Kinderen: weinig tolerant

Veronique Van Wassenbergh
Kinderen weinig tolerant!
 
Anderstalige nieuwkomers in de lagere school zijn allesbehalve populair bij hun klasgenootjes. Integendeel, ze worden meestal verworpen of genegeerd.

Kinderen: weinig tolerant

Kinderen weinig tolerant!

 

Anderstalige nieuwkomers in de lagere school zijn allesbehalve populair bij hun klasgenootjes. Integendeel, ze worden meestal verworpen of genegeerd. Dit concludeert Veronique Van Wassenbergh in haar thesis ‘De sociale positie van anderstalige vluchtelingen in het reguliere basisonderwijs: een sociometrisch onderzoek’.

 

“We leven in een multiculturele samenleving, maar het is utopisch te veronderstellen dat iedereen broederlijk naast elkaar leeft.  Integendeel, we moeten vaststellen dat onze maatschappij steeds onverdraagzamer wordt.  Ik vroeg me af in hoeverre we deze intolerantie terug vinden bij kinderen” aldus Van Wassenbergh.  “Hoe zit het met de sociale integratie van vluchtelingenkinderen in het basisonderwijs?  Hoe kijken kinderen naar klasgenootjes die hun thuisland ontvlucht zijn? Benaderen ze hen met enige curiositeit of doet men alsof deze kinderen niet bestaan?”  Deze vragen vormde het uitgangspunt van de thesis van deze kersverse licentiaat pedagogische wetenschappen (optie orthopedagogiek).

 

Van Wassenbergh vroeg aan 520 leerlingen uit het 3e tot en met het 6e leerjaar een waardering over hun klasgenoten.   Op deze manier werden gegevens verzameld van 41 anderstalige nieuwkomers.  Aan de hand van sociometrische technieken kon van elke leerling de sociale positie (nl. populair, verworpen, genegeerd, controversieel of doorsnee) bepaald worden. 

 

Van de 41 anderstalige nieuwkomers was er geen enkele populair bij zijn klasgenootjes,  maar ongeveer 20 van hen werden verworpen en 9 anderstalige nieuwkomers werden gewoon genegeerd.  Het zijn vooral de mannelijke anderstalige nieuwkomers die verworpen worden, terwijl de meisjes eerder tot de doorsnee groep behoren.  Andere onderzochte variabelen zoals hoelang ze al in Vlaanderen verblijven, de kennis van het Nederlands, de schoolresultaten, het aantal uren begeleiding, … bleken geen enkel invloed te hebben op hun sociale positie.  Een opmerkelijk feit was dat geen enkele leerkracht de anderstalige nieuwkomer in zijn klas als verworpen ziet, terwijl het onderzoek bij een groot deel van deze leerlingen het tegendeel aantoont.

 

Van Wassenbergh wijst op het belang van dit verschil in sociale status. “Als er reeds op jonge leeftijd een weerstand is tegenover anderstalige nieuwkomers, wat betekent dit dan voor de multiculturele samenleving?”  vraagt ze zich af. Het resultaat roept inderdaad de vraag op of de fundamenten van een intolerante houding tegenover personen die ‘anders’ zijn, reeds bij onze jongste bevolkingsgroepen aanwezig zijn.  Het zijn vragen die ons tot nadenken dwingen.

 

Van Wassenbergh wijst er bovendien op dat vluchtelingenkinderen dikwijls moeite hebben om met de immense veranderingen in hun leven om te gaan en vertonen ze psychosociale problemen.  De school zou een plaats moeten zijn waar deze kinderen tot rust kunnen komen en contacten kunnen leggen met hun leeftijdsgenootjes zodat ze met hun leven verder kunnen. Maar de negatieve interacties met klasgenoten versterken de problemen die ze ervaren. 

 

Waarom worden deze kinderen in een zo extreme mate verworpen door hun klasgenoten?  Volgens Van Wassenbergh kan de oorzaak enerzijds gezocht worden bij het cultuurverschil.  Vluchtelingenkinderen zijn opgegroeid in een andere omgeving en hebben bijgevolg andere normen en waarden die leiden tot een ander gedragspatroon.  Maar anderzijds kunnen, nog steeds volgens Van Wassenbergh, de problematische relaties met klasgenoten ook het gevolg zijn van een negatieve houding en vooroordelen die andere kinderen hebben tegenover vluchtelingen.

 

Het probleem is prangend, maar een oplossing heeft Van Wassenbergh niet. Daarvoor is de problematiek volgens haar te complex.  Van Wassenbergh beseft dat haar onderzoek slechts kleinschalig is en dat om een volledig beeld van de situatie te krijgen het noodzakelijk is om ook andere informanten (leerkrachten, deskundigen, ouders,…) en observatiegegevens te betrekken. Maar de resultaten van haar onderzoek zijn volgens Van Wassenbergh te belangrijk om naast ons neer te leggen. 

 

Universiteit of Hogeschool
Publicatiejaar
2002
Share this on: