Challenger-partijen: een uitdaging voor Europa

Jasper Praet
Radicale populistische partijen, ook wel challengers genoemd, worden steeds populairder. Bovendien stellen ze zich kritischer op tegenover Europees economisch beleid. Dit onderzoek gaat na of deze partijen hun opmars kunnen verzilveren door invloed uit te oefenen op het beleid.

Europa na de storm. Wijst populisme de weg?

Europa is het noorden blijkbaar kwijt. Het oude continent wordt geconfronteerd met de ene crisis na de andere, zonder uitzicht op duurzame oplossingen. De toekomst oogt bovendien niet rooskleurig, nu we de gevolgen van de vergrijzing en de klimaatverandering stilaan aan den lijve ondervinden. Hoe moet het nu verder, enkele jaren na de economische recessie en het hoogtepunt van de vluchtelingencrisis? Deze vraag beheerst het politieke debat van vandaag.

Verschillende politieke strekkingen willen aan het roer te staan van de samenleving. Traditionele partijen breken zich het hoofd over hoe ze tegemoet moeten komen aan de verzuchtingen van de bevolking. Zij krijgen hierbij te maken met een te duchten concurrentie. Radicale en populistische partijen surfen namelijk op de onvrede bij een deel van de bevolking. Hun aantrekkingskracht lijkt zelfs met elke niet-aangepakte crisis nog toe te nemen. Of ze die populariteit kunnen omzetten in reële invloed op het Europese beleid, vormt het onderwerp van dit onderzoek.

image 330

Bron: ANP

Waarom is er zo weinig politieke actie?

Onderzoek naar de publieke opinie bevestigt dat de bevolking wil dat politici die crisissen doortastend aanpakken. Al deze onderwerpen stonden de laatste jaren dan ook op de Europese agenda, maar geen enkele knoop werd definitief ontward. Dat heeft veel te maken met hoe de Europese Unie werkt. Rond dergelijke gevoelige beleidsdomeinen moeten lidstaten het unaniem met elkaar eens zijn vooraleer er iets in beweging kan komen. Dat Europa in verschillende domeinen onder druk staat, betekent dus niet dat de lidstaten zomaar water bij de wijn zullen doen. De Europese Commissie en het Europees Parlement kunnen de lidstaten niet verplichten om actie te ondernemen.

Dit onderzoek bespreekt waarom het economisch beleid zo gevoelig ligt. Bepaalde politicologen wezen erop dat landen met een verschillende economische organisatie ook verschillende standpunten innemen. Harde economische belangen en het lobbywerk van de partijen die deel uitmaken van de regering, lijken hiervoor de voornaamste verklaringen. Meerdere onderzoekers suggereren dat ook radicale populistische partijen de besluitvorming kunnen beïnvloeden. De redenering hierachter is dat de klassieke partijen, die vaak deel uitmaken van regeringen, zich laten opjagen door de scherpe retoriek van hun politieke uitdagers, ook wel challenger-partijen genoemd. Om geen stemmen te verliezen aan radicale partijen, zouden de traditionele partijen in de regering zich dus harder opstellen aan de onderhandelingstafel. Een concreet voorbeeld kan dit verduidelijken. Zal de VVD, de partij van de Nederlandse premier Marke Rutte, Europese solidariteit eerder afwijzen met de hete adem van Geert Wilders in de nek?

De hoofdvraag in dit onderzoek wil dus nagaan of deze voorspelling klopt.                                                                             Is er een verband tussen de challenger-partijen en het standpunt van regeringen omtrent Europese economische samenwerking?

Deze vraag valt uiteen in meerdere delen. Zijn de challengers sterker geworden? En zijn ze kritischer geworden ten aanzien van Europese economische samenwerking? Anderzijds is het de vraag of regeringen zich harder opstellen aan de Europese onderhandelingstafel.

Er bestaan heel wat begrippen om politieke partijen in een categorie onder te brengen, waarvan “populistische partij” één van de bekendste is. In het onderzoek zelf werd nochtans bewust geen gebruik gemaakt van het woord populisme. Niet omdat dit woord geen waarde heeft, maar omdat een ander concept, namelijk “challenger-partij” meer nuance vat. Of een partij populistisch genoemd kan worden, hangt af van haar ideologie. Het concept “populisme” houdt echter minder rekening met partijen die, ondanks hun retoriek, wel samenwerken met het politieke establishment en misschien niet vies zijn van regeringsdeelname. In tegenstelling tot de “populistische partij”, moeten partijen aan twee voorwaarden voldoen om challenger genoemd te worden. Die voorwaarden zijn hun ideologie én hun interacties met het politieke systeem. Enkel wie het politieke systeem op zich niet aanvalt en regelmatig mee bestuurt, zijn de pure klassieke partijen. Wie het systeem niet alleen in de retoriek, maar ook in de praktijk verwerpt, is een pure challenger-partij. Voor elke relevante partij werd vóór de start van het onderzoek nagegaan of het een challenger was of niet.

Vijf landen werden bij het onderzoek betrokken, namelijk België, Duitsland, Frankrijk, Nederland en Oostenrijk. Analyse van verkiezingsprogramma’s van 1999 tot 2017 leverde de standpunten van challengers en regeringspartijen op.

Verstoren challengers de Europese besluitvorming?

Uit de resultaten blijkt dat de challengers zoals verwacht populairder zijn geworden. Vooral na het uitbreken van de economische crisis in 2008 verleiden ze een steeds grotere groep kiezers. Ze lijken bovendien steeds meer moeite te hebben met de Europese economische integratie. Zo pleitten sommige challengers voor het opdoeken van de eurozone, en voor fiscale solidariteit is er weinig begrip. De eis dat “Brussel” zich minder bemoeit met de nationale economie en de begroting komt ook regelmatig voor.

image 325

image 327

De standpunten van de regeringen in die vijf hebben een andere evolutie doorgemaakt. Zij zijn namelijk niet kritischer geworden ten aanzien van de Europese economische integratie, ondanks het succes van de challenger-partijen. Anderzijds zijn regeringen zich ook niet soepeler gaan opstellen omtrent deze thema’s. Het gaat hier echter wel om gemiddelden. Regeringsvertegenwoordigers die meer zaken willen organiseren op het Europese niveau, komen aan de onderhandelingstafel steevast ministers van andere landen tegen die alles bij het oude willen houden. Uiteindelijk komt dit neer op een situatie waarin het moeilijk is om los te komen van het status-quo. Dat komt overeen met de realiteit. Europa kende het laatste decennium inderdaad wel meer economische integratie, maar dit proces verloopt traag, en meestal niet van harte.  

image 329

Statistische controle bevestigt dat er geen verband bestaat tussen de opkomst van radicale challengers en de standpunten die regeringen innemen op Europees economisch vlak. Dat betekent meteen ook dat er geen causaal verband kan bestaan tussen de challengers en de houding van de Europese regeringen. Dat het moeilijk is om snel krachtige beslissingen te nemen, ligt dus niet aan de challenger-partijen. Tot vandaag is de impact van radicale partijen op de Europese economische politiek beperkt gebleven, maar verder onderzoek blijft nodig om de situatie op te volgen. Hoewel de media soms berichten over traditionele politici die hun radicale collega’s achterna hollen, kunnen gebreken in het economische beleid daar dus niet zomaar aan worden toegeschreven.

Bibliografie

Adams, J. and Somer-Topcu, Z. (2009). ‘Policy Adjustment by Parties in Response to Rival Parties’ Policy Shifts: Spatial Theory and the Dynamics of Party Competition in Twenty-Five Post-War Democracies’, British Journal of Political Science, 39 (4), 825–846.

Allison, P. (2013). What is the best R-Squared for logistic regression? Geraadpleegd op 24/04/2019, van https://statisticalhorizons.com/r2logistic.

Ares, M., Ceka, B. & Kriesi, H. (2016). Diffuse support for the European Union: spillover effects of the politicization of the European integration process at the domestic level. Journal of European Public Policy, 24 (8), 1091-1115.

Armingeon, K., & Cranmer, S. (2018). Position-taking in the Euro crisis. Journal of European Public Policy25 (4), 546-566.

Aspinwall, M. (2006). Government Preferences on European Integration: An Empirical Test of Five Theories. British Journal of Political Science, 37 (1), 89–114.

Bailer, S., Mattila, M., & Schneider, G. (2015). Money makes the EU go round: The objective foundations of conflict in the Council of Ministers. Journal of Common Market Studies, 53 (3), 437-456.

Bartlett, W. & Pica, I. (2016). Interdependence between Core and Peripheries of the European Economy: Secular Stagnation and Growth in the Western Balkans. LEQS Paper 104.

