Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Crack op de kaart: een onderzoek naar de opmars van crackgebruik in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Universiteit Gent
2025
Sien
Roosens
De media rapporteert steeds vaker over een zogenoemde ‘crackepidemie’ in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarbij crackgebruik wordt voorgesteld als een snel groeiend en onbeheersbaar probleem. Deze berichtgeving roept echter vragen op over de werkelijke omvang van het fenomeen en over de mate waarin dit beeld overeenstemt met de realiteit. Deze masterproef heeft tot doel inzicht te bieden in de percepties van lokale stakeholders met betrekking tot de aard en omvang van crackgebruik in Brussel, evenals in de uitdagingen en oplossingsstrategieën die zij voorstellen.

De centrale onderzoeksvraag die deze studie aanstuurt luidt: In welke mate ervaren stakeholders een crackgerelateerd probleem in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en welke uitdagingen en interventiestrategieën stellen zij voor om dit aan te pakken? Er werd gekozen voor een kwalitatief onderzoeksdesign, bestaande uit een literatuurstudie en semigestructureerde interviews met negen stakeholders, waaronder hulpverleners, politie, gerechtelijke actoren, academici en lokale bewoners.

De resultaten tonen aan dat stakeholders de term ‘crackepidemie’ als overdreven en stigmatiserend beschouwen, hoewel zij wel een toename in zowel zichtbaarheid als gebruik erkennen. Crackgebruik wordt voornamelijk geassocieerd met sociaal-economisch kwetsbare groepen, zoals dakloze personen en mensen zonder wettig verblijf, en wordt gezien als een symptoom van onderliggende problemen zoals armoede, dakloosheid en een gebrek aan toegang tot gezondheidszorg. Hoewel repressie nog steeds de dominante beleidsreactie vormt, beschouwen de meeste respondenten deze aanpak als inefficiënt en schadelijk. In plaats daarvan pleiten zij voor een geïntegreerde benadering, met meer aandacht voor harm reduction (zoals begeleide druggebruikruimtes), verbeterde samenwerking tussen zorgdiensten en politie, en structurele investeringen in huisvesting en sociale ondersteuning.

Deze studie concludeert dat crackgebruik in Brussel niet effectief in isolatie kan worden aangepakt, maar een geïntegreerde respons vereist die onmiddellijke harm-reductioninitiatieven combineert met langetermijnstrategieën gericht op sociale uitsluiting. Zij beveelt aan dat beleidsmakers afstappen van overwegend repressieve strategieën en prioriteit geven aan evidence-based interventies die de onderliggende structurele determinanten van crackgebruik aanpakken.
Meer lezen

Politieke in(kt)vloed: Een vergelijkende visuele analyse van politieke cartoons uit De Roode Vaan, De Schelde, Volk en Staat, en De Standaard (1929-1945)

KU Leuven
2025
Pauline
Stofferis
Een vergelijkende visuele analyse van politieke cartoons uit het communistische blad De Roode Vaan, het Vlaams-nationalistische dagblad De Schelde en zijn opvolger Volk
en Staat, en de centrumrechtse krant De Standaard van 1929 tot 1945.
Meer lezen

Framinganalyse van de zij-instromer in de Vlaamse pers tussen januari 2022 en juli 2025

KU Leuven
2025
Charlotte
Wright
In dit onderzoek werd nagegaan welke frames de Vlaamse kranten De Morgen, De Standaard, De Tijd, Het Laatste Nieuws, Het Nieuwsblad en het magazine Knack hanteren in hun berichtgeving over de zij-instromer tussen januari 2022 en juli 2025. Hiervoor werd een kwalitatieve, inductieve framinganalyse uitgevoerd. Naast deze centrale onderzoeksvraag werden ook twee deelvragen onderzocht. De eerste deelvraag richtte zich op mogelijke verschillen in de gebruikte frames tussen de
verschillende jaren binnen de onderzoeksperiode. De tweede deelvraag ging na hoe de frames verschillen tussen de kwaliteitsmedia (De Morgen, De Standaard, De Tijd en Knack) en de populaire media (Het Laatste Nieuws en Het Nieuwsblad).

Uit het onderzoek kwamen vier frames naar voren die het beeld van de zij-instromer in de Vlaamse pers tussen 2022 en midden 2025 vormgeven: ‘de uitvaller’, ‘de extra belasting’, ‘de meerwaarde’ en ‘de betekeniszoeker’. De eerste twee frames schetsen een eerder negatief beeld van de zij-instromer, terwijl de laatste twee frames juist een positief beeld uitdragen. Alle vier de frames kwamen terug in elk van de onderzochte jaren en waren aanwezig in zowel de kwaliteitsmedia als de populaire media.
Meer lezen

Detentie op tafel leggen tussen ouder en kind

Erasmushogeschool Brussel
2025
Tine
Janssen
Genomineerde shortlist Vlaamse Scriptieprijs
Deze bachelorproef onderzoekt hoe familiebegeleiders bij detentie thuisouders en ouders in detentie kunnen ondersteunen in het bespreekbaar maken van detentie bij hun kinderen. Dit onderwerp is verbonden met mijn stage bij CAW Oost-Brabant – Familiebegeleiding bij detentie, waar ik van september 2024 tot mei 2025 stage liep binnen de opleiding sociaal werk. Ik bevroeg gezinnen met jonge kinderen waarvan de vader in Leuven Hulp of in Leuven Centraal verbleef. Daarnaast ligt het onderwerp nauw aan mijn hart, omdat ik zelf een papa in detentie heb. Ik wil graag de openheid die in mijn gezin aanwezig is om over het onderwerp te spreken, inzetten om andere gezinnen te ondersteunen. Met de data uit het onderzoek en onze ervaringsdeskundigheid, zijn mijn mama, zus en ik opzoek gegaan naar een tool die open gesprekken en verbinding tussen ouder en kind mogelijk maakt in de bezoekzaal. Deze wens heeft vorm gekregen in placemats die detentie op tafel leggen.
Meer lezen

Hoe framen Europese populistisch radicaal-rechtse partijen het Israëlisch-Palestijns conflict na 7 Oktober?

Universiteit Gent
2025
Sien
Daeninck
Populistisch radicaal-rechtse partijen zoals Vlaams Belang (VB) en het Franse Rassemblement National (RN) gebruiken het Israëlisch-Palestijns conflict om hun kernboodschappen over migratie, veiligheid en islamitisch extremisme te versterken. Beide partijen kaderen het conflict als een bedreiging die door migratie naar Europa wordt overgebracht en sluiten zo aan bij de ideologische pijlers: nativisme, autoritarisme en populisme. Toch verschillen ze in hun benadering: RN kiest nadrukkelijk de kant van Israël, terwijl VB een neutralere, pragmatische houding aanneemt. Die verschillen tonen aan dat radicaal-rechts geen homogene groep is, maar hun discours aanpast aan nationale en geopolitieke contexten.
Meer lezen

Game of Tones A longitudinal analysis of media tone towards political parties in Flemish newspapers (2004-2024)

Universiteit Antwerpen
2025
Janne
Verschraegen
Hoe politieke partijen in de media worden voorgesteld, beïnvloedt hoe burgers hen waarnemen, beoordelen en uiteindelijk ook stemmen. Evaluatieve toon functioneert daarbij als een belangrijke interpretatieve shortcut. Deze studie onderzoekt hoe de toon van nieuwsberichtgeving over Vlaamse politieke partijen geëvolueerd is tussen 2004 en 2024, en in welke mate er structurele verschillen bestaan tussen partijen en tussen kranten.

Met behulp van een RoBERTa-taalmodel wordt op zinsniveau het sentiment gemeten in meer dan 275.000 artikels uit zeven Vlaamse kranten. De analyse toont dat negatieve berichtgeving structureel overheerst, maar dat deze geleidelijk is afgenomen over de tijd. Tegelijkertijd worden systematische verschillen vastgesteld tussen partijen en tussen kranten. Vlaams Belang en N-VA worden over de hele periode het meest negatief voorgesteld, terwijl Groen vaker voorkomt in positieve contexten. Kwaliteitskranten zoals De Morgen, De Standaard en De Tijd zijn in het algemeen kritischer dan populaire kranten zoals Het Laatste Nieuws, Het Nieuwsblad, Gazet van Antwerpen en Het Belang van Limburg. Opvallend is dat die kwaliteitskranten relatief minder negatief zijn over Vlaams Belang dan de populaire kranten.

Hoewel alle partijen een lichte afname in negativiteit vertonen, daalt het negatieve sentiment tegenover Vlaams Belang het sterkst, wat mogelijk wijst op een proces van normalisering. PVDA vormt hierop een uitzondering: de partij is de enige waarvoor het negatieve sentiment (licht) toeneemt over de tijd. Beperkingen van het onderzoek liggen in het feit dat het model niet gefinetuned werd op de Vlaamse politieke context, en dat de analyse geen objectieve maatstaf hanteert voor bias, maar enkel patronen van toon in kaart brengt. Toekomstig onderzoek kan nagaan welke factoren bijdragen aan verschillen in toon, bijvoorbeeld door te controleren voor electorale macht, partijcommunicatie en issue coverage.
Meer lezen

Wearable Sensors for Indirect Assessment of Ground Reaction Forces and Moments in Human Movement Analysis

Vrije Universiteit Brussel
2025
Hanne
Willems
De grondreactiekracht en het grondreactiemoment zijn belangrijke variabelen om het blessurerisico tijdens het sporten in te schatten, maar konden tot nu toe enkel in gespecialiseerde laboratoria gemeten worden. In mijn scriptie ontwikkelde ik verschillende biomechanische modellen om de grondreactiekracht en het grondreactiemoment te berekenen op basis van draagbare sensoren die geïntegreerd werden in een loopbroek, zodat ze altijd en overal gemeten kunnen worden. Vervolgens werden de modellen zo accuraat mogelijk gemaakt, zowel met als zonder AI.
Meer lezen

Hebben we gaan twijfelen over het hulpwerkwoord? Een experimenteel en corpusgebaseerd onderzoek naar hulpwerkwoordselectie in clusters met een aspectueel werkwoord

KU Leuven
2025
Fien
Croux
Deze masterproef onderzoekt hulpwerkwoordvariatie in werkwoordsclusters met een aspectueel werkwoord, zoals "Ze is/heeft blijven wachten". Het onderzoek heeft tot doel de factoren te identificeren die de keuze voor het hulpwerkwoord van voltooid aspect (hebben of zijn) in zulke clusters beïnvloeden.

Op basis van onderzoek naar hulpwerkwoordvariatie in werkwoordsclusters met een modaal werkwoord, zoals "Ze is/heeft moeten vertrekken", worden taalinterne en -externe factoren geselecteerd die mogelijk een invloed hebben op hulpwerkwoordselectie in clusters met een aspectueel werkwoord (Hofmans 1981, Van Eynde et al. 2016, Dhont 2024). De onderzochte factoren zijn het type hoofdwerkwoord, de afstand tussen het hulpwerkwoord en het aspectuele werkwoord, irrealis, geografische regio en register. Het onderzoek combineert een experiment met een corpusonderzoek. In het experimentele onderzoek zijn acceptabiliteitsoordelen van Vlaamse en Nederlandse respondenten bevraagd en geanalyseerd aan de hand van lineaire regressieanalyses. Het corpusonderzoek in het SoNaR-corpus en het Corpus Gesproken Nederlands biedt inzicht in de frequentie van de onderzochte factoren in clusters waarin hebben het hulpwerkwoord is. Op basis van de resultaten en eerdere analyses (Cardinaletti & Shlonsky 2004, Draye & Van der Horst 2006, Pots 2020) wordt tot slot een formele analyse voorgesteld voor hulpwerkwoordvariatie in clusters met een aspectueel werkwoord.

De resultaten tonen aan dat hulpwerkwoordselectie in clusters met een aspectueel werkwoord beïnvloed wordt door irrealis, geografische regio en register. Een irrealislezing verhoogt de voorkeur voor het hulpwerkwoord hebben, dat meer aanvaard wordt in Vlaanderen dan in Nederland en meer voorkomt in informeel dan in formeel taalgebruik. De invloed van het type hoofdwerkwoord en afstand wordt in de resultaten niet eenduidig aangetoond. De hulpwerkwoordvariatie wordt in de analyse verklaard door de status van het aspectuele werkwoord, dat zich in een grammaticalisatieproces van semi-lexicaliteit naar functionaliteit bevindt en zich daarin verschillend positioneert in Vlaanderen en Nederland.
Meer lezen

Meer dan marktwaarde: strategisch grondbeleid als hefboom voor sociale huisvesting in Gent

Universiteit Gent
2025
Annelien
Nevens
Deze masterproef onderzoekt hoe Gent haar sociale huisvesting kan versterken via actief grondbeleid. Centraal staan twee actieve grondbeleidstrategieën: het voorkooprecht en land value capture. Via een mix van theoretische analyses, interviews en casestudies van kleinschalige projecten en grootschalige ontwikkelingen wordt onderzocht hoe deze strategieën sociale woningen opleveren en bijdragen aan architecturale, ruimtelijke en sociale kwaliteit.

De thesis toont dat actief grondbeleid een hefboom vormt voor sociale huisvesting in Gent, maar dat de slagkracht beperkt blijft door het ontbreken van een overkoepelende strategie en een beperkte institutionele inbedding. Het voorkooprecht ondersteunt kleinschalige, kwalitatief sterke projecten, terwijl land value capture sociale woningen integreert in grootschalige projecten. Beide instrumenten dragen bij aan een evenwichtige spreiding van sociale woningen en versterken de integratie, kwaliteit en leefbaarheid van het stadsweefsel.
Meer lezen

Using common gen-AI tools to generate reading materials for A2-level ESL learners.

Universiteit Gent
2025
Annelies
Pandelaers
De toenemende beschikbaarheid van generatieve artificiële intelligentie (genAI) biedt taalonderwijzers nieuwe mogelijkheden om leesmateriaal op maat van hun leerlingen te ontwikkelen. Deze masterpraktijkproef onderzoekt of vrij toegankelijke gen-AI-platformen (met name ChatGPT en Google Gemini) in staat zijn om Engelstalige leesteksten te genereren die aansluiten bij het ERK niveau A2. Via een vergelijkende corpusanalyse werden AI-gegenereerde teksten geëvalueerd tegenover teksten uit twee gevestigde bronnen: Vlaamse handboeken en het Key A2 English-examen van Cambridge. De lexicale profilering gebeurde met behulp van AntWordProfiler om de woorddekkingsgraad van elke tekst te analyseren. Uit de resultaten van dit beperkte corpus blijkt dat de AI-gegenereerde teksten een hogere lexicale dekking bereikten dan de handboek- en examenteksten. De AI-teksten benaderden de drempel van 95% dekking die volgens het Coverage Comprehension Model noodzakelijk wordt geacht voor tekstbegrip. De teksten gegenereerd door Google Gemini bleken lexicaal sterker en beter afgestemd op pedagogische richtlijnen dan die van ChatGPT. De bevindingen suggereren dat genAI, mits aangestuurd door zorgvuldig geformuleerde prompts, inderdaad niveau-adequate teksten kan produceren. Dit kan mogelijk de werklast van leerkrachten verlichten en hen in staat stellen om leesteksten af te stemmen op specifieke onderwerpen of onderwijsnoden. Deze studie formuleert praktische richtlijnen voor promptontwikkeling en benadrukt de nood aan verder praktijkgericht onderzoek naar het begrip en de ervaring van AI-gegenereerde teksten door leerlingen.
Meer lezen

Genetische kennis in de opleiding geneeskunde: het ontwikkelen van een vragenlijst die peilt naar de zelfgepercipieerde en feitelijke kennis bij laatstejaarsstudenten geneeskunde.

Universiteit Gent
2025
Emilia
Flyps
Probleemstelling: De snelle vooruitgang in genetisch onderzoek en de toenemende integratie van genetische toepassingen in de eerstelijnszorg stellen hoge eisen aan de kennis en competenties van toekomstige artsen. Hoewel genetica is opgenomen in het Vlaamse geneeskundecurriculum, blijft onduidelijk in welke mate laatstejaarsstudenten beschikken over voldoende feitelijke genetische kennis en in hoeverre hun zelfinschatting hiermee overeenkomt. Psychologische factoren zoals motivatie en zelfeffectiviteit kunnen hierin een rol spelen, maar worden zelden in samenhang onderzocht.
Methode: In deze masterpraktijkproef werd een vragenlijst ontwikkeld die peilt naar zelfgepercipieerde en feitelijke genetische kennis bij Vlaamse laatstejaarsstudenten geneeskunde. Daarnaast bevat het instrument metingen van motivatie, zelfeffectiviteit en zekerheidsinschatting. Het onderzoek heeft een kwantitatief, cross-sectioneel ontwerp en richt zich uitsluitend op de constructie en theoretische onderbouwing van het meetinstrument. De inhoud is gebaseerd op bestaande gevalideerde instrumenten, waaronder de International Genetic Literacy and Attitudes Survey (iGLAS), de General Self-Efficacy Scale (GSES) en de Intrinsic Motivation Inventory (IMI). De afname en data-analyse maken geen deel uit van deze masterpraktijkproef, maar kunnen plaatsvinden in vervolgonderzoek.
Resultaten en Conclusie: Het eindresultaat is een theoretisch onderbouwd en praktijkgericht meetinstrument dat genetische competenties benadert vanuit zowel inhoudelijke als psychologische invalshoeken. Door de integratie van diverse cognitieve niveaus en inhoudsdomeinen biedt de vragenlijst een breed inzetbaar kader voor toekomstig onderzoek naar genetische kennis bij geneeskundestudenten. Het instrument is beschikbaar in het Nederlands en het Engels en is klaar voor vervolgonderzoek.
Meer lezen

"Un genre qui lui appartient en toute propriété." Marie-Antoinette Marcotte (1867-1929) en de weergave van de serre in de West-Europese schilderkunst tussen 1850 en 1930.

Universiteit Gent
2025
Marie
Harteel
Aan het einde van de 19e eeuw maakte de Frans-Belgische kunstenares Marie-Antoinette Marcotte haar handelsmerk van een uniek artistiek onderwerp: de serre. Talloze contemporaine recensies prijzen haar talent om de zonnige kleuren en broeierige atmosfeer op doek vast te leggen. Het originele onderwerp speelde tegelijk in op de maatschappelijke belangstelling voor de serrecultuur in Europa. Aan de hand van historisch en iconografisch onderzoek van het oeuvre van Marcotte en een 100-tal schilderijen door andere Europese kunstenaars wordt nagegaan hoe verschillende waarden, praktijken en sociale problematieken omtrent de serrebouw in de West-Europese samenleving tussen 1850 en 1930 in de schilderkunst zichtbaar worden. Het uitgangspunt van dit onderzoek is om primaire bronnen, archiefmateriaal en secundaire literatuur te combineren met iconografische analyse om de artistieke afbeelding van serres diepgaand te begrijpen.

Het eerste hoofdstuk belicht de sociaalhistorische bestaansvoorwaarden die de idylle van de serrecultuur mogelijk maken. Zowel de lokale en internationale populariteit van horticulturele tentoonstellingen als de koloniale botanica worden onderzocht. Om de planten in leven te houden was verder veel werk en zorg nodig. Afbeeldingen van de arbeidersklasse in de serres zijn uitzonderlijk, maar vormen belangrijke getuigenissen van het anders onzichtbare werk dat beladen is met complexe sociale en genderdynamieken. De actieve arbeid die in de schilderijen terug te vinden is, is op zijn best in een verwaterde versie herkenbaar in afbeeldingen van de bourgeoisie in de plantenkas.
Hoofdstuk twee belicht de weergave van de burgerij, voor wie de serres vooral ruimtes waren voor vrijetijd en ontspanning, alleen of met gezelschap. Daarnaast was de serre een locus van sociale interactie. Gaande van intieme relaties in de domestieke plantenkassen tot zien en gezien worden in de publieke wintertuinen, en van moederschap tot romantische allusies – de schilderijen brengen een brede waaier aan interpersoonlijke dynamieken in beeld.
In het laatste hoofdstuk wordt Marcottes oeuvre geanalyseerd vanuit een specifiek kunsthistorisch standpunt: het genre van het serreschilderij wordt uitgeklaard vanuit het perspectief van het bloemstuk en de daarmee geassocieerde genrehiërarchie en genderconnotaties. Ondanks dit traditioneel verwantschap worden conventies uitgedaagd door de vormelijke kracht van de architectuur enerzijds en de symbolische verbondenheid ervan aan ideeën van technologische vooruitgang en moderniteit anderzijds.

Gekaderd in de kunsthistorische evolutie van het bloemstuk, de sociaalhistorische relevantie van de serrebouw en het werk van haar tijdgenoten toont dit onderzoek de relevantie aan van Marcottes deeloeuvre als zijnde zowel vernieuwend als symptomatisch voor de tijdsgeest waarin het gemaakt werd.
Meer lezen

Horen, Zien en Zwijgen Verzet en Censuur in het stripmagazine Robbedoes tijdens de Tweede Wereldoorlog

KU Leuven
2025
Robbe
Schroyens
Deze masterproef onderzoekt hoe het stripweekblad Robbedoes tijdens de Tweede Wereldoorlog functioneerde als cultureel en politiek fenomeen binnen een repressief en gecensureerd medialandschap. Waar bestaande studies vooral focussen op collaboratie of expliciete propaganda, werpt dit onderzoek nieuw licht op verborgen vormen van verzet binnen populaire cultuur, met speciale aandacht voor kinderliteratuur en visuele media. Aan de hand van discursieve en visuele analyse wordt onderzocht hoe Robbedoes, ondanks Duitse controle, ruimte wist te creëren voor ironie, kritiek en stil protest. Strips en karikaturen werkten als visuele secondewijzers: ze zijn snel, beweeglijk en vaak onopgemerkt, maar hebben het vermogen om subtiel de tijdsgeest te registreren en zelfs te ondermijnen. De studie baseert zich op het volledige corpus van Robbedoes (1938–1944), rapporten van de Propaganda-Abteilung Belgien, repressiedossiers van uitgeverij Dupuis en secundaire literatuur. De thesis bestaat uit drie delen: het eerste behandelt het institutionele en ideologische kader van Dupuis tijdens de bezetting, het tweede analyseert censuur, zelfcensuur en redactionele strategieën en het derde en vierde hoofdstuk ontleden hoe visuele elementen in reeksen zoals Marc, de Moderne Herkules (Superman) en De Avonturen van Robbedoes toch een subversieve lading droegen via personages, lay-out en beeldtaal. De conclusie luidt dat Robbedoes meer was dan een kindertijdschrift: het vormde een onderhandelingsruimte waar cultuur, macht en verzet samenkwamen. Hiermee draagt dit onderzoek bij aan een bredere herwaardering van populaire cultuur als spiegel én tegenstem van haar tijd.
Meer lezen

Vergeten Conflicten: een blinde vlek van Vlaamse media?

KU Leuven
2025
Benthe
Vermeulen
In mijn scriptie onderzocht ik hoe het Nieuwsselectieproces van conflicten bijdraagt aan het voortbestaan van vergeten conflicten, door in gesprek te gaan met tien buitenlandjournalisten van uiteenlopende nieuwsmedia. De masterproef is opgebouwd uit vier delen. In het eerste deel wordt, op basis van de bestaande literatuur over vergeten conflicten en het nieuwsselectieproces, nagegaan welke theoretische kaders relevant zijn voor dit onderzoek. Deel twee omvat de probleemstelling en een uiteenzetting van de methodologische aanpak. In deel drie worden de resultaten van de interviews gepresenteerd. Deel vier sluit af met een bespreking van deze resultaten aan de hand van de in deel één besproken literatuur. Tot slot eindigt de masterproef met een algemene conclusie van het onderzoek.
Meer lezen

Het prijsgeven van de identiteit van daders en slachtoffers van misdrijven door de journalist

Universiteit Antwerpen
2025
Nathalie
Voss
Het idee van mijn onderzoek is ontstaan door de recente ontwikkelingen in de samenleving. De burger is verontwaardigd wanneer de identiteit van verdachten en daders op een niet consistente wijze wordt vermeld in de media. Wegens onwetendheid en frustratie laat de samenleving zich dan ook horen, met alle gevolgen vandien. Hoewel ik zelf eerst onbegrip toonde voor de niet-standvastigheid van de media inzake het prijsgeven van de identiteit, heeft dit mij aan het denken gezet: zijn er dan geen regels waaraan journalisten zich moeten houden?
Wegens deze bedenking viel mijn oog op de Code van de Raad voor de Journalistiek. Deze Code geldt als leidraad voor journalisten en bevat verschillende onderwerpen die worden uitgewerkt in artikels en richtlijnen. De belangrijkste richtlijnen voor dit onderzoek zijn te vinden in artikel 23 van de Code en omvatten: identificatie in gerechtelijke context, identificatie van slachtoffers en respect voor het privéleven van publieke figuren. Omdat een onderzoek naar de volledige Code ons te ver zou leiden, heb ik gekozen om mijn onderzoek af te bakenen tot dit artikel 23 (mits bepaalde kanttekeningen). Hiernaast wordt het onderzoek gevoerd vanuit de situatie van dader en slachtoffer. De focus ligt dus niet op de verdachte.
Zo heb ik de Code op zichzelf onderzocht en ging ik na wat de grenzen zijn aan het prijsgeven van identiteit van daders en slachtoffers van misdrijven door de journalist. Hierdoor is de vraag ontstaan hoe buurlanden dit invullen. Vooraleer ik dus een oordeel vel over onze Code, acht ik het noodzakelijk om te kijken hoe Nederland hiermee omgaat. Ik heb dan ook gekozen om een vergelijking te maken tussen de code in Nederland, namelijk de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek, en onze Code.
Uit deze vergelijking blijkt dat beide codes belang hechten aan een zorgvuldige afweging tussen het recht op privacy en het belang van het publiek om toegang te krijgen tot informatie. De Code is enorm gestructureerd met verwijzingen naar verschillende artikels en richtlijnen die per onderwerp uiteenzetten hoe de journalist moet handelen in een bepaalde situatie. Toch blijft de praktische toepassing afhankelijk van de journalist/redactie. Redacties beslissen binnen de marges van de Code zelf hoe zij identificeren, al geldt de Code wel als een minimumregel. De Raad treedt pas op wanneer een klacht wordt ingediend. Zij zal kijken of de Code effectief gevolgd werd of niet.
In België bestaat geen vaste praktijk zoals de Nederlandse initialenregel (voornaam, gevolgd door initiaal van de familienaam), hierdoor is er meer ruimte voor volledige identificatie, wat leidt tot inconsistentie. De Leidraad is op haar beurt minder gestructureerd en veel kleiner van omvang dan de Code. Ondanks dat de initialenregel niet bindend is, zorgt dit voor een brede toepassing in de praktijk door journalisten. Toch verwijst de Leidraad ook naar uitzonderingen waardoor er opnieuw ruimte is voor interpretatie. Dit leidt soms tot absurde situaties waarbij eerst de volledige naam wordt gegeven (bij een arrestatie) om nadien de initialenregel te gebruiken. Mijns inziens is het kwaad dan al geschied. Concluderend kan worden gesteld dat in Nederland de praktijk terughoudender is, terwijl België meer formele richtlijnen geeft maar minder terughoudend is in de uitvoering ervan.
Voor slachtoffers biedt de Code een expliciete richtlijn die de berichtgeving van hun identiteit streng reguleert. In de Leidraad staat dit ook, al wordt hier minder diep op ingegaan en is er geen aparte sectie voorzien. Hoewel de Leidraad minder structuur biedt, wordt impliciet een bredere invulling gegeven aan het begrip ‘identiteit’ door te verwijzen naar onder meer etniciteit of religie. Al leidt dit wel tot vragen over de volledigheid van de opsomming.
Nadat ik bovenstaande codes met elkaar heb vergeleken, dook een nieuwe vraag op: is onze Code van de Raad in overeenstemming met de grond- en mensenrechten van het EVRM, en hoe verhoudt de Code zich tot de rechtspraak van het EHRM? Om hier een antwoord op te kunnen bieden heb ik artikel 10 EVRM afgewogen tegen verschillende (grond)rechten, zoals recht op privacy, recht op afbeelding, recht op vergetelheid, recht op eer en goede naam, recht op antwoord en het vermoeden van onschuld als onderdeel van het recht op een eerlijk proces.
De hoofdonderzoeksvraag luidt dan ook als volgt: “In hoeverre is de deontologische code voor journalistiek met betrekking tot het prijsgeven van identiteit van daders en slachtoffers, in overeenstemming met de grondrechten en mensenrechten van het EHRM?”
De rechten en rechtspraak van het EHRM werden eerst apart besproken om vervolgens de Code hieraan te kunnen toetsen. Zo kon worden geconcludeerd dat de Code voor zowel het vrijgeven van de identiteit van daders als slachtoffers, in grote lijnen in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof. Er wordt nadruk gelegd op de afweging van het recht op privéleven en het recht op informatie. Hoewel de Code de mogelijkheid biedt tot beperkte of volledige identificatie, maakt het Hof dit onderscheid niet. Het Hof blijkt systematisch zijn eigen zes criteria af te toetsen voor de afweging tussen artikel 10 en 8 EVRM. Deze criteria worden niet expliciet opgesomd door de Code maar vallen hier impliciet grotendeels mee samen. Vooral wat betreft de richtlijn bij de identificatie van slachtoffers, sluit de Code nauw aan bij het Hof. Hier gelden strengere regels en minder bewegingsruimte voor de journalist. Het recht op afbeelding wordt, als onderdeel van artikel 8 EVRM, niet expliciet besproken in de Code. Wel wordt verwezen naar een hogere mate van voorzichtigheid bij het publiceren van herkenbaar beeldmateriaal. De terughoudendheid bij bekendmaking van beelden van slachtoffers wordt ook effectief bevolen door het Hof. Over het algemeen kan bij slachtoffers worden gesteld dat de Code de lijn volgt die wordt getrokken door het EHRM.
Vanuit het daderperspectief kon een bespreking van het recht op vergetelheid niet ontbreken. Artikel 23 verwijst naar de afweging van het belang van berichtgeving tegenover de reclassering en herintegratie van de veroordeelde. Toch mist de Code belangrijke aanvullingen die wel worden aangehaald in de criteria van het Hof: de verstreken tijd en toegankelijkheid van de publicatie. Ik ben dan ook van mening dat de Raad zou kunnen overwegen om deze factoren te benoemen in de Code. De toetsing aan het recht op eer en goede naam kon tevens niet ontbreken. Ook hier valt de Code te verzoenen met de rechtspraak van het Hof.
Wat betreft het recht van antwoord, in de zin van artikel 10 EVRM, voorziet de Code in een alternatieve bepaling inzake wederwoord. Opmerkelijk is dat het Hof ook verwijst naar deze mogelijkheid tot correctie als beslissend criterium. Zoals andere auteurs stel ik deze tendens tot inmenging in de redactionele vrijheid in vraag. Ook bij het vermoeden van onschuld wordt aan de alarmbel getrokken. De Code vereist een hoge mate van zorgvuldigheid en verantwoordelijkheid waardoor dit mogelijks de waakhondfunctie van de pers beperkt. Ik ben echter van mening dat voorzichtigheid mag worden verwacht van journalisten. Bij vrijheid hoort nu eenmaal verantwoordelijkheid.
Over het algemeen kan dus worden gesteld dat de Code in overeenstemming is met de besproken rechten en rechtspraak van het EHRM, mits gemaakte kanttekeningen en nuanceringen.
Omdat theorie niet alomvattend is, sloot ik mijn onderzoek af met een interview met een deskundige. Haar praktische kijk bracht nuance en bood een waardevolle reflectie op bepaalde delen van mijn onderzoek.
Meer lezen

Met oog voor de toekomst: een vignettenonderzoek naar de bereidheid van leerkrachten om eye-tracking in te zetten bij begrijpend lezen

Universiteit Antwerpen
2025
Jolijn
Verbergt
Het leesniveau van leerlingen is al jaren een groeiende bekommernis binnen het Vlaamse onderwijs. Begrijpend lezen is immers een vaardigheid die bepalend is voor schoolsucces én voor een volwaardige integratie in de samenleving. Tegelijk ervaren leerkrachten moeilijkheden om zicht te krijgen op het leesproces van hun leerlingen, wat effectieve begeleiding bemoeilijkt. Innovatieve technologieën, zoals eye-tracking en artificiële intelligentie (AI), bieden nieuwe mogelijkheden om dit leesproces zichtbaar te maken en ondersteuning op maat te bieden. Hoewel deze technologie beschikbaar is, wordt ze vandaag nog niet toegepast in het Vlaamse onderwijs.

Deze masterproef speelt in op die leemte door te onderzoeken in welke mate leerkrachten in het lager en secundair onderwijs bereid zijn om AI-technologie die gebruikmaakt van eye-tracking toe te passen bij begrijpend lezen. Daarbij wordt gekeken naar drie aspecten: de factoren die bereidheid beïnvloeden, de kennis die leerkrachten hierbij noodzakelijk achten en het type samenwerking tussen mens en technologie dat zij verkiezen.

Via een kwalitatieve vignettenstudie werden twintig leerkrachten geïnterviewd over deze bereidheid. Leerkrachten zien vooral meerwaarde in technologie die hun didactische rol ondersteunt, maar niet overneemt. De bruikbaarheid van deze technologie werd vooral gekoppeld aan het zichtbaar maken van het leesproces, de mogelijkheden tot differentiatie en zelfreflectie. Gebruiksgemak hing af van een eenvoudig dashboard, makkelijk gebruik in de klas en snel te leren technologie. Daarnaast geven leerkrachten aan nood te hebben aan technologische, didactisch-technologische, technologisch-vakinhoudelijke en ethische kennis. Vertrouwen in AI en transparantie over de werking en besluitvorming zijn essentieel voor leerkrachten om de technologie te aanvaarden. Tot slot benoemden respondenten aandachtspunten zoals verminderde sociale interactie, bezorgdheden rond schermlezen en het belang van menselijke betrokkenheid in het leerproces.

Deze bevindingen tonen aan hoe belangrijk het is om eye-tracking en op eye-tracking gebaseerde AI-technologie in het onderwijs op een manier te gebruiken die de leerkracht ondersteunt en niet vervangt. De technologie moet gebruiksvriendelijk en transparant zijn, maar vooral de professionele autonomie en didactische rol van de leerkracht versterken.
Meer lezen

DE RELATIE TUSSEN WERKBELASTING EN DE TURNOVER INTENTIE VAN LEERKRACHTEN IN HET VLAAMSE ONDERWIJS. DE ROL VAN INTRINSIEKE MOTIVATIE

Universiteit Gent
2025
Janne
Van Cauter
Mijn masterproef onderzoekt de relatie tussen werklast en de turnover intentie van leerkrachten in het Vlaamse onderwijs, met bijzondere aandacht voor de rol van intrinsieke motivatie. Het theoretische kader is het Job Demands-Resources (JD-R) model, waarin werklast een taakeis is en intrinsieke motivatie als persoonlijke hulpbron fungeert.

Via een grootschalige kwantitatieve survey werden data verzameld bij 346 leerkrachten uit 40 Vlaamse basis- en secundaire scholen. De analyse toont dat een hogere werklast samenhangt met een sterkere intentie om het onderwijs te verlaten. Ook blijkt dat intrinsieke motivatie de kans op turnover intentie verlaagt, maar niet significant modereert tussen werklast en turnover intentie.

Mijn onderzoek wijst op de nood aan werkbare en motiverende werkomstandigheden in het onderwijs en levert zowel wetenschappelijke als beleidsrelevante inzichten aan voor het behoud van leerkrachten in een context van groeiende werkdruk en een structureel lerarentekort.
Meer lezen

“Dies ist nicht Ihr Krieg!”

KU Leuven
2025
Tim
Nonneman
Dit artikel onderzoekt de rol van Duitstalige verzetskranten in België tijdens de Tweede Wereldoorlog en hun strategieën om Duitse soldaten en medewerkers te demotiveren. Centraal staan Das Freie Wort, een blad uitgegeven door Belgische verzetslieden, en Die Wahrheit, een krant gepubliceerd door Duitse en Oostenrijkse politieke vluchtelingen en joden.

Door middel van een discoursanalyse wordt onderzocht welke taal en argumentatie deze kranten gebruikten en hoe hun politieke achtergronden hun boodschap beïnvloedden. De studie vergelijkt de strategieën van beide kranten tussen 1942 en 1944, met aandacht voor hun verspreidingsmethoden en de bredere context van het communistische en revolutionaire verzet in België. Dit onderzoek tracht een leemte in de historiografie te vullen door zich niet alleen op de verzetsgroepen, maar specifiek op hun geschreven boodschap en invloed op de bezetter te richten.
Meer lezen

Het huidige veilingwezen van België : Recente geschiedenis, marktstructuur en uitdagingen

KU Leuven
2024
Elisa
Declercq
Abstract

De Belgische veilingmarkt groeit en trekt internationale spelers aan. Toch beperkt het wetenschappelijk onderzoek zich tot de vroegmoderne tijd, terwijl de recente geschiedenis, de financiële status en de huidige problematieken nauwelijks worden geanalyseerd. Deze masterthesis vult deze lacune met een stand van zaken bij 52 geselecteerde Belgische veilinghuizen. Informatie werd verzameld via gespecialiseerde wetenschappelijke artikels, artikels uit vakliteratuur en kranten, de digitale media van de veilinghuizen en persoonlijk contact met representatieve spelers uit de sector. In het onderzoek komt aan het licht dat de Belgische veilinghuizen veelal familiebedrijven zijn met een generalistisch aanbod om in te kunnen spelen op tendensen in de markt. Driekwart van de veilinghuizen is geconcentreerd in Brussel, West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen en Antwerpen. In totaal zijn er elf internationale veilinghuizen gevestigd in België, waarvan er drie effectief veilen. De twee oudste veilinghuizen die vandaag actief zijn, bestaan reeds sinds de jaren 1930 en vanaf de jaren 1970 zijn er steeds nieuwe bijgekomen. Daarvan is 30 procent voortgekomen uit antiekzaken, antiquariaten of galerijen. De laatste jaren is de aangroei gestabiliseerd. De Belgische veilinghuizen zijn doorgaans klein, waarbij de 20 procent grootste bedrijven zo’n 5 à 10 personeelsleden in VTE tewerkstellen en een brutomarge rond 0,5 miljoen à 1 miljoen euro draaien. De opbrengst wordt gehaald uit een mediane 25 procent koperspremie en een vaste 15 procent verkoperspremie. Van de 12 online gebruikte biedplatformen worden er 2 populaire door quasi alle veilinghuizen benut. Gemiddeld organiseert een veilinghuis 6 veilingmomenten per jaar. De groeiende digitalisering vergroot het klantenbereik nationaal en internationaal en zorgt ervoor dat het takenpakket van het veilinghuis uitbreidt, waaronder de rol van kunsthandelaar. Door online prijzendatabanken neemt de transparantie van de veilingmarkt toe en worden er meer verzamelaars aangetrokken. Toch blijft de drempel tot de veilinghuizen nog hoog voor potentiële klanten. Daarom trachten veilinghuizen hun zichtbaarheid te vergroten via populaire media en de ondersteuning van de Koninklijke Kamer voor Veilingzalen, die ook waakt over de kwaliteit van de veilingsector.
Meer lezen

Langs de zijlijn of buitenspel? Representatie van partners van voetballers in de Vlaamse sportpers van 1978 tot 1997 en hun ervaringen.

KU Leuven
2024
Maarten
Drossart
Voetballers zijn al decennialang gemediatiseerde figuren, die aandacht krijgen via verschillende media. Met name sinds het begin van de 21ste eeuw zorgde dit ook voor een toename in aandacht voor hun respectievelijke partners, de Zogenaamde WAGs, Wives and Girlfriends. Dit onderzoek tracht een bijdrage te leveren rond de representatie van vrouwen van voetballers in de media in de periode vóór de toegenomen aandacht rond hun figuur, specifiek van 1978 tot 1997. Daarnaast gaat dit onderzoek ook dieper in op de ervaringen van vrouwen getrouwd met een profvoetballer op het einde van de 20ste en het begin van de 21ste eeuw. Dit onderzoek bevindt zich door de focus op een marginale groep binnen de sportwereld op de kruising tussen sport- gender- en subalterne geschiedenis.
Dit onderzoek voerde een kwalitatief personderzoek uit op artikels uit Vlaamse sport- en voetbalmagazines zoals Sport ’80, Sport ’90 en Voetbalmagazine over een periode van 1978 tot 1997. Samen met artikels uit januari-edities van Het Laatste Nieuws, over een periode van 16 jaar (1980-1995), vormden deze het bronnencorpus. In de verschillende artikels kwamen de partners van voetballers via woord of beeld aan bod. Aan de hand hiervan kwamen verschillende vormen van representatie naar voren, met een sterke nadruk op traditionele vrouwelijke rollen als huismoeder of opvoedster van de kinderen. Daarnaast kwamen verschillende stereotypen naar boven die focusten op de zorgzaamheid van de vrouwen, de steun die ze boden of een focus op hun uiterlijk en vertoon. Verder waren er ook artikels die dieper ingingen op de partners zelf en dusdanig non-stereotiepe representaties vormden, wat vernieuwend was in vergelijking met gelijkaardig onderzoek.
De vrouwen die dit onderzoek interviewde bespraken zowel hun privéleven, hun omgang met de media als hun positie en rol binnen de voetbalwereld. Hierbij gaven de vrouwen wat betreft hun privéleven aan dat zij verantwoordelijk waren voor zowel het huishouden als de zorg over de kinderen, mede door de carrières van hun echtgenoten. Zij waren zich bewust van hun persoonlijke opofferingen en rationaliseerden deze vanuit andere positieve neveneffecten verbonden aan een voetbalcarrière, zoals de mogelijkheid tot verschillende mooie reizen. Dit kwam grotendeels overeen met ander onderzoek naar sporthuwelijken. Wat betreft media-aandacht, gaven de vrouwen aan hier geen belang aan te hechten, en hadden zij tevens het gevoel dat deze tijdens de spelerscarrières van hun echtgenoten tot op zekere hoogte voor hen beperkt was. Wat betreft hun positie binnen de voetbalwereld waren de vrouwen zich bewust van hun marginale positie, wat zij niet negatief ervaarden. De voetbalwereld bood hen herinneringen waar ze zeer positief op terugkeken, zoals het verkrijgen van een nieuwe sociale kring. Al bij al hielden de vrouwen overwegend positieve herinneringen over aan de actieve spelerscarrières van hun echtgenoten.
Meer lezen

Wegwijs in voeding: een historische analyse van voedingsvoorlichting in Vlaanderen sinds 1960

Hogeschool UCLL
2024
Ayla
Van den Eynde
  • Femke
    Moyens
Voeding is altijd een belangrijk onderdeel van mensen hun leven geweest en meer dan ooit is er nood aan concrete en betrouwbare informatie over voeding op maat van de consument. Adviezen over wat ‘gezonde voeding’ nu juist inhoudt en modellen die mensen visueel helpen om tot een gezond voedingspatroon te komen, worden al meerdere decennia gepubliceerd. In België werd het eerste officiële voorlichtingsmodel, het Klavertje Vier, in de jaren 1960 gepubliceerd en de daaropvolgende jaren veranderden voedingsvoorlichtingsmodellen drastisch. Het doel is te achterhalen hoe deze modellen zijn geëvolueerd tot de Voedingsdriehoek zoals we hem vandaag kennen. En te kijken op welke informatie de Belgische en later de Vlaamse overheid zich baseerde om deze modellen te creëren.
Aan de hand van een uitgebreide literatuurstudie zijn we allereerst op zoek gegaan naar de evolutie van de voedingswetenschap omdat dit de basis is van voedingseducatie en voorlichtingsmodellen. De kennisbank van het CAG en (achtergronddocumenten van) Gezond Leven brachten waardevolle informatie aan. Vervolgens onderzochten we de oorsprong van voedingseducatie waarbij het CAG en artikels gepubliceerd door Peter Scholliers en historische kookboeken zoals ‘Ons Kookboek’ interessante bronnen waren. Voor de evolutie van de modellen hebben we diverse bronnen geraadpleegd: websites, boeken en kookboeken... Ook hebben we Erika Vanhauwaert geïnterviewd, zij stond namelijk aan de basis van de ontwikkeling van de Voedingsdriehoek, waardoor ze waardevolle ongepubliceerde informatie kon geven. Krantenartikels uit De Standaard en HLN, gaven ons een breed beeld van wat de reactie was op de modellen door het algemene publiek en experten.
Voedingsvoorlichtingmodellen zijn vaak veranderd in Vlaanderen doorheen de jaren. Sinds het begin van voedingsonderzoek in de late 19e eeuw tot nu is voedingsvoorlichting geëvolueerd van simpele brochures en boekjes om deficiëntieziekten te voorkomen, naar visuele modellen op voedingsmiddelenniveau om welvaartsaandoeningen te voorkomen en naar modellen die een zo holistisch mogelijk beeld proberen te schetsen van voedingspatronen. Voedingsadviezen werden eerst door zowat iedereen verspreid, maar vandaag de dag houdt de overheid zich bezig met de publicatie van een eenduidig voorlichtingsmodel. Ook het doelpubliek waartoe de modellen zich richtten veranderde, eerst waren het vooral educatietools voor gezondheidsprofessionals, waarna ze meer en meer voor de algemene bevolking werden ontwikkeld. Het onderzoek dat voorafgaat aan de publicatie van de modellen wordt steeds uitgebreider met de jaren om zoveel mogelijk factoren te implementeren voor een zo integraal mogelijk beeld op gezondheid. Ondanks dit uitgebreid onderzoek stuiten de modellen echter steeds op kritiek en is het duidelijk dat modellen geregeld herzien en aangepast moeten worden om te blijven voldoen aan veranderingen in de maatschappij.
Voeding is een snel evoluerende wetenschap en van fundamenteel belang voor de algemene gezondheid. Uit het verleden leren we dat het belangrijk is om duidelijke en onderbouwde voedingsadviezen en voorlichtingsmodellen de wereld in te sturen die makkelijk te begrijpen zijn voor de algemene bevolking en aangepast worden op basis van de nieuwste wetenschappelijke consensus.
Meer lezen

Berichtgeving op Vlaamse nieuwssites over alzheimermedicijnen

KU Leuven
2024
Maarten
Van Clé
INLEIDING: Nieuwsites die rapporteren over medicatie bereiken een groot deel van de bevolking. Een volledige en gebalanceerde berichtgeving hierbij is belangrijk. Onderzoek ontbrak tot op heden binnen het Nederlandstalig medialandschap. Een concreet startpunt waaruit een debat kan voortvloeien tussen de verschillende actoren van de Vlaamse gezondheidscommunicatie ontbrak daarom. Dit onderzoek gebruikt hiervoor de communicatie over alzheimermedicatie en onderzoekt of die volledig en gebalanceerd was.

METHODEN: De berichtgeving rond alzheimermedicatie wordt onderzocht aan de hand van een retrospectieve kwantitatieve inhoudsanalyse op nieuwsartikelen gepubliceerd op de websites van de zeven grootste Vlaamse nieuwssites tussen 1 januari 2012 en 31 december 2023. De analyse omvatte het verzamelen van bibliografische gegevens, het beoordelen van de volledigheid aan de hand van vooraf gedefinieerde vragen, en tot slot het beoordelen van de balans van de berichtgeving door het gebruik van superlatieven en vermelding van tegenslagen te analyseren.

RESULTATEN: 172 artikels werden onderzocht (130 unieke teksten en 42 dubbele teksten). De communicatie over bijwerkingen (41%, 53/130) en kostprijs (18%, 23/130) was beperkt. In 38% (50/130) van de artikels werd iets vermeld over goedkeuring, waarvan 20% (26/130) van de gevallen specifiek goedkeuring in Europa. Superlatieven werden zelden gebruikt. 63% (82/130) van de artikels vermeldde dat alzheimeronderzoek gepaard ging met tegenslagen.

DISCUSSIE: De communicatie over alzheimermedicatie blijkt regelmatig onvolledig. Het taalgebruik lijkt wel gebalanceerd. Die communicatie is een gedeelde verantwoordelijkheid tussen experten, bedrijven, persagentschappen en journalisten. Deze studie kan dienen als startpunt voor een debat tussen de verschillende belanghebbenden over hoe zij de huidige communicatie over geneesmiddelen kunnen verbeteren.
Meer lezen

The role of architecture in more humane detention: Exploring available materials to compare mother-child detention practices in Europe

KU Leuven
2024
Ine
Werckx
Als antwoord op de onmenselijke leefomstandigheden in Belgische gevangenissen veroorzaakt door structurele overbevolking, personeelstekorten, frequente stakingen en verouderde infrastructuur, pleit VZW De Huizen voor de implementatie van kleinschalige, gedifferentieerde en sociaal verankerde ’detentiehuizen’. Hoewel het politiek en maatschappelijk draagvlak hiervoor groeit, is er nog maar weinig onderzoek gedaan naar hoe hun architectuur kan bijdragen aan humane detentie. Gezien steeds meer onderzoek wijst in de richting dat de gebouwde omgeving ons welzijn en gedrag beïnvloedt, heeft deze thesis als doel de kennis over de rol van architectuur in het creëren van meer humane detentieomgevingen te verruimen. Aangezien dataverzameling in gevangenissen vaak een hele uitdaging is, is een bijkomend doel van deze thesis het testen van secundaire analyse als methode voor kwalitatief onderzoek binnen detentie-omgevingen.

In tegenstelling tot België zijn er een aantal andere Europese landen met een lange traditie van kleinschalige detentie. Op basis van maatschappelijke relevantie en data-beschikbaarheid werden een aantal kleinschalige gevangenissen voor moeders met jonge kinderen geselecteerd, en onderling vergeleken. Deze projecten waren afkomstig uit drie Europese landen: Duitsland, Italië en Spanje. Om context te scheppen werden ook de detentiepraktijken rond moeders met jonge kinderen in gewone gevangenissen in België onderzocht. De bevindingen suggereren dat ruimtelijk ontwerp weldegelijk kan bijdragen aan het meer humaan maken van detentieomgevingen. Terugkerende ruimtelijke aspecten die mogelijks bijdragen, zijn het gebruik van ’zachte’ veiligheidsmaatregelen, alledaagse of speelse gevels, kleurrijke interieurs, ruime privécellen met gewoon meubilair, huiselijke gemeenschappelijke ruimtes en (buiten)speelplekken voor kinderen.

Over het algemeen steunde het ontwerp van de bestudeerde projecten vaak op gelijkaardige concepten als die van De Huizen. Over het algemeen deelden ze ook dezelfde doelstelling, namelijk het minimaliseren van detentieschade, vooral voor de kinderen. De Belgische Basiswet van 2005 schrijft een soortgelijk schadebeperkingsbeginsel voor, wat de relevantie van het onderzoek voor de Belgische context verder ondersteunt. Hoewel de analyse van bestaand materiaal nuttig was om data in kaart te brengen en enkele ogenschijnlijk relevante inzichten opleverde, is verder
primair onderzoek nodig om inzicht te krijgen in de ervaringen van gedetineerden.
Meer lezen

PERSMISDRIJVEN VOOR DE JURY: GRONDWETTELIJKE WAARBORG OF GERECHTELIJK FOSSIEL?

Universiteit Gent
2024
Milan
Maertens
De Belgische grondwetgever heeft de persvrijheid in 1830-1831 vastgelegd met speciale waarborgen. Eén van deze grondwettelijke garanties is de bevoegdheid van het hof van assisen om te oordelen over zogenaamde 'persmisdrijven' (huidig artikel 150 Grondwet).
Hoewel het evident moet lijken dat er recente assisenzaken zijn geweest waarin de jury zich over een persmisdrijf heeft moeten uitspreken, zijn er in de naoorlogse periode - met uitzondering van drie gevallen - vrijwel geen voorbeelden te vinden. Dat persmisdrijven decennialang nauwelijks vervolgd zijn voor het hof van assisen houdt verband met uiteenlopende inhoudelijke, beleidsmatige en organisatorische redenen.
Door middel van een analyse van wetgeving, rechtspraak en literatuur ging deze rechtshistorische studie op zoek naar een antwoord op de vraag waarom er vandaag geen persprocessen meer voor de jury komen. Het onderzoek steunde hierbij deels op archiefonderzoek, waarbij drie niet eerder geanalyseerde archiefdossiers van het Oost-Vlaamse hof van assisen zijn bestudeerd.
Meer lezen

Wie niet sterk is, moet slim zijn. Partijmobilisatie tijdens lokale volksraadplegingen in Vlaanderen (1996-2023).

Universiteit Gent
2024
Ward
Maréchal
De kloof tussen burgers en de politiek heeft geleid tot een afname van het vertrouwen in traditionele partijen, wat hen steeds meer kiezers kost. In deze context worden vormen van directe democratie, zoals volksraadplegingen, vaak voorgesteld als een oplossing om beleid dichter bij de burgers te brengen. Dit roept de vraag op of politieke partijen hun invloed en macht tijdens deze raadplegingen werkelijk vrijwillig afstaan, of dat ze proberen hun positie te behouden door actief kiezers te mobiliseren.

Tot nu toe ontbreekt het aan systematisch onderzoek naar de mate en richting van deze mobilisatie door partijen tijdens lokale volksraadplegingen. Dit onderzoek beoogt deze leemte te vullen door lokale volksraadplegingen in Vlaanderen tussen 1995 en 2023 te bestuderen. Aan de hand van krantenonderzoek is een dataset samengesteld met relevante variabelen op het gebied van gemeenten, volksraadplegingen en partijkenmerken.

De analyses onthullen dat factoren zoals een linkse ideologie, eerdere ervaring met volksraadplegingen, de grootte van de gemeente en de competitiviteit van het politieke landschap een significante invloed hebben op de mobilisatiekracht van partijen. Deze bevindingen bieden waardevolle inzichten voor zowel maatschappelijke als academische discussies over de dynamiek tussen representatieve en participatieve democratie. Dit onderzoek levert een belangrijke bijdrage aan de vraag hoe politieke partijen zich positioneren in een steeds meer participatieve democratische context.
Meer lezen

Lookism en de Assepoesterbepaling Een studie naar de toepassing van artikel 14 EVRM bij discriminaties wegens fysieke kenmerken (lookism)

KU Leuven
2024
Marie
Eglem
  • Marie
    Eglem
Lookism is een discriminatievorm waarbij gediscrimineerd wordt op grond van het uiterlijk van mensen. Over het onderwerp is al veel inkt gevloeid, maar over de stand van zaken met betrekking tot lookism op Europees mensenrechtelijk niveau is er echter weinig tot geen informatie vindbaar. Bijgevolg onderzocht ik in mijn scriptie, bij wijze van exploratief onderzoek, hoe en in welke mate artikel 14 EVRM beschermt tegen situaties van lookism.
Meer lezen

Klassieke media versus sociale media: Een vergelijkend onderzoek naar de relatie tussen het recht en de democratische rol van media

Vrije Universiteit Brussel
2024
Max
Van Den Bosch
Deze scriptie bevat een vergelijkend juridisch onderzoek naar klassieke en sociale media. Vanuit het onderzoek naar de democratische rol van beide types media, vergeleek ik de juridische kaders van klassieke en sociale media.
Meer lezen

Informatie van inlichtingendiensten: bewijs of inlichting in een strafprocedure en het recht van verdediging?

Universiteit Gent
2024
Benoît
Van Cauwenberghe
Informatie van inlichtingendiensten is op diverse manieren bruikbaar in een strafprocedure. De informatie kan enerzijds aangewend worden als start-, richt- of sturingsinformatie voor het onderzoek, en anderzijds als bewijs in rechte dienen. Echter worden inlichtingendiensten gekenmerkt door de beperkte openheid die zij aan de dag leggen. Bijgevolg kunnen er fricties ontstaan met het recht op een eerlijk proces en de rechten van verdediging. Het onderzoek heeft getracht deze punten te onderzoeken.
Meer lezen

Prevalentie en context van bijtincidenten door honden (Canis lupus familiaris) bij mensen in West-Vlaanderen

Hogeschool VIVES
2024
Manuela
Landerwyn
Mijn bachelorproef, getiteld "Prevalentie en context van bijtincidenten door honden (Canis lupus familiaris) bij mensen in West-Vlaanderen", onderzoekt de incidentie en omstandigheden van hondenbeten in deze regio. De resultaten van dit onderzoek bieden waardevolle inzichten die kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van preventiemaatregelen, die niet alleen de veiligheid van mensen verhogen, maar ook het welzijn van honden kunnen waarborgen.
Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van een uitgebreide online enquête, gericht op de inwoners van West-Vlaanderen. Het doel was om de prevalentie van bijtincidenten door honden in kaart te brengen en inzicht te krijgen in de specifieke context waarin deze incidenten plaatsvinden. Er werd informatie verzameld over zowel de kenmerken van de slachtoffers als van de honden die betrokken waren bij de bijtincidenten.
Uit het onderzoek bleek dat 19,8% van de respondenten (n= 1240) in het afgelopen jaar minstens één keer was gebeten door een hond. Opvallend is dat de meerderheid van de slachtoffers vrouwen zijn, met een piek in de leeftijdscategorie van 21 tot 30 jaar. Mannelijke honden waren verantwoordelijk voor 63% van de bijtincidenten. Vooral Duitse herdershonden en Border Collies waren betrokken bij een bijtincident. Dit suggereert dat geslacht en ras mogelijk risicofactoren zijn, hoewel het belangrijk
is te benadrukken dat elke hond onder bepaalde omstandigheden kan bijten.
Wat betreft de context van de incidenten, werd 58% van de beten veroorzaakt door een hond die niet tot het huishouden van het slachtoffer behoorde. In 72% van deze gevallen kende de hond het slachtoffer niet, wat wijst op onbekendheid tussen mens en hond als een belangrijke risicofactor. Verder bleek dat de meeste beten plaatsvonden in niet-openbare omgevingen, zoals de privéwoning of tuin. Dit benadrukt het belang van toezicht en de juiste omgang met honden in de thuissituatie. Interessant is dat voer-gerelateerde incidenten relatief zeldzaam waren, slechts zo’n 8%.
In 63% van de gevallen was medische hulp nodig, variërend van zelfzorg tot ziekenhuisopname. Naast fysieke verwondingen werden er ook emotionele gevolgen gerapporteerd, zoals verhoogde angst of wantrouwen tegenover honden. Echter, 42% van de slachtoffers meldde dat ze geen blijvende emotionele schade opliepen ten gevolgen van het bijtincident.
Met dit onderzoek hoop ik bij te dragen aan de kennis over hondenbeten en een basis te bieden voor de ontwikkeling van preventieve maatregelen. Deze maatregelen moeten niet alleen gericht zijn op het verminderen van hondenbeten, maar ook op het verbeteren van het welzijn van honden. Door beter inzicht te krijgen in de risicofactoren en de omstandigheden waaronder honden zich gedwongen voelen om te bijten, kunnen beleidsmakers en hondeneigenaren samen werken aan een veiligere en gezondere omgeving voor zowel mens als dier. Het onderzoek benadrukt ook het belang van educatie over hondengedrag, zodat eigenaren en hun omgeving beter in staat zijn om subtiele signalen van ongemak of agressie bij hun hond te herkennen en te voorkomen dat situaties escaleren tot bijtincidenten.
Meer lezen

Van pen tot prompt: academisch schrijven met ChatGPT

KU Leuven
2024
Lotte
Uyttenbroeck
Schrijven is een cognitieve vaardigheid die niet alleen een diepgaand begrip van taal en grammatica vraagt maar ook het vermogen om ideeën helder over te brengen. Binnen de cognitieve en ontwikkelingspsychologie bestuderen wetenschappers al decennialang schrijfmodellen om dat proces te schetsen (Flower & Hayes 1980; Bereiter & Scardamalia 1987; Engeström 1987; Zimmerman & Risemberg 1997). Technologische innovaties veranderen de aard van het schrijfproces echter en zorgen voor conceptuele verschuivingen (Cummings 2023). Binnen de academische gemeenschap neemt schrijfvaardigheid een essentiële plaats in aangezien veel kennis schriftelijk geëvalueerd en gepresenteerd wordt. Er is bijgevolg ook een specifiek academisch register met eigen stijlkenmerken (Van Kalsbeek & Kuiken 2014). Ondanks het belang van deze vaardigheid, signaleren onderzoeken dat die daalt bij studenten (Berckmoes & Rombout 2009; De Bakker et al 2015). Het is daarom essentieel om te onderzoeken welke digitale ondersteuningsmechanismen beschikbaar zijn voor studenten (Allen et al. 2016; Strobl 2019) en welke rol generatieve artificiële intelligentie (GenAI) daarin kan spelen sinds november 2022 (Su et al. 2023). De onderzoeksvragen luiden dan ook “In welke mate en voor welke doeleinden schakelen (on)ervaren academische schrijvers GenAI in voor academische schrijfopdrachten?” en “Wat is de houding van (on)ervaren academische schrijvers ten opzichte van GenAI?”

Om een antwoord te bieden op die onderzoeksvragen, heeft deze masterproef kwantitatief en kwalitatief onderzoek gecombineerd. Een online enquête met stellingen in matrixtabellen (studie A) wordt verdiept aan de hand van schrijfopdrachten waarbij 11 studenten ChatGPT gebruiken en in real time geobserveerd worden met think aloud protocols (studie B). De enquête, afgenomen bij 258 studenten sociale wetenschappen of letteren aan de KU Leuven, toont dat de grote meerderheid vooral bekend is met ChatGPT en ongeveer 60% het inzet voor academische schrijfopdrachten. Ze geven aan het vooral te gebruiken tijdens de pre-writing en writing-fasen om concepten uit te leggen, te brainstormen en teksten te verrijken. Ze vinden het een handig hulpmiddel maar zijn ook sceptisch over de betrouwbaarheid en academische integriteit van de gegenereerde inhoud. Ervaren schrijvers (n = 188) rapporteren een frequenter gebruik dan onervaren schrijvers (n = 60) voor alle doeleinden behalve het zoeken van bronnen en staan positiever ingesteld tenzij over het leerverlies en de duidelijkheid van de richtlijnen. Studie B laat zien dat studenten ook synoniemen opzoeken en hele teksten door GenAI laten genereren om die vervolgens te reviseren, waarbij gedrag sterk varieert per individu en geen link met de academische ervaring lijkt te vertonen. Ze gebruiken GenAI als aanvulling in een arsenaal van hulpmiddelen en de resultaten tonen aan dat de gangbare theoretische schrijfmodellen herzien moeten worden. Ook valt op dat sterke schrijfvaardigheden essentieel blijven bij het beoordelen van de output en sommige deelnemers hier voldoening uithalen en verkiezen alles zelf te schrijven. Uit studie B blijkt dat het formuleren van prompts een vaardigheid op zich is die tekortkomingen vertoont. Het hoger onderwijs moet zich zeker ook richten op het aanleren van prompt engineering en een betere kadering bieden van toegestaan gebruik van GenAI in schrijfopdrachten
Meer lezen