“One Melting Moment”: Disnarration, blending, and 4E-cognition in Vladimir Nabokov’s Pnin

Jens Meijen
Een alternatieve benadering van het narratologische begrip "disnarratie" met behulp van psychologie (counterfactuality) en cognitieve wetenschap (conceptual blending & 4E-cognition). Een case study van Vladimir Nabokovs novelle 'Pnin' toont aan dat een meer empirisch-wetenschappelijke behandeling van disnarratie waardevolle inzichten oplevert vanuit zowel een literair als een cognitief perspectief.

Hoe literatuur de magie van ons brein helpt doorgronden

In 1989 introduceerde de narratoloog Gerald Prince het concept disnarration (disnarratie): alles wat zou of had kunnen gebeuren in een verhaal, maar toch niet echt gebeurt binnen die fictionele wereld. Denk bijvoorbeeld aan Anna Karenina die zich afvraagt hoe haar leven eruit zou zien als ze de begeerlijke vrijgezel Vronski niet ontmoet had, of aan Julia die zich voorstelt hoe anders alles zou zijn als haar Romeo niet Montague heette. Een verhaal, aldus Prince, is evenzeer bepaald door wat er níét gebeurt als door wat er wel gebeurt. We leren personages (en mensen) ook vaak beter kennen via hun dromen, wensen, en onvervulbare verlangens dan via hun handelingen. Disnarratie bestaat dus uit “wat als”-scenario’s, of, om preciezer te zijn, contrafactuelen.

Zulke contrafactuele gedachten zijn al veelvuldig empirisch onderzocht, en uit verschillende experimenten blijkt dat ze een belangrijke praktische functie vervullen. Van kinds af aan denken we contrafactueel: we kunnen plannen smeden, speculeren over mogelijke toekomsten, of fantaseren over een onbereikbaar leven. Disnarratie is dus een vertelstrategie die in wezen contrafactueel is en zo inspeelt op een basisfunctie van ons brein – de mens is een fantasierijk wezen, op en top getraind om te denken in “wat als”-scenario’s.

Hedendaags contrafactueel onderzoek kan Prince’ dertig jaar oude term nieuw leven inblazen, maar ook de cognitieve wetenschap biedt een empirisch fundament. Een van de belangrijkste evoluties in het onderzoek naar het menselijke denken in de afgelopen decennia is 4E-cognitie: een verzamelnaam voor cognitie als embodied (belichaamd), embedded (ingebed), extended (uitbesteed) en enactive (enactief). Om te beginnen zegt 4E dat gedachten onlosmakelijk verbonden zijn met ons lichaam en onze zintuigen. Als baby leren we eerst kennismaken met fysieke ervaringen zoals ruimtelijke oriëntatie, temperatuur, en tastzin, vooraleer we overgaan naar abstractere concepten als tijd. Daardoor begrijpen we tijd metaforisch als ruimte wanneer we zeggen dat iets “ver in de toekomst ligt”. Verder poneert embedded cognition dat ons denken steeds is ingebed in een bepaalde situatie, doordat ons denkvermogen gebonden is aan onze lichamelijke aanwezigheid in een leefwereld. Extended cognition beweert dan weer dat ons denkproces zich uitstrekt tot buiten ons hoofd. Aanhangers van zulke uitbestede cognitie zien bijvoorbeeld rekenmachines als deel van onze cognitieve infrastructuur. Als laatste voert enactive cognition aan dat het menselijk denkvermogen een gereedschap is dat een actief evolutionair voordeel biedt, aangezien het ons toelaat om concrete situaties te navigeren en onze zelfvoorzienende activiteiten te coördineren.

Een 4E-benadering van contrafactueel denken is actief en gecontextualiseerd, heeft aandacht voor de concrete situatie van het subject, en overbrugt de oude Cartesiaanse kloof tussen lichaam en geest. Daaruit volgt dat disnarratie, met haar wortels in contrafactuele gedachten, eveneens een vorm van 4E-cognitie is: elk verhaal bevat een schatkist aan gedisnarreerd materiaal dat het gedrag van personages verklaart, hun handelingen stuurt, hun misdrijven haast verantwoordt – denk aan Raskolnikov uit Misdaad en straf – en volledige alternatieve werelden tot leven brengt. Literatuur toont ook vaak hoe contrafactuele gedachten tekortschieten, hoe vurige verlangens uit de hand kunnen lopen, dagdromen ontsporen tot hallucinaties, en we ons verliezen in het verzinnen van andere werelden. Wanneer het onderscheid tussen het feitelijke en het virtuele oplost, verdwijnen ook de praktische voordelen van contrafactualiteit.

Neem bijvoorbeeld Pnin, een novelle van Vladimir Nabokov uit 1957 waarin een verstrooide professor zich holderdebolder door de wereld manoeuvreert en bijna verzuipt in zijn eigen chaotische gedachten. De rondbuikige zonderling is door de Russische revolutie moeten vluchten uit zijn geliefde vaderland, waar hij niet alleen zijn echte thuis heeft achtergelaten, maar ook zijn vrienden, zijn ouders, en zijn jeugdliefde. Dat levert prachtig proza op: wanneer Pnin denkt aan zijn thuisland door een liedje in de verte of de geur van seringen, ontspoort zijn verbeelding compleet. Het Amerikaanse bos om hem heen verandert in een Russisch loofwoud, een aula vult zich met de geesten van oude Russische vrienden, en hij probeert een wereld te scheppen waarin alles anders gegaan is; waarin het sprankelende universum van zijn jeugd nog steeds levensvatbaar is. Die fantasieën kunnen Pnin dan wel even troosten, maar zijn overactieve verbeelding werkt ook averechts: telkens wanneer hij een keuze moet maken, stelt hij zich alle mogelijke uitkomsten van zijn beslissing voor, waardoor hij steeds de onhandigste dingen doet. Het is dus behoorlijk ironisch dat de enige manier om zijn gelukkige jeugd te herbeleven er meteen ook voor zorgt dat hij in de echte wereld nauwelijks kan functioneren. 

Een 4E-disnarratieve benadering biedt ook een ander perspectief op een essentieel thema van het boek. Plots ziet Pnin de schim van zijn jeugdliefde, Mira, die jaren daarvoor in een concentratiekamp overleden is. Hij probeert haar weer voor de geest te halen, maar ze ontglipt hem steeds. Hoeveel scenario’s Pnin ook verzint waarin ze niet sterft en hoe intens hij zijn geliefde ook wil redden, hij kan zich geen wereld voorstellen waarin Mira de gruwel van het concentratiekamp overleeft. Ze blijft etherisch, ongrijpbaar. Het falen van Pnins contrafactuele gedachten onthult hier de fundamentele tragiek van het verhaal: zelfs de oerkracht van de menselijke verbeelding kan het trauma van de Holocaust niet genezen. Voor Nabokov is die gebeurtenis het eindpunt van de menselijke fantasie, het moment waarop alle alternatieve werelden afsterven.

De mens bezit een fantastische, letterlijk hallucinant krachtige verbeelding die ons in staat stelt om hele jungles aan alternatieve scenario’s te bedenken, volledige parallelle dimensies waarin bepaalde gebeurtenissen anders gelopen zijn. We doen dat elke dag. Zonder het te beseffen scheppen we voortdurend mogelijke werelden. Zelfs in zoiets simpels als het opstellen van een boodschappenlijstje schuilt een heel bladerdak van toekomsten. Literatuur, een fascinerend uitgroeisel van die vertakkende verbeelding, daagt ons natuurlijk contrafactueel denkvermogen uit. Disnarratie is de verzamelnaam voor de niet-feitelijke gebeurtenissen en mogelijke-maar-irreële werelden in verhalen; het stuk van de ijsberg dat onder water blijft. Het biedt een waardevol perspectief op hoe literatuur onze oceaan van mentale vermogens aanwendt. Verhalen zorgen ervoor dat we ons fabelachtige brein beter begrijpen – niet door ontlichaamd wetenschappelijk onderzoek, maar door te lezen over mensen die leven, ademen, en fantaseren in een fictionele wereld.

Bibliografie

     Aizawa, Ken 
          2012 “Distinguishing virtue epistemology and extended cognition,” Philosophical Explorations       
          15: 91–106. 

 

      Alexandrov, Vladimir  
            1991 Nabokov’s Otherworld (Princeton, NJ: Princeton University Press). 

 

      Barabtarlo, Gennady 
            1993 Aerial View: Essays on Nabokov's Art and Metaphysics (New York: Peter Lang). 

 

      Baggs, Ed 
            2017 “A Book Review on Evolving Enactivism: Basic Minds Meet Content” (review of Basic  
            Minds Meet Content by Daniel D. Hutto and Erik Myin) Frontiers in Psychology 8: art. 1947. 

 

      Benedi, Pilar M.  
            2014 “The Cognitive Turn: A Short Guide for Nervous Drivers,” Status Quaestionis 7: Art. 5.  

 

     Besemeres, Mary 
          2000 “Self-Translation in Vladimir Nabokov’s Pnin,” The Russian Review 59: 390–407. 

 

     Boyd, Bryan 
          1991 Vladimir Nabokov: The American Years (Princeton, NJ: Princeton University Press).   

 

     Brandt, Line and Per Aage Brandt 
          2005 “Making sense of a blend: a cognitive-semiotic approach to metaphor,” Annual Review of  
          Cognitive Linguistics 3: 216–49.  

 

     Bremond, Claude and Elaine Cancalon 
          1980 “The Logic of Narrative Possibilities,” New Literary History 11: 387–411.  

 

     Crane, Tim 
          2000, “Dualism, monism, physicalism,” Mind & Society 1: 73–85. 

 

     Dannenberg, Hillary  
          2008 Coincidence and counterfactuality: plotting time and space in narrative fiction (Lincoln:  
          University of Nebraska Press).   

 

     Dannenberg, Hillary  
          2012 “Fleshing Out the Blend: The Representation of Counterfactuals in Alternate History in                      
          Print, Film, and Television Narratives” in Blending and the Study of Narrative: Approaches and  
          Applications, edited by Ralf Schneider and Marcus Hartner, 121–46 (Berlin: De Gruyter). 

 

     Dancygier, Barbara and Eve Sweetser 
          2005 Mental Spaces in Grammar: Conditional Constructions, Cambridge Studies in Linguistics  
          108 (Cambridge: Cambridge University Press). 

 

      Delibegović, Džanić and Žerić Alma 
            2016 “What is advertising without blending? Advertisements in women’s magazines,”  
            Explorations in English Language and Linguistics 4: 1–14. 

 

     Doležel, Lubomir  
          1998 Heterocosmica: Fiction and Possible Worlds (Baltimore, MD: Johns Hopkins University 
          Press).  

 

     Egan, Frances  
          2014 “How to think about mental content,” Philosophical Studies 170: 115–35. 

 

     Epstude, Kai and Neal Roese 
          2008 “The Functional Theory of Counterfactual Thinking,” Personality and Social Psychology  
          Review 12: 168–92. 

 

     Fauconnier, Gilles and Mark Turner 
          2002 The Way We Think: Conceptual Blending and The Mind's Hidden Complexities (London:            
          Basic Books). 

 

     Feldman, Jerome and Srinivas Narayanan  
          2004 “Embodied meaning in a neural theory of language,” Brain and Language 89: 385–92. 

 

     Feldman, Jerome 
          2010 “Embodied language, best fit analysis, and formal compositionality,” Physics of Life  
          Reviews 7: 385–410. 

 

     Fillmore, Charles J.  
          1976 “Frame semantics and the nature of language,” Annals of the New York Academy of  
          Sciences: Conference on the Origin and Development of Language and Speech 280: 20–32. 

 

     Fillmore, Charles J.  
          1977 Lectures on Deixis (Stanford, CA: CSLI Publications).  

 

     Freeman, Margaret H.  
          2005 “The Poem as Complex Blend: Conceptual Mappings of Metaphor in Sylvia Plath's 'the  
          Applicant',” Language and Literature 14: 25–44. 

 

     Gallagher, Shaun 
          2013 "The socially extended mind," Cognitive Systems Research 25–26: 4–12.  

 

     Gibbs, Raymond W.  
          1984 The Poetics of Mind (Cambridge: Cambridge University Press). 

 

     Gibbs, Raymond W. 
          2006 Embodiment in Cognitive Science (Cambridge: Cambridge University Press). 

 

     Gilovich, Thomas and Victoria Husted Medvec 
          1994 “The Temporal Pattern to the Experience of Regret,” Journal of Personality and Social            
          Psychology 67: 357–65. 

 

     Ginsburg, Michal P.  
          1997 “Framing Narrative” (Review of Narrative as Theme: Studies in French Fiction by Gerald  
          Prince; Narrative Exchanges by Ian Reid; Narratives of Transmission by Bernard Duyfhuizen)  
          Poetics Today 18: 571–88.  

 

     Glebkin, Vladimir 
          2015 “Is Conceptual Blending the Key to the Mystery of Human Evolution and Cognition?”  
          Cognitive Linguistics 26: 95–111. 

 

     Harding, Jennifer R. 
          2011 ““He Had Never Written a Word of That”: Regret and Counterfactuals in Hemingway's  
           “The Snows of Kilimanjaro”,” The Hemingway Review 30: 21–35. 

 

     Harding, Jennifer R. 
          2017 Similes, Puns, and Counterfactuals in Literary Narrative (New York: Routledge).  

 

     Hartner, Marcus 
          2012 “"Constructing Literary Character and Perspective: An Approach from Psychology and 
          Blending Theory,” in Blending and the Study of Narrative: Approaches and Applications, edited            
          by Ralf Schneider and Marcus Hartner, 85–120 (Berlin: De Gruyter). 

 

     Herman, David 
          2011 “1880-1945: Re-minding Modernism,” in The Emergence of Mind: Representations of  
          Consciousness in Narrative Discourse in English, edited by David Herman, 243–72 (Lincoln:  
          University of Nebraska Press). 

 

     Kahneman, Daniel 
          1995 “Varieties of counterfactual thinking,” in What might have been: The social psychology of  
          counterfactual thinking, edited by Neal Roese and James Olson, 375–96 (Hillsdale, NJ:  
          Lawrence Erlbaum Associates, Inc.). 

 

     Karttunen, Laura 
          2008 “A Sociostylistic Perspective on Negatives and the Disnarrated: Lahiri, Roy, Rushdie,”  
          Partial Answers: Journal of Literature and the History of Ideas 6: 419–41. 

 

     Kay, Paul and Chad McDaniel  
          1978 “The linguistic significance of the meanings of basic color terms,” Language 54: 610–46. 

 

     Kirchhoff, Michael D.  
          2013 “Enaction: Toward a New Paradigm for Cognitive Science,” Philosophical Psychology 26:  
          163–67. 

 

     Kövecses, Zoltan 
           2000 Metaphor and emotion (New York: Cambridge University Press). 
      
     Kukkonen, Karin and Marco Caracciolo  
          2014 “Introduction: What is the "Second Generation?" Style 48: 261–74. 

 

     Lakoff, George and Mark Johnson 
          1980 Metaphors We live By (Chicago: The University of Chicago Press). 

 

     Lakoff, George 
           2012 “Explaining Embodied Cognition Results,” Topics in Cognitive Science 4: 773–85. 

 

     Mandel, David, Denis J. Hilton, and Patrizia Catellani 
          2002 The Psychology of Counterfactual Thinking (London: Routledge). 

 

     Markman, Keith D., Igor Gavanski, Steven, Steven J. Sherman, and Matthew N. Mcmullen 
          1995 “The Impact of Perceived Control on the Imagination of Better and Worse Possible  
          Worlds,” Personality and Social Psychology Bulletin 21: 588–95. 

 

     Markman, Keith D. and Audrey Miller 
          2006 “Depression, control, and counterfactual thinking: Functional for whom?” Journal of 
          Social and Clinical Psychology 25: 210–27 

 

     Matlock, Teenie 
          2004 “Fictive motion as cognitive simulation,” Memory & Cognition 32: 1389–400. 

 

     Maturana, Humberto R. and Francisco Varela 
          1980 Autopoeisis and cognition: The realization of the living (Boston: Reidel). 

 

     Menary, Richard  
         2014. “Introduction to the special issue on 4E cognition,” Phenomenology and the Cognitive  
          Sciences 9: 459–63. 

 

     Nabokov, Vladimir 
          1957. Pnin (New Hampshire: Heinemann). [2011: Digital Edition] 

 

     Narayanan, Srinivas 
          2010 “Mind changes: A simulation semantics account of counterfactuals,” Working Paper       
           (University of California, Berkeley). 

 

     Oliveira, Roberta P. and Robson de Souza Bittencourt 
          2008 “An interview with Mark Johnson and Tim Rohrer: From neurons to sociocultural  
          situatedness,” in Body, Language, and Mind: Sociocultural Situatedness, vol. 2, edited by            
          Frank Roslyn, 21–53 (Berlin: Walter de Gruyter).  

 

     Pifer, Ellen  
          1989 “Shades of Love: Nabokov’s Intimations of Immortality,” The Kenyon Review 11: 75–86. 

 

     Prince, Gerald  
          1988 “The Disnarrated,” Style 22: 1–8. 

 

     Prince, Gerald  
          1992 Narrative as Theme: Studies in French Fiction (Lincoln: University of Nebraska Press). 

 

      Rodimtseva, Irina 
            2014 “Free at Last: the Heroic Escape of Timofey Pnin,” Nabokov Studies 13: 125–39.  

 

     Roese, Neal 
          1994 “The functional basis of Counterfactual thinking,” Journal of Personality and Social  
          Psychology 66: 805–18. 

 

     Ronen, Ruth 
          1994 Possible Worlds in Literary Theory (Cambridge: Cambridge University Press).  

 

     Rosch, Eleanor and Carolyn Mervis 
           1981 “Categorization of natural objects,” Annual Review of Psychology 32: 89–113. 

 

     Rowe, William W.  
          1981 Nabokov’s Spectral Dimension (Ann Arbor: Ardis). 

 

     Rowlands, Mark 
          2010 The New Science of the Mind ‘Cambridge, MA: MIT Press) 

 

  Ryan, Marie-Laure 
          1991 Possible Worlds, Artificial Intelligence, and Narrative Theory (Bloomington, IN: Indiana  
          University Press). 

 

     Schneider, Ralf and Marcus Hartner, eds. 
          2012 Blending and the Study of Narrative: Approaches and Applications (Berlin: De Gruyter). 

 

 

      Shrayer, Maxim D.  
            1999 “Jewish Questions in Nabokov's Art and Life,” in Nabokov and His Fiction: New  
            Perspectives, edited by Julian W. Connolly, 73–91 (Cambridge: Cambridge University Press).  

 

     Sommers, Elena 
          2000/2001 “The 'Right' versus the 'Wrong' Child: Shades of Pain in Bend Sinister and Pnin,”  
          Nabokov Studies 6: 35–50. 

 

     Steedman, Mark 
          2010 “Embodied compositionality: Comment on “Embodied language, best-fit analysis, and  
          formal compositionality” by J. Feldman,” Physics of Life Reviews 7: 418–20. 

 

     Steels, Luc 
          2010 “Does embodiment need to be pushed even further? Comment on “Embodied language,  
          best fit analysis, and formal compositionality”,” Physics of Life Review 7: 416–17. 

 

     Talmy, Leonard  
           1988 “Force dynamics in language and cognition,” Cognitive Science 12: 49–100.  

 

     Thompson, Evan and Mog Stapleton 
          2009 “Making Sense of Sense-Making: Reflections on Enactive and Extended Mind Theories,”  
          Topoi 28: 23–30. 

 

     Toker, Leona 
          1989 Nabokov: The Mystery of Literary Structures (Ithaca, NY: Cornell University Press).  

 

     Varela, Francisco, Evan Thompson, and Eleanor Rosch 
          1991 The embodied mind: Cognitive science and human experience (Cambridge, MA: MIT  
          Press).  

 

      Werth, Paul 
            1999 Text Worlds: Representing Conceptual Space in Discourse (London: Longman).

Universiteit of Hogeschool
Master-na-Master Literatuurwetenschappen
Publicatiejaar
2018
Promotor(en)
Marco Caracciolo
Kernwoorden
Share this on: