezen

Welke operationele, technologische en regelgevende voorwaarden moeten vervuld zijn zodat ING stablecoin-gebaseerde betalingsnetwerken kan gebruiken om internationale transacties sneller en goedkoper te maken dan het huidige correspondentbankmodel?

Karel de Grote Hogeschool
2026
Johan
Van Steen
Stap 3 gaat over je scriptie zelf. Per veld:
Korte inhoud van je scriptie. Een beknopte samenvatting, neutraler van toon dan je artikel. Dit kun je gebruiken:
Deze bachelorproef onderzoekt onder welke operationele, technologische en regelgevende voorwaarden ING stablecoin-gebaseerde betalingsnetwerken kan inzetten om internationale transacties sneller en goedkoper te maken dan het huidige correspondentbankmodel. Via een kwalitatieve casestudy, gebaseerd op literatuur van onder meer de BIS en de ECB, de MiCA-verordening en expertgesprekken, wordt een voorwaardenkader uitgewerkt op drie niveaus: technologie, organisatie en regelgeving. De analyse toetst dit kader aan drie marktinitiatieven (JPMorgan Kinexys, Société Générale EURCV en het Qivalis-consortium) en mondt uit in een concreet stappenplan voor een MiCA-conforme implementatie.
Meer lezen

Hormonale invloeden op zeeziekte

Antwerp Maritime Academy
2026
Margaux
Hermans
Zeeziekte is een veelvoorkomend fenomeen binnen de maritieme sector en kan een aanzienlijke
impact hebben op het functioneren en welzijn van zeevarenden. Hoewel bekend is dat vrouwen
mogelijk gevoeliger zijn voor zeeziekte dan mannen, is weinig onderzocht in welke mate hormonale
factoren hierin een rol spelen. Deze masterproef brengt dit onderbelichte thema in kaart aan de
hand van een observatiestudie uitgevoerd tijdens een vier weken durende zeereis aan boord van
het opleidingsschip Dar Mlodziezy.
In totaal registreerden 36 deelnemers dagelijks hun level van algemene gevoelstoestand,
misselijkheid, stress en hersenmist. Voor vrouwelijke deelnemers werd bijkomend het gebruik van
hormonale anticonceptie en, indien van toepassing, hun menstruele cyclus bijgehouden. Deze
systematische dataverzameling in een realistische maritieme setting bood een uitzonderlijke
mogelijkheid om patronen over langere tijd te analyseren zonder verstoringen van dagelijkse
omgeving.
Uit resultaten blijkt dat vrouwelijke deelnemers in deze groep gemiddeld meer zeeziekte
gerelateerde klachten rapporteerden dan mannelijke deelnemers. De verschillen waren zichtbaar
voor alle onderzochte variabelen en kwamen consequent terug doorheen de gehele
onderzoeksperiode. Binnen de vrouwelijke groep vertoonden vrouwen die hormonale
anticonceptie gebruikten op het merendeel van de dagen hogere symptoomscores dan vrouwen
zonder anticonceptie. In deze dataset werd dus geen aanwijzing gevonden dat anticonceptie
beschermend werkt tegen zeeziekte.
De analyses van de menstruele cyclus leverden geen duidelijke verschillen tussen cyclusfasen op,
voornamelijk door het beperkte aantal vrouwen met een natuurlijke cyclus. Hierdoor konden geen
uitspraken gedaan worden over variaties in gevoeligheid tijdens bijvoorbeeld menstruatie of
ovulatie. Daarnaast werd vastgesteld dat deelnemers die een zeeziektepil innamen gemiddeld
meer hersenmist rapporteerden. Dit sluit aan bij zowel de ernst van hun symptomen als bij bekende
bijwerkingen van dergelijke medicatie, zonder dat de oorzaak kon worden vastgesteld.
Deze bevindingen suggereren dat vrouwen in deze onderzoeksgroep gevoeliger waren voor
zeeziekte dan mannen, maar tonen geen duidelijk effect van de hormonale anticonceptie of
cyclusfasen op de ervaren klachten. De beperkte omvang van de subgroepen vraagt om
voorzichtigheid in de interpretatie. De resultaten benadrukken tegelijk de nood aan verder
onderzoek met grotere populaties en nauwkeurigere hormonale registratiemethoden, zodat de
relatie tussen hormonen en zeeziekte in de toekomst preciezer kan worden bepaald.
Meer lezen

Conflicted Playground: Erfgoed in een veelstemmig onderhandelingsproces

KU Leuven
2026
Emile
Vertriest
Conflicted Playground: Erfgoed in een veelstemmig onderhandelingsproces
Synthese Masterproef Emile Vertriest (Grand Tour 2025-2026)
KU Leuven Faculteit Architectuur Campus Sint-Lucas Gent
Promotor: Carl Bourgeois | Co-promotor: Hugo Vanneste

In deze masterproef onderzoek ik hoe we omgaan met postindustrieel erfgoed, meer bepaald de leegstand, herprogrammering en het onderhoud ervan. Als casestudy koos ik de voormalige steenkoolmijn Forte-Taille nabij Charleroi, een verlaten steenkoolmijn die sinds haar sluiting in 1935 geleidelijk werd overgenomen door spontane plantengroei, urbex-bezoekers en verval.

Het onderzoek vertrekt vanuit mijn 'Grand Tour' door Japan en België, waarbij verschillende erfgoedsites werden bezocht en geobserveerd. Daaruit ontstond de vaststelling dat omgang met erfgoed steeds het resultaat is van culturele subjectiviteit, maatschappelijke waarden en economische afwegingen. Waar de Belgische omgang met erfgoed vaak gericht is op restauratie, onderhoud en herbestemming, lijkt de Japanse benadering wat meer ruimte te laten voor vergankelijkheid, aanpassing en zelfs verdwijning.

Deze observaties deden mij de gekozen site steeds minder beschouwen als een toestand die om een oplossing vroeg, maar eerder als een proces dat voortdurend transformeert.
Tijdens het ontwerptraject bleek het dan ook moeilijk om een specifieke toekomstvisie voor de site te vormen. Forte-Taille is groot, gelaagd en kent verschillende mogelijke gebruikers, elk met hun eigen belangen en benaderingen ten opzichte van erfgoed. Een keuze voor één definitieve toekomstvisie betekende onvermijdelijk het uitsluiten van andere mogelijkheden. Die complexiteit werd uiteindelijk juist het uitgangspunt van mijn project.

Ik besloot Forte-Taille te vertalen naar een speculatief bordspel. Het spel als medium laat een vrijwel oneindig aantal ruimtelijke combinaties toe en maakt complexiteit zichtbaar zonder een voorkeur uit te spreken over bepaalde ruimtelijke keuzes. Het spel werkt als een simulatie van conflicten die ontstaan wanneer verschillende actoren met elk hun eigen logica belang hebben bij dezelfde plek. Vier protagonisten nemen het tegen elkaar op:

• De Conservator, die de gebouwen wil beschermen en consolideren.
• De Ontwikkelaar, die nieuwe programma’s en gebouwen introduceert.
• De Ecoloog, die ruimte vrijmaakt voor natuurlijke processen en vegetatie.
• De Verkenner, die zich de site toe-eigent via tijdelijke constructies opgebouwd uit
gerecupereerde materialen en industrieel puin.

Elke speler beweegt over een spelbord dat gebaseerd is op de werkelijke site. Door middel van claims, obstructies en tijdsgebonden gebeurtenissen proberen ze hun invloed op de site uit te breiden. Wanneer een speler terrein verliest verdwijnen de interventies niet, maar keren ze terug naar hun eigenaar om elders opnieuw ingezet te worden. Zo ontstaat een eindeloze cyclus van conflict, toe-eigening, verval en transformatie waarin geen definitieve winnaar mogelijk is. Door het conflict centraal te stellen legt het spel de complexiteit en subjectiviteit bloot van erfgoedbeleid, ruimtelijke keuzes en de vele actoren die betrokken zijn bij het vormgeven van de site. Tegelijk benadrukt het de rol van de architect als bemiddelaar: niet als ontwerper van één standpunt, maar als iemand die uiteenlopende belangen verenigt binnen een dynamisch en complex proces.
Meer lezen

Productie en evaluatie van elektrogesponnen TEOS-gebaseerde nanovezelmembranen als SALDI-substraten voor fecale metabolomics via LA-REIMS

Odisee Hogeschool
2026
Elia Amnon
Bar On
Binnen een klinische en biomedische context zijn snelle en robuuste analysemethoden voor untargeted metabolomics essentieel. Laser-assisted rapid evaporative ionisation massaspectrometrie (LA-REIMS) maakt directe analyse van biofluïda mogelijk, maar de analytische prestaties worden bepaald door de intrinsieke matrixeigenschappen van het staal. Elektrogesponnen nanovezelmembranen kunnen via surface-assisted laser desorption/ionisation (SALDI) de desorptie en ionisatie verbeteren en zo de analyses versterken. Het potentieel van silicagebaseerde nanovezelmembranen als SALDI-substraten binnen LA-REIMS-gebaseerde metabolomics is echter nog onvoldoende geëvalueerd.

In deze studie wordt onderzocht in welke mate elektrogesponnen tetraethylorthosilicaat (TEOS)-gebaseerde nanovezelmembranen de prestaties van LA-REIMS-analyses voor fecale metabolomics beïnvloeden.

De productie van TEOS-membranen omvat het elektrospinnen van een sol-geloplossing, gevolgd door een thermische behandeling om een superhydrofiel membraan te verkrijgen. De morfologie en hydrofiliciteit worden gekarakteriseerd met scanning-elektronenmicroscopie, watercontacthoekmetingen en infraroodspectrometrie. De analytische prestaties worden geëvalueerd via LA-REIMS-analyse van fecale stalen en vergeleken met rechtstreekse analyse van feces en met geoptimaliseerde MetaSAMP-membranen. Data-analyse omvat principal component analysis, evaluatie van reproduceerbaarheid en vergelijking van metabolomische dekking.

LA-REIMS-analyses tonen aan dat met fecale stalen geïmpregneerde TEOS-membranen een metabolomische vingerafdruk genereren die vergelijkbaar is met die van feces as-such, met detectie van een groter aantal features. Tegelijkertijd worden, vergeleken met zowel MetaSAMP-membranen als feces as-such, beperkingen vastgesteld in reproduceerbaarheid en signaalintensiteit, met lagere signaalintensiteiten en meer variabele features (p < 0,01).

Na optimalisatie van de membraandikte en het staalvolume worden TEOS-membranen verkregen die significant hogere signaalintensiteiten opleveren dan feces as-such (p < 0,01; g > 1), met een hoger aantal gedetecteerde features (p < 0,01) en een aanvaardbare reproduceerbaarheid (> 75 % van de features met een variatiecoëfficiënt ≤ 30 %).

De resultaten tonen aan dat elektrogesponnen TEOS-gebaseerde nanovezelmembranen doeltreffend zijn als SALDI-substraat binnen LA-REIMS-gebaseerde metabolomics. Toekomstige studies kunnen zich richten op het optimaliseren van de membraanproductie, functionalisatiestappen en het verder afstemmen van de LA-REIMS-methode.
Meer lezen

Region-Based Selective Remeshing for User-Guided Generative 3D Model Editing

Universiteit Hasselt
2026
Xander
Vervaecke
Een 3D-model maken kan vandaag in enkele seconden met AI tools zoals Meshy: je geeft een korte beschrijving of afbeelding en het systeem levert een model. Maar zodra je er iets klein aan wil veranderen, loop je vast. De meeste tools kunnen een bestaand model niet gericht bijwerken, ze genereren simpelweg een volledig nieuw model waardoor ook de delen die je net wél goed vond mee veranderen. Het alternatief, professionele software zoals Blender, vraagt maanden oefening.
Deze masterproef onderzoekt of generatieve AI gebruikt kan worden om een bestaand 3D-model in gecontroleerde stappen aan te passen, terwijl elk deel dat de gebruiker niet wou veranderen exact behouden blijft. Het voorgestelde systeem laat de gebruiker een schets tekenen op het model en in één zin beschrijven wat er moet veranderen. Op basis daarvan worden enkele voorstellen getoond als afbeelding die iteratief aangepast kunnen worden, waarna het gekozen voorstel wordt omgezet naar een nieuw 3D-model.
De technische kern is een methode genaamd ASMR-3D (Alignment, Selection, Mesh Reconstruction). Die legt het nieuwe en het originele model over elkaar, bepaalt automatisch welk gebied de gebruiker wou wijzigen en bouwt enkel dat gebied opnieuw op door selectieve remeshing. Alle overige punten van het model blijven exact op hun plaats en een dunne overgangszone maakt de transitie vrijwel onzichtbaar.
Het systeem werd geëvalueerd in een gebruikersstudie met veertien deelnemers zonder ervaring in 3D-modelleren. De onveranderde delen bleven ongeveer 27 keer trouwer aan het origineel dan bij een volledige regeneratie. Een gebruikersstudie liet veertien gebruikers toe om het systeem vrij te gebruiken en te beoordelen. Op de User Experience Questionnaire behaalde het systeem op vijf van de zes schalen de hoogste categorie ("uitstekend"), en alle deelnemers gaven aan het opnieuw te willen gebruiken. De belangrijkste resterende beperkingen zijn de hertexturering, die nu het hele model opnieuw inkleurt in plaats van enkel het bewerkte deel en de interface om de automatische selectie bij te sturen.
Meer lezen

VAN DEK NAAR DIEPTE: EEN LONGITUDINALE STUDIE NAAR DE IMPACT VAN EEN EDUCATIEVE ZEE-ERVARING OP OCEAN LITERACY EN NATURE CONNECTEDNESS

Universiteit Gent
2026
Binke
D'Haese
Een dag op zee aan boord van een onderzoeksschip: watermonsters nemen, bodemstalen bekijken, live marien onderzoek meemaken. Voor 63 deelnemers was het een unieke ervaring. Maar wat doet zo'n dag nu echt met je kennis over de oceaan, je verbondenheid met de natuur, en je bereidheid om er iets voor te doen?

Deze masterproef onderzocht de impact van een educatieve vaardag op oceaangeletterdheid en natuurverbondenheid bij volwassen deelnemers, via een longitudinaal onderzoeksdesign met drie meetmomenten: voor de tocht, direct erna en zes maanden later.
De resultaten tonen een genuanceerd beeld. Oceaankennis nam toe na de vaartdag en bleef zes maanden later overeind, wat wijst op duurzame cognitieve leerwinst. De affectieve dimensie vertelde een ander verhaal: het gevoel van verbondenheid met de natuur piekte direct na de ervaring, maar zakte daarna terug. Houding en gedragsintenties bleven grotendeels stabiel, wat deels verklaard wordt door de al hoge uitgangsscores van dit publiek.
Opvallend was dat de leerwinst niet afhing van hoe natuurverbonden iemand al was voor de tocht. Iedereen leerde evenveel, ongeacht achtergrond of voorkennis.
De studie bevestigt het potentieel van ervaringsgerichte mariene educatie als inclusief instrument, maar wijst ook op een belangrijke beperking: één dag volstaat niet voor blijvende gedragsverandering. Herhaling, verdieping en opvolging zijn noodzakelijk om de verwondering die een vaardag opwekt ook structureel te laten beklijven.
Meer lezen

CIRCULAIRE AMBITIES, JURIDISCHE GRENZEN? EEN ANALYSE VAN DE NIEUWE BATTERIJENVERORDENING

Universiteit Gent
2026
Pieter-Jan
Debbaut
Batterijen zijn niet meer weg te denken uit ons dagelijks leven. Van smartphones tot elektrische wagens: de vraag naar batterijen groeit razendsnel. Toch gaat de productie van batterijen gepaard met aanzienlijke milieuproblemen: voor elke nieuwe batterij zijn zeldzame grondstoffen nodig die via mijnbouw worden gewonnen en afgedankte batterijen bevatten gevaarlijke stoffen. De overgang naar een zogenaamde circulaire economie, waarbij materialen zo lang mogelijk in omloop blijven en afval tot een minimum wordt beperkt, is dan ook een centrale doelstelling van de Europese Unie. Om die overgang te sturen, vaardigde de EU in 2023 een nieuwe Batterijenverordening uit (Verordening (EU) 2023/1542). Deze masterproef onderzoekt in welke mate die verordening daadwerkelijk bijdraagt aan een circulaire batterijwaardeketen en welke juridische en praktische drempels een effectieve uitvoering in de weg staan. Daartoe werd eerst uitvoerig in kaart gebracht wat de EU verstaat onder circulaire economie, hoe dit concept in de loop van de tijd is geëvolueerd en welke juridische principes eruit voortvloeien. Op basis van wetenschappelijke literatuur en EU-beleidsdocumenten werden negen kernelementen van circulariteit omgezet naar concrete juridische toetsingscriteria. Vervolgens werd de Batterijenverordening aan deze criteria getoetst. De conclusie is genuanceerd. De verordening vormt onmiskenbaar een stap vooruit: de verschuiving van een richtlijn naar een rechtstreeks toepasselijke verordening, de introductie van het batterijpaspoort, de verruiming van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid naar industriële batterijen en elektrische voertuigen en de invoering van strikte recycling- en terugwinningsdoelstellingen zijn substantiële verbeteringen. Dit beeld werd bevestigd door verkennende interviews met Umicore (een batterijrecycler) en Bebat (een OPV), die de ambities van de verordening principieel ondersteunen. Toch vertoont de verordening ook belangrijke juridische tekortkomingen. Ten eerste worden enkele belangrijke eisen, zoals concrete prestatienormen en maximale koolstofvoetafdrukken, pas later uitgewerkt via uitvoeringsregelgeving. Daardoor weten bedrijven nog niet altijd precies waaraan zij zullen moeten voldoen. Bovendien bestaat het risico dat de circulaire ambitie van de verordening later wordt afgezwakt, afhankelijk van hoe streng die uitvoeringsregels uiteindelijk worden ingevuld. Ten tweede vallen batterijen voor elektrische voertuigen, nochtans de grootste en meest impactvolle categorie, niet onder de verplichting om batterijen verwijderbaar en vervangbaar te maken. Ten derde maakt de verordening hergebruik en herfabricage mogelijk, maar geeft zij deze opties geen juridische voorrang op recyclage. Dat wringt met het uitgangspunt dat producten en materialen zo lang mogelijk op hun hoogste waarde moeten worden behouden. Ten slotte ontbreekt een geharmoniseerd handhavingskader. Lidstaten mogen zelf bepalen welke sancties zij opleggen, waardoor het risico bestaat dat de verordening niet overal in de EU even streng wordt toegepast. Op basis van deze bevindingen worden concrete juridische verbeteringsvoorstellen geformuleerd: het opnemen van minimale materiële drempels in de verordening zelf, de uitbreiding van ontwerpverplichtingen naar EVbatterijen, de invoering van financiële prikkels voor waardebehoudende strategieën en een bindend coördinatiemechanisme met aanverwante EU-wetgeving. Dit onderzoek toont aan dat de Batterijenverordening een ambitieus maar juridisch onvolledig instrument is. De circulaire ambitie is reëel, maar de juridische uitwerking schiet op meerdere punten tekort om die ambitie volledig te verzilveren.
Meer lezen

Inclusie in de musicalsector

Hogeschool VIVES
2026
Fran
Van Besauw
Mijn scriptie onderzoekt hoe inclusief en divers de Vlaamse musicalsector vandaag is, zowel voor publiek als voor performers. Via een literatuurstudie en een online survey wordt duidelijk dat musical warm en verbindend aanvoelt, maar dat er nog belangrijke drempels bestaan: beperkte representatie, onvoldoende fysieke toegankelijkheid en weinig publiekswerking naar diverse groepen. Makers erkennen het belang van inclusie, maar botsen op beperkte middelen en expertise. De scriptie besluit dat inclusie een artistieke en maatschappelijke meerwaarde biedt en formuleert aanbevelingen om de sector toegankelijker en toekomstgerichter te maken.
Meer lezen

Een goed leven binnen planetaire grenzen in genk: focus op Warm Waterschei

Universiteit Hasselt
2025
Jade
Daems
Hoe kan het concept van coöperatieve en collectieve wijkwarmte specifiek worden toegepast in Waterschei, vertrekkende vanuit een milieu- en mensbewuste visie? Vanuit deze centrale vraagstelling vertrekt dit onderzoek.
De gedachtegang van Daniel Christian Wahl, waarbij het stellen van de juiste vragen vóór het handelen centraal staat, vormt de rode draad doorheen dit onderzoek. Volgens deze filosofie wijzen vragen, meer nog dan antwoorden, de weg naar collectieve wijsheid. Daarom worden vraagstellingen van verschillende auteurs gebruikt om elk hoofdstuk in te leiden en fungeren ze als leidraad bij het zoeken naar antwoorden.
Het bewuste gebruik van deze vragen heeft geleid tot diepere reflectie over ontwerpbeslissingen en tot een grondiger onderbouwd onderzoek.
Deze masterthesis is opgedeeld in drie grote delen. Het eerste deel begint met een korte situering om de lezer wegwijs te maken. Hierin worden de probleemstelling, onderzoeksvraag, gehanteerde methodologie, de geschiedenis van de locatie, het station van Waterschei en de relevantie binnen het masterplan toegelicht.

Het tweede deel is de ruggengraat van dit onderzoek en wordt gevormd door de literatuurstudie. Deze bestaat uit een theoretisch en een praktisch denkkader. Het theoretisch denkkader bundelt diverse boeken en wetenschappelijke artikels die het onderzoek onderbouwen. De literatuur wordt besproken in een logische volgorde van een brede visie naar een steeds specifiekere focus. Vertrekkende vanuit het boek The Good Ancestor: How to Think Long-Term in a Short-Term World van Roman Krznaric, wordt een eerste denkkader geschetst rond langetermijndenken en intergenerationele
verantwoordelijkheid. Vervolgens wordt de filosofie van Bruno Latour besproken aan de hand van Waar kunnen we landen. Latour toont aan dat er vandaag een gemeenschappelijke visie ontbreekt en dat menselijke en niet-menselijke actoren onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Hierna wordt dieper ingezoomd op regeneratief denken via Designing Regenerative Cultures van Daniel Christian Wahl. Dit
boek nodigt uit om verder te denken dan duurzaamheid en moedigt aan om de juiste vragen te stellen in plaats van vluchtige antwoorden te zoeken. Het theoretisch denkkader sluit af met het boek Postcapitalist Countrysides – From Commoning to Community Wealth Building dat bestaat uit een verzameling van essays. Hierbinnen wordt de essay Unpacking the energy commons geschreven door Thomas Bauwens and Robert Wade (pagina 327 tot 351) bestudeerd. Deze essay beschrijft specifiek hoe energie als gemeengoed kan beschouwd worden.

Het praktisch denkkader vertrekt vanuit het concept van coöperatieve en collectieve wijkwarmte. Deze worden toegelicht waarna er kenmerken voor coöperatieve en collectieve wijkwarmte worden gedefinieerd. Vervolgens worden verschillende relevante referentieprojecten onderzocht. Deze zijn onderverdeeld in twee categorieën: enerzijds warmtenetten, waarbij warmte netwerken als model worden bekeken, en
anderzijds energiestations, waarbij specifiek naar gebouwen wordt gekeken die functioneren als opslagen distributiesysteem. Beide categorieën worden geanalyseerd op basis van de eerder gedefinieerde kenmerken van coöperatieve wijkwarmte.
Het derde deel omvat de ontwerpstudie, deze vertrekt eveneens vanuit het concept van coöperatieve en collectieve wijkwarmte. Op stedelijke schaal wordt eerst de situatie in Genk onderzocht, waarna de focus verschuift naar de wijk Waterschei. In waterschei wordt een coöperatief en collectief warmtenet ontworpen dat werkt op basis van mijnwater. Het uitgangspunt is de herbestemming van het voormalige station tot
een energiestation met bijhorende botanische tuin. Beide functies worden inhoudelijk onderzocht en er wordt toegelicht hoe ze relevant kunnen zijn voor de gemeenschap.
Vanuit de hoofdfunctie van een energiestation wordt de technische werking uiteengezet, gevolgd door enkele basisberekeningen die nodig zijn om de dimensionering te bepalen, zoals de grootte van het warmteopslagtanks. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een overzicht van de noodzakelijke installaties. Voor de bijhorende botanische tuin wordt de typologie van botanische tuinarchitectuur onderzocht. Daarnaast bevat dit onderdeel een analyse van plantensoorten die bijdragen aan het binnenklimaat en de beleving van de ruimte versterken. Het architecturale ontwerp vertrekt vanuit het idee dat technische elementen integraal deel uitmaken van de beleefde ruimte. Aangezien het programma van een energiestation uitbreiding vraagt wordt het bestaande stationsgebouw als uitgangspunt genomen voor het verdere ontwerp. De herbestemming en uitbreiding van het gebouw worden benaderd vanuit een duurzaam perspectief. Het ontwerp baseert zich op drie samenhangende strategieën: ‘Trias Energetica’, ‘Trias Materia’ en ‘Trias
Aquatica’. Elk van deze strategieën wordt toegelicht wat betreft de betekenis en de doelstelling, waarna wordt verduidelijkt hoe ze concreet zijn toegepast in het ontwerp.

De conclusie bundelt de resultaten van het onderzoek en formuleert een mogelijke oplossing voor de oorspronkelijke onderzoeksvraag.
Meer lezen

Nieuw kapitalisme: Juridische middelen om kapitaal te sturen naar ESG bedrijven

Vrije Universiteit Brussel
2025
Sara
Faes
Genomineerde shortlist NBN Sustainability Award
Mijn masterproef omvat een onderzoek naar welke ESG criteria reeds zijn opgenomen in de Belgische Corporate Governance Code en hoe deze laatste kan worden verbeterd opdat ESG de nieuwe bedrijfsfilosofie wordt.
Meer lezen

Van literatuur naar audiodescriptie: een verkennend onderzoek naar de toepassing van embodied cognition-theorieën in AD

Universiteit Antwerpen
2025
Steven
Baars
  • Ajshe
    Gashi
Audiodescriptie (AD) maakt audiovisuele content toegankelijk voor blinden en slechtzienden middels een aanvullend audiospoor dat visuele stimuli verbaliseert. Daarbij staat het tweeledige doel van begrip en beleving centraal. Binnen het domein van AD voeren theoretici echter een discussie of dit doel het beste kan worden bereikt met een objectieve AD enerzijds of een subjectieve AD anderzijds. Het theoretisch kader hieromtrent wees uit dat er hierop geen eenduidig antwoord bestaat en dat er veel terminologische discrepantie en inconsistentie heerst. Het debat markeerde ook de opkomst van alternatieve AD-benaderingen, waarbij AD wordt gezien als een continuüm of functionele benadering. In een poging dit debat meer richting te geven, voorziet deze scriptie eveneens een theoretisch kader voor diverse embodied cognition-theorieën waarbij filmkijken, lezen en luisteren worden beschouwd als lichamelijke activiteiten. Aan de hand van deze theorieën probeert deze scriptie een antwoord te bieden op de centrale onderzoeksvraag: “Kunnen de theorieën van embodied spectatorship, embodied cognition, embodied reading en embodied listening in theorie de keuze motiveren voor een objectieve AD enerzijds of een subjectieve AD anderzijds opdat het AD-doelpubliek een immersievere beleving heeft?”. Uit de literatuur blijkt dat AD als vorm van literatuur gebruik kan maken van embodied writing-strategieën zoals actie- en emotiewoorden, impliciete beschrijvingen van emoties aan de hand van interne en externe fysiologische reacties, zintuiglijke metaforen, embodied metaphors gebaseerd op tactiele en olfactorische eigenschappen, bijwoorden van wijze, troponiemen en het ik-vertelperspectief. Een casestudy van AD-fragmenten uit drie Vlaamse fictie- en dramaseries, Tabula Rasa (Netflix), Arcadia (Earcatch) en Knokke Off (VRTmax) toonde ten eerste aan dat bijna de helft van de AD-fragmenten visueel-semantisch zijn. Ten tweede wees het onderzoek uit dat de AD-fragmenten vooral actiewoorden, bijwoorden van wijze en verwijzingen naar het lichaam bevatten als embodied writing-strategieën. Ten derde werd er geen significante correlatie gevonden tussen de AD-stijlen en het aantal gebruikte embodied writing-strategieën. De scriptie stelt daarom voor om de dichotomische kijk op AD los te laten en AD-strategieën te ontwikkelen op basis van het gewenste AD-doel.
Meer lezen

Claiming Responsibility, Narrating Solidarity: Discursive Legitimation of Turkey's Involvement in the Nagorno-Karabakh Conflict (1988–2020)

Universiteit Gent
2025
Görkem
Yavuz
Deze masterproef onderzoekt hoe Turkije tussen 1988 en 2020 zijn betrokkenheid bij het Nagorno-Karabachconflict discursief heeft geconstrueerd en gelegitimeerd. Het centrale uitgangspunt is dat politieke taal niet louter een communicatiemiddel is, maar een krachtig instrument dat legitimiteit creëert en internationale normen beïnvloedt. Het onderzoek hanteert een driedelig analytisch kader: (i) hoe Turkije zijn eigen discours opbouwde, (ii) hoe internationale actoren dit discours ontvingen en betwistten, en (iii) welke impact dit had op mondiale normen rond interventie. De bevindingen tonen een evolutie van voorzichtige diplomatieke steun naar een assertieve en veiligheidsgedreven retoriek. Deze verschuiving benadrukt hoe discursieve strategieën niet alleen de perceptie van legitimiteit vormgeven, maar ook bredere implicaties hebben voor internationale conflictoplossing en normontwikkeling.
Meer lezen

[de leegte in het landschap en het gecureerd verval.]

Universiteit Hasselt
2025
Thomas
Cuyt
We leven in een wereld vol met dingen die zijn achtergelaten door degenen die vóór ons kwamen, maar we pikken een aantal van deze dingen eruit voor onze aandacht en zorg. We vragen bepaalde gebouwen, objecten en landschappen om te functioneren als
geheugensteuntjes, om het verleden te herinneren dat hen heeft voortgebracht, en om dit verleden beschikbaar te maken voor onze overpeinzing en zorg. Die geheugensteuntjes, of junk-space zoals Rem Koolhaas (Koolhaas & Foster, 2013) het omschrijft, is het residu dat de mensheid op deze planeet achterlaat. Het product van modernisme is niet moderne architectuur, maar junkspace, ruimteafval of gecureerd verval.
Hoe kan er worden omgegaan met dat verval wat bij wegnemen leidt tot littekens in het landschap en hoe kan deze leegte opnieuw een plaats krijgen?

In het samengaan van leegte en verval ontstaat een dialoog. Het landschap, datgene wat ooit de achtergrond was van menselijke activiteit, neemt langzaam zijn plek terug. Gras groeit door scheuren in het asfalt, klimop verslindt de bakstenen huid van verlaten panden. Wat ooit strak en gecontroleerd was, wordt nu een canvas voor de natuur, voor de tijd. De architectuur vertelt verhalen van tijd en vergankelijkheid, laat los wat het vasthield. De perfecte symmetrie van muren wordt vervangen door grillige lijnen en onvolmaakte vormen. De leegte in het landschap benadrukt dit proces; het biedt een podium zonder afleiding. In de leegte die hierdoor ontstaat, openbaart zich een nieuwe ruimte: een plek waar natuur en herinnering zich verstrengelen. Het is juist door het ontpitten en cureren van gebouwen in verval, of structuren die hun functie verloren, dat leegte ontstaat. Deze leegte, als een litteken in het landschap, kan uitgroeien tot een schakel. Een fluïde zone waar natuurlijke en menselijke processen elkaar ontmoeten. De grens tussen het kunstmatige en het natuurlijke vervaagt, verschuift, en wordt geen harde lijn meer, maar een overgangsgebied, een ademende ruimte die verbindt in plaats van scheidt.
Het is juist deze “junkspace”, zoals Koolhaas (Koolhaas & Foster, 2013) het noemt, of het “gecureerd verval” waar Caitlin DeSilvey (DeSilvey, 2017) over schrijft, die kan worden ingezet als verbinder. Een transitiegebied dat een dubbel doel dient: zowel als collectieve ruimte voor een omliggende woonwijk, als schakel tussen natuur en woonomgeving. Hier ontstaat geen nieuwe scheiding, maar een netwerk waarin de grenzen vervagen en een nieuwe harmonie kan groeien.
Meer lezen

Rubens' portretkunst als spiegel voor zijn interesse in fysiognomie

Universiteit Gent
2025
Mariette
Van Gysegem
Mijn onderzoek bekijkt de portretpraktijk van Peter Paul Rubens vanuit een fysiognomische lens. Vooraleer dit denkkader kan toegepast worden op zijn oeuvre, wordt Rubens' fascinatie voor fysiognomie in zijn culturele context bekeken. Het vertrekt vanuit de oorsprong en ontwikkeling van het gedachtegoed om zo het belang in de leefwereld van Rubens te contextualiseren. Vervolgens onderzoekt het de connectie tussen fysiognomie en de vroegmoderne kunstpraktijk. Hierna wordt ingezoomd op Rubens' aantoonbare interesse in het onderwerp als vereiste voor het gebruik van een fysiognomische lens.

Daarna wordt het fysiognomisch denkkader toegepast op case-studies binnen zijn oeuvre. Hierbij richt de beeldanalyse zich op vorm, kleur en textuur, aangezien bestaand onderzoek vaak enkel naar vorm keek. Voor de karaktertypologie werden primaire zeventiende-eeuwse fysiognomische traktaten bestudeerd en zo de typerende elementen van verschillende karaktertypes geïdentificeerd om ze toe te passen op de case-studies. De afbakening tot portretkunst is een logisch gevolg van het gezicht als primaire plek voor de fysiognomische lezing. Binnen zijn portretten wordt gefocust op familieportretten en kopieën naar oude meesters aangezien hij bij deze genres het meeste vrijheid had om te experimenteren.

Voor deze analyse werd een methodologie ontwikkeld die vertrekt vanuit het uitgangspunt van de fysiognomie, waarbij het uiterlijk en het innerlijk van een persoon onlosmakelijk verbonden zijn. Het onderzoek bekijkt deze connectie in twee richtingen. Ten eerste worden familieportretten geanalyseerd om te onderzoeken in hoeverre het innerlijk iets zegt over het uiterlijk, met het sanguinische temperament als uitgangspunt, omdat dit karaktertype als positief en zeldzaam werd beschouwd en Rubens vermoedelijk warme genegenheid voor zijn familieleden voelde. Ten tweede worden zijn kopieën naar oude meesters bestudeerd om de omgekeerde richting te ondervragen. Het uitgangspunt is de beeldanalyse van visuele aanpassingen die Rubens doorvoert in zijn kopie ten opzichte van het origineel. Vervolgens wordt gekeken of deze aansluiten bij de representatie van een specifiek innerlijk karakter.

De analyse toont hoe Rubens systematisch ronde vormen, roodheid en glanzende huidaccenten gebruikte, kenmerken die overeenstemmen met het sanguinische temperament, dat in zijn tijd overwegend positief gewaardeerd werd. Hierdoor creëerde Rubens een fysiognomisch ideaaltype dat functioneerde binnen de beeldcommunicatie met zijn publiek. Dit onderzoek vult een lacune in de bestaande literatuur, die vaak enkel de passies en niet de fysiognomie in Rubens’ werk behandelde. Bovendien wordt dit gedachtegoed nooit bekeken zij-aan-zij met het effectieve kunstwerk, hoewel deze combinatie cruciaal is. Het besluit dat Rubens’ intellectuele fascinatie voor fysiognomie niet enkel een persoonlijke interesse was, maar een diep ingebed cultureel referentiekader dat zijn portretkunst beïnvloedde.

Deze studie opent de weg om Rubens’ intellectuele interesses concreet te verbinden met zijn oeuvre en suggereert verdere uitbreiding via technische beeldanalyses zoals kleuranalyse en reflectografie. Daarnaast vormt ze een vertrekpunt om ook andere categorieën binnen zijn portretkunst, zoals de keizerportretten, door een fysiognomische lens te bestuderen. Verdere analyses kunnen nagaan hoe andere temperamenten werden verbeeld en in welke mate Rubens’ leerlingen en tijdgenoten dit gedachtegoed overnamen of er eigen invullingen aan gaven.
Meer lezen

Revisiting Early Modern Female History Writing Lucy Hutchinson’s History of the English Civil War and Restoration in the Memoirs of the Life of Colonel Hutchinson

Universiteit Gent
2025
Roxan
Dewaele
In de jaren 1660’s schreef de Engelse Lucy Hutchinson (1620-1681) de Memoirs of the Life of Colonel Hutchinson, een republikeinse en puriteinse geschiedenis van de Engelse Burgeroorlog (1642-1651) tot de Restauratie (1660) met haar echtgenoot als protagonist. In het zog van de tweede feministische golf werden de Memoirs erkend als geschiedschrijving. Onder invloed van de herstory-beweging die op zoek gaat naar de specificiteit van de vrouwelijke pen, werd dit geschiedkundig werk tot nu toe bestudeerd op basis van de dichotomie tussen vrouwelijke en mannelijke geschiedschrijving. Deze thesis toont aan dat deze dichotomie gepaard gaat met twee andere gegenderde assumpties: (1) vroegmoderne mannen schreven eerder publieke, politieke, militaire
geschiedschrijving, terwijl vrouwen private familiegeschiedenissen schreven; (2) vrouwen schreven hun geschiedenissen met een grotere focus op de menselijke passies en emoties. Ik stel dat deze benadering resulteert in een misinterpretatie van vrouwelijke geschiedschrijving, met Hutchinson als voorbeeld.
Ik beargumenteer aan de hand van de Memoirs dat Hutchinson de dichotomie tussen
het private en het publieke overstijgt en dat zij geen onderscheid maakt tussen
familiegeschiedenis en politieke geschiedenis. Veder toon ik aan dat Hutchinson geen
emotioneel geladen stijl gebruikt om haar werk een vrouwelijke toon te geven, maar dat ze haar geschiedenis onderbouwt met een antropologische analyse van de menselijke passies als destructieve factor in de Burgeroorlog. Om haar eigen bottom-up analyse van de Burgeroorlog te ondersteunen, baseert ze zich op bestaande filosofische en theologische kaders, voornamelijk de leer van St. Augustinus.
Deze studie toont aan dat het herstory-paradigma de meest fascinerende aspecten van Hutchinsons geschiedschrijving in de schaduw laat, en een misinterpretatie van de tekst oplevert. Ik hoop andere onderzoekers te inspireren om de herstory-zoektocht naar binaire verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke geschiedschrijving achterwege te laten, om samen een nieuw theoretisch raamwerk te creëren. Alleen zo wordt het mogelijk om vroegmoderne geschiedschrijfsters op een genuanceerde manier te benaderen en om hen volwaardig op te nemen in de geschiedenis van de geschiedschrijving.
Meer lezen

Lesgeven in een andere taal CLIL in het Vlaams secundair onderwijs

AP Hogeschool Antwerpen
2025
Lien
Fack
  • Anne
    Vermeulen
Onze bachelorproef “Lesgeven in een andere taal – CLIL in het Vlaams secundair onderwijs” onderzoekt hoe CLIL (Content and Language Integrated Learning) vandaag in Vlaanderen wordt toegepast en welke factoren bijdragen tot kwaliteitsvol meertalig onderwijs.

We combineerden literatuuronderzoek met veldwerk in drie secundaire scholen (Brugge, Ekeren en Zottegem). Via observaties van zeven CLIL-lessen, een interview met een CLIL-leerkracht en een analyse van 149 schoolwebsites brachten we de sterktes, knelpunten en kansen van CLIL in kaart.

De resultaten tonen dat leerkrachten de doeltaal (meestal Engels) consequent gebruiken en leerlingen actief betrekken bij vaktaalverwerving. Tegelijk blijft samenwerking tussen leerlingen beperkt en worden taal- en inhoudsdoelen zelden expliciet gekoppeld. Ook de zichtbaarheid van CLIL op schoolwebsites is vaak laag.

Op basis van deze bevindingen formuleerden we tien aanbevelingen om CLIL verder te versterken. Ze richten zich tot scholen, lerarenopleidingen en beleid, en leggen nadruk op structurele samenwerking, professionalisering en de integratie van thuistalen.

Ons onderzoek bevestigt dat CLIL niet enkel taalvaardigheid bevordert, maar ook inclusie, motivatie en toekomstgerichte competenties versterkt.
Meer lezen

Een vergeten zijde van de Verlichting? Een kritische analyse van het beeld van de Verlichting in Vlaamse geschiedenishandboeken

Universiteit Gent
2025
Natan
Maes
Deze masterproef onderzoekt in hoeverre recente historiografische en filosofische nuances over de Verlichting weerspiegeld worden in het Vlaamse geschiedenisonderwijs. In de academische literatuur wordt de Verlichting steeds minder als een homogeen en eenduidig fenomeen beschouwd, en er is toenemende aandacht voor de interne spanningen, contradicties en exclusieve aspecten binnen deze intellectuele stroming. Dit onderzoek analyseert of en hoe deze kritische perspectieven doordringen in de onderwijspraktijk, met specifieke aandacht voor de manier waarop verlichtingsdenkers en hun ideeën worden gepresenteerd in geschiedenishandboeken. Finaal betoogt dit onderzoek dat de incorporatie van een genuanceerd narratief over de Verlichting pedagogische voordelen met zich meebrengt inzake het bereiken en behandelen van de eindtermen van de sleutelcompetentie historisch bewustzijn.

De studie combineert een literatuuronderzoek met een handboekanalyse. Vier veelgebruikte Vlaamse geschiedenishandboeken werden geanalyseerd op hun benadering van de Verlichting, nl. de mate waarin zij aandacht besteden aan de diversiteit binnen de beweging en de integratie van recente historiografische inzichten. De resultaten tonen aan dat de handboeken nog grotendeels vasthouden aan een klassiek en lineair vooruitgangsnarratief. Hoewel sommige handboeken, zoals Sapiens, pogingen doen om een kritische en multiperspectivistische benadering te hanteren, blijft de uitwerking hiervan vaak beperkt. Andere handboeken presenteren de Verlichting voornamelijk als een eenduidig succesverhaal zonder diepgaande reflectie op haar interne spanningen en beperkingen.

Deze bevindingen wijzen op het potentieel voor verdere didactische ontwikkeling die een kritische en genuanceerde benadering van de Verlichting binnen het geschiedenisonderwijs bevordert, met duidelijke pedagogische voordelen als resultaat. De studie onderstreept het belang van een lespraktijk die niet alleen oog heeft voor de emancipatorische idealen van de Verlichting, maar ook ruimte maakt voor de schaduwzijden en historiografische discussies. Zo kunnen leerlingen een genuanceerd en historisch onderbouwd beeld ontwikkelen, wat tegelijkertijd bijdraagt aan een rijkere leerervaring en het behalen van de eindtermen.
Meer lezen

Hoe kan nazorg vanuit de contextbegeleiding die DC Jan Rap, binnen de Waaiburg, biedt vormgegeven worden?

Hogeschool UCLL
2025
Yinke
Macquoy
Deze bachelorproef onderzoekt hoe nazorg binnen contextbegeleiding bij Dagcentrum Jan Rap (vzw De Waaiburg) op een effectieve en mensgerichte manier kan worden vormgegeven. Nazorg na intensieve begeleidingstrajecten blijkt vaak ongestructureerd en onvoldoende toegankelijk, wat de kwetsbaarheid van jongeren en gezinnen vergroot.

Door een combinatie van literatuurstudie, interviews met coördinatoren, gezinnen en organisaties, en observaties van nazorggesprekken, worden werkzame elementen geïdentificeerd zoals het behouden van contact, netwerkbetrokkenheid en het creëren van een warme overgangsfase. Een concreet resultaat is de ontwikkeling van een “Nazorgbox”: een toolkit die begeleiders en gezinnen handvatten biedt voor een gestructureerde en ondersteunende nazorgperiode.

De studie benadrukt het belang van structurele verankering van nazorg binnen het beleidskader van de jeugdhulp, zodat jongeren en gezinnen ook na afronding van een traject optimaal ondersteund blijven en terugval kan worden voorkomen.
Meer lezen

Een grote wereld aan een kleine universiteit. Buitenlandse studenten aan de Katholieke Universiteit Leuven, 1900 – 1968

KU Leuven
2025
Alexe
Heleu
Deze thesis onderzoekt hoe de internationalisering van de KU Leuven zich heeft ontwikkeld tussen 1900 en 1968. Het doel is om een antwoord te bieden op de vraag: In welke mate ontwikkelde de KU Leuven zich tot ‘internationale’ universiteit? Daarvoor analyseer ik enerzijds het relatieve aantal internationale inschrijvingen en de diversiteit. Anderzijds besteedt de thesis aandacht aan het beleid en het imago van de KU Leuven. Een breed onderzoek, over een langere periode, naar studentenmobiliteit vanuit het oogpunt van een Belgische universiteit vormt een lacune in de bestaande academische historiografie. Daarnaast combineert het onderzoek kwantitatieve en kwalitatieve bronnen om de internationaliseringsgraad van de universiteit te bepalen. Voor het kwantitatieve aspect digitaliseerde ik de inschrijvingsgegevens, afkomstig uit de Jaarboeken van de KU Leuven, in een databank. Daarnaast analyseerde ik correspondenties, rapporten en artikelen, uit de Archieven van voormalige rectoren Ladeuze en Van Waeyenbergh, om het kwalitatieve aspect vorm te geven. Het eerste hoofdstuk analyseert de evolutie van de inschrijvingen van buitenlandse studenten aan de KU Leuven om zo het ‘internationale’ karakter te bepalen. Daaruit bleek dat de aantallen relatief beperkt bleven, maar dat de afkomst van de studenten enorm divers was, zeker na de Tweede Wereldoorlog. Daarna onderzocht ik aan de hand van correspondenties en rapporten hoe de KU Leuven en de rectoren hun beleid voerden ten opzichte van internationale studenten: de rectoren gebruikten de vernieling van de oorlogen als uitgangsbord om de Leuvense universiteit opnieuw te doen groeien. Ze deden dit door het beeld van de KU Leuven als een werelduniversiteit te propageren. Daarnaast gebruikten ze het katholieke karakter als bindmiddel. Tot slot ondersteunden ze opkomende organisaties om internationale studenten te helpen in Leuven. In het derde hoofdstuk ligt de nadruk op de individuele levensbelevingen van studenten. De analyse toont aan dat het eeuwenoude imago van de KU Leuven, haar katholieke karakter en culturele netwerken met de universiteit een positieve invloed hadden op de motivaties van studenten. Daarentegen vormden complexe, administratieve procedures en integratieproblemen struikelblokken. Het Frans, het financiële aspect en de geopolitieke situaties waren dubbelzinnige factoren, die zowel bevorderend als belemmerend werkten. Uit de analyse volgde dat Leuven zich in de vroege twintigste eeuw al ontwikkelde tot een internationale universiteit. Ze gebruikte de internationalisering in eerste instantie als een strategisch middel voor de wederopbouw na de oorlogen, maar geleidelijk aan evolueerde het naar een institutionele prioriteit. In de periode 1900 – 1968 legde ze de fundamenten voor een explosieve toename van internationale inschrijvingen vanaf 1970. Het ‘internationale’ karakter van de universiteit kwam dus naar voren dankzij een diverse studentengroep en was niet enkel afhankelijk van het aantal inschrijvingen.
Meer lezen

Resight — An Adaptive Typographic and Reading System for Central Vision Loss

Hogeschool PXL
2025
Monica
Hutama
Age-related macular degeneration (AMD) is the leading cause of blindness in developed countries and currently affects over 200 million people worldwide—a figure projected to reach 300 million by 2040 (Wong et al., 2014). Despite this high prevalence, most assistive reading technologies continue to prioritize magnification or contrast enhancements, offering limited support for the specific visual challenges posed by central vision loss. In particular, the potential of typography, despite its ubiquity, remains underutilized as an adaptive tool for addressing the specific demands of peripheral vision.

This thesis responds to this gap by proposing a hypothesis-driven reading system that integrates adaptive typography, kinetic text presentation, and eccentric viewing support. Grounded in interdisciplinary evidence from typographic research, vision science, low vision rehabilitation, and reading technology, the project repositions typography as an active contributor to accessible reading.

Two key outcomes were developed: Locus Serif, a variable typeface optimized for peripheral legibility through research-led modifications of multiple typographic parameters, including stroke weight (set between 22–33% of x-height), low stroke contrast, increased x-height, adjustable letter width (narrowing in the foveal region and widening toward the periphery), and scalable serif length (shortened progressively to maintain spatial balance with wider forms). These coordinated adjustments also influence the typeface’s visual rhythm, aiming to achieve an effective balance between heterogeneity and homogeneity—critical for supporting word segmentation and perceptual clarity in peripheral reading. The second component, ReSight, is a horizontal scrolling reading interface aligned to the user’s Preferred Retinal Locus (PRL), incorporating optional PRL calibration via a simplified Amsler grid, high-contrast display, fixation support, and adjustable scrolling controls.

Together, these components demonstrate how typographic design, when grounded in scientific research and implemented responsively, can enhance reading accessibility for individuals with central vision loss. The project offers a design-led framework that invites future empirical validation and potential integration into assistive reading technologies across platforms and scripts.
Meer lezen

Van chaos naar comfort

Karel de Grote Hogeschool
2025
Dorien
Van Durme
Mijn bachelorproef "Van chaos naar comfort" richt zich op de onderzoeksvraag: “Welke lijst met richtlijnen kan ik opstellen zodat een schooldirectie maatregelen kan nemen die ze schoolbreed kan integreren om, voor kleuters met (al dan niet bevestigde) ASS, een ASS-vriendelijke omgeving te creëren?”
Het doel is om scholen te inspireren en hen handvaten te geven om als het ware zo de overgang te maken van chaos naar comfort voor kleuters met autisme
Meer lezen

Dag Jules. Herken ik mij wel in jou? Een onderzoek hoe diversiteit kan genormaliseerd worden in lesmethodes voor de 1ste kleuterklas.

HOGENT
2025
Marie
stoens
Deze bachelorproef onderzoekt hoe educatieve pakketten in de eerste kleuterklas kunnen bijdragen aan een inclusieve klaspraktijk waarin diversiteit wordt erkend en genormaliseerd. De aanleiding kwam voort uit de vaststelling dat veel gebruikte methodes, zoals Jules, Anna en Nellie & Cezar, nauwelijks zijn meegegroeid met de veranderende samenleving. Ze tonen vaak een beperkt en stereotiep beeld van de realiteit — een voornamelijk witte, middenklasse leefwereld waarin niet alle kinderen zich herkennen.

Het onderzoek combineert een uitgebreid literatuuronderzoek met interviews bij zes kleuterleerkrachten die werken in stedelijke contexten. Uit hun getuigenissen blijkt dat leerkrachten de bestaande methodes zelden volledig volgen: ze passen verhalen, illustraties en activiteiten voortdurend aan om beter aan te sluiten bij de diversiteit in hun klas. Ze benadrukken het belang van representatie, erkenning en spiegels en vensters in lesmateriaal: kinderen moeten zichzelf kunnen herkennen, maar ook andere leefwerelden leren kennen.

De theoretische kaders, zoals Opvoeden zonder vooroordelen (Anti-Bias Education) en Sociaal rechtvaardig opvoeden (Dierickx et al., 2022), tonen dat inclusie een bewuste pedagogische keuze is. Diversiteit moet geen apart thema zijn, maar een vanzelfsprekend uitgangspunt in het onderwijs.

Als praktisch luik ontwierp de onderzoeker een aangepaste praatplaat die meer diversiteit weerspiegelt, wat in de klas positief werd onthaald. De studie besluit met de oproep om educatieve methodes grondig te herdenken: ontwikkelaars, leerkrachten en beleidsmakers moeten samen zorgen voor materiaal waarin elk kind zich kan herkennen — niet als uitzondering, maar als norm.
Meer lezen

Vrijwillige kinderloosheid onder de loep: concepten, discoursen en machtsverhoudingen in verandering

Universiteit Gent
2025
Saar
De Coster
Mijn scriptie onderzoekt vrijwillige kinderloosheid en laat zien hoe wetenschap vaak vanzelfsprekendheden reproduceert waardoor bepaalde stemmen structureel onzichtbaar blijven. Uit een analyse van 23 wetenschappelijke artikelen blijkt dat onderzoek zich voornamelijk richt op witte, hoogopgeleide westerse vrouwen, terwijl LGBTQ+-personen, vrouwen met een migratieachtergrond, mensen met een beperking en mensen in precaire sociaaleconomische situaties nauwelijks aan bod komen. Veel studies beschouwen kinderloosheid als een volledig autonome keuze, terwijl sociale, culturele en economische factoren juist een grote rol spelen. Het onderscheid tussen “vrijwillig” en “onvrijwillig” blijkt vaak te simplistisch; in werkelijkheid bevindt kinderloosheid zich op een continuüm van uitstel, noodzaak en bewuste keuze. Mijn onderzoek toont dat inclusief en kritisch onderzoek nodig is om de blinde vlekken zichtbaar te maken en een vollediger beeld te krijgen van menselijke ervaringen rondom vrijwillige kinderloosheid.
Meer lezen

Towards a circular turn in heritage. Spolia, a bridge between past and present in Brussels' and Flemish contemporary preservation practices.

Vrije Universiteit Brussel
2025
Judith
Cools
De klimaatopwarming is een feit, en onderzoekers vertellen ons al jaren over de snel aankomende gevolgen daarvan. Één van de transities die we kunnen maken om de klimaatopwarming een halt toe te roepen is overstappen naar een circulaire economie, en voor de constructiesector is dat niet anders. Een circulaire bouweconomie introduceren kan op verschillende manieren: 1. Het omkeerbaar ontwerpen van gebouwen, zodat wanneer ze niet meer van dienst kunnen zijn, we hun onderdelen elders opnieuw kunnen gebruiken 2. Het retrofitten van bestaande gebouwen 3. Materialen en bouwelementen recupereren en hergebruiken na volledige of gedeeltelijke demontage. De bouwsector volledig circulair maken kan dus niet door enkel in de toekomst slim te ontwerpen, maar ook alle bestaande gebouwen zijn deel van deze transitie. In Brussel en Vlaanderen tezamen hebben meer dan 130.000 van deze gebouwen erfgoedwaarde. Maar hoe kunnen we circulariteit en erfgoed laten samengaan om ook deze gebouwen van cultureel en historisch belang in de transitie te betrekken? Binnen de erfgoedpraktijk is traditioneel en strikt beschermen en behouden vaak dé strategie bij uitstek. Deze gebouwen strikt beschermen én conform houden aan onze duurzaamheidsvereisten van vandaag kost veel tijd, aandacht, geld, etc. Gebruik van deze strategie is onhaalbaar en onwenselijk voor al die 130.000 gebouwen. Daarnaast heeft een evoluerende maatschappij ook steeds veranderende noden. Zo werd het herbestemmen van gebouwen waarbij flexibiliteit, aanpassingen maken en respect voor het erfgoed gecombineerd en steeds gangbaarder onder titel 'adaptive reuse'. Alhoewel dit al een enorme stap is richting duurzaamheid voor zowel mens als maatschappij, wordt er vaak over het hoofd gezien dat er bij flexibele erfgoedbewaarstrategieën fragmenten overblijven die de selectie niet halen en zo later ‘afval’ worden. Daarom beargumenteer ik in dit onderzoek waarom ook het demonteren, verplaatsen en herintegreren van architecturale erfgoedfragmenten deel is van een volledige transitie naar een circulaire bouweconomie. Echter is de erfgoedpraktijk nog sceptisch over het transporteren van erfgoedfragmenten als bewaarstrategie. Met een betoog, uitgediept op niveau van theoretische debatten, lokale beleidsdocumenten en praktijkvoorbeelden, toont deze thesis aan dat het verplaatsen van erfgoedfragmenten ook bijdraagt aan een inclusievere erfgoedzorg. Indien toegepast onder voorwaarden, kan het verplaatsen van erfgoedfragmenten bijdragen aan een rijker begrip van erfgoedwaarden en -betekenissen. In deze masterproef wordt er getracht de complexe match tussen hergebruik van bouwmaterialen en architecturale erfgoedfragmenten te benutten en aan te tonen dat beide disciplines op deze manier de volgende stap kunnen zetten richting duurzaamheid. Tenslotte is er niet enkel een ecologische voetafdruk verbonden aan materialen en fragmenten, maar dus ook een culturele/historische voetafdruk. Niet alleen biedt deze masterproef een grondige basis, gebaseerd op theorie, beleid en praktijk voor stakeholders uit beide disciplines om dit innovatief debat verder te voeren, ze biedt ook een concrete uiteenzetting hoe deze transitie in de praktijk gerealiseerd kan worden. Dit gebeurt met een voorstel om erfgoed- en bouwbeleid te integreren en zo niet alleen geschiedenis en cultuur, maar ook de 'embodied carbon en energy' te waarborgen.
Meer lezen

Balancing Sovereignty, Solidarity and EU Discourse: Türkiye’s Contradictory Approaches to Kurdish Autonomy and Palestinian Rights

KU Leuven
2025
Zozan
Arslan
Mijn masterscriptie onderzoekt hoe de Europese Unie reageert op het standpunt van Turkije over twee gevoelige kwesties: de onderdrukking van de Koerdische minderheid in eigen land en de steun voor de Palestijnse zaak in het buitenland. Door EU-rapporten en toespraken van president Erdoğan te analyseren, laat ik zien hoe Europa haar politieke principes inconsistent toepast. Als het om Koerdische rechten gaat, zijn EU-documenten voorzichtig en bureaucratisch. Maar in het geval van Turkije's steun aan Hamas wordt de taal van de EU scherp en moreel. Deze vergelijking laat zien dat de reacties van de EU niet altijd worden geleid door universele mensenrechtennormen, maar vaak door geopolitieke belangen.
Meer lezen

Recht op arbeid en vrije keuze van beroep voor personen met een arbeidshandicap

HOGENT
2025
Linde
Goedertier
Mijn bachelorproef onderzoekt hoe mensen met een arbeidshandicap nog steeds botsen op structurele drempels in onderwijs, mobiliteit, regelgeving en de arbeidsmarkt. Activeringsbeleid alleen volstaat niet: pas door die obstakels weg te nemen, krijgen zij echt de kans om hun talenten in te zetten. Echte inclusie vraagt dus om een integrale aanpak waarin overheid, onderwijs en werkgevers samen verantwoordelijkheid opnemen.
Meer lezen

Magie en Macht: The wheel of power and privilege herwerkt tot een intersectioneel model voor analyse van young adult fantasy literatuur

Universiteit Gent
2025
Maya
Stuyven
Young adult fantasy literatuur leent zich voor kritische reflectie over identiteit, macht en
maatschappelijke structuren. Magie en alternatieve werelden bieden een symbolische
weergave van machtsstructuren, privilege en uitsluiting. Binnen het bestaande literatuur- en intersectionaliteitsonderzoek ontbreekt echter een intersectioneel instrument dat de
verwevenheid tussen magie en sociale machtsstructuren benadert. Deze masterproef herwerkt the wheel of power and privilege, zoals ontwikkeld door Sylvia Duckworth, om intersectionele machtsstructuren in YA-fantasy te analyseren, met specifieke aandacht voor magie. Ik demonstreer het gebruik van dit aangepaste model aan de hand van twee personages uit de boeken Shadow and Bone van Leigh Bardugo en Children of Blood and Bone van Tomi Adeyemi. Het aangepaste model biedt een systematisch en visueel denkkader dat toelaat om macht in fictieve werelden intersectioneel te analyseren en zo bijdraagt aan een verdiepend inzicht in de werking van fictieve machtssystemen.
Meer lezen

Ils occupent, (i)elles s’occupent: Een cultuursociologische analyse van zes vormen van durf in de Brusselse skatescene

Vrije Universiteit Brussel
2025
Charlotte
Cool
Deze studie onderzoekt hoe (sub)culturele genderhiërarchieën binnen de Brusselse skatescene zowel worden gereproduceerd als geherconfigureerd. Hoewel skateboarden doorgaans gepresenteerd wordt als open, vrij en inclusief, blijft het in de praktijk doordrongen van een geïnstitutionaliseerde mannelijke hegemonie. Internationaal is er relatief weinig aandacht voor hoe vrouwelijke en non- binaire skaters patriarchale structuren actief bevragen; in België ontbreekt onderzoek naar de skatecultuur volledig. Deze studie adresseert die lacune via een kwalitatieve casestudy, gebaseerd op diepte-interviews en participerende observatie, met bijzondere aandacht voor het Brusselse collectief BX’Elles. De resultaten worden thematisch geanalyseerd via zes vormen van durf waarmee niet- traditionele skaters navigeren tussen uitsluiting en culturele hertekening: durven identificeren, beginnen, plaatsnemen, herconfigureren, verzetten en differentiëren. De studie toont hoe genderongelijkheid zich manifesteert via symbolisch geweld, verhoogde bewijslast en structurele belemmeringen tot ruimtegebruik. Tegelijkertijd bouwen niet-traditionele skaters via initiatieven zoals Only Girls-sessies en publieke, gendergemengde tours aan alternatieve praktijken waarin zorg wordt gevaloriseerd als subcultureel kapitaal. Opvallend is dat mainstreaming, vaak door mannelijke coreskaters afgewezen als bedreiging voor authenticiteit, voor deze groepen net een toegangspoort vormt. Vanuit die bredere openheid geven zij een nieuwe invulling aan de oorspronkelijke, subversieve skatewaarden van ruimteclaiming, marginaliteit en collectiviteit. Toch blijven deze transformaties precair zolang de hegemonische neutraliteit van mannelijke skaters onaangeroerd blijft. Beleidsmatig pleit dit onderzoek daarom voor co-creatieve infrastructuur, steun voor exclusieve sessies, en educatieve trajecten gericht op mannelijke bondgenootschappen, eventueel gebundeld in een Brussels skatefestival.
Meer lezen

Omzetting van geschreven cursus naar stripformaat voor studenten met dyslexie: Hepatitis D virus

Universiteit Gent
2025
Dafne
Huyge
In deze masterproef staat één vraag centraal: hoe kan complexe biomedische leerstof toegankelijker worden gemaakt voor studenten met dyslexie? Het Hepatitis D-virus (HDV), behandeld in het vak Microbiologie in de derde bachelor Biomedische Wetenschappen aan de UGent, werd gebruikt als inhoudelijk voorbeeld. Het doel was om de bestaande, sterk tekstgerichte cursus om te zetten in een educatief stripverhaal dat de leerstof begrijpelijker en toegankelijker maakt.

De keuze voor een stripvorm is gebaseerd op wetenschappelijke literatuur. Studies tonen aan dat studenten met dyslexie vaak beter leren via visueel en verhalend materiaal. Dit verlaagt de cognitieve belasting en maakt de kerninhoud duidelijker. Traditionele cursussen zijn daarentegen vaak compact en tekstueel zwaar, waardoor ze voor studenten met dyslexie een extra drempel vormen. Met dit project werd gezocht naar een alternatief dat de wetenschappelijke correctheid behoudt, maar tegelijk de toegang tot de leerstof vergroot.

Het ontwikkelproces verliep in drie stappen. Eerst werd een literatuurstudie uitgevoerd naar dyslexie in het hoger onderwijs en de rol van visueel ondersteunde leermiddelen. Daaruit bleek dat graphic learning en stripverhalen een waardevolle aanvulling kunnen zijn, mits ze zorgvuldig ontworpen worden. Vervolgens werd bestaand cursusmateriaal, zoals PowerPointpresentaties en lesopnames, geanalyseerd om de kerninhouden te selecteren. In de laatste fase werd een volledig script geschreven waarin het HDV als personage optreedt en de leerstof verwerkt wordt in dialogen en herkenbare casussen.
Bij het schrijven is rekening gehouden met de specifieke noden van studenten met dyslexie. Lange tekstblokken werden vermeden, kernconcepten herhaald en de informatie verdeeld over korte, overzichtelijke scènes. Hoewel het project nog niet geïllustreerd is, bevat het script gedetailleerde aanwijzingen voor de visuele uitwerking, zoals sfeer, typografie en lay-out, afgestemd op een dyslexievriendelijke benadering.
Het resultaat is een script dat bruikbaar is als aanvullend studiemateriaal, maar ook breder kan worden ingezet. Het laat zien dat complexe academische inhoud ook in een creatieve en toegankelijke vorm kan worden aangeboden, zonder verlies van wetenschappelijke accuraatheid. Daarmee draagt de masterproef bij aan een inclusiever hoger onderwijs, waarin uiteenlopende leerprofielen niet als obstakel worden gezien, maar als uitgangspunt voor kwaliteitsvol en toegankelijk onderwijs.
Meer lezen