De leer van de burenhinder versus buitencontractuele aansprakelijkheid: dringt een monistische benadering naar voren? In het licht van recente ontwikkelingen

Kathleen Lathouwers
Persbericht

Het debat voor de conceptuele grondslag van de burenhinderleer is geopend

Deze maand trad het nieuwe goederenrecht met boek 3 in werking. In deze vernieuwde wetgeving heeft de wetgever een wettelijk kader geschept voor burenrelaties, waaronder het leerstuk van de burenhinder en werden aan dit hoofdstuk enkele nieuwigheden toegevoegd.

Bij het ontwerpen van wetsartikelen 3.101 en 3.102 NBW steunde de wetgever zich voornamelijk op bestaande principes, gefundeerd op de jurisprudentie en doctrine. Het uitgangspunt blijft hetzelfde, met name dat iedere eigenaar een recht heeft op het gebruik en genot van hun onroerend goed. Opdat de burenhinderleer kan worden toegepast, zal zoals eerder al werd bepaald, sprake moeten zijn van naburige eigenaars waarvan één van de buren bovenmatige hinder oplegt aan het onroerend goed van de andere buur en deze hinder ook toerekenbaar is aan de hinderveroorzaker.

Wanneer het geschapen evenwicht wordt geschonden, heeft de wetgever in artikel 3.101, §2 NBW remedies voorzien. Een ‘passende en billijke compensatie’ moet nu plaatsmaken voor specifieke maatregelen die de rechter cumulatief kan opleggen.

De wetgever heeft in de nieuwe wet ervoor gekozen om in een preventieve fase de eigenaar of gebruiker van een onroerend goed een vordering te kunnen laten instellen opdat er preventieve maatregelen worden genomen. Hier is de voorwaarde aan verbonden dat er moet worden aangetoond dat er ernstige en manifeste risico’s inzake veiligheid, gezondheid of vervuiling ten aanzien van dit goed zijn.

Naast de rechtsgrond gesteund op artikel 3.101 NBW, kan een geschil inzake burenhinder ook berusten op de foutaansprakelijkheid vervat in artikel 1382 BW en aansprakelijkheid voor gebrekkige zaken. De aansprakelijkheid voor eigen fout biedt voor de buur die hinder heeft ondervonden een integrale schadevergoeding indien de elementen fout en schade worden bewezen, alsook het oorzakelijk verband tussen de fout en schade. Echter moet hier een nuance worden voorzien, namelijk dat artikel 544 oud BW, en aldus logischerwijs nieuw artikel 3.101 BW, ook een fout kunnen uitmaken waardoor ook een vordering gesteund op dit artikel een integrale schadevergoeding kan uitmaken. Hetzelfde geldt voor artikel 1384, lid 1 BW, alleen valt hier het component ‘fout’ weg.

Er is echter onenigheid over de praktische toepassing van een rechtsregel. Er zijn meerdere rechtsgronden voorzien, maar de rechter doet vaak dezelfde uitspraak ongeacht de rechtsgrond. Door begrippen als toerekenbaarheid, een vereiste bij burenhinder, en lichtste fout vervaagt de grens tussen de leer van de burenhinder en de foutaansprakelijkheid.

Wie er zich van bewust is dat zijn gebruik of genot abnormale hinder veroorzaakt, kan maar moeilijk voorhouden dat hij zich gedraagt naar de norm van artikel 3.101 NBW en dreigt tegelijk de grens van artikel 1382 BW te overschrijden. Maar zelfs als de hinder onopzettelijk wordt aangericht, is de foutaansprakelijkheid dichtbij. In de rechtspraak over de foutaansprakelijkheid is immers al vaker gebleken dat de materiële overtreding van een wettelijke bepaling in wezen een fout is die leidt tot de toepassing van artikel 1382 BW, mits die overtreding wetens en willens is begaan.

De grens tussen de evenwichtsleer en de foutaansprakelijkheid lijkt aldus meer en meer te vervagen. Het is dus van belang dat de benadeelde van abnormale hinder de grondslag van zijn vordering goed omschrijft, temeer omdat een toepassing van de nieuwe evenwichtsleer de rechter de keuze laat tussen drie soorten compensatoire maatregelen die hij toepassend acht, terwijl bij een schending van artikel 1382 BW de vergoeding van de integrale schade toch de norm is.

Het debat voor de conceptuele grondslag van de evenwichtsleer is aldus geopend ondanks de recentelijke wijziging in de wet. De rechtspraak heeft aan deze kritieken tot nog toe geen gevolg gegeven.

Bibliografie

Bibliografie

Wetgeving

Grondwet

Burgerlijk wetboek.

Gerechtelijk wetboek.

Veldwetboek

Wet 4 februari 2020.

MvT, Parl.St. Kamer 2018-19, nr. 54-3348/1.

MvT. Parl.St. Kamer 2018-19, nr. 54-3709/1.

MvT, Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 55-0173/1.

MvT Parl. St. Kamer 2019-20, nr. 55-0173/2.

MvT. Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 55-0173/4.

MvT, Parl St. Kamer 2020-21, nr. 55-1806/1.

Wetsvoorstel 16 juli 2019 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de exclusieve bevoegdheid van de vrederechter inzake burenhinder betreft, Parl.St. Kamer, 55K0126.

Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.

Rechtspraak

Cass. 6 april 1960, Arr. Cass. 1960, 722, Pas. 1960, I, 915, concl. P. MAHAUX, JT 1960, 339, noot J. DEMEULDER, RCJB 1960, 257, noot J. DABIN en RGAR 1960, nr. 6557, noot R. DALCQ.

Cass. 4 december 2008, JLMB 2009, afl. 10, 446, noot VAN DAMME, N.

Cass. 8 februari 2010, Res.jur.imm. 2012, 363.

Cass. 4 januari 2016, NJW 2016, 917, noot TANGHE, J.

Cass. 11 februari 2016, C.15.0031.N, noot GRUYAERT, D.

Cass. 7 oktober 2016, RW 2017-18, 624, noot KRUITHOF, M.

Cass. 5 december 2016, AR C.16.0150.N, (Oosterlinck Motors bvba / Schorredijk nv), TBO 2017, afl. 2, 146.

Cass. 9 februari 2017, AR C.13.0143.F, RW 2018-19, 383.

Cass. 16 februari 2017, TBO 2018, afl. 4, 291.

Cass. 22 februari 2018, C.17.0313.N, MER 2018, 173, noot BORUCKI, C.

Cass. 12 april 2018, C.17.0317.N.

Cass. 7 mei 2018, RGAR 2018, nr. 15501.

Cass. 6 juni 2018, TBBR 2020, afl. 5, 289.

Cass. 29 mei 2020, C.19.0545.F.

Antwerpen 3 maart 2020, NJW 2021, afl. 434, 27.

Antwerpen (b2b k.) nr. 2016/AR/510, 6 juni 2018, TBBR 2020, afl. 5, 289-307, noot SOMERS, S., “De burenhinderleer en de foutaansprakelijkheid: dringt een monistische benadering zich op?”.

Bergen 19 januari 2016, RGAR 2016, afl. 8, nr. 15322.

Bergen 5 december 2017, JLMB 2018, 1567.

Brussel 14 juni 2016, nr. 2012/AR/911, Res.Jur.Imm. 2017, afl. 2, 135.

Brussel 21 maart 2017, Res.Jur.Imm. 2017, 233.

Gent 11 februari 2016, NJW 2018, nr. 377, 179-181.

Luik 30 april 2018, JLMB 2018, afl. 35, 1687.

Luik 4 mei 2018, nr. 2017/RG/126, TBBR 2018, afl. 9, 492.

Oost-Vlaanderen 20 februari 2017, RW 2018-19, afl. 11, 432.

Oost-Vlaanderen 27 oktober 2017, Bull. Ass. 2019, afl. 2, nr. 407.

Vred. Fontaine-l’Evêque 28 februari 2019, T.Vred. 2019, afl. 9-10, 524.

Vred. Meise 22 december 2016, TMR 2017, afl. 5, 556, noot STRYCKERS, P.

Vred. Westerlo 5 juni 2019, T.Vred. 2020, nr. 9-10, 484-488.

Vred. Westerlo 17 augustus 2016, T.Vred. 2018, afl. 7-8, 420.

Rechtsleer

BAUDONCQ, F. en STEVENS, D., “De verwijdering van GSM-antennes op grond van artikel 544 B.W. of de groeipijnen van een stralende rechtspraak”, Not. Fisc.M. 2003, 33-36.

BERNARD, N. en DEFRAITEUR, V., Le droit des biens après la réforme de 2020, Limal, Anthemis, 2020, 884 p.

BOCKEN, H., BOONE, I. en KRUITHOF, M., Inleiding tot het schadevergoedingsrecht. Buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht en andere schadevergoedingsstelsels, Brugge, die Keure, 2014, 283 p.

BOUFFLETTE, S. en JADOUL, E., “Relations de voisinage: illustrations jurisprudentielles récentes en matière de troubles de voisinage et de mitoyenneté” in BOUFFLETTE, S., JADOUL, E., LECOCQ, P., POPA, R. en SALVE, A., Questions pratiques de (co)propriété, de possession et de voisinage, Limal, Anthemis, 2018, 232 p.

BRULOOT, D., e.a., Privaatrecht in hoofdlijnen volume 2, Mortsel, Intersentia, 2020, 446 p.

DAVID, G., ELLOUZE, S., GORZA, B., LAURENT, J., VAN BEVER, F., en VAN DER WILT, C., Manuel pratique des relations de voisinage, Luik, Wolters Kluwer, 2018, 295 p.

DEGEEST, G., “Burenhinder of buitencontractuele aansprakelijkheid”, NJW 2021, afl. 434, 30.

DEKREM, E. “De ene windstoot is de andere niet. Over het omvallen van bomen en de aansprakelijkheid voor gebrekkige zaken (art. 1384, lid 1 BW)”, TBBR 2020, afl. 5, 291-298.

DE WULF, C., “Inleiding tot het nieuwe goederenrecht”, T.Not. 2020, afl. 9, 733-734.

DEFOORT, P.-J., “De goede ruimtelijke ordening en vergunningen. Een juridisch overzicht”, TROS 2008, 111.

FAGNART, J., “La notion de responsabilité” in X, Responsabilités. Traité théorique et pratique, Livre 1, Luik 2020, losbladig.

GILLAERTS, P., De Belgische declaratoire vordering en het niet-vergoedende aansprakelijkheidsrecht, Mortsel, Intersentia, 2020, 800 p.

GRUYAERT, D., “De foutaansprakelijkheid en de leer van de burenhinder: water en vuur?”, RW 2016-17, afl. 23, 896-898.

GRUYAERT, D en DEMEYERE, S., “Het nieuwe goederenrecht (deel II)”, RW 2020-2021/23, 883-892.

GUILIAMS, S., “Artikel 544 BW is niet ondergeschikt aan artikel 1382 BW en de vervangingswaarde van een vernielde zaak is (steeds) gelijk aan de werkelijke waarde ervan”, NJW 2016, afl. 345, 547.

KRUITHOF, M., “Toerekenbaarheid bij burenhinder”, NJW 2018, nr. 377, 172-173.

LUTTE, I. e.a., Réforme du droit de la responsabilité extracontractuelle, Limal, Anthemis, 2020, 182 p.

MALEKZADEM, J. en SLEUTJES, M., “Inleiding tot hervorming van het goederenrecht”, T.Vred. 2021, nr. 1-2, 9-25.

MARTYN, G., DEVLOO, R. en JORENS, Y., Kennismaking met recht en rechtspraktijk, Brugge, die Keure, 2020, 521 p.

MICHAUX, B., Le droit des biens revisité, Limal, Anthemis, 2021, 372 p.

POPA, R., “Préscription de l’action pour trouble de voisinage: tout vient à point…à qui sait agir à temps”, JLMB 2018, 1571-1577.

SOMERS, S., “De burenhinderleer en de foutaansprakelijkheid: dringt een monistische benadering zich op?”, TBBR 2020, nr. 5, 298-307.

SAGAERT, V. en DEGEEST, G., “Actuele ontwikkelingen inzake privaat vastgoedrecht” in Themis 112 - Vastgoedrecht, Brugge, die Keure, 2020, 1-48.

SAGAERT, V., “De hervorming van het goederenrecht”, TPR 2020-1/2, 533-538.

SAGAERT, V. en LECOCQ, P., La réforme du droit des biens, Brugge, die Keure, 2019, 391 p.

SAMOY, I. en VAN SCHOUBROECK, C., Trends en evoluties in het aansprakelijkheids-en verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2019, 272 p.

STIJNS, S., en SAMOY, I., Leerboek verbintenissenrecht - Boek 1bis, Brugge, die Keure, 2020, 408 p.

STORME, M., Verbintenissenrecht, Gent-Mariakerke – “work in progress” versie 19 augustus 2020, 205 p.

STRYCKERS, P., [Overhangende takken of doorschietende wortels. Art. 37 veldwetboek, rechtsmisbruik en burenhinder] ‘De wet is de wet, maar welke wet?’, TMR 2017, afl. 5, 562-564.

TIJS, W. En VERDOODT, A., Praktisch verbintenissenrecht, Wommelgem, De Boeck, 2018, 265 p.

VAN BAEVEGHEM, B., “Burenhinder” in Het nieuwe goederenrecht, Mortsel, Intersentia, 2021, 534 p.

VERGAUWE J.-P. en LEONARD, S., Les relations de voisinage, Brussel, Larcier, 2018, 358 p.

WERY, P., Droit des obligations, Volume 2, Brussel, Larcier, 2016, 1016 p.

WYLLEMAN, A. en BAECK, J., Goederenrecht, Brugge, die Keure, 2021, 222 p.

Universiteit of Hogeschool
Bachelor in bedrijfsmanagement, met afstudeerrichting rechtspraktijk
Publicatiejaar
2021
Promotor(en)
E. Verhaegen
Kernwoorden
Share this on: