Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Trends in opnames en overlevingskansen bij raamslachtoffers in Opvangcentrum vogels en wilde dieren Oostende

Hogeschool VIVES
2025
Angel
Molendijk
De druk op vogelpopulaties neemt wereldwijd toe door een breed scala aan menselijke invloeden, variërend van grootschalig verlies van leefgebied tot directe sterfte door factoren als vervuiling en infrastructuur. Deze gecombineerde stressfactoren leiden op grote schaal tot de afname van vogelpopulaties. De impact hiervan mag niet onderschat worden aangezien vogels zowel ecologisch als economisch een cruciale rol spelen voor mens en milieu.

Raamcollisies zijn wereldwijd een belangrijke, maar vaak onderschatte oorzaak van vogelsterfte. Ondanks toenemende wetenschappelijke aandacht blijft Europese data schaars, waardoor het moeilijk is om de impact volledig in te schatten. Deze studie wil daaraan bijdragen door trends in aantallen en overlevingskansen van raamslachtoffers te analyseren op basis van een unieke langetermijndataset (1984–2024) uit het Opvangcentrum voor Vogels en Wilde Dieren Oostende.

In totaal werden 3.804 gevallen van raamimpact bij inheemse vogelsoorten onderzocht. De resultaten laten een duidelijke toename zien in het aantal jaarlijkse opnames. Die stijgende trend kan slechts deels verklaard worden door factoren zoals een hogere meldingsbereidheid en de grotere bekendheid van het VOC. Ook het aandeel raamslachtoffers binnen het totaal aantal opnames nam toe, wat wijst op een structureel groeiend probleem.

Raamimpact bleek sterk seizoensgebonden: de meeste opnames vonden plaats in de herfst, gevolgd door zomer en lente. Vooral trekvogels, en dan met name nachtelijke trekkers, waren oververtegenwoordigd. De houtsnip (Scolopax rusticola), goudhaan (Regulus regulus) en zanglijster (Turdus philomelos) kwamen opvallend vaak voor. De houtsnip was met 651 opnames (17%) de meest getroffen soort, veel meer dan verwacht op basis van haar aandeel in de Belgische vogelpopulatie. Door gedrags- en lichaamskenmerken, zoals lage vlucht en beperkt binoculair zicht, is de soort bijzonder kwetsbaar voor botsingen.

Slechts de helft van de opgenomen slachtoffers kon opnieuw worden vrijgelaten. Overlevingskansen varieerden per soort en seizoen, en waren het hoogst in de herfst. Tegelijkertijd viel op dat soorten zoals de huismus (Passer domesticus) en groene specht (Picus viridis) veel lagere overlevingskansen hadden.

De studie bevestigt dat raamimpact geen selectieve doodsoorzaak is aangezien zowel algemene als bedreigde soorten worden getroffen. Zo behoorde 17% van de slachtoffers tot Rode Lijst-soorten. Bovendien tonen de opvangcijfers slechts een deel van het werkelijke beeld. Veel vogels sterven ter plaatse of blijven onopgemerkt, waardoor het totale sterftecijfer aanzienlijk hoger ligt.

Hoewel raamimpact zelden als klassiek dierenwelzijnsprobleem wordt erkend, veroorzaakt het vaak ernstig trauma en onzichtbare verwondingen. Vanuit zowel ecologisch als ethisch oogpunt is preventie daarom noodzakelijk. Deze studie laat zien dat systematische analyse van opvangdata waardevolle inzichten biedt voor risico-inschatting en beleid. Vogelvriendelijke architectuur, aangepaste verlichting en standaardisering van registratie bij opvang zijn cruciale pijlers voor een geïntegreerde aanpak van deze onderschatte vorm van dierenleed en biodiversiteitsverlies.
Meer lezen

Development of Braided Peltier Devices to Achieve Thermoelectric Cooling in Shape Memory Alloy Actuation Mechanisms

Universiteit Gent
2025
Cynthia
Wang
This dissertation investigates the design and development of braided Peltier devices for achieving active thermoelectric cooling in shape memory alloy (SMA) actuation mechanisms. The research focuses on the integration of periodically nickel-electroplated thermoelectric fibres into flexible braided textile structures that thermally couple and act as a sheath to SMA wires. By leveraging the Peltier effect within the braid architecture, the system is designed to enhance the thermal management and dynamic response of the SMA-based actuators. The work includes fibre fabrication, braid prototyping, electrical and thermal characterisation, and performance testing of the integrated thermoelectric-SMA smart textile. Results indicate that while passive thermoelectric integration modestly improves actuation timing and force response, active Peltier cooling alone was unable to overcome the dominant effects of Joule heating in the current system. Nonetheless, the trends observed suggest potential for improving thermal management in smart textile systems through enhanced thermoelectric design. The findings contribute to the advancement of flexible, textile-integrated thermoelectric devices and their application in wearables and responsive materials.
Meer lezen

Using common gen-AI tools to generate reading materials for A2-level ESL learners.

Universiteit Gent
2025
Annelies
Pandelaers
De toenemende beschikbaarheid van generatieve artificiële intelligentie (genAI) biedt taalonderwijzers nieuwe mogelijkheden om leesmateriaal op maat van hun leerlingen te ontwikkelen. Deze masterpraktijkproef onderzoekt of vrij toegankelijke gen-AI-platformen (met name ChatGPT en Google Gemini) in staat zijn om Engelstalige leesteksten te genereren die aansluiten bij het ERK niveau A2. Via een vergelijkende corpusanalyse werden AI-gegenereerde teksten geëvalueerd tegenover teksten uit twee gevestigde bronnen: Vlaamse handboeken en het Key A2 English-examen van Cambridge. De lexicale profilering gebeurde met behulp van AntWordProfiler om de woorddekkingsgraad van elke tekst te analyseren. Uit de resultaten van dit beperkte corpus blijkt dat de AI-gegenereerde teksten een hogere lexicale dekking bereikten dan de handboek- en examenteksten. De AI-teksten benaderden de drempel van 95% dekking die volgens het Coverage Comprehension Model noodzakelijk wordt geacht voor tekstbegrip. De teksten gegenereerd door Google Gemini bleken lexicaal sterker en beter afgestemd op pedagogische richtlijnen dan die van ChatGPT. De bevindingen suggereren dat genAI, mits aangestuurd door zorgvuldig geformuleerde prompts, inderdaad niveau-adequate teksten kan produceren. Dit kan mogelijk de werklast van leerkrachten verlichten en hen in staat stellen om leesteksten af te stemmen op specifieke onderwerpen of onderwijsnoden. Deze studie formuleert praktische richtlijnen voor promptontwikkeling en benadrukt de nood aan verder praktijkgericht onderzoek naar het begrip en de ervaring van AI-gegenereerde teksten door leerlingen.
Meer lezen

Hoe slimme kleuringen een zeldzame darmziekte bij baby’s zichtbaar maken

Erasmushogeschool Brussel
2025
Ramshah
Sabir Hussain
De ziekte van Hirschsprung (HD) is een zeldzame aangeboren darmaandoening waarbij zenuwcellen (ganglioncellen) ontbreken in een deel van de dikke darm. Dit veroorzaakt een stilgevallen darmwerking met ernstige gevolgen voor pasgeborenen. Een correcte en snelle diagnose is van cruciaal belang, maar vormt een uitdaging doordat weefselstructuren bij baby’s vaak onrijp zijn en foutieve interpretaties tot verkeerde behandelingen kunnen leiden.

In mijn bachelorproef onderzocht ik in samenwerking met het CHU Brugmann ziekenhuis in Brussel vijf patiëntencasussen waarbij rectumbiopten werden geanalyseerd met drie microscopische technieken: de klassieke hematoxyline-eosine-saffraan (HES)-kleuring, acetylcholinesterase (AChE)-histochemie en calretinine-immunohistochemie. Uit dit onderzoek bleek dat calretinine de meest betrouwbare methode is om ganglioncellen zichtbaar te maken, vooral bij jonge baby’s of technisch moeilijke stalen. Bovendien biedt calretinine praktische voordelen doordat het toepasbaar is op paraffinecoupes, in tegenstelling tot AChE dat vriescoupes vereist.

De resultaten tonen aan dat een gestandaardiseerde combinatie van technieken nodig is om foutieve diagnoses te vermijden. Vooral calretinine-IHC als basis, aangevuld met HES of AChE, blijkt een krachtige strategie. Daarmee draagt dit onderzoek bij aan een snellere, betrouwbaardere en wereldwijd toegankelijkere diagnostiek van Hirschsprung, wat rechtstreeks het leven van getroffen kinderen kan redden of verbeteren.
Meer lezen

Turning learning data into meaningful Learning Analytics Dashboards

KU Leuven
2025
Jonas
Van Hove
Genomineerde longlist mtech+prijs
Genomineerde longlist Vlaamse Scriptieprijs
Genomineerde shortlist Klasseprijs
Competentiegericht onderwijs (CBE) wordt steeds vaker toegepast in het Vlaams secundair
onderwijs. Voor leerkrachten brengt dit uitdagingen met zich mee bij het interpreteren
van leerlinggegevens en het nemen van gepaste acties. Deze masterproef onderzoekt
hoe een learning analytics dashboard (LAD) leerkrachten kan ondersteunen tijdens
klassenraden, waar belangrijke beslissingen over leerlingen genomen worden.
Via een participatief ontwerpproces werd CLAIRE ontwikkeld, een proof-of-concept
dashboard. Dit dashboard sluit aan bij het Vlaamse competentiekader en is technisch
ge¨ıntegreerd met Moodle, het leerplatform van de partnerschool. Het ontwerp richtte
zich op gebruiksvriendelijkheid, visuele helderheid en praktische toepasbaarheid in het
dagelijkse lesgebeuren.
Feedback van leerkrachten wees op de nood aan duidelijke inzichten, intu¨ıtieve interfaces
en ondersteuning bij het opvolgen van leertrajecten op verschillende niveaus. Hoewel
artifici¨ele intelligentie werd verkend als mogelijke uitbreiding, ligt de focus in het uiteindelijke
prototype op begrijpelijke en bruikbare visualisaties van leerdata.
Kwalitatieve evaluatie toonde aan dat leerkrachten het visuele overzicht erg nuttig
vonden en de duidelijke structuur van competenties per vakgebied sterk waardeerden. Iteratieve
prototyping bracht het belang aan het licht van minimale manuele input, voortgangsvisualisaties
en flexibele filters die aansluiten bij de dagelijkse praktijk. Tijdens een
feedbacksessie op school werd het ontwerp van CLAIRE positief onthaald; leerkrachten
gaven aan dat het dashboard het analyseren van leerlinggegevens aanzienlijk vereenvoudigt.
Deze thesis levert een bijdrage aan het ontwerpen van gebruiksvriendelijke dashboards
voor leerkrachten en biedt concrete richtlijnen voor datagedreven besluitvorming binnen
CBE-contexten.
Meer lezen

"Un genre qui lui appartient en toute propriété." Marie-Antoinette Marcotte (1867-1929) en de weergave van de serre in de West-Europese schilderkunst tussen 1850 en 1930.

Universiteit Gent
2025
Marie
Harteel
Aan het einde van de 19e eeuw maakte de Frans-Belgische kunstenares Marie-Antoinette Marcotte haar handelsmerk van een uniek artistiek onderwerp: de serre. Talloze contemporaine recensies prijzen haar talent om de zonnige kleuren en broeierige atmosfeer op doek vast te leggen. Het originele onderwerp speelde tegelijk in op de maatschappelijke belangstelling voor de serrecultuur in Europa. Aan de hand van historisch en iconografisch onderzoek van het oeuvre van Marcotte en een 100-tal schilderijen door andere Europese kunstenaars wordt nagegaan hoe verschillende waarden, praktijken en sociale problematieken omtrent de serrebouw in de West-Europese samenleving tussen 1850 en 1930 in de schilderkunst zichtbaar worden. Het uitgangspunt van dit onderzoek is om primaire bronnen, archiefmateriaal en secundaire literatuur te combineren met iconografische analyse om de artistieke afbeelding van serres diepgaand te begrijpen.

Het eerste hoofdstuk belicht de sociaalhistorische bestaansvoorwaarden die de idylle van de serrecultuur mogelijk maken. Zowel de lokale en internationale populariteit van horticulturele tentoonstellingen als de koloniale botanica worden onderzocht. Om de planten in leven te houden was verder veel werk en zorg nodig. Afbeeldingen van de arbeidersklasse in de serres zijn uitzonderlijk, maar vormen belangrijke getuigenissen van het anders onzichtbare werk dat beladen is met complexe sociale en genderdynamieken. De actieve arbeid die in de schilderijen terug te vinden is, is op zijn best in een verwaterde versie herkenbaar in afbeeldingen van de bourgeoisie in de plantenkas.
Hoofdstuk twee belicht de weergave van de burgerij, voor wie de serres vooral ruimtes waren voor vrijetijd en ontspanning, alleen of met gezelschap. Daarnaast was de serre een locus van sociale interactie. Gaande van intieme relaties in de domestieke plantenkassen tot zien en gezien worden in de publieke wintertuinen, en van moederschap tot romantische allusies – de schilderijen brengen een brede waaier aan interpersoonlijke dynamieken in beeld.
In het laatste hoofdstuk wordt Marcottes oeuvre geanalyseerd vanuit een specifiek kunsthistorisch standpunt: het genre van het serreschilderij wordt uitgeklaard vanuit het perspectief van het bloemstuk en de daarmee geassocieerde genrehiërarchie en genderconnotaties. Ondanks dit traditioneel verwantschap worden conventies uitgedaagd door de vormelijke kracht van de architectuur enerzijds en de symbolische verbondenheid ervan aan ideeën van technologische vooruitgang en moderniteit anderzijds.

Gekaderd in de kunsthistorische evolutie van het bloemstuk, de sociaalhistorische relevantie van de serrebouw en het werk van haar tijdgenoten toont dit onderzoek de relevantie aan van Marcottes deeloeuvre als zijnde zowel vernieuwend als symptomatisch voor de tijdsgeest waarin het gemaakt werd.
Meer lezen

Familiale vermogensplanning via een maatschap

Hogeschool West-Vlaanderen
2025
Jari
Diet
Deze bachelorproef onderzoekt de maatschap als instrument binnen familiale vermogensplanning. De centrale vraag luidt hoe deze rechtsvorm optimaal kan worden ingezet om vermogen fiscaal voordelig en juridisch sluitend over te dragen naar de volgende generatie, zonder dat de ouders hun controle volledig verliezen.

Het theoretische luik schetst eerst het juridische kader: de oprichting, werking en beëindiging van een maatschap, met bijzondere aandacht voor de contractuele vrijheid, stemrechten, de rol van de zaakvoerder en de vereisten rond boekhouding en administratieve verplichtingen. Vervolgens worden de fiscale aspecten geanalyseerd, waaronder de erfbelasting, de toepassing van de antimisbruikbepaling en de spanningslijn tussen controle en overdracht. Ook alternatieve technieken, zoals de beheersvolmacht, worden besproken.

In het praktijkgedeelte wordt een casus uitgewerkt waarbij een gezin zijn effectenportefeuille overdraagt via een maatschap. De financiële vergelijking toont dat een zorgvuldig uitgewerkte maatschap een aanzienlijke besparing in erfbelasting oplevert, oplopend tot bijna €188.000, ondanks de oprichtings- en begeleidingskosten.

De thesis besluit dat de maatschap een krachtig en flexibel instrument blijft binnen familiale vermogensplanning. Wel is maatwerk onmisbaar: overmatige controle door de ouders kan leiden tot fiscale herkwalificatie en nadelige gevolgen. Met de juiste balans tussen controle en afstand biedt de maatschap families een duurzame en fiscaal voordelige manier om hun vermogen over te dragen.
Meer lezen

The impact of artificial intelligence on the cost of radiotherapy in low- and middle-income countries

Universiteit Gent
2025
Thyra
Vermorgen
This master’s thesis explores how artificial intelligence (AI) can help address economic
and operational barriers to radiotherapy in low and middle income countries (LMICs),
where access is limited despite a rising cancer burden. A major obstacle in these regions is the shortage of trained professionals and the high cost of treatment planning
and delivery.
The study evaluates whether the Radiotherapy Planning Assistant (RPA), an AI based
tool, can improve efficiency and reduce costs in LMIC radiotherapy departments. Data
from four centres in the ARCHERY study,covering cervical, head and neck, and prostate
cancers, were analysed using the ESTRO HERO Time Driven Activity Based Costing
(TDABC) model. Simulations modelled planning time reductions of 70 percent, 80 percent, and 90 percent for eligible tumour types.
Baseline results showed equipment as the dominant cost driver, limiting overall cost
reductions. However, time savings from AI integration improved treatment planning
system availability and reduced staff workload. These gains suggest enhanced efficiency and capacity, especially in high volume settings. While AI may not yield large
financial savings alone, it alleviates key bottlenecks and supports workforce optimisation, provided infrastructure and system capacity are strengthened.
Meer lezen

Hunting the internal magnetic field of the β Cep HD 192575

KU Leuven
2025
Jelle
Vandersnickt
Sterren zijn er van alle formaten: van kleine, lichte sterren zoals onze Zon tot sterren tientallen of zelfs honderdtallen keer zwaarder. Zware sterren spelen een belangrijke rol in het universum. Ze produceren namelijk alle elementen van helium tot ijzer. Na hun relatief korte levensduur van ongeveer 10 miljoen jaar sterven ze in een indrukwekkende supernova. Ze laten dan een neutronenster of zwart gat achter: mysterieuze objecten die zwaartekrachtgolven kunnen voortbrengen. Het bestuderen van zware sterren is dus relevant voor vele aspecten van de astrofysica.

Asteroseismologie bestudeert de opbouw van sterren door het meten van sterbevingen. Net zoals aardbevingen een verhaal vertellen over de binnenkant van de Aarde, geven sterbevingen informatie over de structuur van sterren. Ondanks de belangrijke rol die zware sterren spelen, zijn er nog maar enkelen in detail bestudeerd aan de hand van asteroseismologie.

Deze thesis rapporteert over de eerste gedetailleerde asteroseismische studie van een zware ster die rekening houdt met een intern magnetisch veld. De zware ster in kwestie, HD192575, vertoont een patroon in zijn sterbevingen dat nog niet volledig begrepen was. Deze thesis onderzoekt of dit afwijkend patroon een gevolg kan zijn van een intern magnetisch veld in de ster. Vertrekkende van bestaande modellen van HD192575 modelleren we de effecten van rotatie en magnetisme op de sterbevingen en zoeken we de best passende modellen.

We vonden dat het patroon in de sterbevingen best verklaard kan worden door de combinatie van rotatie en een magnetisch veld. Wat opvalt is dat de ster draait rond een andere as dan de magnetische as tussen de noord- en zuidpool van het magnetische veld. De bekomen rotatiesnelheid van de ster sluit nauw aan bij vorige resultaten en de waarden van het magnetische veld zijn in lijn met verwachtingen uit de theorie. Dit werk presenteert de eerste asteroseismische modellering ooit van een zware ster met zowel rotatie als een intern magnetisch veld. De resultaten zijn een eerste stap naar breder onderzoek over magnetische velden in zware sterren. Dit zal tot nieuwe inzichten leiden in de evolutie en rotatie van zware sterren.
Meer lezen

Bouwen aan vertrouwen: de wisselwerking tussen politie en socio-preventieve actoren in de strijd tegen radicalisering in West-Vlaanderen

Universiteit Gent
2025
Zoë
Bouttry
Inleiding en literatuuroverzicht
Sinds 9/11 is de beleidsaandacht voor radicalisering aanzienlijk toegenomen. In België leidde dit tot de oprichting van een multidisciplinair coördinatieorgaan, dat zowel preventieve als repressieve benaderingen hanteert. Vertrouwen wordt daarbij gezien als de sleutel tot succesvolle samenwerking en effectieve resultaten. Het is dan ook cruciaal om te onderzoeken hoe vertrouwen wordt opgebouwd en hoe mogelijke barrières daarbij worden aangepakt. De context waarin deze coördinatie plaatsvindt, kan bovendien beïnvloed worden door uiteenlopende factoren, zoals politieke dynamieken, bevolkingsgroei en casusgebonden verschillen. De specifieke impact van deze factoren is echter nog niet onderzocht in Vlaanderen. Dit onderzoek heeft tot doel beide elementen te bestuderen door de volgende onderzoeksvraag te beantwoorden:
‘Hoe beïnvloedt het niveau van vertrouwen tussen politie en socio-preventieve actoren de effectiviteit van hun samenwerking bij de preventie van radicalisering in gemeenten in West-Vlaanderen?’

Methodologie
Deze masterproef maakt gebruik van semigestructureerde, kwalitatieve interviews. In totaal werden tien interviews afgenomen, waarvan de transcripties nadien geanalyseerd werden met behulp van NVivo. De respondenten werden geselecteerd uit verschillende gemeenten in West-Vlaanderen.

Resultaten
Uit de analyse kwamen twee belangrijke thema’s naar voren: de rol van vertrouwen in multidisciplinaire samenwerking rond radicaliseringspreventie en de contextuele factoren die deze samenwerking beïnvloeden.

Het eerste thema betreft vertrouwen. De meeste gemeenten rapporteren een sterk vertrouwen, opgebouwd door rechtstreeks contact, duidelijke afspraken, open communicatie, netwerking, stabiliteit en alertheid voor valkuilen. Eén gemeente, die zich nog in een beginfase bevindt, is nog bezig deze basis te leggen. Wantrouwen kan echter ontstaan, vooral bij partners die verbonden zijn aan onderwijsinstellingen. Ook personeelswissels kunnen wantrouwen in de hand werken.

Het tweede thema gaat in op de contextuele factoren. Sinds de verkiezingen van oktober 2024 zijn er in enkele gemeenten bestuurderswissels geweest. Deze veranderingen hebben geleid tot logistieke aanpassingen, zoals de vergaderfrequentie, maar niet tot een verminderde prioriteit. Casusgebonden verschillen worden vooral gestuurd door supralokale fenomenen, niet door veranderingen binnen de gemeenten zelf. Ten slotte blijkt dat veel gemeenten geen systematische evaluatieprocessen hanteren, waardoor mogelijkheden om de effectiviteit van hun aanpak te beoordelen en verbeteren beperkt blijven.

Conclusie
Dit onderzoek benadrukt de centrale rol van vertrouwen in de samenwerking tussen politie en socio-preventieve actoren, aangezien dit rechtstreeks invloed heeft op informatie-uitwisseling en operationele slagkracht. Externe factoren, zoals de beschikbaarheid van middelen en de politieke context, dragen sterk bij aan verschillen in effectiviteit tussen gemeenten. Belangrijke uitdagingen zijn blijvend wantrouwen, het ontbreken van systematische evaluaties en complexiteiten zoals bovenlokale dossiers. Het aanpakken van deze tekortkomingen is essentieel om de impact van de LIVC-R-werkingen in West-Vlaanderen te versterken.
Meer lezen

Samen bouwen aan klasmanagement. De ondersteunende rol van schoolbeleid

Universiteit Antwerpen
2025
Karlien
Tiebout
Klasmanagement vormt een van de grootste uitdagingen in het onderwijs, met een directe impact op leerprestaties en welzijn van leerlingen en leraren. Waar klasmanagement traditioneel wordt beschouwd als een individuele competentie van leraren, toont recent onderzoek een verschuiving naar schoolbrede benaderingen. Deze studie onderzoekt welk beleid basisscholen met sterk klasmanagement voeren om leraren te ondersteunen en welke maatregelen leraren als ondersteunend ervaren.
Via een kwalitatief exploratief onderzoek werden semi-gestructureerde interviews afgenomen met schoolleiders en leraren van vijf basisscholen die schoolbreed sterk presteren op klasmanagement.
De onderzochte scholen kenmerken zich door een bewuste evolutie van reactief naar proactief klasmanagementbeleid. Die verschuiving werd vaak ingegeven door urgentie en door inzichten uit de cognitieve psychologie. Alle scholen investeren sterk in structuur en schoolbrede routines, maar hanteren twee verschillende benaderingen: een expliciete gestandaardiseerde aanpak met gedetailleerde richtlijnen versus een meer impliciete aanpak via observatie en informele uitwisseling. Leraren ervaren gemeenschappelijke routines, gedeelde verwachtingen en concrete ondersteuningsmaterialen als meest ondersteunend. Daarnaast waarderen zij professionalisering via collegiale ondersteuning, coaching en expertiserollen, waarbij tijd voor implementatie als cruciale voorwaarde wordt benoemd.
Effectief klasmanagement blijkt geen louter individuele opdracht maar wordt mede mogelijk gemaakt door doordacht schoolbeleid. De combinatie van structuur en warme relaties, ondersteund door gemeenschappelijke afspraken, gerichte professionalisering en betrokken leiderschap, creëert een omgeving waarin leraren zich ondersteund voelen. Deze bevindingen bieden concrete handvatten voor schoolleiders en teams om klasmanagement als gedeelde verantwoordelijkheid aan te pakken.
Meer lezen

Financieringsstrategieën voor kapitaalintensieve sectoren: een onderzoek naar investeringsrationalisatie in de wijnbouw

Universiteit Hasselt
2025
Tom
Sleutjes
De Belgische wijnindustrie wordt gekenmerkt door hoge kapitaalvereisten, wat de instapdrempel voor nieuwe wijnproducenten aanzienlijk verhoogt. In deze masterproef is onderzocht welke financieringsstrategieën de kapitaalbehoefte van wijnproducenten kunnen verlagen en de toetreding tot de sector toegankelijker kunnen maken.

Er is gekozen voor een kwalitatieve onderzoeksopzet waarbij 12 semigestructureerde interviews zijn afgenomen met drie groepen respondenten (wijnbouwers, bankiers en wijnadviseurs) om inzichten te verkrijgen vanuit diverse perspectieven. De interviewdata zijn thematisch geanalyseerd.

Uit het onderzoek blijkt dat traditionele bankfinanciering voor wijnondernemers vaak lastig te verkrijgen is vanwege strenge voorwaarden en risico-inschattingen. Alternatieve financieringsvormen, zoals coöperatieve modellen, crowdfunding en blended finance, tonen echter belangrijk potentieel om de kapitaalbehoefte te verlichten. Daarnaast komt naar voren dat schaalvergroting en een gefaseerde groeistrategie cruciaal zijn. Ten slotte benadrukken zowel bankiers als producenten de toenemende rol van duurzaamheid en ESG-criteria in financieringsbeslissingen.

De bevindingen suggereren dat een doordachte mix van traditionele en innovatieve financieringsstrategieën de kapitaalbarrières in de Belgische wijnindustrie aanzienlijk kunnen verlagen. Door investeringen te optimaliseren, alternatieve financieringsbronnen in te schakelen en klassieke kredietvormen beter af te stemmen op de lange terugverdientijd van wijn, ontstaat er een toegankelijker financieringsklimaat.
Meer lezen

De rol van familie: toeschouwer of speler?

Hogeschool PXL
2025
Tess
van Putte
  • Leen
    Vandeweyer
  • Elize
    Ambroes
Deze bachelorproef onderzoekt de rol van familie binnen de fysieke revalidatie en vergelijkt praktijken in België (Campus Pellenberg, AZ Diest) en Ghana (Tamale Teaching Hospital). Familieparticipatie wordt hierbij breed gedefinieerd, inclusief mantelzorgers en naasten, en geanalyseerd vanuit het Person-Environment-Occupation (PEO)-model en het Evidence-Based Practice (EBP)-model.
Het onderzoek combineert een literatuurstudie met praktijkonderzoek via semigestructureerde interviews met patiënten en ergotherapeuten. Resultaten tonen dat familie op verschillende manieren betrokken wordt: via emotionele steun, praktische hulp of zorggerichte taken. In België bestaan meer formele initiatieven zoals het project Partner in Zorg, terwijl familieparticipatie in Ghana vooral cultureel verankerd en informeel georganiseerd is.
De bevindingen wijzen op zowel kansen als uitdagingen: familie kan motivatie, herstel en verbondenheid versterken, maar er zijn ook obstakels zoals tijdsdruk, beperkte training en communicatieproblemen. Culturele en organisatorische factoren bepalen sterk de invulling van participatie.
De studie besluit dat familieparticipatie een cruciale rol speelt in het revalidatieproces, maar dat een goede balans nodig is tussen autonomie van de patiënt en de betrokkenheid van familie. Voor de ergotherapiepraktijk betekent dit dat effectieve communicatie, educatie van mantelzorgers en contextgevoelige benaderingen essentieel zijn om familie van toeschouwer naar actieve speler te laten evolueren.
Meer lezen

Machine Learning Small Datasets for Cu Nanoparticles: enhancing Experimental and Computational lab-scale data

Universiteit Hasselt
2025
Brent
Motmans
Koper-nanodeeltjes (Cu NP's) hebben een brede toepasbaarheid, maar hun synthese is gevoelig voor kleine veranderingen in reactieparameters. Deze gevoeligheid, in combinatie met het tijdrovende en arbeidsintensieve karakter van experimentele optimalisatie, vormt een grote uitdaging voor reproduceerbare synthese met gecontroleerde deeltjesgrootte. Bovendien is Machine Learning (ML) weliswaar veelbelovend gebleken voor materiaalonderzoek, maar wordt toepassing ervan vaak beperkt door gebrek aan hoogwaardige experimentele datasets. Deze studie onderzoekt ML om de grootte van Cu NP’s gevormd met microgolf geassisteerde polyolsynthese te voorspellen met kleine datasets, gegenereerd uit 25 intern uitgevoerde syntheses. Latin Hypercube Sampling wordt gebruikt om de parameterruimte van precursorconcentratie, temperatuur en reactietijd efficiënt te samplen. Ensemble-regressiemodellen, gebouwd met het AMADEUS-framework, voorspellen met hoge nauwkeurigheid de deeltjesgrootte en presteren daarmee beter dan klassieke statistische benaderingen. Featureselectie vermindert complexiteit van het model en verbetert generaliseerbaarheid. Daarnaast worden classificatiemodellen, gebaseerd op zowel traditionele random forests als Large Language Modellen (LLM’s), geëvalueerd om onderscheid te maken tussen grote en kleine deeltjes. Terwijl random forests matig presteren, bieden LLM’s geen duidelijke verbeteringen in omstandigheden met weinig gegevens. Over het algemeen toont dit onderzoek dat zorgvuldig samengestelde kleine datasets, in combinatie met robuuste klassieke ML, synthese van Cu NP's effectief kan voorspellen en dat voor laboratoriumonderzoek complexe LLM's geen voordelen bieden.
Meer lezen

Multi-branch Neural Networks for Drug-target Interaction Prediction and Target-conditioned de novo Drug Design

Universiteit Gent
2025
Robbe
Claeys
Het ontdekken van nieuwe interacties tussen geneesmiddelen en proteïne-doelwitten (DTIs) is cruciaal voor therapeutische innovatie, maar experimentele validatie is kostelijk
en schaalt niet naar de astronomische omvang van chemische mogelijkheden. Heterogene, schaarse bindingsdata en beperkte diversiteit belemmeren robuuste voorspelling en de mogelijkheden voor in silico moleculaire ontwerp. Deze scriptie presenteert een geïntegreerd raamwerk dat data, representaties en modellen opschaalt voor DTI-voorspelling en doelwit-gestuurd de novo geneesmiddelontwerp.

Een gecombineerd DTI-corpus (339k interacties) en twee grote pretrainingsbronnen werden samengesteld om zowel supervised als unsupervised leerdoelen te ondersteunen. Centraal in het raamwerk is een flexibele, modulaire multi-branch architectuur: elke branch van het model (geneesmiddel of doelwit) kan geïnstantieerd worden als een encoder met enkele invoer, of als een multi-invoer-encoder die complementaire representaties fuseert (bijv. graaf, vingerafdruk, aminozuursequentie, DNA-signalen).
De geneesmiddel branch kan ook een variatie-sampling kop en een latent-gestuurde, discrete diffusie gebaseerde moleculaire graaf-generator omvatten. Branches kunnen
gezamenlijk getraind worden voor supervised DTI-voorspelling, of onafhankelijk met unsupervised/self-supervised leerdoelen om biologische voorkennis langs domeinen
heen in te brengen.

Resultaten tonen een regime-afhankelijk beeld: in data-arme regimes zijn foundationmodel embeddings het effectiefst, terwijl moleculaire vingerafdrukken de leiding hebben
wanneer data abundant zijn. Analyses tonen aan dat geneesmiddel-representaties de DTI-voorspellingsnauwkeurigheid sturen, met graaf-gebaseerde representaties als
meest invloedrijk; aminozuur- en DNA-signalen zijn complementair voor proteïnen. Algemeen verduidelijkt deze studie wanneer en hoe leren van meerdere representaties
en transfer learning helpen, biedt het een reproduceerbare basis voor DTI-voorspelling, en toont het de haalbaarheid aan van latent-gestuurde omgekeerde diffusie voor het
genereren van chemisch valide, doelwit-specifieke moleculen waarvan de farmacofore kenmerken consistent zijn met de bredere biochemische literatuur.
Meer lezen

From resilience grows fruitfulness Verkenning van het concept occupational justice voor kwetsbare kinderen (5-11 jaar) in Khula Development Group, Zuid Afrika

Hogeschool PXL
2025
Gökçe
Karaman
De bachelorproef onderzoekt hoe de Khula Development Group (KDG) in Zuid-Afrika kan bijdragen aan occupational justice voor kwetsbare kinderen van 5 tot 11 jaar. Hiervoor werd een kindvriendelijke versie van de Occupational Justice Health Questionnaire (OJHQ) ontwikkeld, waarmee via creatieve en participatieve methodes zoals tekenen en spel de leefwereld van negen kinderen in kaart werd gebracht.

Het onderzoek identificeerde vijf centrale domeinen van het dagelijks leven: thuissituatie, woonomgeving, school, voeding en vrije tijd. Binnen deze domeinen kwamen zowel kansen als belemmeringen voor participatie naar voren. Positieve ervaringen omvatten veiligheid, steun van familie en school, en toegang tot ontspannende activiteiten, terwijl negatieve ervaringen onder andere voedselonzekerheid, gebrekkige infrastructuur, sociale isolatie en spanningen in het gezin betroffen.

De bevindingen tonen dat kinderen hun complexe ervaringen kunnen uiten wanneer methodes aansluiten bij hun leeftijd en context. Het onderzoek benadrukt het belang van toegankelijke, culturele en leeftijdssensitieve instrumenten voor het bevorderen van occupational justice en laat zien dat kinderen ondanks moeilijke omstandigheden veerkracht en hoop tonen.
Meer lezen

Family offices: how are they different

Universiteit Gent
2025
Pieter
Rosiers
Een kwantitatief onderzoek naar de impact van kapitaalstructuur - meer bepaald of een bedrijf deel uitmaakt van een family office of van private equity / venture capital. Aan de hand van allerlei testen en robuustheidscontroles, wordt sterk resultaat gevonden dat aantoont dat een family office in impact niet echt verschilt van private equity, maar dat een venture capital fonds véél meer groei kan realiseren binnen zijn portfoliobedrijven dan venture capital.
Meer lezen

Bruggen bouwen tussen generaties: spelenderwijs verbinding creëren tijdens een intergenerationeel kamp

AP Hogeschool Antwerpen
2025
Joke
Lambrechts
Dit onderzoek richt zich op een intergenerationeel kamp dat werd uitgevoerd in woonzorgcentrum Verbert-Verrijdt, waarbij ouderen en kinderen samen diverse activiteiten uitvoerden. Het doel van het onderzoek was om te bekijken hoe de ergotherapeut het kamp zodanig kan organiseren dat de verbinding tussen deze generaties wordt versterkt. Er werden vier verschillende activiteiten geëvalueerd bij 17 ouderen en 6 kinderen. Uit de resultaten blijkt dat activiteiten met één-op-één interactie en activiteiten waarbij één kind samenwerkt met twee ouderen het contact het sterkst bevorderen.
Meer lezen

Van scène naar systematiek. Over het documenteren van creatieve processen in de podiumkunsten, aan de hand van het archief van Greet Vissers

Vrije Universiteit Brussel
2025
Renée
Ryckx
Dit onderzoeksartikel verkent hoe het archief van een kunstenaar kan helpen om creatieve processen in de podiumkunsten zichtbaar en toegankelijk te maken binnen de context van archiefinstellingen. Aan de hand van een casestudy rond theatermaker Greet Vissers wordt onderzocht hoe archiefbeschrijving en -structuur de werkmethodes van een kunstenaar kunnen weerspiegelen, zonder hun complexiteit te vereenvoudigen. De inclusieve praktijk van Vissers toont hoe hybride rollen en creatieve keuzes sporen nalaten in archiefmateriaal. Vanuit het concept van het performatief archief wordt de interactie tussen documentatie en artistieke praktijk geanalyseerd. Methodologisch combineert het project archiefanalyse, literatuurstudie en samenwerking met de kunstenaar. Op basis van de bevindingen werden vier aanbevelingen geformuleerd en besproken in dialoog met een archiefinstelling en een dienstverlenende organisatie binnen het erfgoedveld. Dit artikel draagt zo bij aan lopende discussies over kunstenaarsarchieven en de rol van archiefinstellingen in het bewaren en doorgeven van artistieke praktijken.
Meer lezen

De pluriformiteit van de overheid

Universiteit Hasselt
2025
Yorunn
Beeckelaers
Deze scriptie onderzoekt het overheidsbegrip binnen de Belgische rechtsorde met bijzondere aandacht voor de pluriformiteit ervan. De centrale vraag luidt: Wat is het juridische overheidsbegrip en hoe vertaalt de pluriformiteit ervan zich binnen de Belgische rechtsstaat?
Uit de analyse blijkt dat er geen eenduidige en alomvattende definitie bestaat, wat kan leiden tot rechtsonzekerheid en lacunes in de toepassing van het bestuursrecht. Daarnaast concluderen we echter ook dat het niet altijd wenselijk en mogelijk is om dit begrip volledig af te bakenen.
Deze scriptie bespreekt verschillende vormen waarin de overheid zich voordoet in onze staat. Zo
gaan we dieper in op de administratieve overheid, bestuursinstanties en overheidsinstanties en
openbare instellingen en diensten. Elk van deze begrippen kent een eigen juridische kwalificatie die
afhankelijk is van het toepassingsgebied. Ook behandelen we de toepassing van de
imperiumbevoegdheid binnen deze verschillende begrippen.
Daarnaast zullen we ook een rechtsvergelijking doen met onze buurlanden; Nederland en Frankrijk.
Dit toont de verschillende benaderingen en uitkomsten van beide landen en het verschil met België.
Nederland werkt met een functioneel overheidsbegrip in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wat
zorgt voor rechtszekerheid en ruime toepasselijkheid. Frankrijk leunt dan weer sterk op de jurisprudentie van de Raad van State. België blijft achter met een fragmentarische regelgeving en een gebrek aan systematische afbakening.
De conclusie van deze scriptie is dan ook dat het streven naar een alomvattende en omlijnde definitie van het overheidsbegrip in België niet wenselijk of haalbaar is. In plaats daarvan moet er sterk worden ingezet op een specifieke benadering waarbij men elke regelgeving individueel bekijkt en specifieke criteria opstelt. Enkel zo kan het overheidsbegrip worden afgestemd op de realiteit van een gelaagde en evoluerende bestuursstructuur.
Meer lezen

De rol van AI bij vroegtijdige ziektevoorspelling in de gezondheidszorg

Thomas More Hogeschool
2025
Kenneth
Punnewaert
Ik onderzocht hoe artificiële intelligentie longontsteking sneller en betrouwbaarder kan opsporen op borstkas-röntgenbeelden, en wat er nodig is om zo een systeem veilig, ethisch en juridisch verantwoord richting een ziekenhuis te ontwikkelen. De vraag kwam vanuit het AZ Sint-Maarten: er is nood aan ondersteuning bij triage van pneumoniedetectie.

Technisch bouwde ik een ResNet152-model en trainde dat op publieke Kaggle-datasets. De reality check volgde met geanonimiseerde pediatrische beelden uit AZ Sint-Maarten: door domain shift miste het eerste model te veel echte longontstekingen . Dat heb ik aangepakt met hertraining op pediatrische data, gericht croppen van het longveld en afstemming van helderheid/contrast. In de tweede evaluatie pikte het model alle echte positieve gevallen op.

Naast de prestaties besteed ik veel aandacht aan ethiek en regelgeving. Alle beelden zijn geanonimiseerd en lokaal verwerkt (GDPR). Met Grad-CAM-heatmaps maak ik beslissingen uitlegbaar. Het systeem ondersteunt artsen zij blijven eindverantwoordelijk. Qua regulering positioneer ik het als potentiële MDR-klasse IIa-software en situeer ik het project rond TRL 3→4: van labprototype naar testen in een relevante klinische omgeving. Ik bouwde ook een lokale Streamlit-interface die beelden uploadt, een voorspelling geeft en de heatmap toont. Conclusie: AI kan echt helpen bij triage en vroege detectie, maar robuuste praktijkinzet vraagt representatieve data, uitlegbaarheid, klinische validatie en moet ethisch verantwoord ontwikkeld worden.
Meer lezen

Jeugdbeleid zonder grenzen? Waarom gemeenten niet kiezen voor intergemeentelijke samenwerking omtrent jeugdbeleid.

KU Leuven
2025
Ward
Coemans
Intergemeentelijke samenwerking (IGS) wordt in Vlaanderen steeds vaker naar voren
geschoven als oplossing voor efficiënter lokaal jeugdbeleid, maar veel gemeenten blijven
voorlopig afwezig in dergelijke samenwerkingen. Deze masterproef onderzoekt welke
drempels schepenen van jeugd, jeugdambtenaren en jeugdraadsleden ervaren voor het
toetreden tot een IGS jeugdbeleid, en hoe deze drempels verschillen tussen landelijke en
stedelijke gemeenten. Via een kwalitatieve casestudie van twee niet-deelnemende gemeenten
werden focusgroepen georganiseerd met deze drie sleutelactoren. De data werden
geanalyseerd via open en axiale codering, resulterend in een drempelkader en -web. De
resultaten tonen dat politieke, organisatorische, budgettaire, inhoudelijke en sociaal-culturele
factoren elk een rol spelen. Politieke zichtbaarheid, organisatorische overbelasting, een
gebrek aan budgettaire gelijkheid, inhoudelijke mismatches en culturele weerstand vormen
belangrijke obstakels. Tegelijk wordt samenwerking erkend als hefboom voor efficiëntie,
professionalisering en bovenlokale impact. Landelijke en stedelijke contexten verschillen
duidelijk in noden en prioriteiten, wat wijst op de nood aan maatwerk in IGS-ondersteuning. Dit
onderzoek draagt bij aan het beperkte wetenschappelijke debat over intergemeentelijke
samenwerking in het jeugdbeleid en biedt beleidsmakers concrete handvatten en
beleidsinstrumenten om toekomstige samenwerkingen beter vorm te geven.
Meer lezen

De invloed van mechanische recyclage op de materiaal- en proceskenmerken bij het poederspuitgieten van aluminiumoxide

KU Leuven
2025
Victor
Laermans
  • Tim
    Evens
De onderzoeksgroep Polymer Processing & Engineering (PPE) van KU Leuven, campus
Diepenbeek richt zich op de ontwikkeling van polymeerproducten met behulp van innovatieve
spuitgiettechnieken. Momenteel onderzoekt PPE een nieuwe spuitgietmethode voor
de massaproductie van keramische materialen. Dit onderzoek richt zich op de mechanische
recyclage van green parts. Dit zijn producten gevormd via spuitgieten uit een mengsel
van keramisch poeder en een polymeermatrix, die verdere behandelingen ondergaan zoals
het verwijderen van de polymeermatrix en sinteren om volledig keramische producten te
verkrijgen.
In deze studie worden balkvormige green parts geproduceerd. Een deel hiervan wordt
gebruikt om de productkwaliteit te evalueren, terwijl de rest mechanisch wordt versnipperd
tot korrels. Deze korrels dienen vervolgens als grondstof om opnieuw balkvormige green
parts uit te vervaardigen. Dit recyclageproces wordt tien keer herhaald om de cumulatieve
effecten te bepalen.
Tijdens het spuitgietproces blijkt dat de inspuitdruk per recyclagestap afnam van 1487
bar bij virgin-materiaal naar 1297 bar bij tien keer gerecycleerd materiaal. Dit komt
vermoedelijk door een verkorting van de polymeerketens door thermische degradatie. De
eindproducten vertonen echter geen invloed van recyclage. Zo bleef de massadichtheid
constant en uit een vierpuntsbuigproef blijkt dat de buigsterkte van de gesinterde producten
door de verschillende recyclagestappen heen constant blijft, met een gemiddelde waarde
van circa 273 MPa.
Meer lezen

Onderhandelen over duurzaamheid Een waardensociologische analyse van Museum Plantin-Moretus

Universiteit Antwerpen
2025
Orphee
Marien
Deze masterproef onderzoekt hoe duurzaamheid vorm krijgt binnen de dagelijkse praktijk van een cultureel-erfgoedinstelling, met het Museum Plantin-Moretus (Antwerpen) als casus. Vertrekkend vanuit de rechtvaardigingstheorie van Boltanski en Thévenot wordt duurzaamheid benaderd als een moreel en relationeel onderhandelingsproces, eerder dan als een vaststaand beleidsdoel. Via kwalitatieve analyse van interviews, observaties en documenten worden vijf morele oriëntaties of ‘waardewerelden’ geïdentificeerd: Zorg & Traditie, Maatschappij, Aards, Inspirerend en Structuur & Efficiëntie. Deze logica’s tonen hoe medewerkers omgaan met spanningen tussen beleidsdoelstellingen, institutionele beperkingen en persoonlijke overtuigingen. Drie strategieën komen naar voren in het omgaan met waardeconflicten: integratie, gedogen en het aanvaarden van pluraliteit. Daarbij speelt temporaliteit een belangrijke rol: traagheid blijkt niet louter bureaucratisch, maar functioneert als zorgzame reflectie. Tegelijk zijn waardewerelden ongelijk verdeeld in termen van institutionele inbedding, waardoor bijvoorbeeld erfgoedlogica’s dominant blijven tegenover ecologische rechtvaardigingen. Het onderzoek concludeert dat duurzaamheid in musea geen statisch of eenduidig begrip is, maar ontstaat in de concrete praktijken van verantwoording en positionering. Culturele duurzaamheid verschijnt zo niet als een extra pijler naast ecologie, economie en maatschappij, maar als het interpretatieve veld waarin betekenissen gevormd, betwist en gelegitimeerd worden.
Meer lezen

Analysing Spectral Composition: Bridging Sound Morphology and Compositional Intent in Ellen Jacobs' And In Between, there is ... (2024)

Universiteit Gent
2025
Margot
Meire
De analyse van niet-tonale, spectrale composities wordt bemoeilijkt door het ontbreken van kaders die zowel meetbare spectrale kenmerken als compositorische intenties integreren. Deze masterproef introduceert een systematische methode voor het analyseren van spectrale muziek, met Ellen Jacobs’ And In Between, There Is… (2024) als casestudy. Door partituuranalyse, spectrale visualisatie en typificatie van spectrale flux en tijd te combineren, laat de studie zien hoe spectrale gegevens kunnen functioneren als structurele markeringen buiten traditionele tonale paradigma’s. Jacobs bouwt spanning op via dynamische transformaties van boventonen, instrumentale technieken en tijdsafhankelijke energiefluctuaties, waardoor een gelaagde, evoluerende sonische structuur ontstaat. Het onderzoek biedt een geïntegreerd model dat objectieve spectrale data en creatieve intenties verbindt, en breidt zo de analytische mogelijkheden van hedendaagse spectrale muziek uit.
Meer lezen

Op zoek naar de optimale schaal voor intergemeentelijke samenwerking rond jeugdbeleid: de invloed van politieke, economische en organisatorische factoren

Universiteit Gent
2025
Margaux
Cattrysse
Samen sterk voor jongeren
“Alleen kan ik een druppel op een hete plaat zijn. Samen met buurgemeenten voel ik dat we écht verschil maken voor jongeren.” Die uitspraak van een jeugdambtenaar vat mijn onderzoek samen: kleine gemeenten botsen op hun grenzen, maar samenwerking maakt hen sterker.
In dorpen zonder jeugddienst vallen jongeren vaak uit de boot. Wie een skatepark wil, een fuif organiseert of vragen heeft over mentaal welzijn vindt zelden ondersteuning. Grote steden hebben teams van jeugdambtenaren, kleine gemeenten vaak slechts één medewerker of geen. En dat terwijl uitdagingen toenemen: jeugdhuizen verdwijnen, fuiven nemen af en mobiliteit blijft moeilijk.
Samenwerking kan dit keren. Voorbeelden tonen dat het werkt: taxicheques in de Westhoek, OverKop-huizen waar jongeren laagdrempelig hulp vinden of het rijke vrijetijdsaanbod in bestaande samenwerkingen.
Mijn onderzoek naar zes samenwerkingen in Vlaanderen toont dat de ideale schaal ligt tussen drie en zes gemeenten. Vanaf vier wordt het financieel interessant, boven zes dreigt bureaucratie. Vertrouwen en nabijheid maken kleine groepen sterker en slagvaardiger.
Voor jongeren betekent dit geen beleidsnota’s, maar concrete kansen: fuiven die doorgaan, vervoer naar activiteiten, een plek om te chillen. Zoals een jeugdambtenaar zei: “We zien jongeren opnieuw opduiken die we anders kwijt waren.”
De valkuilen zijn bekend: politiek wantrouwen, scheve verdeling, te veel administratie maar met transparantie en duidelijke afspraken zijn ze te vermijden.
De conclusie is helder: alleen red je het niet, samen maak je het verschil.
Meer lezen

The Paradox of Open Knowledge: Digital Democratization and Epistemic Violence in Open Educational Resources A Critical Case Study of ‘OER Commons’

Universiteit Gent
2025
Nikita
Van Holderbeke
Mijn thesis onderzocht een fundamentele paradox : namelijk hoe Open Educational Resources educatie waarborgt voor iedereen - het doet een belofte van democratisatie en gelijkheid - maar tegelijkertijd reproduceert het koloniale hierarchieen in kennis. Het onderzoek werd benaderd vanuit een specifieke case-study naar OER Commons - wat zichzelf een ‘digitale bibliotheek en collaboratief platform’ noemt, waarin talrijke OER verzameld worden - op basis van digitaal veldwerk over deze site, in combinatie met kritische discoursanalyse van het ontwerp van de interface en diens algoritmes, om te kijken naar hoe het platform eruit ziet; hoe het werkt, en welke boodschappen het uitzendt over wat “goede” / “echte” kennis is.
Meer lezen

Een verkennend onderzoek naar de tewerkstelling van jongeren met ASS: Factoren die bijdragen aan de huidige arbeidsparticipatie op de reguliere arbeidsmarkt

Hogeschool PXL
2025
Eveline
Corstjens
  • Luana
    Sedola
Abstract

Titel: Een verkennend onderzoek naar de tewerkstelling van jongeren met ASS: Factoren die bijdragen aan de huidige arbeidsparticipatie op de reguliere arbeidsmarkt

Door: Eveline Corstjens en Luana Sedola
Promotor: Myriam Westhovens
Inhoudsdeskunidge: Myrthe Logist

Inleiding: Jongeren met een autismespectrumstoornis (ASS) ondervinden vaak drempels bij het toetreden tot de reguliere arbeidsmarkt. Ondanks bestaande initiatieven blijft het werkloosheidscijfer opvallend hoog.
Doel: Deze bachelorproef heeft als doel te achterhalen welke factoren bijdragen aan een verlaagd arbeidsparticipatiepercentage bij jongeren met ASS binnen de reguliere arbeidscontext.

Methode: De methodologie bestaat uit twee onderdelen: literatuur- en praktijkgericht onderzoek. De literatuurstudie richtte zich op jongeren met ASS (17-26 jaar) in relatie tot arbeidsvaardigheden en executieve functies. Voor het praktijkonderzoek werden observaties uitgevoerd in het buitengewoon secundair onderwijs. Daarnaast werden vragenlijsten en interviews afgenomen bij jongeren, onderwijsprofessionals en personen die kennis hebben van de arbeidscontext.

Resultaten: De literatuur benadrukt de complexiteit van ASS. Gezien de hoge werkloosheidsgraad van meer dan 80% bij jongeren met ASS wordt duidelijk dat er een onbenut arbeidspotentieel aanwezig is. Tegelijk blijkt dat executieve functies versterkt kunnen worden, wat kan bijdragen aan het vergroten van de tewerkstellingskansen van jongeren met ASS binnen de reguliere arbeidsmarkt. Uit het praktijkonderzoek blijkt dat het gebruik van executieve functiekaarten in het buitengewoon secundair onderwijs ondersteuning kan bieden bij het herkennen van vaardigheden. Dit kan bijdragen aan een betere voorbereiding op arbeidsparticipatie.

Conclusie: De arbeidsparticipatie van jongeren met ASS wordt beïnvloed door factoren op individueel, omgevings- en maatschappelijk niveau (PEO-model). Uitdagingen in executieve functies, onvoldoende begeleiding en het ontbreken van een goede afstemming tussen onderwijs, arbeidsmarkt en overheidsregelgeving vormen barrières voor succesvolle arbeidsparticipatie. Gerichte ondersteuning en betere samenwerking tussen betrokken partijen zijn noodzakelijk om de overgang naar werk te verbeteren.
Meer lezen

What do children with autism need to function in the classroom/on the playground

Universiteit Gent
2025
Camille
Martens
  • Moira
    Chaerle
Kinderen met autisme willen, net zoals alle andere kinderen, graag meedoen op school, zich
goed voelen in de klas en erbij horen. Toch ervaren ze vaak obstakels die hen dat moeilijk
maken. Denk maar aan misverstanden in sociale situaties, onduidelijke communicatie of een
tekort aan de juiste ondersteuning. Deze drempels kunnen ervoor zorgen dat ze zich
onbegrepen of buitengesloten voelen.
In dit onderzoek gingen we in gesprek met kinderen met autisme, hun ouders en hun
leerkrachten. Door al deze stemmen samen te brengen, kregen we een duidelijk beeld van
wat participatie op school voor hen betekent. We ontdekten welke factoren helpen én welke
juist niet helpen om goed te kunnen meedraaien in het reguliere basisonderwijs en écht te
kunnen groeien op school.
Vijf elementen kwamen steeds terug als cruciaal voor een autismevriendelijke
schoolomgeving:
1. Ondersteuning op maat: Kinderen hebben nood aan duidelijke verwachtingen,
voorspelbaarheid en praktische hulp die inspeelt op hun individuele noden
2. Een veilig en verbonden gevoel: Emotionele veiligheid is essentieel. Alleen als
kinderen zich gerust en welkom voelen, kunnen ze zich openstellen en leren
3. Stimuleren van het zelfvertrouwen: Wanneer kinderen gezien worden in hun sterktes,
vertrouwen krijgen en autonomie mogen ervaren, groeit hun zelfvertrouwen
4. Open en eerlijke communicatie: Ouders voelen zich vaak verantwoordelijk voor de
afstemming, maar verlangen naar een echte samenwerking met de school.
Transparantie en wederzijds vertrouwen zijn hierbij onmisbaar
5. Waardering voor een andere manier van denken: Kinderen met autisme beleven de
wereld anders. Wanneer die unieke kijk wordt erkend, in plaats van aangepast of
afgevlakt, ontstaat er verbinding én leerrendement
De kernbooschap? Kinderen met autisme bloeien op in een schoolklimaat waar hun eigenheid
erkend wordt, waar leerkrachten, ouders en kinderen samenwerken, en waar meedoen niet
betekent ‘gelijk zijn aan de rest’ maar ‘aanvaard worden zoals je bent’
Meer lezen

Het prijsgeven van de identiteit van daders en slachtoffers van misdrijven door de journalist

Universiteit Antwerpen
2025
Nathalie
Voss
Het idee van mijn onderzoek is ontstaan door de recente ontwikkelingen in de samenleving. De burger is verontwaardigd wanneer de identiteit van verdachten en daders op een niet consistente wijze wordt vermeld in de media. Wegens onwetendheid en frustratie laat de samenleving zich dan ook horen, met alle gevolgen vandien. Hoewel ik zelf eerst onbegrip toonde voor de niet-standvastigheid van de media inzake het prijsgeven van de identiteit, heeft dit mij aan het denken gezet: zijn er dan geen regels waaraan journalisten zich moeten houden?
Wegens deze bedenking viel mijn oog op de Code van de Raad voor de Journalistiek. Deze Code geldt als leidraad voor journalisten en bevat verschillende onderwerpen die worden uitgewerkt in artikels en richtlijnen. De belangrijkste richtlijnen voor dit onderzoek zijn te vinden in artikel 23 van de Code en omvatten: identificatie in gerechtelijke context, identificatie van slachtoffers en respect voor het privéleven van publieke figuren. Omdat een onderzoek naar de volledige Code ons te ver zou leiden, heb ik gekozen om mijn onderzoek af te bakenen tot dit artikel 23 (mits bepaalde kanttekeningen). Hiernaast wordt het onderzoek gevoerd vanuit de situatie van dader en slachtoffer. De focus ligt dus niet op de verdachte.
Zo heb ik de Code op zichzelf onderzocht en ging ik na wat de grenzen zijn aan het prijsgeven van identiteit van daders en slachtoffers van misdrijven door de journalist. Hierdoor is de vraag ontstaan hoe buurlanden dit invullen. Vooraleer ik dus een oordeel vel over onze Code, acht ik het noodzakelijk om te kijken hoe Nederland hiermee omgaat. Ik heb dan ook gekozen om een vergelijking te maken tussen de code in Nederland, namelijk de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek, en onze Code.
Uit deze vergelijking blijkt dat beide codes belang hechten aan een zorgvuldige afweging tussen het recht op privacy en het belang van het publiek om toegang te krijgen tot informatie. De Code is enorm gestructureerd met verwijzingen naar verschillende artikels en richtlijnen die per onderwerp uiteenzetten hoe de journalist moet handelen in een bepaalde situatie. Toch blijft de praktische toepassing afhankelijk van de journalist/redactie. Redacties beslissen binnen de marges van de Code zelf hoe zij identificeren, al geldt de Code wel als een minimumregel. De Raad treedt pas op wanneer een klacht wordt ingediend. Zij zal kijken of de Code effectief gevolgd werd of niet.
In België bestaat geen vaste praktijk zoals de Nederlandse initialenregel (voornaam, gevolgd door initiaal van de familienaam), hierdoor is er meer ruimte voor volledige identificatie, wat leidt tot inconsistentie. De Leidraad is op haar beurt minder gestructureerd en veel kleiner van omvang dan de Code. Ondanks dat de initialenregel niet bindend is, zorgt dit voor een brede toepassing in de praktijk door journalisten. Toch verwijst de Leidraad ook naar uitzonderingen waardoor er opnieuw ruimte is voor interpretatie. Dit leidt soms tot absurde situaties waarbij eerst de volledige naam wordt gegeven (bij een arrestatie) om nadien de initialenregel te gebruiken. Mijns inziens is het kwaad dan al geschied. Concluderend kan worden gesteld dat in Nederland de praktijk terughoudender is, terwijl België meer formele richtlijnen geeft maar minder terughoudend is in de uitvoering ervan.
Voor slachtoffers biedt de Code een expliciete richtlijn die de berichtgeving van hun identiteit streng reguleert. In de Leidraad staat dit ook, al wordt hier minder diep op ingegaan en is er geen aparte sectie voorzien. Hoewel de Leidraad minder structuur biedt, wordt impliciet een bredere invulling gegeven aan het begrip ‘identiteit’ door te verwijzen naar onder meer etniciteit of religie. Al leidt dit wel tot vragen over de volledigheid van de opsomming.
Nadat ik bovenstaande codes met elkaar heb vergeleken, dook een nieuwe vraag op: is onze Code van de Raad in overeenstemming met de grond- en mensenrechten van het EVRM, en hoe verhoudt de Code zich tot de rechtspraak van het EHRM? Om hier een antwoord op te kunnen bieden heb ik artikel 10 EVRM afgewogen tegen verschillende (grond)rechten, zoals recht op privacy, recht op afbeelding, recht op vergetelheid, recht op eer en goede naam, recht op antwoord en het vermoeden van onschuld als onderdeel van het recht op een eerlijk proces.
De hoofdonderzoeksvraag luidt dan ook als volgt: “In hoeverre is de deontologische code voor journalistiek met betrekking tot het prijsgeven van identiteit van daders en slachtoffers, in overeenstemming met de grondrechten en mensenrechten van het EHRM?”
De rechten en rechtspraak van het EHRM werden eerst apart besproken om vervolgens de Code hieraan te kunnen toetsen. Zo kon worden geconcludeerd dat de Code voor zowel het vrijgeven van de identiteit van daders als slachtoffers, in grote lijnen in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof. Er wordt nadruk gelegd op de afweging van het recht op privéleven en het recht op informatie. Hoewel de Code de mogelijkheid biedt tot beperkte of volledige identificatie, maakt het Hof dit onderscheid niet. Het Hof blijkt systematisch zijn eigen zes criteria af te toetsen voor de afweging tussen artikel 10 en 8 EVRM. Deze criteria worden niet expliciet opgesomd door de Code maar vallen hier impliciet grotendeels mee samen. Vooral wat betreft de richtlijn bij de identificatie van slachtoffers, sluit de Code nauw aan bij het Hof. Hier gelden strengere regels en minder bewegingsruimte voor de journalist. Het recht op afbeelding wordt, als onderdeel van artikel 8 EVRM, niet expliciet besproken in de Code. Wel wordt verwezen naar een hogere mate van voorzichtigheid bij het publiceren van herkenbaar beeldmateriaal. De terughoudendheid bij bekendmaking van beelden van slachtoffers wordt ook effectief bevolen door het Hof. Over het algemeen kan bij slachtoffers worden gesteld dat de Code de lijn volgt die wordt getrokken door het EHRM.
Vanuit het daderperspectief kon een bespreking van het recht op vergetelheid niet ontbreken. Artikel 23 verwijst naar de afweging van het belang van berichtgeving tegenover de reclassering en herintegratie van de veroordeelde. Toch mist de Code belangrijke aanvullingen die wel worden aangehaald in de criteria van het Hof: de verstreken tijd en toegankelijkheid van de publicatie. Ik ben dan ook van mening dat de Raad zou kunnen overwegen om deze factoren te benoemen in de Code. De toetsing aan het recht op eer en goede naam kon tevens niet ontbreken. Ook hier valt de Code te verzoenen met de rechtspraak van het Hof.
Wat betreft het recht van antwoord, in de zin van artikel 10 EVRM, voorziet de Code in een alternatieve bepaling inzake wederwoord. Opmerkelijk is dat het Hof ook verwijst naar deze mogelijkheid tot correctie als beslissend criterium. Zoals andere auteurs stel ik deze tendens tot inmenging in de redactionele vrijheid in vraag. Ook bij het vermoeden van onschuld wordt aan de alarmbel getrokken. De Code vereist een hoge mate van zorgvuldigheid en verantwoordelijkheid waardoor dit mogelijks de waakhondfunctie van de pers beperkt. Ik ben echter van mening dat voorzichtigheid mag worden verwacht van journalisten. Bij vrijheid hoort nu eenmaal verantwoordelijkheid.
Over het algemeen kan dus worden gesteld dat de Code in overeenstemming is met de besproken rechten en rechtspraak van het EHRM, mits gemaakte kanttekeningen en nuanceringen.
Omdat theorie niet alomvattend is, sloot ik mijn onderzoek af met een interview met een deskundige. Haar praktische kijk bracht nuance en bood een waardevolle reflectie op bepaalde delen van mijn onderzoek.
Meer lezen