Leefbaarheid van kleine kernen

Ellen Boes
Dorpen in Vlaanderen ondervinden sterke veranderingen. We moeten ervoor zorgen dat onze dorpen levend blijven zonder terug te gaan in de tijd. We moeten dus naar de toekomst kijken.

Dorp 2.0.

Dorpspleinen zijn leeg, er is een afnemend aantal diensten, winkels trekken weg en de straten worden gebruikt voor doorgaand verkeer van auto’s en bussen. We zien de dorpen in Vlaanderen sterk veranderen, maar hoe moeten we omgaan met deze veranderingen in onze omgeving? 

De toekomst van onze dorpen is onzeker. De betonstop wil dat iedereen dichter bij elkaar gaat wonen. Woont iedereen dan best in een stad? En wat dan met al die mooie dorpen en de bewoners hiervan? In mijn onderzoek ga ik op zoek naar de toekomst van de dorpen. Wat zijn de troeven en hoe kunnen we ervoor zorgen dat onze dorpen in de toekomst op een kwalitatieve manier kunnen blijven bestaan?

Van autonoom dorp naar woondorp

Vroeger vonden we alles wat we nodig hadden in ons eigen dorp. We konden er naar de bakker, de slager, de kerk, ons werk, onze vrienden woonden er en vaak zelfs onze familie. We kunnen hier spreken over een autonoom dorp, alles wat je nodig hebt kan je vinden binnen het dorp. Als we vandaag naar dorpen kijken is dit zeker niet meer het geval. De dorpsbewoners zijn er vaak komen wonen om van de rust te kunnen genieten, maar gebruiken voorzieningen die zich buiten het dorp bevinden. Gaan werken doen ze elders en winkelen doen ze in de supermarkt onderweg. We besteden zo goed als al onze vrije tijd buiten het dorp. We spreken hier van een woondorp. Het winkelaanbod, de horeca, de dienstverlening, … verdwijnen omdat ze niet meer kunnen overleven. We ontmoeten onze buren minder en op deze manier kennen we nog maar weinig mensen in ons eigen dorp.

Slaapdorpen

We moeten deze veranderingen niet zien als iets slecht. Ze werden mogelijk gemaakt door een toenemende mobiliteit en we maken hier graag gebruik van. Bij dorpsbewoners is deze mobiliteit echter vaak op de auto gericht omdat een verbinding met het openbaar vervoer meestal niet zo vlot verloopt. De mobiliteit zorgt ervoor dat onze keuzemogelijkheid groter wordt. We moeten niet meer naar de slager om de hoek, maar kunnen naar de grote supermarkt die verder gelegen is. Door deze evolutie is het belangrijk erover te waken dat de woondorpen niet evolueren naar slaapdorpen. In slaapdorpen trekt iedereen zich terug achter zijn eigen gevel en is er niets meer te beleven op straat.

De creatie van ontmoetingsplaatsen voor dorpsbewoners is daarom erg belangrijk. Dit kan in verschillende vormen. Het kan een ontmoetingspleintje zijn of een aantal evenementen die doorheen het jaar georganiseerd worden. Hierbij is het belangrijk dat het dorp een eigen identiteit krijgt. Deze identiteit is meestal al aanwezig, maar er zijn gesprekken met de bewoners nodig om dit te kunnen vastleggen en te benoemen.

Toekomst

Hoe moeten we dan naar onze dorpen kijken in de toekomst? We kunnen kernen onderscheiden met een dynamiek voor mogelijkheden en kernen met een dynamiek voor aantrekkelijkheden. Een woondorp valt meestal onder de kern met een dynamiek voor mogelijkheden. Deze dorpen hebben een goede verbinding met andere dorpen en dienen veelal als uitvalsbasis om van daaruit naar bijvoorbeeld het werk te kunnen gaan. De dorpen met een dynamiek voor aantrekkelijkheden zijn dorpen die in een mooi landschap gelegen zijn of unieke lokale kwaliteiten bezitten. Deze dorpen wekken belangstelling om er te wonen of er als toerist te verblijven. Verder kunnen we in de toekomst ook nog inzetten op het verbonden dorp. Hierbij gaan we een dorp verbinden met de omliggende dorpen of steden. De voorzieningen kunnen zo verspreid worden, maar zijn toch nog dicht bij de dorpsbewoners.