Bechtel, M., Hainmueller, J. & Margalit, Y. (2017). Policy design and domestic support for international bailouts. European Journal of Political Research, 56 (4), 864-886.

Bernhard, W. T., & Leblang, D. (2016). Sovereign debt, migration pressure, and government survival. Comparative Political Studies, 49 (7), 907-938.

Budge, I. (1994). A new spatial theory of party competition: Uncertainty, ideology and policy equilibria viewed comparatively and temporally. British journal of political science24 (4), 443-467.

Caramani, D. (2017). Will vs. reason: The populist and technocratic forms of political representation and their critique to party government. American Political Science Review, 111 (1), 54–67.

Bremer, B. (2018). The missing left? Economic crisis and the programmatic response of social democratic parties in Europe. Party Politics, 24 (1), 23-38.

Charalambous, G., Conti, N. & Pedrazzani, A. (2018). The political contestation of European integration in Southern Europe. Party Politics, 24 (1), 39-51.

Clements, B., Nanou, K. & Real-Dato, J. (2018). Economic crisis and party responsiveness on the left-right dimension in the European Union. Party Politics, 24 (1), 52-64.

Conti, N. (2018). National political elites, the EU, and the populist challenge. Politics38 (3), 361-377.

Conti, N., Hutter, S. & Nanou, K. (2018). Party competition and political representation in crisis: An introductory note. Party Politics, 24 (1), 3-9.

Dahl, R. A. (1994). A democratic dilemma: system effectiveness versus citizen participation. Political Science Quarterly, 109 (1), 23-34.

De Grauwe, P., & Ji, Y. (2018). Core-periphery relations in the Eurozone. The Economists’ Voice15 (1).

De Telegraaf (2017). Wilders ziet ‘patriottische lente in Europa. Geraadpleegd op 30/04/2019, van https://www.telegraaf.nl/nieuws/47044/wilders-ziet-patriottische-lente-in-europa.

Dinas, E., & Gemenis, K. (2010). Measuring parties’ ideological positions with manifesto data: A critical evaluation of the competing methods. Party politics, 16 (4), 427-450.

Draghi, M. (2012). Verbatim of the remarks made by Mario Draghi. Geraadpleegd op 15 april 2018, van www.ecb.europa.eu/press/key/date/2012/html/sp120726.en.html.

ECB (2019). Roulatie van stemrechten binnen de Raad van Bestuur. Geraadpleegd op 7 mei 2019, van https://www.ecb.europa.eu/ecb/orga/decisions/govc/html/votingrights.nl.html.

Enderlein, H. (2004). Break it, Don’t Fix it! Journal of Common Market Studies, 42 (5), 1039-1046.

Europese Commissie (2019). Public Opinion. Geraadpleegd op 16 april 2019, van http://ec.europa.eu/commfrontoffice/publicopinion/index.cfm/Survey/index#p=1&instruments=STANDARD.

Fiers, S. (2009). De spelregels van de democratie : kiesstelsels en politieke systemen in Europa. Brussel: ASP.

Franchino, F. & Segatti, P. (2017). Public opinion on the Eurozone fiscal union: evidence from survey experiments in Italy. Journal of European Public Policy, 25, 1-23.

Franke, T. M., Ho, T., & Christie, C. A. (2012). The chi-square test: Often used and more often misinterpreted. American Journal of Evaluation33 (3), 448-458.

Grande, E. & Kriesi, H. (2018). The transformative power of globalization and the structure of political conflict in Western Europe. In H. Kriesi, E. Grande, M. Dolezal, M. Helbling, D. Höglinger, S. Hutter & B. Wüest (Eds.) Political conflict in Western Europe (pp. 3-31). Cambridge: Cambridge University Press.

Genschel, P. & Jachtenfuchs, M. (2014). Beyond the regulatory polity?: the European integration of core state powers. Oxford: Oxford University Press.

Genschel, P. & Jachtenfuchs, M. (2015). More integration, less federation: the European integration of core state powers. Journal of European Public Policy 23 (1), 42–59.

Genschel, P. & Jachtenfuchs, M. (2017). From Market Integration to Core State Powers: The Eurozone Crisis, the Refugee Crisis and Integration Theory. Journal of Common Market Studies, 56 (1), 178-196.

Hagemann, S., & Hoyland, B. (2008). Parties in the Council?. Journal of European Public Policy, 15 (8), 1205-1221.

Hagemann, S., Hobolt, S. & Wratil, C. (2017). Government Responsiveness in the European Union: Evidence From Council Voting. Comparative Political Studies, 50 (6), 850-876.

Harteveld, E., Schaper, J., De Lange, S. & Van der Brug, W. (2018). Blaming Brussels? The Impact of (News about) the Refugee Crisis on Attitudes towards the EU and National Politics. Journal of Common Market Studies, 56 (1), 157-177.

Hernandez, E. & Kriesi, H. (2016) The electoral consequences of the financial and economic crisis in Europe. European Journal of Political Research, 55 (2), 203-224.

Hobolt, S. & de Vries, C. (2016). Public Support for European Integration. Annual Review of Political Science, 19, 413-432.

Hobolt, S. & Tilley, J. (2016). Fleeing the centre: the rise of challenger parties in the aftermath of the euro crisis. West European Politics, 39 (5), 971-991.

Hooghe, L., & Marks, G. (2009). A Postfunctionalist Theory of European Integration: From Permissive Consensus to Constraining Dissensus. British Journal of Political Science, 39 (1), 1-23.

Hooghe, L. & Marks, G. (2018). Cleavage theory meets Europe's crises: Lipset, Rokkan, and the transnational cleavage. Journal of European Public Policy, 25 (1), 109-135.

Hooghe, L., Marks, G., & Wilson, C.J. (2002). Does left/right structure party positions on European integration?. Comparative political studies, 35 (8), 965-989.

Hooghe, M., & Dassonneville, R. (2018). A spiral of distrust: A panel study on the relation between political distrust and protest voting in Belgium. Government and Opposition, 53 (1), 104-130.

Issing, O. (2005). One size fits all! A single monetary policy for the euro area. Geraadpleegd op 16 maart 2018, van https://www.ecb.europa.eu/press/key/date/2005/html/sp050520.en.html.

Jabko, N. (1999). In the name of the Market: how the European Commission paved the way for monetary union. Journal of European Public Policy, 6 (3), 475-495.

Jones, E., Kelemen, D. & Meunier, S. (2016). Failing forward? The Euro Crisis and the Incomplete Nature of European Integration. Comparative Political Studies, 49 (7), 1010-1034.

Juncker, J.-C., Dijsselbloem, J., Tusk, D., Draghi, M. & Schultz, M. (2015). Completing Europe’s Economic and Monetary Union. Brussel: Europese Commissie.

Kanthak, L. & Spies, D. (2018). Public support for European Union economic policies. European Union Politics, 19 (1), 97-118.

Kim, J. O. (1975). Multivariate analysis of ordinal variables. American Journal of Sociology81 (2), 261-298.

König, T., & Luig, B. (2017). The impact of EU decision-making on national parties’ attitudes towards European integration. European Union Politics18 (3), 362-381.

Kriesi, H. (2012). The Political Consequences of the Financial and Economic Crisis in Europe: Electoral Punishment and Popular Protest. Swiss Political Science Review, 18 (4), 518-522.

Krippendorff, K. (2013). Content analysis : an introduction to its methodology (3de editie). Los Angeles: SAGE.

Lucardie, P. (2000). Prophets, purifiers and prolocutors - Towards a theory on the emergence of new parties. Party Politics, 6 (2), 175-185.

Mair, P. (2000). The limited impact of Europe on national party systems. West European Politics 23 (4), 27–51.

Mair, P. (2009). Representative versus Responsible Government. MPIfG Working Paper 09/8. Geraadpleegd op 16 maart 2018, van http://www.mpifg.de/pu/workpap/wp09-8.pdf.

Mair, P. (2013). Ruling the void: the hollowing of Western democracy. London: Verso.

Mair, P. & Mudde, C. (1998). The party family and its study. Annual Review of Political Science, 1 (1), 211-229.

Majone, G. (1998). Europe’s ‘Democratic Deficit’: The Question of Standards. European Law Journal, 4 (1), 5-28.

Mansfield, E. R., & Helms, B. P. (1982). Detecting multicollinearity. The American Statistician36 (3a), 158-160.

Marsh, D. (2016). Europe's Deadlock: How the Euro Crisis Could Be Solved—And Why It Still Won't Happen. New Haven: Yale University Press.

Marks, G. & Wilson, C.J. (2000). The past in the present: A cleavage theory of party response to European integration. British Journal of Political Science, 30 (3), 433-459.

Mattila, M. (2003). Why bother? Determinants of turnout in the European elections. Electoral studies22 (3), 449-468.

Mattila, M. (2009). Roll Call Analysis of Voting in the European Union Council of Ministers after the 2004 Enlargement. European Journal of Political Research, 48 (6), 840–857.

McDonnell, D. & Newell, J.L. (2011). Outsider Parties in Government in Western Europe. Party Politics, 17 (4), 443–452.

McNamara, K. R. (1999). Consensus and constraint: Ideas and capital mobility in European monetary integration. Journal of Common Market Studies, 37 (3), 455-476.

Meijers, M. J. (2017). Contagious Euroscepticism: The impact of Eurosceptic support on mainstream party positions on European integration. Party Politics23 (4), 413-423.

Moravcsik, A. (1998). The choice for Europe : social purpose and state power from Messina to Maastricht. London: Routledge.

Moravcsik, A. (2002). In Defence of the “Democratic Deficit”: Reassessing the Legitimacy of the European Union. Journal of Common Market Studies, 40 (4), 603–634.

Moravcsik, A. (2008). The European constitutional settlement. The World Economy31 (1), 158-183.

Moore, D. S., & McCabe, G. P. (2006). Statistiek in de praktijk: Theorieboek (5de editie). Den Haag: Academic service.

Mudde, C. (2004). The populist zeitgeist. Government and opposition39 (4), 541-563.

Mundell, R. (1963). Capital Mobility and Stabilization Policy under Fixed and Flexible Exchange Rates. The Canadian Journal of Economics and Political Science / Revue Canadienne D'Economique Et De Science Politique, 29 (4), 475-485. 

Nagelkerke, N. J. (1991). A note on a general definition of the coefficient of determination. Biometrika, 78 (3), 691-692.

Otero-Iglesias, M. (2017). Still waiting for Paris: Germany’s reluctant hegemony in pursuing political union in the Euro Area. Journal of European Integration39 (3), 349-364.

Otjes, S., & Katsanidou, A. (2017). Beyond Kriesiland: EU integration as a super issue after the Eurocrisis. European Journal of Political Research56 (2), 301-319.

Parker, O. & Tsarouhas, D. (2017). Crisis in the Eurozone Periphery. Cham: Springer International Publishing.

Parlement (2019). Tweede Kamerverkiezingen 2003. Geraadpleegd op 19 april 2019, van https://www.parlement.com/id/vhnnmt7j3lxt/tweede_kamerverkiezingen_2003.

Pierson, P. (2000). The Limits of Design: Explaining Institutional Origins and Change. Governance, 13 (4), 475–499.

Robinson, W. S. (2009). Ecological correlations and the behavior of individuals. International journal of epidemiology, 38 (2), 337-341.

Rohrschneider, R. & Whitefield, S. (2016). Responding to growing European Union-skepticism? The stances of political parties toward European integration in Western and Eastern Europe following the financial crisis. European Union Politics 17 (1), 138–161.

Rooduijn, M., De Lange, S.L. & van der Brug, W. (2014). A populist Zeitgeist? Programmatic contagion by populist parties in Western Europe. Party Politics, 20 (4), 563-575.

Rourke, L. & Anderson, T. (2004). Validity in Quantitative Content Analysis. Educational technology research and development52 (1), 5-18.

Ryner, J. M. & Cafruny, A. W. (2017). The European Union and global capitalism. London: Palgrave Macmillan.

Sartori, G. (1976). Parties and Party Systems: A Framework for Analysis. Cambridge: Cambridge University Press.

Scharpf, F. W. (1999). Governing in Europe: Effective and democratic?. Oxford: Oxford University Press.

Scharpf, F.W. (2002). The European social model: Coping with the challenges of diversity. Journal of Common Market Studies, 40 (4), 645-670.

Scharpf, F.W. (2011). Monetary Union, Fiscal Crisis and the Preemption of Democracy. MPIf Discussion Paper 11/11.

Scharpf, F. W. (2015). Political legitimacy in a non-optimal currency area. Democratic politics in a European Union under stress, 19-47.

Smith, G. (1989). Core Persistence: Change and the “People’s Party”. West European Politics, 12 (4), 157–168.

Schmitt, H., Braun, D., Popa, S., Mikhaylov, S., Dwinger, F. (2018). European Parliament Election Study 1979-2014, Euromanifesto Study. Cologne: GESIS Data Archive.

Spoon, J. J. (2012). How salient is Europe? An analysis of European election manifestos, 1979–2004. European Union Politics13 (4), 558-579.

Steenbergen, M. R. & Marks, G. (2004). European integration and political conflict. Cambridge: Cambridge university press.

Theodore, J., Theodore, J. & Syrrakos, D. (2017). The European Union and the Eurozone under Stress. Cham: Springer International Publishing.

Tilburg University (n.d.). SPSS: Meetniveaus. Geraadpleegd op 19 april 2019, van https://www.tilburguniversity.edu/nl/studenten/studie/colleges/spsshelpdesk/edesk/meetnive.

Verkiezingsprogramma (2003). Federale verkiezingen 18 mei 2003.

Vilpisauskas, R. (2013). Eurozone Crisis and European Integration: Functional Spillover, Political Spillback? Journal of European Integration, 35 (3), 361-373.

Volkens, A., Krause, W., Lehmann, P., Matthieß, T. Merz, N. Regel, S. Weßels, B. (2018). The Manifesto Data Collection (Versie 2018b). [Manifesto Project (MRG/CMP/MARPOR)]. Geraadpleegd op 27 maart 2019, van https://visuals.manifesto-project.wzb.eu/mpdb-shiny/cmp_dashboard_dataset/.

Vos, H. (2015). Besluitvorming in de Europese Unie, een survival kit. Leuven: Acco.

Whitefield, S., & Rohrschneider, R. (2019). Embedding integration: How European integration splits mainstream parties. Party Politics25 (1), 25-35.

Zulianello, M. (2017). Anti-system parties revisited: Concept formation and guidelines for empirical research. Government and Opposition, 52, 1-29.

 

 

Programma’s Franse presidentsverkiezingen

 

Chevènement, J.-P. (2002). Projet présidentiel de Jean-Pierre Chevènement. Geraadpleegd op 15 april 2019, van https://www.chevenement.fr/attachment/36186/.

Chirac, J. (2002). Mon engagement pour la France. Geraadpleegd op 15 april 2019, van http://discours.vie-publique.fr/notices/027000088.html.

Hollande, F. (2012). Projet Presidentiel Francois Hollande. Geraadpleegd op 19 april 2019, van https://www.scribd.com/document/79434607/Projet-Presidentiel-Francois-Hollande.

Le Pen, J.-M. (2002). Pour un avenir français. Geraadpleegd op 15 april 2019, van http://discours.vie-publique.fr/notices/023001406.html.

Le Pen, J.-M. (2007). Programme électoral de Jean-Marie Le Pen. Geraadpleegd op 15 april 2019, van http://discours.vie-publique.fr/notices/073001250.html.

Le Pen, M. (2012). Mon projet, pour la France et pour les Français. Geraadpleegd op 19 april 2019, van http://discours.vie-publique.fr/notices/123000632.html.

Le Pen, M. (2017). Les 144 engagements présidentiels. Geraadpleegd op 19 april 2019, van https://rassemblementnational.fr/le-projet-de-marine-le-pen/.

Laguiller, A. (2002). Programme de Lutte Ouvrière pour les élections législatives de 2002. Geraadpleegd op 15 april 2019, van http://programmepolitique.free.fr/lo_2002.html.

Macron, E. (2017). Le programme d’Emmanuel Macron. Geraadpleegd op 19 april 2019, van https://en-marche.fr/emmanuel-macron/le-programme.

Mélenchon, J.-L. (2012). L’humain d’abord. Geraadpleegd op 19 april 2019, van http://www.jean-luc-melenchon.fr/brochures/humain_dabord.pdf.

Mélenchon, J.-L. (2017). L’avenir en commun. Geraadpleegd op 19 april 2019, van https://avenirencommun.fr/.

Sarkozy, N. (2007). Ensemble, tout devient possible. Geraadpleegd op 15 april 2019, van http://ipolitique.free.fr/francepolitique/sarkozy2007-2.pdf.

Universiteit of Hogeschool
Jasper Praet
Publicatiejaar
2019
Promotor(en)
Prof. dr. Ferdi De Ville
Kernwoorden
Share this on: