Islamisme, civil society en democratie. Hizballah als model?

Karel Tousseyn
Islamisme, civil society en democratie. Hizballah als model ?
Karel Tousseyn
 
De ogen van de wereld zijn vandaag massaal op het islamisme gericht. Deze politiek-religieuze stroming wordt in één adem vernoemd met (moslim)terrorisme en massavernietigingswapens, als ware het synoniemen. In de thesis Islamisme, civil society en democratie. Hizballah als model? wordt tegen deze stroom ingegaan door te pleiten voor een genuanceerde benadering van het fenomeen islamisme. Nergens wordt de dreiging die uitgaat van groeperingen zoals al-Qaeda geminimaliseerd.

Islamisme, civil society en democratie. Hizballah als model?

Islamisme, civil society en democratie. Hizballah als model ?

Karel Tousseyn

 

De ogen van de wereld zijn vandaag massaal op het islamisme gericht. Deze politiek-religieuze stroming wordt in één adem vernoemd met (moslim)terrorisme en massavernietigingswapens, als ware het synoniemen. In de thesis Islamisme, civil society en democratie. Hizballah als model? wordt tegen deze stroom ingegaan door te pleiten voor een genuanceerde benadering van het fenomeen islamisme. Nergens wordt de dreiging die uitgaat van groeperingen zoals al-Qaeda geminimaliseerd. De auteur wil daarentegen tot een classificatie van de verschillende soorten islamistische bewegingen komen.

 

Het hedendaagse islamisme wordt in de wetenschappelijke literatuur op twee manieren beschreven. De school van het “islamistische gevaar”, die voornamelijk in de Angelsaksische wereld een grote aanhang kent, behandelt de Islam en het islamisme als een homogene cultuur en beschaving. Auteurs zoals Huntington en Lewis spreken van een botsing tussen de westerse democratische waarden en het hedendaagse islamisme. De basis van hun argumentatie ligt in het feit dat zij de Islam beschouwen als een onveranderlijk en onveranderbaar cultureel systeem dat noodzakelijk in conflict treedt met de westerse moderniteit. De weigering van een deel van de moslims om zich aan te passen aan die westerse moderniteit ligt aan de basis van het radicale islamisme. Elke vorm van islamisme dient dus als een gevaar beschouwd te worden, waartegen desnoods geweld dient gebruikt te worden.

De school van het “gefaalde islamisme” is grotendeels van Franse origine. Wetenschappers zoals Gilles Kepel en Olivier Roy concluderen dat het islamisme als politieke stroming gefaald heeft. Daar zij die term reserveren voor bewegingen die streven naar een islamitische staat, is die conclusie gerechtvaardigd. Enkel in Iran en Soedan is een dergelijke staat tot stand gekomen. In andere staten stellen zij vast dat islamistische bewegingen steeds vaker participeren in het politieke leven. Daardoor verliezen zij juist hun islamistisch karakter en worden zij post-islamistisch.

 

In plaats van te spreken van categorieën die elkaar uitsluiten, is het echter nuttiger om de diversiteit binnen het islamisme niet uit het oog te verliezen. Binnen de school van het “islamisme nieuwe stijl” willen we tot een classificatie komen van de versschillende stromingen binnen het islamisme. Twee bouwstenen zijn daarbij van wezenlijk belang.

Ten eerste is de ene islamist de andere niet. Islamisme dient als een breed begrip beschouwd te worden en is als dusdanig van toepassing op “iedere politieke ideologie die zich op waarden en normen baseert die men als islamitisch beschouwt”. Aangezien een grote groep bewegingen aan deze definitie beantwoordt, is een onderverdeling noodzakelijk. Daarbij wordt gekeken naar de manier waarop een bepaalde beweging zich verhoudt tot de andere leden van de samenleving en de mate waarin ze voorstander is van een scheiding tussen godsdienst en staat. Aan de hand van deze twee variabelen komen we tot vier subcategorieën.

De tweede bouwsteen, een historische aanpak, moet deze onderverdelingen empirisch onderbouwen. Daartoe wordt de ontstaansgeschiedenis van het islamisme beschreven, vanaf haar ontstaan in de jaren ’20 tot op heden.  Die evolutie bestaat uit 3 fasen.

In eerste instantie ontstond het islamisme uit de dekoloniseringstrijd tijdens de eerste helft van de 20ste eeuw. In de Islam werd naar antwoorden gezocht op de intense verandering waarmee men in die periode geconfronteerd werd. Hierbij stond da’wa centraal, hetgeen staat voor een daad van overtuiging van onderuit. Al vlug moest deze stroming het onderspit delven voor het Arabische nationalisme, met als bekendste vaandeldrager de Egyptische president Nasser. Ook het Midden-Oosten werd immers betrokken in de dynamiek van de Koude Oorlog. Uit de oppositie tegen dit socialisme op zijn Arabisch zal een meer radicale vorm van het islamisme ontstaan, die gemeenzaam het fundamentalisme genoemd wordt.

De Arabische regimes bleken niet in staat om hun beloftes op het vlak van werkgelegenheid in te lossen, waardoor een steeds bredere groep van de bevolking zich aangetrokken voelde tot het islamisme. Dit culmineerde enerzijds in de gebeurtenissen rond de Iraanse Revolutie van 1979. Gezien de specifieke context had dit evenement slechts een beperkte directe invloed in het Midden-Oosten. In diezelfde periode ontwikkelde zich een meer conservatieve en zelfs reactionaire versie van de Islam, gesteund door het leiderschap in Saudie-Arabië.

 

De vraag naar het karakter van het hedendaagse islamisme stelt zich bij deze. Er deden zich in het laatste decennium immers twee schijnbaar tegenstrijdige evoluties voor in het Midden-Oosten. Enerzijds participeren islamistische groepering in het parlement of de regering, zoals in Turkije, Marokko en Libanon. Anderzijds groeit het religieus gefundeerde geweld, met de aanslagen van 11 september als (voorlopig?) orgelpunt.

De voorheen besproken variabelen kunnen hierin meer duidelijkheid brengen. Beide groeperingen zien zich als de gewettigde vertegenwoordiger van de moslimgemeenschap. Als dusdanig voeren zij een inclusief discours: iedere “goede” moslim kan tot deze bewegingen toetreden. Zij verschillen echter in hun visie op de scheiding tussen godsdienst en staat. De politieke Islam beschouwt zich als een politieke beweging die zich baseert op islamitische principes. Dit sluit geenszins het bestaan van groeperingen met andere denkbeelden uit. We kunnen aldus gewag maken van een islamo-democratie, naar analogie met de christen-democratie.

Aan de andere zijde van het spectrum bevinden zich de neo-fundamentalisten. Zij pretenderen de politieke vertegenwoordigers van dé Islam te zijn. Het spreekt voor zich dat democratie in die context elke betekenis verliest.

 

Het voorbeeld van de Libanese Hizballah toont het belang aan van een genuanceerde benadering. Afgaande op televisiebeelden uit de jaren ’80 zou men vlug concluderen dat het hier een neo-fundamentalistische beweging betreft. Bij nader onderzoek blijkt Hizballah een gerespecteerde speler te zijn in de Libanese politiek, die als één van de meest democratische in het Midden-Oosten geboekstaafd staat. Onder de bevolking weet de beweging zich van steun verzekerd door de uitbouw van sociale voorzieningen. In het parlement voeren haar vertegenwoordigers een constructieve oppositie.

 

Universiteit of Hogeschool
Politieke en Sociale Wetenschappen
Publicatiejaar
2003
Share this on: