Moet-willige hulpverlening - narratieve synergieën in complexe gezinsherenigingssituaties: realiteit of illusie?

Véronique Rousseau

MOET-WILLIGE HULPVERLENING
 
Narratieve synergieën in complexe gezinsherenigingssituaties:
 
realiteit of illusie?

 
Abstract
In dit onderzoek gaan we na in welke mate een samenwerkingsrelatie tot stand kan komen in een setting waarin adolescenten gedwongen worden om bij collaboratieve therapeuten in therapie te gaan. We vragen ons ook af of een co-constructie van nieuwe verhalen in deze gedwongen hulpverleningscontext mogelijk werd. We doen aan kwalitatief, beschrijvend en exploratief onderzoek op basis van vier gevalstudies.

Moet-willige hulpverlening - narratieve synergieën in complexe gezinsherenigingssituaties: realiteit of illusie?

MOET-WILLIGE HULPVERLENING

 

Narratieve synergieën in complexe gezinsherenigingssituaties:

 

realiteit of illusie?

 

Abstract

In dit onderzoek gaan we na in welke mate een samenwerkingsrelatie tot stand kan komen in een setting waarin adolescenten gedwongen worden om bij collaboratieve therapeuten in therapie te gaan. We vragen ons ook af of een co-constructie van nieuwe verhalen in deze gedwongen hulpverleningscontext mogelijk werd. We doen aan kwalitatief, beschrijvend en exploratief onderzoek op basis van vier gevalstudies. Semi-gestructureerde interviews worden afgenomen van zowel de cliënt als de therapeut na de 1e, 3e en 5e therapeutische sessie. Om tot “vier verhalen over therapie” te komen, maken we gebruik van een combinatie van de uitgangspunten van de “grounded theory” en de “narratieve analyse”. We kunnen stellen dat een positieve therapeutische relatie, alsook een nieuw verhaal over therapie, mogelijk werden. Verder werden nog beperkingen en implicaties van het onderzoek aangegeven en aanbevelingen gedaan voor toekomstige onderzoeken.

 

1. Inleiding

Vanaf de jaren ‘60 hebben verschillende onderzoekers de effectiviteit van de gevangenis als strafmaatregel in vraag gesteld, alsook de diverse vormen van alternatieve straffen en behandelingen (Goethals, 1978). Alhoewel beleidsmakers zowel het justitiële luik als het behandelingsluik implementeren, ontbreekt het aan onderzoek naar de efficiëntie en beleving van gedwongen hulpverlening. Ook valt op hoe weinig onderzoek er is verricht naar de beleving van jongeren in therapie.

 

Familietherapie is ontstaan in het midden van de jaren vijftig en heeft zijn fundamenten in het modernisme. Voor het eerst spreekt men van eerste-orde cybernetica (Carr, 2001). In het begin van de jaren tachtig wordt in de gezinstherapeutische vakliteratuur uitgebreid geschreven over het constructivisme en de tweede-orde cybernetica. De laatste jaren worden deze visies echter fel bekritiseerd en schrijft men over het postmodernisme, het sociaal constructionisme en het narratieve paradigma. Cybernetische metaforen hebben plaats moeten maken voor taalmetaforen, zoals “verhaal”, “dialoog” en “conversatie”. De therapeut heeft zijn expertpositie verlaten en neemt een “not-knowing” houding aan (Rober, 1997).

 

Binnen het narratieve paradigma vallen een aantal nieuwe benaderingen, zoals de narratieve benadering en de collaboratieve benadering. Alle benaderingen streven een respectvolle therapeutische samenwerkingsrelatie (Anderson, 1997), participatie (Hoffman, 1990) of co-auteurschap (White, 1993) na.

 

De narratieve benadering legt de nadruk op de metafoor van het verhaal. De cliënt komt in therapie met een probleem-gesatureerd verhaal. Dit dominante verhaal, waarin het probleem centraal staat en betekenisgevend is, moet losgemaakt worden van het levensverhaal van de cliënt.

 

De collaboratieve benadering helpt de cliënt bij de overgang van vastzittende monologen naar meer bevrijdende dialogen. De nadruk ligt hier op de metafoor van de conversatie. Het opbouwen van een verbondenheid met de cliënt is van belang. Hulpverlening wordt gezien als een gezamenlijke onderneming en verantwoordelijkheid, waarbij de cliënt wordt beschouwd als de expert van zijn eigen leven en de hulpverlener als de expert van het dialogische proces. In dialoog construeren ze samen nieuwe betekenissen en nieuwe mogelijkheden (Anderson, 1997).

 

2. Methode

We formuleren twee onderzoeksvragen. We vragen ons af in welke mate een samenwerkingsrelatie tot stand kan komen in een collaboratieve therapeutische setting wanneer adolescenten gedwongen worden om in therapie te gaan. Verder gaan we na of een co-constructie van nieuwe verhalen in deze gedwongen hulpverleningscontext mogelijk is.

 

We wensen de therapeutische positie van “not-knowing” door te trekken naar onze onderzoekswijze en stellen bijgevolg geen hypothesen op. Om een antwoord te vinden op onze onderzoeksvragen, doen wij aan kwalitatief, beschrijvend en explorerend onderzoek op basis van vier gevalstudies. Semi-gestructureerde interviews worden afgenomen van zowel de cliënt als de therapeut en dit op drie tijdstippen: na de eerste, derde en vijfde therapeutische sessie. Onze proefgroep is gericht op vier adolescenten die in het kader van de Bijzondere Jeugdzorg worden verplicht om vijfmaal in psychotherapie te gaan. De therapeuten in dit onderzoek zijn systeemtherapeuten en hebben een postmodernistische visie op therapie.

 

De uitgeschreven interviews worden via een “within-case analysis” of verticale analyse verwerkt. Dit houdt in dat elke casus afzonderlijk wordt samengevat. De structuur, chronologie en samenhang van elk verhaal trachten we zoveel mogelijk te behouden. Zo willen we komen tot “vier verhalen over therapie”.

 

De analyses zijn gebaseerd op een combinatie van de uitgangspunten van de “grounded theory” (Glaser & Strauss, 1967) en de “narratieve analyse” (Riessman, 1993). “Grounded theory” focust op het proces om theorie te genereren en niet op een reeds bestaande theorie. Door hetgeen binnen de therapie aan bod is gekomen, samen te vatten, laten we de gegevens ‘spreken’ en verdelen we de data pas later onder in thema’s. Deze thema’s zijn dan een hulpmiddel om de lange stukken tekst te kunnen vergelijken.

 

Daar we de interviews ook als naratieven willen beschouwen en fragmentatie zoveel mogelijk willen voorkomen, maken we ook gebruik van de narratieve analyse. In een eerste fase creëren we tijdens het interviewen een fasciliterende context om het ‘verhalen’ te vergemakkelijken. Nadien transcriberen we de interviews om ze tenslotte te analyseren. Hierbij sluiten we zoveel mogelijk aan bij de verhalen van de geïnterviewden.

 

3. Resultaten en bespreking

De resultaten worden bekomen aan de hand van een analyse van 22 semi-gestructureerde interviews. In de resultatensectie komen we tot “vier verhalen over therapie”. Om een antwoord te formuleren op de onderzoeksvragen, maken we in de bespreking van de resultaten vergelijkingen doorheen de casussen en trekken we overkoepelende besluiten.

 

Uit de interviews van de cliënten kunnen we afleiden dat het ontstaan van een samenwerkingsrelatie door een aantal factoren beïnvloed kan worden. Vóór de therapie spelen vroegere ervaringen en culturele verhalen, alsook de informatie en betekenissen die de jongeren van het begeleidingstehuis krijgen, een rol. Tijdens de therapie zorgen vooral de authentieke en respectvolle houding van de therapeuten, alsook het belang dat ze hechten om de cliënten als experten te beschouwen, dat de cliënten een evolutie ondervinden in hun beleving van de therapie. De therapeuten geven ook aan dat ze ruimte trachten te creëren opdat de cliënten zich veilig voelen om te praten. De cliënten voelen zich “beluisterd”, kunnen vrijuit praten en hechten belang aan het objectief zijn van de therapeut. Ook de therapeuten wijzen erop dat ze de cliënten noch onderbreken, noch beoordelen. De cliënten wijzen er wel op dat de therapeuten raad geven en soms, op gepaste momenten, vragen stellen. Zo ontstaan nieuwe ideeën en nieuwe manieren waarop ze denken over hun situatie. Meer theoretisch, kunnen we stellen dat de cliënten nieuwe perspectieven en nieuwe betekenissen ontwikkelen, waardoor ze het gevoel krijgen dat hun problemen zich als het ware oplossen.

 

Terwijl de cliënten op vrijwillige basis nooit aanvaard zouden hebben om in therapie te gaan, lijkt de ervaring op zich van in therapie gaan belangrijk. Hierdoor worden een aantal veranderingen mogelijk, hetgeen zich in het antwoord op de tweede onderzoeksvraag weerspiegelt. We kunnen immers stellen dat de gesprekken mogelijkheden hebben geopend om nieuwe verhalen te creëren. Vooral het samen construeren van een nieuw verhaal over therapie werd mogelijk. Dit hangt in grote mate samen met de effectiviteit van de positie van “not-knowing” van de therapeut. Dit laatste is in dit onderzoek een bruikbare werkvorm in deze gedwongen hulpverleningscontext. Ook het gevoel dat problemen opgelost zijn, wordt ervaren door de cliënten. Niet alleen de participatie van de cliënten met hun therapeut, maar ook de dialogische conversatie, maken co-constructies van nieuwe betekenissen, nieuwe perspectieven en nieuwe verhalen mogelijk. Mogelijkheden ontstaan om dingen anders te bekijken, waardoor opluchting en/of het niet meer nodig hebben van therapie, wordt ervaren door de cliënten. Dit alles kan op beleidsmatig vlak betekenen dat het verplichten van de jongeren om in therapie te gaan zin heeft.

Universiteit of Hogeschool
Klinische Psychologie
Publicatiejaar
2003
Share this on: