Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

The Metabolic Phenotype of Post-ICU Patients: Energy Metabolism After Critical Illness

Vrije Universiteit Brussel
2026
Eline
Verheyen
Na een opname op de intensieve zorg begint het herstel vaak pas echt. Toch weten we nog verrassend weinig over hoeveel energie deze patiënten nodig hebben en hoeveel energie uit hun voeding uiteindelijk werkelijk door het lichaam wordt opgenomen.

In mijn thesis onderzocht ik beide aspecten van de energiebalans. Ik combineerde systematische literatuurstudies met analyses van patiëntgegevens uit het UZ Brussel. Mijn resultaten tonen aan dat post-ICU-patiënten gemiddeld niet méér energie verbruiken in rust dan andere gehospitaliseerde patiënten, maar dat de verschillen tussen patiënten groot zijn. Dat maakt objectieve metingen belangrijk om de voeding af te stemmen op de individuele patiënt. Daarnaast bracht ik als eerste de beschikbare kennis over energieabsorptie bij post-ICU-patiënten in kaart en werkte ik mee aan de opstart van een prospectieve studie. Daarmee toont mijn thesis niet alleen aan waar de huidige kennis stopt, maar ook welke stappen nodig zijn om de voedingszorg voor deze patiëntengroep verder te verbeteren.
Meer lezen

Welke operationele, technologische en regelgevende voorwaarden moeten vervuld zijn zodat ING stablecoin-gebaseerde betalingsnetwerken kan gebruiken om internationale transacties sneller en goedkoper te maken dan het huidige correspondentbankmodel?

Karel de Grote Hogeschool
2026
Johan
Van Steen
Stap 3 gaat over je scriptie zelf. Per veld:
Korte inhoud van je scriptie. Een beknopte samenvatting, neutraler van toon dan je artikel. Dit kun je gebruiken:
Deze bachelorproef onderzoekt onder welke operationele, technologische en regelgevende voorwaarden ING stablecoin-gebaseerde betalingsnetwerken kan inzetten om internationale transacties sneller en goedkoper te maken dan het huidige correspondentbankmodel. Via een kwalitatieve casestudy, gebaseerd op literatuur van onder meer de BIS en de ECB, de MiCA-verordening en expertgesprekken, wordt een voorwaardenkader uitgewerkt op drie niveaus: technologie, organisatie en regelgeving. De analyse toetst dit kader aan drie marktinitiatieven (JPMorgan Kinexys, Société Générale EURCV en het Qivalis-consortium) en mondt uit in een concreet stappenplan voor een MiCA-conforme implementatie.
Meer lezen

GOL(L)D ALS REFLECTIEKADER BINNEN CONSULTATIEVE LEERLINGENBEGELEIDING EEN PRAKTIJKGERICHT KWALITATIEF ONDERZOEK NAAR DE PROFESSIONELE POSITIONERING VAN CLB-MEDEWERKERS

Universiteit Gent
2026
Safae
El Ksisar
Deze masterproef onderzoekt hoe CLB-medewerkers hun rol invullen binnen consultatieve leerlingenbegeleiding: niet als expert die een diagnose stelt, maar als partner die samen met de leerkracht zoekt naar oplossingen. Negen CLB-medewerkers werden gevolgd tijdens een vormingstraject via focusgroepen, individuele gesprekken en een visuele oefening met poppetjes. Het onderzoek toont dat deze rolverschuiving zich afspeelt binnen drie spanningsvelden: tussen expert en procesbegeleider, tussen verbinding en weerstand, en tussen ideaal en praktijkrealiteit. Het GOL(L)D-kader functioneert daarbij niet als een expliciete methodiek, maar als een impliciete reflectieve lens. De studie besluit dat duurzame verandering niet enkel professionele groei vraagt, maar ook structurele voorwaarden zoals tijd, continuïteit en rechtstreeks contact met leerkrachten.
Meer lezen

Hormonale invloeden op zeeziekte

Antwerp Maritime Academy
2026
Margaux
Hermans
Zeeziekte is een veelvoorkomend fenomeen binnen de maritieme sector en kan een aanzienlijke
impact hebben op het functioneren en welzijn van zeevarenden. Hoewel bekend is dat vrouwen
mogelijk gevoeliger zijn voor zeeziekte dan mannen, is weinig onderzocht in welke mate hormonale
factoren hierin een rol spelen. Deze masterproef brengt dit onderbelichte thema in kaart aan de
hand van een observatiestudie uitgevoerd tijdens een vier weken durende zeereis aan boord van
het opleidingsschip Dar Mlodziezy.
In totaal registreerden 36 deelnemers dagelijks hun level van algemene gevoelstoestand,
misselijkheid, stress en hersenmist. Voor vrouwelijke deelnemers werd bijkomend het gebruik van
hormonale anticonceptie en, indien van toepassing, hun menstruele cyclus bijgehouden. Deze
systematische dataverzameling in een realistische maritieme setting bood een uitzonderlijke
mogelijkheid om patronen over langere tijd te analyseren zonder verstoringen van dagelijkse
omgeving.
Uit resultaten blijkt dat vrouwelijke deelnemers in deze groep gemiddeld meer zeeziekte
gerelateerde klachten rapporteerden dan mannelijke deelnemers. De verschillen waren zichtbaar
voor alle onderzochte variabelen en kwamen consequent terug doorheen de gehele
onderzoeksperiode. Binnen de vrouwelijke groep vertoonden vrouwen die hormonale
anticonceptie gebruikten op het merendeel van de dagen hogere symptoomscores dan vrouwen
zonder anticonceptie. In deze dataset werd dus geen aanwijzing gevonden dat anticonceptie
beschermend werkt tegen zeeziekte.
De analyses van de menstruele cyclus leverden geen duidelijke verschillen tussen cyclusfasen op,
voornamelijk door het beperkte aantal vrouwen met een natuurlijke cyclus. Hierdoor konden geen
uitspraken gedaan worden over variaties in gevoeligheid tijdens bijvoorbeeld menstruatie of
ovulatie. Daarnaast werd vastgesteld dat deelnemers die een zeeziektepil innamen gemiddeld
meer hersenmist rapporteerden. Dit sluit aan bij zowel de ernst van hun symptomen als bij bekende
bijwerkingen van dergelijke medicatie, zonder dat de oorzaak kon worden vastgesteld.
Deze bevindingen suggereren dat vrouwen in deze onderzoeksgroep gevoeliger waren voor
zeeziekte dan mannen, maar tonen geen duidelijk effect van de hormonale anticonceptie of
cyclusfasen op de ervaren klachten. De beperkte omvang van de subgroepen vraagt om
voorzichtigheid in de interpretatie. De resultaten benadrukken tegelijk de nood aan verder
onderzoek met grotere populaties en nauwkeurigere hormonale registratiemethoden, zodat de
relatie tussen hormonen en zeeziekte in de toekomst preciezer kan worden bepaald.
Meer lezen

Productie en evaluatie van elektrogesponnen TEOS-gebaseerde nanovezelmembranen als SALDI-substraten voor fecale metabolomics via LA-REIMS

Odisee Hogeschool
2026
Elia Amnon
Bar On
Binnen een klinische en biomedische context zijn snelle en robuuste analysemethoden voor untargeted metabolomics essentieel. Laser-assisted rapid evaporative ionisation massaspectrometrie (LA-REIMS) maakt directe analyse van biofluïda mogelijk, maar de analytische prestaties worden bepaald door de intrinsieke matrixeigenschappen van het staal. Elektrogesponnen nanovezelmembranen kunnen via surface-assisted laser desorption/ionisation (SALDI) de desorptie en ionisatie verbeteren en zo de analyses versterken. Het potentieel van silicagebaseerde nanovezelmembranen als SALDI-substraten binnen LA-REIMS-gebaseerde metabolomics is echter nog onvoldoende geëvalueerd.

In deze studie wordt onderzocht in welke mate elektrogesponnen tetraethylorthosilicaat (TEOS)-gebaseerde nanovezelmembranen de prestaties van LA-REIMS-analyses voor fecale metabolomics beïnvloeden.

De productie van TEOS-membranen omvat het elektrospinnen van een sol-geloplossing, gevolgd door een thermische behandeling om een superhydrofiel membraan te verkrijgen. De morfologie en hydrofiliciteit worden gekarakteriseerd met scanning-elektronenmicroscopie, watercontacthoekmetingen en infraroodspectrometrie. De analytische prestaties worden geëvalueerd via LA-REIMS-analyse van fecale stalen en vergeleken met rechtstreekse analyse van feces en met geoptimaliseerde MetaSAMP-membranen. Data-analyse omvat principal component analysis, evaluatie van reproduceerbaarheid en vergelijking van metabolomische dekking.

LA-REIMS-analyses tonen aan dat met fecale stalen geïmpregneerde TEOS-membranen een metabolomische vingerafdruk genereren die vergelijkbaar is met die van feces as-such, met detectie van een groter aantal features. Tegelijkertijd worden, vergeleken met zowel MetaSAMP-membranen als feces as-such, beperkingen vastgesteld in reproduceerbaarheid en signaalintensiteit, met lagere signaalintensiteiten en meer variabele features (p < 0,01).

Na optimalisatie van de membraandikte en het staalvolume worden TEOS-membranen verkregen die significant hogere signaalintensiteiten opleveren dan feces as-such (p < 0,01; g > 1), met een hoger aantal gedetecteerde features (p < 0,01) en een aanvaardbare reproduceerbaarheid (> 75 % van de features met een variatiecoëfficiënt ≤ 30 %).

De resultaten tonen aan dat elektrogesponnen TEOS-gebaseerde nanovezelmembranen doeltreffend zijn als SALDI-substraat binnen LA-REIMS-gebaseerde metabolomics. Toekomstige studies kunnen zich richten op het optimaliseren van de membraanproductie, functionalisatiestappen en het verder afstemmen van de LA-REIMS-methode.
Meer lezen

ALTER.UP, Een digitaal upcyclingplatform als duurzaam alternatief voor trendgevoelige overconsumptie

Universiteit Antwerpen
2026
Marthe
Schouwenaars
Deze masterproef, uitgevoerd binnen de opleiding Productontwikkeling, onderzoekt hoe een digitaal product-dienstsysteem consumenten kan stimuleren om kleding te upcyclen als duurzaam alternatief voor trendgevoelige overconsumptie. Vanuit een uitgebreid onderzoeks- en ontwerpproces werden menskundige, technologische en economische inzichten vertaald naar een concreet concept, ALTER.UP, een digitaal upcyclingplatform. Het iteratieve ontwerpproces, met conceptontwikkeling, prototyping, gebruikersvalidaties en verfijningen, vormt de kern van deze thesis en toont hoe een doordachte productontwikkelingsmethodologie kan leiden tot een innovatieve, gebruiksvriendelijke en duurzame oplossing.

ALTER.UP begeleidt gebruikers gedurende het volledige upcyclingproces. Via een 3D-lichaamsscan wordt een persoonlijke avatar aangemaakt waarop bestaande kledingstukken digitaal kunnen worden gevisualiseerd. Gebruikers kunnen vervolgens verschillende upcyclingontwerpen uitproberen en aanpassen aan hun eigen stijl, waardoor ze vooraf een realistisch beeld krijgen van het eindresultaat. Na het kiezen van een ontwerp biedt het platform stapsgewijze instructies, materiaalsuggesties en ondersteuning van experten en de community om de uitvoering te vergemakkelijken. Door onzekerheid over het eindresultaat weg te nemen en inspiratie, begeleiding en vertrouwen te bieden, verlaagt ALTER.UP de drempel tot upcycling. Zo worden consumenten gestimuleerd om bestaande kleding langer te gebruiken, de emotionele en esthetische waarde ervan te verhogen en de levensduur van kleding te verlengen als alternatief voor de aankoop van nieuwe kleding.
Meer lezen

Te klein voor woorden, niet voor pijn: Patiëntgerichte pijnzorg voor neonaten op de NICU en de impact op ouders en verpleegkundigen

Hogeschool UCLL
2026
Amber
Martin
Deze bachelorproef onderzoekt de impact van het niet-systematisch toepassen van niet-farmacologische pijninterventies bij neonaten op de NICU. Aan de hand van een literatuurstudie wordt nagegaan welke gevolgen dit heeft voor neonaten, ouders en zorgverleners. De resultaten tonen aan dat interventies zoals huid-op-huidcontact, orale sucrose, borstvoeding en gefaciliteerd instoppen pijn en stress bij neonaten kunnen verminderen. Daarnaast blijkt dat actieve ouderparticipatie de betrokkenheid en het welzijn van ouders bevordert, terwijl een gebrek aan ondersteuning en duidelijke richtlijnen kan leiden tot stress bij ouders en morele stress bij verpleegkundigen. Op basis van deze bevindingen werd het NeoTripleComfort Programma ontwikkeld, een praktijkgericht model dat focust op systematische comfortzorg, ouderparticipatie en ondersteuning van zorgverleners, met als doel de kwaliteit van neonatale pijnzorg op de NICU te verbeteren.
Meer lezen

The lost creatives

Karel de Grote Hogeschool
2026
Melisa
Kurti
  • Emile
    De Pooter
Via dit document willen we de verschillende complexe processen achter het verhaal van de verloren creatievelingen onder de aandacht brengen. Eerst en vooral willen we een belangrijke evolutie van dit project verduidelijken die zal helpen de tijdlijn duidelijker te maken.

Aanvankelijk begon dit verhaal als een soloproject van mij, Melisa, waarbij het de bedoeling was dat het verhaal live zou worden uitgevoerd. Maar op advies en steun van mijn leraren besloot ik over te schakelen naar een stop-motion formaat om het artistieke aspect en de vaardigheden die ik tijdens mijn academische jaren had verworven, waardoor ik ze goed kon laten zien, niet te verliezen. Tijdens het productieproces had ik Emile bij me, wat leidde tot de evolutie van het verhaal van de Lost artist naar wat nu het verhaal is van de lost creatives.

oorspronkelijk ging ik ( Emile ) aan een ander project meewerken. Dit is door onzekerheid over mijn mogelijkheid om af te studeren met een buis op project audio-video in twijfel getrokken. eens er besloten was toch mijn bachelorproef dit jaar te doen. Ik was niet meer welkom in mijn groep, wat ervoor zorgde dat ik halverwege het tweede semester er alleen voor stond. Ik was doorheen het jaar op de hoogte van Melisa haar visie op de bachelorproef en vond het een zeer interessant concept grotendeels vanuit mijn eigen levenservaring. Dus heb ik snel de beslissing gemaakt te horen of er nog plaats was voor een extra groepsgenoot die graag zijn mening en visie op het verhaal en onderwerp wilde delen. Hierdoor zijn we een team geworden dat zich volledig wijdt aan het verhaal van de lost creatives. Dat ons nou aan het hart ligt.

Meer lezen

Van abstracte data naar intuïtieve feedback: Het potentieel van Mixed Reality op de Meta Quest voor reanimatietraining binnen de geneeskunde.

HOGENT
2026
Dogukan
Uyanik
Traditionele reanimatietraining voor verpleegkundigen steunt vaak op externe 2D-interfaces voor feedback, wat leidt tot het split-attention effect. De hulpverlener moet hierbij de aandacht verdelen tussen de fysieke handeling op de reanimatiepop en een extern scherm, wat de cognitieve belasting verhoogt en de leercurve belemmert. Deze bachelorproef onderzoekt hoe Mixed Reality (MR) technologie dit proces kan optimaliseren door real-time, intuïtieve feedback direct in het gezichtsveld
van de gebruiker te projecteren. Het doel van dit onderzoek was de ontwikkeling van een Proof of Concept (PoC) op de Meta Quest 3, waarbij sensordata van een reanimatiepop in real-time wordt gevisualiseerd via een Unity-applicatie. Een significante technische barrière in dit proces was de gesloten aard van de beschikbare communicatieprotocollen. Hoewel de fabrikant eigen ecosystemen aanbiedt, ontbreekt een publiek toegankelijke en gedocumenteerde SDK die directe integratie met de Meta Quest 3 en de Unityomgeving mogelijk maakt. Daarnaast vormt de beperkte native ondersteuning voor Bluetooth Low Energy (BLE) binnen de standaard Unity-ontwikkelomgeving voor Android-gebaseerde headsets een extra hindernis.
Om dit probleem te overbruggen, is een diepgaand technisch onderzoek uitgevoerd
naar het communicatieprotocol van de pop. Door middel van reverse engineering
technieken waaronder het decompileren van officiële software en het analyseren van Bluetooth Low Energy (BLE) pakketjes via HCI snoop logs en Wireshark op een gerouteerd Android-toestel zijn de verborgen handshakes en datacharacteristics
ontcijferd. Het resultaat is een werkend prototype dat live sensordata (zoals compressiediepte en frequentie) vertaalt naar ruimtelijke visualisaties, waaronder een ghost avatar en een dynamisch reagerend hartmodel. De voorlopige resultaten van deze PoC tonen aan dat MR in staat is om de kloof tussen haptische ervaring en visuele feedback te dichten. Dit onderzoek legt hiermee de technische fundamenten voor een nieuwe generatie medische simulatietools die verpleegkundigen effectiever kunnen voorbereiden op kritieke levensreddende situaties.
Meer lezen

Onderwijsongelijkheid bespreekbaar maken in de klas: Een verkennend onderzoek naar de inzet van het spel Kansrijk? in de onderwijspraktijk

Thomas More Hogeschool
2026
Lien
Resseler
Het bordspel Kansrijk? helpt toekomstige leerkrachten om onderwijsongelijkheid niet alleen te begrijpen, maar ook écht te voelen. Het onderzoek toont hoe het spel werkt, wat het losmaakt bij studenten en welke extra tools nodig zijn om het spel goed te begeleiden.
Meer lezen

Hoe kunnen geboortezorgteams in materniteiten in Vlaamse ziekenhuizen ondersteund worden om diversiteit bij moslima’s niet enkel als uitdaging, maar als opportuniteit te zien en te benutten tijdens hun begeleiding en zorgverlening op de materniteit?

Hogeschool VIVES
2026
Lize
Vantomme
  • Jasmine
    Planckaert
  • Amélie
    Huygens
  • Kiara
    Zwertvagher
Deze bachelorproef onderzoekt hoe cultuursensitieve zorg kan bijdragen aan een betere geboortezorgervaring voor moslima’s op de materniteit in Vlaanderen. Door de toenemende culturele en religieuze diversiteit worden vroedkundigen vaker geconfronteerd met uiteenlopende verwachtingen rond zwangerschap en bevalling, zoals privacy, bescheidenheid, familiebetrokkenheid en religieuze praktijken.

Het onderzoek vertrekt vanuit de ervaringen van zorgverleners en brengt in kaart welke uitdagingen zij ervaren in de dagelijkse praktijk, zoals taalbarrières, communicatieproblemen en onzekerheid rond het omgaan met religieuze en culturele verschillen. Tegelijk toont de studie aan dat deze diversiteit niet alleen als een moeilijkheid wordt gezien, maar ook als een kans om de zorg te verbeteren en de vertrouwensrelatie met patiënten te versterken.

Daarnaast wordt onderzocht welke ondersteuningsmiddelen momenteel beschikbaar zijn in ziekenhuizen, zoals interculturele bemiddeling en communicatietools, en in welke mate deze effectief worden toegepast. Hieruit blijkt dat er vaak een gebrek is aan structurele richtlijnen en opleiding rond cultuursensitieve geboortezorg.

Op basis van deze bevindingen werd een praktische toolbox ontwikkeld voor geboortezorgteams. Deze bevat onder meer een teamreflectietool, informatiemateriaal over culturele en religieuze aandachtspunten bij moslima’s, communicatiehulpmiddelen en praktische richtlijnen voor de dagelijkse praktijk.

De scriptie besluit dat cultuursensitieve zorg geen extra drempel hoeft te vormen, maar net een meerwaarde kan zijn voor zowel zorgverleners als patiënten, op voorwaarde dat er voldoende ondersteuning en structurele verankering aanwezig is binnen de zorgorganisatie.
Meer lezen

Inclusie in de musicalsector

Hogeschool VIVES
2026
Fran
Van Besauw
Mijn scriptie onderzoekt hoe inclusief en divers de Vlaamse musicalsector vandaag is, zowel voor publiek als voor performers. Via een literatuurstudie en een online survey wordt duidelijk dat musical warm en verbindend aanvoelt, maar dat er nog belangrijke drempels bestaan: beperkte representatie, onvoldoende fysieke toegankelijkheid en weinig publiekswerking naar diverse groepen. Makers erkennen het belang van inclusie, maar botsen op beperkte middelen en expertise. De scriptie besluit dat inclusie een artistieke en maatschappelijke meerwaarde biedt en formuleert aanbevelingen om de sector toegankelijker en toekomstgerichter te maken.
Meer lezen

Crack op de kaart: een onderzoek naar de opmars van crackgebruik in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Universiteit Gent
2025
Sien
Roosens
De media rapporteert steeds vaker over een zogenoemde ‘crackepidemie’ in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarbij crackgebruik wordt voorgesteld als een snel groeiend en onbeheersbaar probleem. Deze berichtgeving roept echter vragen op over de werkelijke omvang van het fenomeen en over de mate waarin dit beeld overeenstemt met de realiteit. Deze masterproef heeft tot doel inzicht te bieden in de percepties van lokale stakeholders met betrekking tot de aard en omvang van crackgebruik in Brussel, evenals in de uitdagingen en oplossingsstrategieën die zij voorstellen.

De centrale onderzoeksvraag die deze studie aanstuurt luidt: In welke mate ervaren stakeholders een crackgerelateerd probleem in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en welke uitdagingen en interventiestrategieën stellen zij voor om dit aan te pakken? Er werd gekozen voor een kwalitatief onderzoeksdesign, bestaande uit een literatuurstudie en semigestructureerde interviews met negen stakeholders, waaronder hulpverleners, politie, gerechtelijke actoren, academici en lokale bewoners.

De resultaten tonen aan dat stakeholders de term ‘crackepidemie’ als overdreven en stigmatiserend beschouwen, hoewel zij wel een toename in zowel zichtbaarheid als gebruik erkennen. Crackgebruik wordt voornamelijk geassocieerd met sociaal-economisch kwetsbare groepen, zoals dakloze personen en mensen zonder wettig verblijf, en wordt gezien als een symptoom van onderliggende problemen zoals armoede, dakloosheid en een gebrek aan toegang tot gezondheidszorg. Hoewel repressie nog steeds de dominante beleidsreactie vormt, beschouwen de meeste respondenten deze aanpak als inefficiënt en schadelijk. In plaats daarvan pleiten zij voor een geïntegreerde benadering, met meer aandacht voor harm reduction (zoals begeleide druggebruikruimtes), verbeterde samenwerking tussen zorgdiensten en politie, en structurele investeringen in huisvesting en sociale ondersteuning.

Deze studie concludeert dat crackgebruik in Brussel niet effectief in isolatie kan worden aangepakt, maar een geïntegreerde respons vereist die onmiddellijke harm-reductioninitiatieven combineert met langetermijnstrategieën gericht op sociale uitsluiting. Zij beveelt aan dat beleidsmakers afstappen van overwegend repressieve strategieën en prioriteit geven aan evidence-based interventies die de onderliggende structurele determinanten van crackgebruik aanpakken.
Meer lezen

Een goed leven binnen planetaire grenzen in genk: focus op Warm Waterschei

Universiteit Hasselt
2025
Jade
Daems
Hoe kan het concept van coöperatieve en collectieve wijkwarmte specifiek worden toegepast in Waterschei, vertrekkende vanuit een milieu- en mensbewuste visie? Vanuit deze centrale vraagstelling vertrekt dit onderzoek.
De gedachtegang van Daniel Christian Wahl, waarbij het stellen van de juiste vragen vóór het handelen centraal staat, vormt de rode draad doorheen dit onderzoek. Volgens deze filosofie wijzen vragen, meer nog dan antwoorden, de weg naar collectieve wijsheid. Daarom worden vraagstellingen van verschillende auteurs gebruikt om elk hoofdstuk in te leiden en fungeren ze als leidraad bij het zoeken naar antwoorden.
Het bewuste gebruik van deze vragen heeft geleid tot diepere reflectie over ontwerpbeslissingen en tot een grondiger onderbouwd onderzoek.
Deze masterthesis is opgedeeld in drie grote delen. Het eerste deel begint met een korte situering om de lezer wegwijs te maken. Hierin worden de probleemstelling, onderzoeksvraag, gehanteerde methodologie, de geschiedenis van de locatie, het station van Waterschei en de relevantie binnen het masterplan toegelicht.

Het tweede deel is de ruggengraat van dit onderzoek en wordt gevormd door de literatuurstudie. Deze bestaat uit een theoretisch en een praktisch denkkader. Het theoretisch denkkader bundelt diverse boeken en wetenschappelijke artikels die het onderzoek onderbouwen. De literatuur wordt besproken in een logische volgorde van een brede visie naar een steeds specifiekere focus. Vertrekkende vanuit het boek The Good Ancestor: How to Think Long-Term in a Short-Term World van Roman Krznaric, wordt een eerste denkkader geschetst rond langetermijndenken en intergenerationele
verantwoordelijkheid. Vervolgens wordt de filosofie van Bruno Latour besproken aan de hand van Waar kunnen we landen. Latour toont aan dat er vandaag een gemeenschappelijke visie ontbreekt en dat menselijke en niet-menselijke actoren onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Hierna wordt dieper ingezoomd op regeneratief denken via Designing Regenerative Cultures van Daniel Christian Wahl. Dit
boek nodigt uit om verder te denken dan duurzaamheid en moedigt aan om de juiste vragen te stellen in plaats van vluchtige antwoorden te zoeken. Het theoretisch denkkader sluit af met het boek Postcapitalist Countrysides – From Commoning to Community Wealth Building dat bestaat uit een verzameling van essays. Hierbinnen wordt de essay Unpacking the energy commons geschreven door Thomas Bauwens and Robert Wade (pagina 327 tot 351) bestudeerd. Deze essay beschrijft specifiek hoe energie als gemeengoed kan beschouwd worden.

Het praktisch denkkader vertrekt vanuit het concept van coöperatieve en collectieve wijkwarmte. Deze worden toegelicht waarna er kenmerken voor coöperatieve en collectieve wijkwarmte worden gedefinieerd. Vervolgens worden verschillende relevante referentieprojecten onderzocht. Deze zijn onderverdeeld in twee categorieën: enerzijds warmtenetten, waarbij warmte netwerken als model worden bekeken, en
anderzijds energiestations, waarbij specifiek naar gebouwen wordt gekeken die functioneren als opslagen distributiesysteem. Beide categorieën worden geanalyseerd op basis van de eerder gedefinieerde kenmerken van coöperatieve wijkwarmte.
Het derde deel omvat de ontwerpstudie, deze vertrekt eveneens vanuit het concept van coöperatieve en collectieve wijkwarmte. Op stedelijke schaal wordt eerst de situatie in Genk onderzocht, waarna de focus verschuift naar de wijk Waterschei. In waterschei wordt een coöperatief en collectief warmtenet ontworpen dat werkt op basis van mijnwater. Het uitgangspunt is de herbestemming van het voormalige station tot
een energiestation met bijhorende botanische tuin. Beide functies worden inhoudelijk onderzocht en er wordt toegelicht hoe ze relevant kunnen zijn voor de gemeenschap.
Vanuit de hoofdfunctie van een energiestation wordt de technische werking uiteengezet, gevolgd door enkele basisberekeningen die nodig zijn om de dimensionering te bepalen, zoals de grootte van het warmteopslagtanks. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een overzicht van de noodzakelijke installaties. Voor de bijhorende botanische tuin wordt de typologie van botanische tuinarchitectuur onderzocht. Daarnaast bevat dit onderdeel een analyse van plantensoorten die bijdragen aan het binnenklimaat en de beleving van de ruimte versterken. Het architecturale ontwerp vertrekt vanuit het idee dat technische elementen integraal deel uitmaken van de beleefde ruimte. Aangezien het programma van een energiestation uitbreiding vraagt wordt het bestaande stationsgebouw als uitgangspunt genomen voor het verdere ontwerp. De herbestemming en uitbreiding van het gebouw worden benaderd vanuit een duurzaam perspectief. Het ontwerp baseert zich op drie samenhangende strategieën: ‘Trias Energetica’, ‘Trias Materia’ en ‘Trias
Aquatica’. Elk van deze strategieën wordt toegelicht wat betreft de betekenis en de doelstelling, waarna wordt verduidelijkt hoe ze concreet zijn toegepast in het ontwerp.

De conclusie bundelt de resultaten van het onderzoek en formuleert een mogelijke oplossing voor de oorspronkelijke onderzoeksvraag.
Meer lezen

Long-term public transport accessibility in Flanders and the Brussels-Capital Region, 2016–2025

KU Leuven
2025
Jonas
Vanhoef
Deze masterscriptie richt zich op de bereikbaarheid met het openbaar vervoer in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tussen 2016 en 2025. De studie maakt gebruik van een gravity-based model om de uitrol van het decreet basisbereikbaarheid van de Vlaamse overheid te evalueren. Dit decreet was erop gericht het openbaar vervoer van een aanbodgestuurd naar een vraaggestuurd model te brengen door middel van een resem aanpassingen aan de dienstregeling. Door de reistijden van en naar middelbare scholen en musea te berekenen kon de lokale en regionale bereikbaarheid afgeleid worden. Aangezien de bereikbaarheid berekend werd voor 2016, 2023, 2024 en 2025 kon het onderzoek de evolutie van de bereikbaarheid volgen over de verschillende fases van implementatie van het nieuwe beleid. Hieruit bleek dat de verbetering tijdens fase 2 in 2024 teniet werd gedaan door scherpe dalingen die samenvielen met fase 3 in 2025. Alles samengenomen was er tussen 2016 en 2025 een negatieve impact op de bereikbaarheid op lokaal niveau. Op regionaal niveau was er eerder een stabilisatie waarneembaar. Verder werd in de scriptie ook onderzocht of er verschillen waren in veranderingen van de bereikbaarheid tussen gebieden met een hoge en lage bevolkingsdichtheid. En tot slot werd er voor twee casestudies gekeken naar de invloed van specifieke wijzigingen in het openbaarvervoersnetwerk, zoals wijzigingen in de busfrequentie, haltelocaties, en reistijden.
Meer lezen

ONOPGEMERKT, TOCH VERMOORD. Een kwantitatief onderzoek naar de implicaties en uitdagingen wanneer de doodsoorzaak wordt vastgesteld door artsen die geen specialist zijn in de gerechtelijke geneeskunde

Vrije Universiteit Brussel
2025
Sofie
Wyloeck
Deze masterproef onderzoekt hoe huisartsen en urgentie-/spoedartsen hun kennisniveau en ondersteuning beoordelen bij het vaststellen van niet-natuurlijke doodsoorzaken. De hoofdonderzoeksvraag: "Hoe beoordelen huisartsen en urgentie-/spoedartsen hun kennisniveau en ondersteuning bij niet-natuurlijke doodsoorzaken en welke factoren dragen bij aan mogelijke tekortkomingen?" wordt in dit onderzoek beantwoord.

Het onderzoek werd uitgevoerd aan de hand van een online vragenlijst met 59 respondenten, verzameld via een convenience sampling. Door de korte onderzoeksperiode voor de dataverzameling en de gebruikte steekproefmethode is de representativiteit van de resultaten beperkt. De volledige onderzoeksperiode besloeg acht maanden.

Uit de resultaten blijkt dat vooral huisartsen hun kennisniveau als onvoldoende beoordelen, terwijl urgentieartsen vaker voldoende kennis rapporteren. Bijscholing wordt vooral door huisartsen als moeilijk toegankelijk ervaren. Beide groepen ervaren belemmeringen zoals tijdsdruk en druk vanuit politie of andere hulpverleners. Ze beschouwen de medische voorgeschiedenis, overleg met collega’s uit hun eigen praktijk of dienst en samenwerking met de politie als belangrijke ondersteuningsmiddelen.
Ondanks het gebruik van Ordomedic, maken artsen zelden gebruik van richtlijnen.

De conclusie is dat artsen behoefte hebben aan betere opleiding en ondersteuning bij het vaststellen van doodsoorzaken. Structurele scholing kan twijfels helpen verminderen. Daarnaast is aandacht nodig voor de samenwerking met politiediensten. Ten slotte verdient de invoering van digitale overlijdensaangifte zorgvuldige begeleiding om fouten en variatie in overlijdensregistratie te voorkomen.
Meer lezen

EVALUATING DISINFECTION STRATEGIES FOR SUSTAINABLE REUSE OF MEDICAL DRUG ADMINISTRATION CUPS: A LIFE CYCLE ASSESSMENT

Universiteit Gent
2025
Camille
Masselis
Deze thesis vergelijkt de milieu-impact van drie alternatieve systemen die de dienst van geneesmiddelentoediening met een niet-kritisch medisch hulpmiddel leveren, met name een plastic geneesmiddelentoedieningsbekertje. Het doel is om de hypothese te toetsen of het vervangen van het huidige wegwerpsysteem in het Universitair Ziekenhuis Gent door een hergebruikssysteem via desinfectie van het bekertje leidt tot een lagere milieu-impact. Voor het herbruikbare systeem worden twee types desinfectie geëvalueerd en vergeleken met het wegwerpsysteem aan de hand van een attributionele milieugerichte Levenscyclusanalyse (LCA). De eerste vorm van desinfectie gebeurt met een gebruiksklare desinfecterende polyesterdoek van Clinell®. De tweede methode betreft geautomatiseerd wassen en desinfecteren in een thermodesinfector van Miele®. Primaire data zijn verzameld in nauwe samenwerking met het Universitair Ziekenhuis Gent en aangevuld met secundaire data, zoals uit de ecoinvent-database. De impacten zijn beoordeeld met behulp van de software SimaPro 9.5.0.1 en de ReCiPe2016 v1.07-methode. In het basisscenario (gemiddeld 270 keer hergebruikt) vertoont het systeem met het herbruikbare bekertje dat wordt gedesinfecteerd in de thermodesinfector de laagste netto-impact op vier van de zeven hotspot-middenindicatoren en op alle drie de eindpuntindicatoren. Daarentegen blijkt het herbruikbare systeem met natte doekjes minder gunstig, voornamelijk omdat het gebruik van wegwerpdoekjes voor herbruikbare bekertjes de milieulast verschuift van het ene product naar het andere. Bovendien worden de doekjes geproduceerd in China, wat extra impact veroorzaakt door transport. Wel kunnen gewijzigde aannames over de productie en de afvalverwerking van de thermodesinfector, evenals het aantal keren hergebruik de voorkeur voor dit systeem verminderen.
Meer lezen

STANDALONE ON-SITE LIGHTING MEA- SUREMENTS FOR INSECT STUDIES

Vrije Universiteit Brussel
2025
Zakaria
El Gharbaoui Ben Mekki
Voortgaande verstedelijking en de wereldwijde overstap naar energiezuinige LED-
verlichting vergroten de blootstelling aan kunstlicht ’s nachts, wat bezorgdheid
wekt over de effecten op gemeenschappen van nachtactieve insecten. De meeste
bestaande veldstudies zijn kort van duur en beperkt in ruimtelijke dekking van-
wege de arbeidsintensieve aard van traditionele bemonstering. Dit proefschrift
pakt deze lacune aan door het ontwerpen, implementeren en valideren van een
goedkope, op camera’s gebaseerde, op afstand werkende monitoringsunit voor
seizoenslange inzet in diverse buitenomgevingen. Het systeem registreert weerpa-
rameters (temperatuur, relatieve vochtigheid), locatie (GPS), verlichtingsparame-
ters (gecorreleerde kleurtemperatuur) en tijdgestempelde beelden van aangetrokken
insecten.
Om classificatiestrategieën te evalueren zonder grootschalige inzet, werd in een
kleinschalige casestudy het gebruik van twee algemene vision–language modellen
getest op zorgvuldig geselecteerde insectenbeelden met gezaghebbende ObsIdentify-
bepalingen. De resultaten positioneren vision–language modellen als effectieve
hulpmiddelen voor voorlopige tagging, triage en kwaliteitscontrole, terwijl geza-
ghebbende labels afkomstig moeten zijn van specialisten of gespecialiseerde soorten-
herkenningsdiensten.
Toekomstig werk dient eerst de minimaal vereiste taxonomische diepte voor ALAN-
impactstudies vast te stellen en vervolgens herkenningstools aan te passen om
aan deze eis te voldoen. Verdere stappen omvatten het uitbreiden van de pij-
plijn naar tellingen en abundantiematen, het ontwikkelen van een robuuste con-
tainergebaseerde implementatie-architectuur, het migreren van de database naar
een beveiligde cloud- of NAS-infrastructuur en het implementeren van sterke
cyberbeveiligingsmaatregelen voor externe units. Deze verbeteringen zullen ge-
standaardiseerde, seizoenslange, multisitecampagnes mogelijk maken die robu-
uste beoordelingen van ALAN-effecten onder door LED gedomineerde lichtom-
standigheden opleveren.
Meer lezen

Ethiek in het tijdperk van AI: een lessenpakket

Hogeschool VIVES
2025
Jitske
Van Steenlandt
In mijn bachelorproef “Ethiek in het tijdperk van AI: een lessenpakket voor de tweede graad godsdienstonderwijs” onderzocht ik hoe jongeren bewust kunnen leren omgaan met de ethische grenzen van artificiële intelligentie. Uit mijn onderzoek bij leerkrachten en leerlingen bleek dat er grote interesse is in AI-ethiek, maar dat er weinig geschikt lesmateriaal bestaat. Daarom ontwikkelde ik een lessenpakket en ontwierp ik het bordspel Tussen Mens en Machine. Met dit spel denken leerlingen op een speelse manier na over morele dilemma’s, zoals: Mag een zelfrijdende auto kiezen wie overleeft? of Is AI altijd eerlijk? Het project wil jongeren leren kritisch omgaan met technologie en hen laten ontdekken dat AI niet enkel slim, maar ook menselijk doordacht moet zijn.
Meer lezen

De generatie'breuk': Een vergelijkend onderzoek naar het strategiegebruik bij het schatten van breuken op een getallenlijn in het zesde leerjaar en vijfde middelbaar

KU Leuven
2025
Ine
Meers
Breuken vormen een fundamenteel onderdeel van het curriculum in het basis- en secundair onderwijs. Toch blijkt uit onderzoek dat mensen meer moeilijkheden ervaren met het begrijpen van de numerieke grootte van breuken, in vergelijking met natuurlijke en decimale getallen. Dit heeft geleid tot verder onderzoek naar hoe leerlingen breuken begrijpen en welke strategieën zij daarbij gebruiken. Zo onderzocht Hofmans (2022) het strategiegebruik bij het schatten van breuken op een getallenlijn van leerlingen uit het zesde leerjaar met verschillende wiskundige competenties. Zij maakte daarbij gebruik van de Number Line Estimation (NLE)-taak, waarbij leerlingen verschillende breuken op een getallenlijn van 0 tot 1 moesten plaatsen. Daarnaast ontwikkelde ze een codeerschema waarmee ze het strategiegebruik systematisch kon coderen en analyseren in relatie tot item- en leerlingkenmerken. In dit driedelig codeerschema werd elke trial eerst globaal beoordeeld als ‘correct’, ‘inaccuraat’ of ‘rest’. Het schatten van de breuk werd vervolgens opgesplitst in drie stappen, namelijk ‘encoderen’, ‘positioneren’ en ‘finaliseren’.
Hoewel Hofmans (2022) aantoonde dat de strategiekeuze en adaptief strategiegebruik samenhingen met de schattingsnauwkeurigheid, beperkte haar studie zich enkel tot leerlingen uit het zesde leerjaar. Hierdoor werd niet duidelijk in hoeverre onderwijsniveau of expertise een invloed uitoefende op het strategiegebruik en de schattingsfouten.
Het huidig onderzoek vergeleek daarom leerlingen uit het zesde leerjaar en vijfde middelbaar. Er werd via een gelijkaardig onderzoeksopzet nagegaan hoe deze onderwijsniveaus verschilden in hun strategiegebruik en adaptiviteit en welk effect dit had op hun schattingsfouten. Hierbij werd er gebruikgemaakt van hetzelfde codeerschema, mits enkele aanpassingen, en de NLE-taak. De nauwkeurigheid van de schattingen van de leerlingen werd berekend door middel van de Percentage of Absolute Error (PAE).
Er werd onderzocht welke strategieën leerlingen hanteerden, hoe accuraat en hoe flexibel deze werden toegepast en in welke mate die samenhingen met leerling- of itemkenmerken. Er werd gekeken naar de algemene schattingsfout bij het positioneren van breuken op een getallenlijn en naar de verschillen in strategiegebruik en nauwkeurigheid tussen leerlingen uit verschillende onderwijsniveaus. Daarnaast werd onderzocht of er verschillen optraden in de nauwkeurigheid van de schattingen op leerling- en itemniveau. Ook de relatie tussen de strategiediversiteit van een leerling en diens onderwijsniveau werd geanalyseerd in relatie tot de schattingsnauwkeurigheid. Tot slot werd nagegaan of bepaalde itemkenmerken specifieke strategieën uitlokten en of dit leidde tot een grotere nauwkeurigheid in de schatting. Zo werd het adaptief strategiegebruik van leerlingen uit verschillende onderwijsniveaus in kaart gebracht worden.
Samenvattend toonden de resultaten aan dat zowel het onderwijsniveau als het strategiegebruik een rol spelen bij het accuraat schatten van breuken op een getallenlijn. Leerlingen uit het vijfde middelbaar schatten over het algemeen nauwkeuriger dan leerlingen uit het zesde leerjaar. Dit verschil leek eerder samen te hangen met het strategiegebruik binnen de stap ‘positioneren’ dan met ‘encoderen’ of ‘finaliseren’. Daarnaast bleek dat itemkenmerken, zoals de noemergrootte en de ligging ten opzichte van referentiepunten, het strategiegebruik en de schattingsnauwkeurigheid sterk beïnvloedden.
Meer lezen

Min of Meer Chambres d'Amis

Universiteit Gent
2025
Luca-Ray
Rogiers
  • Beth
    Lason
  • Angela
    De Roover
Een tentoonstelling is per definitie tijdelijk: kunstwerken worden
in een specifieke ruimte en gedurende een afgebakende periode
samengebracht. Na afloop blijven slechts sporen over - documentatie,
herinneringen, fysieke restanten - maar niet de tentoonstelling zelf als
geheel. Eenmaal voorbij, wordt het daarom vrijwel onmogelijk om haar
te herhalen. Toch zijn tentoonstellingen regelmatig het onderwerp van
retrospectie. Vaak wordt bij het terugblikken zo dicht mogelijk bij het
origineel gebleven, een poging om de oorspronkelijke ervaring opnieuw
vast te leggen. Dit roept onvermijdelijk een spanning op: tussen het
origineel en de reconstructie, tussen objectief feit en subjectieve
herinnering. Maar is het mogelijk om een tentoonstelling opnieuw te
vatten?

Deze masterproef onderzoekt de uitdagingen van de retrospectieve
aan de hand van Chambres d’Amis. Deze tentoonstelling bracht in
1986 kunst buiten de muren van het museum. 51 Kunstenaars werden
door Jan Hoet uitgenodigd om hun werk te tonen op 57 locaties in
Gent, voornamelijk privéwoningen. Drie maanden lang openden
bewoners hun deuren en veranderden hun leefruimtes tijdelijk in
tentoonstellingsruimtes. De kunst ging zo een directe dialoog aan met
de alledaagsheid van de architectuur. In 2026 viert Chambres d’Amis
haar veertigste verjaardag, waarbij sprake is van een retrospectieve. Het
concept van de oorspronkelijke tentoonstelling maakt het herinneren
echter heel lastig: veel werken zijn verdwenen, sommige huizen zijn
grondig verbouwd en meerdere bewoners zijn verhuisd. Bovendien
waren veel van de werken onlosmakelijk verbonden met de architectuur
waarin ze ontstonden.

Deze masterproef vertrekt vanuit het besef dat een retrospectieve
altijd gepaard gaat met een gevoel van verlies. Een exacte herhaling is
onmogelijk en resulteert onvermijdelijk in een vereenvoudiging. Het is
net in de erkenning van die complexiteit dat aan betekenis kan worden
gewonnen. Verlies hoeft niet noodzakelijk als verlies te worden ervaren;
wat ontbreekt is in zijn afwezigheid veelzeggend.

Vanuit die gedachte onderzoekt deze masterproef de mogelijkheden
voor een retrospectieve voor Chambres d’Amis. Om tot
tentoonstellingsvoorstellen te komen worden er drie posities ingenomen:
de onderzoeker, de ontwerper en de tentoonstellingsmaker. Deze
posities verwijzen respectievelijk naar de figuur die het archiefmateriaal
verzamelt, de figuur die de ruimtelijke drager vormgeeft, en de figuur
die daarmee de uiteindelijke tentoonstelling maakt. Dit resulteert in
drie voorstellen voor een retrospectieve, elk met een eigen positie ten
opzichte van het origineel. De tentoonstellingen werken verkennend, en
zijn elk op hun eigen manier Min of Meer Chambres d’Amis.
Meer lezen

[de leegte in het landschap en het gecureerd verval.]

Universiteit Hasselt
2025
Thomas
Cuyt
We leven in een wereld vol met dingen die zijn achtergelaten door degenen die vóór ons kwamen, maar we pikken een aantal van deze dingen eruit voor onze aandacht en zorg. We vragen bepaalde gebouwen, objecten en landschappen om te functioneren als
geheugensteuntjes, om het verleden te herinneren dat hen heeft voortgebracht, en om dit verleden beschikbaar te maken voor onze overpeinzing en zorg. Die geheugensteuntjes, of junk-space zoals Rem Koolhaas (Koolhaas & Foster, 2013) het omschrijft, is het residu dat de mensheid op deze planeet achterlaat. Het product van modernisme is niet moderne architectuur, maar junkspace, ruimteafval of gecureerd verval.
Hoe kan er worden omgegaan met dat verval wat bij wegnemen leidt tot littekens in het landschap en hoe kan deze leegte opnieuw een plaats krijgen?

In het samengaan van leegte en verval ontstaat een dialoog. Het landschap, datgene wat ooit de achtergrond was van menselijke activiteit, neemt langzaam zijn plek terug. Gras groeit door scheuren in het asfalt, klimop verslindt de bakstenen huid van verlaten panden. Wat ooit strak en gecontroleerd was, wordt nu een canvas voor de natuur, voor de tijd. De architectuur vertelt verhalen van tijd en vergankelijkheid, laat los wat het vasthield. De perfecte symmetrie van muren wordt vervangen door grillige lijnen en onvolmaakte vormen. De leegte in het landschap benadrukt dit proces; het biedt een podium zonder afleiding. In de leegte die hierdoor ontstaat, openbaart zich een nieuwe ruimte: een plek waar natuur en herinnering zich verstrengelen. Het is juist door het ontpitten en cureren van gebouwen in verval, of structuren die hun functie verloren, dat leegte ontstaat. Deze leegte, als een litteken in het landschap, kan uitgroeien tot een schakel. Een fluïde zone waar natuurlijke en menselijke processen elkaar ontmoeten. De grens tussen het kunstmatige en het natuurlijke vervaagt, verschuift, en wordt geen harde lijn meer, maar een overgangsgebied, een ademende ruimte die verbindt in plaats van scheidt.
Het is juist deze “junkspace”, zoals Koolhaas (Koolhaas & Foster, 2013) het noemt, of het “gecureerd verval” waar Caitlin DeSilvey (DeSilvey, 2017) over schrijft, die kan worden ingezet als verbinder. Een transitiegebied dat een dubbel doel dient: zowel als collectieve ruimte voor een omliggende woonwijk, als schakel tussen natuur en woonomgeving. Hier ontstaat geen nieuwe scheiding, maar een netwerk waarin de grenzen vervagen en een nieuwe harmonie kan groeien.
Meer lezen

Hope for basic hygiene in Uganda: Developing a participatory hygiene education package for vulnerable children in Uganda

Hogeschool UCLL
2025
Lieselotte
Ingels
Deze bachelorscriptie onderzoekt hoe goedkope, participatieve en visuele hygiënevoorlichting de basishygiënepraktijken onder kwetsbare kinderen in Oeganda kan verbeteren. Het onderzoek werd uitgevoerd tijdens een stage van zes maanden bij Uganda Hands for Hope (UHfH) in de sloppenwijk Namuwongo in Kampala, en door middel van vergelijkend veldwerk in het landelijke district Kamuli. De centrale onderzoeksvraag was: “Hoe kunnen goedkope, participatieve en educatieve hygiëne-interventies de hygiënepraktijken onder kwetsbare kinderen en adolescenten in Oeganda verbeteren?” Met behulp van kwalitatieve methoden zoals participerende observatie, diepte-interviews en focusgroepen, bracht het onderzoek belangrijke hiaten in het hygiënebewustzijn en de hygiënepraktijken aan het licht, ondanks de beschikbaarheid van waterinfrastructuur. Er werd een kindvriendelijk hygiënevoorlichtingspakket ontwikkeld en getest, met visuele hulpmiddelen zoals stickers, posters en boekjes met pictogrammen. Uit de resultaten bleek dat interactief, visueel materiaal de betrokkenheid van kinderen aanzienlijk vergrootte en hun hygiëneroutines verbeterde. Leraren en verzorgers meldden ook positieve gedragsveranderingen bij kinderen. De studie concludeert dat effectieve hygiënevoorlichting moet worden geïntegreerd in het dagelijks leven en zo moet worden ontworpen dat deze toegankelijk, betaalbaar en lokaal relevant is. Visuele en participatieve methoden bieden een krachtige manier om hygiënearmoede in informele nederzettingen en plattelandsgemeenschappen aan te pakken.
Meer lezen

De ontwikkeling van zelfbesef in een creatieve omgeving tijdens de prehistorie: De Venus van Dolní Věstonice bekeken vanuit een material engagement perspectief

Vrije Universiteit Brussel
2025
Anna
Neyens
Deze thesis onderzoekt hoe de Material Engagement Theory (MET) zoals ontwikkeld door L. Malafouris, een vernieuwend perspectief kan bieden op de ontwikkeling van het zelf door de analyse van de prehistorische figurines uit Dolní Věstonice, in het bijzonder de zogenaamde Venus I. In tegenstelling tot traditionele, representatie-gebaseerde
interpretaties, die vaak gekenmerkt worden door androcentrisme en een teleologische lezing van symboliek, wordt in dit onderzoek de figurine benaderd als resultaat van een dynamisch interactieproces tussen maker en materiaal. Door toepassing van de MET in combinatie met de chaîne opératoire benadering, wordt niet alleen het fabricatieproces onderzocht, maar ook de cognitieve implicaties die daaruit voortvloeien. Centraal daarbij staat de vraag hoe het fabricatieproces van deze objecten bijdraagt aan de ontwikkeling van zelfbewustzijn en persoonlijke identiteit in de prehistorie. De cognitieve archeologie houdt zich bezig met de evolutie van het menselijk denken. Vaak is
deze discipline, net zoals ander takken van de archeologie, lange tijd beïnvloed geweest door een dualistisch wereldbeeld waarin geest en lichaam als gescheiden entiteiten werden gezien. Malafouris stelt in zijn MET dat cognitie niet beperkt is tot de hersenen, maar zich uitstrekt over het hele lichaam en materiële omgeving. Volgens deze theorie ontstaat agency en betekenis in interactie tussen materiaal en maker, in plaats van in een mentale, vooraf bepaalde sfeer. Dit biedt een krachtig alternatief voor de meer statische, representatiegerichte interpretaties van prehistorische artefacten.
Om deze theorie toe te passen op een concreet voorbeeld, is gekozen voor de Venusfigurine van Dolní Věstonice. Deze figurine behoort tot de iconische categorie van Venusfigurines, die vaak gepresenteerd worden als symbool of godin van vrouwelijkheid, vruchtbaarheid of moederschap. Deze interpretaties gaan vaak voorbij aan het productieproces, aan de volledige assemblage van figurines op de site en aan de context waarin ze vervaardigd zijn. Door het representatieparadigma te verlaten, wordt ruimte gecreëerd voor een alternatieve benadering waarin niet de betekenis van het object centraal staat, maar het proces dat tot de creatie heeft geleid en de cognitieve implicaties die daarin besloten liggen.
De chaîne opératoire benadering biedt een methode om het fabricatieproces van objecten te reconstrueren. Wanneer deze benadering gecombineerd wordt met de MET, ontstaat een analytische lens die net alleen zicht biedt op de technische handelingen, maar ook op de cognitieve structuren die zich via die handelingen ontwikkelen. De analyse van Venus I toont aan dat er geen sprake is van een mental template die simpelweg werd uitgevoerd. In plaats daarvan ontwikkelde de figurine zich in samenspel tussen hand, klei, ervaring en omgeving. Dit wordt beargumenteerd door de aanwezigheid van veel creativiteit en experimenteel gedrag met de löss pasta, zichtbaar in het assemblage. Dit impliceert dat het proces zelf vormend was voor het denken en het zelfbewustzijn van de maker. Vanuit dit perspectief kan het maakproces beschouwd worden als een vorm van creative thinging, waarbij cognitie en materiaal onlosmakelijk verbonden zijn. Tijdens deze handeling ontstaat betekenis niet vooraf, maar in de interactie zelf. Het is juist deze materiële interactie die fundamenteel bijdraagt aan de ontwikkeling van het zelf: door met en door het materiaal te denken, vormt de maker niet alleen een object, maar ook een evoluerend besef van zichzelf.
Tegelijkertijd wordt de materiële wereld uitgebreid met nieuwe vormen en artefacten, die op hun beurt weer nieuwe mogelijkheden creëren en verdere creatieve exploratie.
Deze dynamiek is niet lineair, maar voortdurend en wederkerig: elke creatie opent nieuwe wegen voor nieuwe creaties, zowel op cognitief als materieel vlak. Dit beschrijft Malafouris door het acroniem STRANGE: Situated, TRANsactional, GEnesis. De vorming van het zelf door creative thinging is een voortdurend proces (genesis) waarbij maker en object samen gevormd worden (transactional) in de geleefde tijd en ruimte (situated). Het zelf ontwikkelt zich hier door materiële interactie. Tijdens het maken van de figurine Venus I, ontwikkelt de maker niet alleen een object, maar vormt hij of zij tegelijkertijd een ontwikkelend besef van zichzelf.
Dit proces van zelfvorming is nauw verbonden met wat Malafouris beschrijft als de overgang van noëtisch naar autonoëtisch bewustzijn. Waar het eerste verwijst naar het basisbewustzijn van objecten en handelingen, wijst het tweede op het vermogen om na te denken over het zelf in tijd en ruimte, het is een narratief zelfbewustzijn. De figurines tonen aan dat dit niveau van zelfbewustzijn zich reeds in de prehistorie begon te vormen, niet als abstract fenomeen, maar als materieel verankerd creatief proces. De figurine van Dolní Věstonice kan in dit licht geïnterpreteerd worden als een teken van het zelf: het is een artefact dat bijdraagt aan de vorming van het bewustzijn. Het behoort tot de zogenaamde self-semiotic artifacts.
Deze alternatieve benadering heeft belangrijke implicaties voor de interpretatie van
Venusfigurines in het algemeen. Door de focus te verleggen van vorm en symbool naar proces en interactie, worden oude denkkaders doorbroken. Het representatie-discours, dat vaak gepaard gaat met androcentrische interpretaties, verliest zijn vanzelfsprekendheid. In plaats van te vragen wat de figurine voorstelt, wordt de focus verlegd naar wat het productieproces betekent voor de cognitie van degene die dit maakte. Dit vormt een fundamenteel verschillende vorm van kijken, die ook een meer genderarcheologische en contextuele benadering mogelijk maakt. Bovendien biedt deze studie een opening naar nieuwe manieren van interdisciplinair onderzoek.
De parallellen tussen het prehistorisch maakproces en ambachten doorheen de tijd of
hedendaagse artistieke praktijken, zoals het onderzoek van kunstenaar en cognitief archeoloog Paul March, suggereren dat deze manier van denken niet enkel archeologisch relevant is, maar ook toepasbaar op hedendaagse mens-materiaal-relaties. Creatie in vervormbare pasta, zoals klei, kan doorheen de tijd een constante bron van zelfontwikkeling zijn. Ook de notie van klei als oerstof in scheppingsmythen over de hele wereld bevestigt dit verband tussen materiaal en mens.
Hoewel de MET veel theoretisch potentieel biedt, blijft de concrete toepassing ervan in
archeologische casussen schaars. Deze studie pleit ervoor om de MET niet alleen te blijven ontwikkelen als filosofisch model, maar ook als praktisch onderzoeksinstrument. De combinatie met de chaîne opératoire is hierin een veelbelovende richting: ze maakt het mogelijk om handeling, ervaring en cognitie te traceren via materiële sporen.
Meer lezen

Verificatie van de CINtec PLUS Cytologietest (Roche): een dubbele kleuringstechnologie voor epitheelcellen uit uitstrijkjes van de baarmoederhals in de context van de diagnose van baarmoederhalskanker.

Erasmushogeschool Brussel
2025
Solenn
Bosmans
De scriptie behandelt de CINtec PLUS Cytologietest (Roche), een diagnostische test voor het opsporen van cellen in baarmoederhalsuitstrijkjes met een verhoogd risico op kanker. De test detecteert de co-expressie van de biomarkers p16 en Ki‑67, die informatie geven over ongecontroleerde celgroei. Tijdens de implementatie bij het Institut de Pathologie et de Génétique (IPG) werd de test uitgebreid geverifieerd op juistheid, herhaalbaarheid, reproduceerbaarheid en robuustheid om de betrouwbaarheid te bevestigen. Het doel van de test is het aantal vals-positieve resultaten te verminderen, zodat onnodige vervolgonderzoeken en stress bij vrouwen beperkt worden.
Meer lezen

Vergeten kennis: wat zeventiende- en achttiende eeuwse medicinale recepten onthullen over de impact van botanica op de geneeskunde in de Zuidelijke Nederlanden.

Universiteit Gent
2025
Lien
Vandenbroucke
In mijn scriptie ben ik via een vergelijkende analyse van zeventiende- en achttiende-eeuwse medicinale recepten en hun ingrediënten, gefocust op medicinale planten, nagegaan welke impact de globalisering van botanica had op de geneeskunde in de Zuidelijke Nederlanden. De scriptie is opgedeeld in twee grote delen.

In het eerste deel bespreek ik de bestaande literatuur of historiografie en schets ik aan de hand van een literatuurstudie de zeventiende- en achttiende eeuwse situatie in Italië, de Noordelijke Nederlanden en de Atlantische Wereld. Vervolgens heb ik een eigen studie gedaan van huishoudboeken en archiefstukken uit familiearchieven om zo te achterhalen welke nieuwe plantensoorten, medicinale recepten en aandoeningen zijn toegevoegd of verdwenen; Hierbinnen heb ik ook aandacht voor de dierlijke en minerale ingrediënten die voorkwamen in recepten om op die manier ook de impact van chemische geneeskunde te kunnen schetsen. Vervolgens onderzocht ik de oorzaken die aan de basis lagen van deze veranderingen. Ik heb me hierbij afgevraagd welke trends en individuen een impact hadden op de evolutie binnen medicinale recepten, hoe nieuwe kennis werd verspreid en in welke mate apothekers en medicinale instituties hier verantwoordelijk voor waren.

Om af te sluiten maakte ik een vergelijkende analyse tussen de situatie in de Zuidelijke Nederlanden en de regio's die voorkwamen in de literatuurstudie (Italië, de Noordelijke Nederlanden en de Atlantische Wereld). Op deze manier kon ik bijdragen aan de debatten omtrent de impact die de val van Antwerpen al dan niet had op het intellectuele leven in de Zuidelijke Nederlanden alsook mijn casus terugplaatsen in zijn bredere context.

Meer lezen

DEVELOPMENT OF A MULTI-SENSOR MODULAR ELECTRONIC STETHOSCOPE

Vrije Universiteit Brussel
2025
Veronika
Schatz
De Open-Source Multi-Sensor Modulaire Elektronische Stethoscoop (OMES) is een elektronische stethoscoop, die jij heel gemakkelijk kunt gebruiken als een modulaire upgrade voor een analoge stethoscoop of als zelfstandig apparaat. Alle bestanden die nodig zijn om OMES te bouwen, zijn gratis en open-source beschikbaar. Jij kunt OMES dus op eenvoudige wijze zelf assembleren. Hier leest jij hoe dat werkt en wat OMES zo uniek maakt.
Meer lezen

Ontwerp en regeling van een hoppende robot met serieel gekoppelde actuatoren

Universiteit Gent
2025
Eline
De Groote
Humanoïde robots moeten in staat zijn om te navigeren op complex, ongestructureerd terrein, wat actuatoren vereist met een hoge koppeldichtheid en een sterke schokbestendigheid, evenals robuuste besturingsstrategieën voor stabiele voortbeweging.

Dit werk presenteert het ontwerp en de besturing van een hopper dat een humanoïde-been nabootst, met behulp van nieuw ontwikkelde serieel gekoppelde actuatoren. Het doel is om een onderbestuurd 3-DOF-been te creëren met verbeterde impactresistentie en springprestaties in vergelijking met state-of-the-art systemen.

Het resulterende been van 13,62 kg en 0,9 m integreert op maat gemaakte transmissie- en sensorsystemen. Er wordt een driefasige besturingsstrategie gebruikt: PD-besturing tijdens de vlucht, impedantiebesturing tijdens het bufferen en energy shaping tijdens het opstijgen.

Simulatie en experimentele validatie tonen aan dat lineaire railwrijving een aanzienlijke invloed heeft op de prestaties. Een experiment om de wrijving te schatten leverde een dimensieloze springhoogte van 1,28 op. Opvallend is dat het been een dimensieloze stijfheid van 14,25 bereikte onder impedantiebesturing, wat wijst op een verbeterde schokbestendigheid.
Meer lezen

Public Awareness of Media Accessibility: A Study on Knowledge and Perception

Universiteit Antwerpen
2025
Jara
Van Den Berge
In mijn scriptie onderzocht ik hoe bewust de Belgische bevolking is van mediatoegankelijkheid, zoals ondertiteling of audiodescriptie, die ervoor zorgen dat iedereen media kan begrijpen en beleven. Aan de hand van een enquête met 140 deelnemers analyseerde ik vier vormen van bewustzijn: algemeen, cognitief, perceptueel en cultureel.

De resultaten tonen dat veel mensen de term wel kennen, maar niet goed weten wat het inhoudt. Slechts weinigen beseffen dat functies zoals ondertiteling ook onder mediatoegankelijkheid vallen. De meeste koppelen het vooral aan mensen met een beperking.

Met mijn onderzoek wil ik de kloof tussen beleid en publieke kennis verkleinen en aantonen dat mediatoegankelijkheid een fundamenteel mensenrecht is.
Meer lezen

Rubens' portretkunst als spiegel voor zijn interesse in fysiognomie

Universiteit Gent
2025
Mariette
Van Gysegem
Mijn onderzoek bekijkt de portretpraktijk van Peter Paul Rubens vanuit een fysiognomische lens. Vooraleer dit denkkader kan toegepast worden op zijn oeuvre, wordt Rubens' fascinatie voor fysiognomie in zijn culturele context bekeken. Het vertrekt vanuit de oorsprong en ontwikkeling van het gedachtegoed om zo het belang in de leefwereld van Rubens te contextualiseren. Vervolgens onderzoekt het de connectie tussen fysiognomie en de vroegmoderne kunstpraktijk. Hierna wordt ingezoomd op Rubens' aantoonbare interesse in het onderwerp als vereiste voor het gebruik van een fysiognomische lens.

Daarna wordt het fysiognomisch denkkader toegepast op case-studies binnen zijn oeuvre. Hierbij richt de beeldanalyse zich op vorm, kleur en textuur, aangezien bestaand onderzoek vaak enkel naar vorm keek. Voor de karaktertypologie werden primaire zeventiende-eeuwse fysiognomische traktaten bestudeerd en zo de typerende elementen van verschillende karaktertypes geïdentificeerd om ze toe te passen op de case-studies. De afbakening tot portretkunst is een logisch gevolg van het gezicht als primaire plek voor de fysiognomische lezing. Binnen zijn portretten wordt gefocust op familieportretten en kopieën naar oude meesters aangezien hij bij deze genres het meeste vrijheid had om te experimenteren.

Voor deze analyse werd een methodologie ontwikkeld die vertrekt vanuit het uitgangspunt van de fysiognomie, waarbij het uiterlijk en het innerlijk van een persoon onlosmakelijk verbonden zijn. Het onderzoek bekijkt deze connectie in twee richtingen. Ten eerste worden familieportretten geanalyseerd om te onderzoeken in hoeverre het innerlijk iets zegt over het uiterlijk, met het sanguinische temperament als uitgangspunt, omdat dit karaktertype als positief en zeldzaam werd beschouwd en Rubens vermoedelijk warme genegenheid voor zijn familieleden voelde. Ten tweede worden zijn kopieën naar oude meesters bestudeerd om de omgekeerde richting te ondervragen. Het uitgangspunt is de beeldanalyse van visuele aanpassingen die Rubens doorvoert in zijn kopie ten opzichte van het origineel. Vervolgens wordt gekeken of deze aansluiten bij de representatie van een specifiek innerlijk karakter.

De analyse toont hoe Rubens systematisch ronde vormen, roodheid en glanzende huidaccenten gebruikte, kenmerken die overeenstemmen met het sanguinische temperament, dat in zijn tijd overwegend positief gewaardeerd werd. Hierdoor creëerde Rubens een fysiognomisch ideaaltype dat functioneerde binnen de beeldcommunicatie met zijn publiek. Dit onderzoek vult een lacune in de bestaande literatuur, die vaak enkel de passies en niet de fysiognomie in Rubens’ werk behandelde. Bovendien wordt dit gedachtegoed nooit bekeken zij-aan-zij met het effectieve kunstwerk, hoewel deze combinatie cruciaal is. Het besluit dat Rubens’ intellectuele fascinatie voor fysiognomie niet enkel een persoonlijke interesse was, maar een diep ingebed cultureel referentiekader dat zijn portretkunst beïnvloedde.

Deze studie opent de weg om Rubens’ intellectuele interesses concreet te verbinden met zijn oeuvre en suggereert verdere uitbreiding via technische beeldanalyses zoals kleuranalyse en reflectografie. Daarnaast vormt ze een vertrekpunt om ook andere categorieën binnen zijn portretkunst, zoals de keizerportretten, door een fysiognomische lens te bestuderen. Verdere analyses kunnen nagaan hoe andere temperamenten werden verbeeld en in welke mate Rubens’ leerlingen en tijdgenoten dit gedachtegoed overnamen of er eigen invullingen aan gaven.
Meer lezen