evolutie autonoom, woon en verbonden2

Leefbaarheid

In mijn scriptie spreek ik over leefbaarheid van kleine kernen. Deze leefbaarheid staat voor een minimale voorwaarde om ergens te kunnen leven. Een grotere leefbaarheid slaat dus op gelukkigere bewoners en betere voorwaarden om op een bepaalde plaats te verblijven. Hierbij zijn een aantal parameters geselecteerd om dit te kunnen bekijken. We kunnen de leefbaarheid vergroten door het wandelgedrag aan te moedigen. Dit doen we door ontwikkelingen te creëren op menselijke schaal, een gemixt landgebruik te vervaardigen en een makkelijke voetgangerstoegang en beloopbaarheid aan te bieden. Ook de activiteiten ter plaatse moeten gestimuleerd worden. Daarom hebben we nood aan publieke plaatsen, zitgelegenheid, aanwezigheid van gemeenschapsplaatsen, verbeteringen in stoep en gebouw randen, groen en generatoren van activiteiten.

Cases

De kennis die ik in dit onderzoek heb opgedaan heb ik gebruikt om 3 cases te bespreken. 3 dorpen zijn aan de hand van een aantal leefbaarheidsparameters met elkaar vergeleken. De 3 dorpen zijn verschillend van grootte en ligging. We kunnen binnen deze cases verschillende troeven ontdekken. Zo is Martenslinde vooral een woondorp waarbij de dynamiek voor mogelijkheden sterk aanwezig is. Teuven is een dorp met aantrekkelijkheden, dit vooral door het omliggende landschap. Stevoort tenslotte is een autonoom dorp. Deze punten zijn sterk afhankelijk van de ligging en de grootte van het dorp. In Stevoort zijn de voorzieningen levensvatbaar omdat er een groter aantal inwoners is. We zien in deze cases dat het belangrijk is dat de inwoners een gemeenschappelijk doel vinden en zo samen kunnen werken aan de identiteit van het dorp. In Martenslinde is dit nog niet het geval en hierdoor dreigt dit omgevormd te worden tot een slaapdorp. De lijst met parameters is niet zo opgesteld om een dorp te beoordelen. Het is een instrument dat kan helpen in het vinden van de identiteit van het dorp en kan aangeven op welke punten er nog sterker moet worden ingezet. Als het bijvoorbeeld gaat over een kern met een dynamiek voor mogelijkheden dan is het positief om extra in te zetten op het openbaar vervoer terwijl dit voor een kern met een dynamiek voor aantrekkelijkheden niet het geval zou zijn. Het gaat dus niet om het terugbrengen van de bakker, de slager, … maar om het ontwikkelen van een identiteit en de levensvatbaarheid op deze manier te ondersteunen.

verschillende dorpen

Bibliografie

Aalvanger, A., & Beunen , R. (2011). Dorpsidentiteit: op zoek naar eenheid in verscheidenheid. Wageningen: University & Research centre.

Atmodiwirjo, P. (2008). The Use of Urban Public Places in Jakarta for Adolescents’ Hanging Out. University of Indonesia: Department of Architecture.

Bické, L. (1988). leefbaarheid van kleine kernen. Antwerpen: Kluwer.

Burton, E. J., Mitchell, L., & Stride, C. B. (2011). Goof places for ageing in place: development of objective built environment measures for investigating links with older people’s wellbeing. BMC Public Health.

Bynon, R., & Rishbeth, C. (2015, November). Benches for everyone: Solitude in public, sociability for free. Opgehaald van Youngfoundation: https://youngfoundation. org/publications/benches-everyone-solitude-public-sociability-free/

Farahani, L. M., & Lozanovska, M. (2014). A framework for exploring the sense of community and social life in residential environments. Deakin University of Australia: School of Architecture and Built Environment.

Forrest, R., & Kearns, A. (2001). Social Cohesion, Social Capital and the Neighbourhood. Pennsylvania: SAGE Publications. Opgehaald van Sage Journals.

Gundersen, V., Skâr, M., O’Brien, L., Wold, L. C., & Follo, G. (2016). Children and nearby nature: A nationwide parental survey from Norway. Norway: Urban forestry & urban greenery.

Gustafson, P. (2014). Place attachment in an age of mobility. In L. Manzo, & P. Devine- Wright, Place attachment (pp. 37-48). New York: Taylor & Francis group.

Habets, A., Hajonides, T., & Schuit, S. (2004). Dorpen als daad. Arnhem.

Hospers, G.-J., Kruidhof, W., & van Lochem, M. (2013). Dorpen, voorzieningen en ondernemerschap. Openbaar bestuur, 12-15.113

Jacobs, J. (2009). Dood en leven van grote Amerikaanse steden. Amsterdam, Nederland: SUN Trancity.

Koedoot, M., & de Haan, H. (2005). In de buurt van de stad. Wageningen : Wetenschapswinkel .

Lenders, S., Lauwers, L., Vervloet, D., & Kerselaers , E. (2006). Afbakening van het Vlaamse platteland . Merelbeke-Lemberge : Instituur voor landbouw- en visserijonderzoek.

Lewicka, M. (2014). In search of roots: memory as enabler of place attachment. In L. Manzo, & P. Devine-Wright, Place attachment (pp. 49-60). New-York: Taylor & Francis group.

Maat-ontwerpers. (2017). Ontwerpend onderzoek naar kernversterking in Vlaanderen. Gent: Ruimte Vlaanderen.

Oluwagbemiga , P., Mohd, H. R., & Ismail, S. (2017). Adolesecents’ sense of community and involvement in playground Activities: Panacea to ameliorate social vices and delinguencies. Malaysia: Department of Landscape Architecture.

Ostendorf, W. (2004). The neighbourhood as a context of responsibility. Universiteit van Amsterdam: Department of geography and planning.

Paret, B. (2013). zoektocht naar nieuwe strategieën voor Vlaamse dopren. Rooilijn: Dorpen in verandering, 46(2), 128-135.

Scannell, L., & Gifford, R. (2014). Comparing the theories of interpersonal and place attachment. In L. Manzo, & P. Devine-Wright, Place attachment (pp. 23-36). New York: Taylor & Francis group.

Seamon, D. (2014). Place attachment and phenomenology. In L. Manzo, & P. Devine- Wright, Place attachment (pp. 11-22). New York: Taylor & Francis group.

Skifter Andersen, H. (2011). Explaining preferences for home surroundings and locations. Urbanisticni institut republike Slovenije.

Steenbekkers, A., & Vermeij, L. (2013). De dorpenmonitor. Den Haag: Sociaal en cultureel planbureau.114

Stokvis , R. (2014). Lege kerken, volle stadions. Amsterdam: University Press.

Thissen, F. (2006, Maart 22). Leefbare dorpen: van raamwerk tot ontwikkelingsmodel. Universiteit Amsterdam, Nederland: Landelijke gilden.

Thissen, F. (2007). Van autonoom dorp naar woondorp. (P. Renard, Interviewer) Onderzoek. Opgeroepen op mei 6, 2018, van http://www.uva.nl/binaries/content/ documents/personalpages/t/h/j.f.c.m.thissen/nl/tabblad-een//tabblad-een/ cpitem%5B5%5D/asset?1379947387266.

Thissen, F. (2007). Van autonoom dorp naar woondorp. Inleiding provinciale dorpendag Noord-Holland. Schoorl.

Thissen, F., & Loopmans, M. (2013). Dorpen in verandering. Rooilijn: Dorpen in verandering, 46(2), 80-89.

van Dorst, M. J. (2005). Een duurzaam leefbare woonomgeving: Fysieke voorwaarden voor privacyregulering. Technische Universiteit Delft: Faculteit der wijsbegeerte en technische maatschappijwetenschappen.

van Ulden, E., Heussen, D., & van der Ham, S. (2015). De stoep: ontmoetingen tussen huis en straat. Rotterdam: nai010 uitgevers.

Vermeij, L. (2015). Dichtbij huis. Dan Haag: Sociaal en cultureel planbureau.

Völker, B., & Verhoeff, R. (1999). Buren en buurten. Amsterdam: SISWO.

Universiteit of Hogeschool
Master Architectuur
Publicatiejaar
2019
Promotor(en)
dr. Ann Petermans
Kernwoorden
Share this on: