Genetica en de maakbaarheid van de mens

Jessica De Roover
 
De genetica is een tak van de wetenschap die volop in de belangstelling staat. Hoewel we het begin ervan kunnen situeren in de 19de eeuw bij Mendel, heeft ze haar hedendaagse uitzicht te danken aan een aantal ontdekkingen uit de tweede helft van de 20ste eeuw. Een van de belangrijkste ontdekkingen, was het vaststellen van de ruimtelijke structuur van het DNA door Watson en Crick.
 
De genetica van voor de tweede wereldoorlog wordt vooral geassocieerd met de oude eugenetica. Deze steunde op het principe van natuurlijke selectie, voor het eerst geformuleerd door Charles Darwin.

Genetica en de maakbaarheid van de mens

 

De genetica is een tak van de wetenschap die volop in de belangstelling staat. Hoewel we het begin ervan kunnen situeren in de 19de eeuw bij Mendel, heeft ze haar hedendaagse uitzicht te danken aan een aantal ontdekkingen uit de tweede helft van de 20ste eeuw. Een van de belangrijkste ontdekkingen, was het vaststellen van de ruimtelijke structuur van het DNA door Watson en Crick.

 

De genetica van voor de tweede wereldoorlog wordt vooral geassocieerd met de oude eugenetica. Deze steunde op het principe van natuurlijke selectie, voor het eerst geformuleerd door Charles Darwin. De wetenschappers die de eugenetica steunden, waren er van overtuigd dat met deze natuurlijke selectie best een handje kon helpen, door bijvoorbeeld sterilisatie van de minderwaardige leden van de bevolking. Het einde van de tweede wereldoorlog betekende eveneens het einde van de oude eugenetica.

 

Tegenwoordig spreekt men van de nieuwe genetica of ‘new genetics’. Dit is een moeilijk te definiëren term, en bijgevolg stelt men ook vast dat bijna elke auteur wel zijn eigen definitie gebruikt. Gemeenschappelijk aan de verschillende definities is dat ze allen verwijzen naar de nieuwe technieken die aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan van de nieuwe genetica. De term ‘nieuwe genetica’ wordt bovendien veelvuldig gebruikt om zich te onderscheiden van de oude eugenetica, terwijl er toch wel gelijkenissen bestaan tussen de beide vormen van genetica.

 

Binnen de nieuwe genetica kan men een aantal technieken onderscheiden, waaronder genetische testen, stamcellen, gentherapie en klonen.

 

Een genetische test is de analyse van een specifiek gen, of een andere DNA of chromosoom analyse, om een verandering vast te stellen of uit te sluiten die verband houdt met een genetische kwaal of afwijking. Bij genetische testen kan men een onderscheid maken tussen prenatale (of antenatale) genetische testen, die bedoeld zijn voor zwangere vrouwen en hun ongeboren kind, en de ‘gewone’ genetische testen, die in principe beschikbaar zijn voor de voltallige bevolking. Deze laatste categorie kan men dan op zijn beurt onderverdelen in diagnostische testen en voorspellende testen.

 

Stamcellen zijn cellen met twee specifiek eigenschappen, namelijk het feit dat ze pluripotent zijn, en dat ze kunnen prolifereren. Men hoopt dat ze in de toekomst gebruikt kunnen worden als transportmiddel voor therapeutische genen. Daarnaast is er ook hoop op orgaanreparatie. Maar momenteel is het therapeutisch gebruik van deze cellen nog niet verantwoord.

 

Gentherapie is een techniek die tot doel heeft het behandelen, genezen of voorkomen van ziektes door verandering aan te brengen in de manier waarop de genen van een persoon tot uiting komen. Men kan twee vormen onderscheiden, namelijk somatische celgentherapie en geslachtscel gentherapie. De laatste vorm zorgt ervoor dat de verandering in de genen ook doorgegeven wordt aan de volgende generatie.

 

Klonen is een techniek om een precieze genetische kopie te bekomen van een molecule, een cel, een plant of een dier. Ook hier zijn er twee vormen te onderscheiden, namelijk reproductief klonen en therapeutisch klonen. Reproductief klonen heeft tot doel een volledige mens voort te brengen, terwijl men zich bij therapeutisch klonen beperkt tot ‘onderdelen’ van de mens.

 

Hoewel deze technieken nog niet allemaal in dezelfde fase van ontwikkeling zitten (genetische testen worden al volop toegepast, terwijl het gebruik van stamcellen nog niet verantwoord is) hebben ze alle toch al een reactie uitgelokt in de maatschappij. Voor elke techniek kan men wel voor- en nadelen opsommen, en ze kennen alle dan ook voor- en tegenstanders.

 

De kritiek op genetische testen is zeer divers van aard. Prenatale testen zijn bijvoorbeeld bedoeld om meer keuze te bieden aan de toekomstige ouders, terwijl dit zo niet altijd door hen wordt aangevoeld. Kritiek komt er ook uit de hoek van de gehandicapten verenigingen. Hier wordt men vooral geconfronteerd met de onverenigbaarheid van de sociale en de medische modellen van handicap. Bij gewone genetische testen heeft men onder andere te maken met de verschillende perceptie van risico bij leken en experten. Een andere kwestie die speelt is die van de onzekerheid die blijft bestaan, ondanks het positieve of negatieve resultaat dat men krijgt. Dit is slechts een kleine selectie van de talrijke problemen die verband houden met genetische testen.

 

Wat betreft stamcellen spitst de kritiek zich vooral toe op het al dan niet ethisch verantwoord zijn van het gebruik van embryonale stamcellen. Wanneer men stamcellen isoleert in een embryo, gaat dit immers verloren. Er reist dan ook de vraag of men geen andere bronnen heeft voor stamcellen. Eén alternatief is het gebruik van adulte stamcellen. Men is er echter nog niet zeker van of deze even flexibel zijn als embryonale stamcellen, en het lijkt dan ook aangewezen om beide gelijktijdig te blijven onderzoeken. Ook ander bronnen worden momenteel nog onderzocht.

 

Bij gentherapie heeft de kritiek vooral te maken met het feit dat men al experimenten uitvoert terwijl de techniek nog niet op punt staat. Hier wordt tegenin gebracht dat het belangrijker is het onderzoek, en ook de experimenten, voort te zetten omdat men zo meer kan leren. Daarnaast is het ook problematisch dat gentherapie vaak wordt voorgesteld als de wondertherapie, terwijl daar, zeker in deze fase, nog geen sprake van kan zijn.

 

Wanneer men het heeft over klonen, blijkt dat er vooral kritiek is op reproductief klonen. Men vindt het onverantwoord een hele mens te klonen, terwijl er anderen zijn die dit een te prefereren alternatief vinden voor koppels die op geen enkele andere manier kinderen kunnen bekomen. Tegenover therapeutisch klonen staat men in het algemeen minder vijandig.

 

De maakbaarheid van de mens lijkt nog niet voor nu meteen. Van de vier technieken worden enkel de genetische testen al succesvol in de praktijk toegepast. De andere technieken vragen nog veel werk vooraleer ze effectief gebruikt kunnen worden.

 

Bovendien blijkt er nood te zijn aan een goede regelgeving. De wetgeving loopt duidelijk achter op de technologische ontwikkeling, en dat zou moeten veranderen.

 

Universiteit of Hogeschool
Politieke en Sociale Wetenschappen
Publicatiejaar
2003
Share this on: