Trash in Mainstream

Evelien Geerens
TRASH IN MAINSTREAM: Tim Burton en zijn allusies naar de geschiedenis van de horrorfilm.

Trash in Mainstream

TRASH IN MAINSTREAM: Tim Burton en zijn allusies naar de geschiedenis van de horrorfilm. – Evelien Geerens.

 

De horrorfilm lijkt na een stille dood na een bestaan van bijna honderd jaar nog altijd te verrijzen uit zijn graf.  Zo ging onlangs de film Wrong Turn (2003, Rob Schmidt) in onze cinemazalen in première.  De film grijpt terug naar de horrorstijl van de jaren zeventig, maar belooft tevens een hedendaags bloedstollende thriller te zijn.  Maar of de mensen nog willen schrikken van een horrorfilm wordt in vraag gesteld met het vertonen van oude ‘trashy’ horrorfilms op de Vlaamse zender Kanaal 2, en het inmiddels zeer populaire festival Nacht van de Wansmaak.  Het enige, wat de kijker kan doen bij deze films, is lachen, lachen met de talloze amateuristische fouten.  Ook al lijkt de horrorfilm zijn belangrijkste eigenschap, namelijk bang maken, verloren te zijn, toch kent hij een groot succes.  Hij moet niet langer weggestopt worden onder de matras van de horrorfan, maar verdient een plaatsje in de openbaarheid.  Toch is de horrorfilm, net zoals de pornofilm, gericht op het lichamelijke en zal hij ondanks zijn succes steeds het stigma opgekleefd krijgen van ‘trash’.  Zo zei de filmcriticus John Simon ooit over de horrorfilm: “It’s the lowbrow’s delight, the middlebrow’s camp and the highbrow’s trash.”

 

“Trash is back” dus, en dat zal Hollywood maar al te goed geweten hebben.  Zo kunnen we na een grondig onderzoek tot de vaststelling komen dat Tim Burton, de hedendaagse filmregisseur, zich voor zijn mainstream films laat inspireren door het oudste trash genre bij uitstek, de horrorfilm.  Maar hij is lang niet de enige, die zijn toevlucht neemt tot de prullenmand van de cinema.  Ook Quentin Tarantino bijvoorbeeld staat erom bekend geen vrees te hebben om B-films, die nog nooit het licht van de grote schermen gezien hebben, te verwerken in zijn hedendaagse films.

De meeste filmcritici bestempelen dit fenomeen eenvoudigweg met het label van het “postmodernisme”.  Maar waar staat deze wel heel algemene term voor?  Eigenlijk kunnen we stellen dat de postmoderne cinema twee belangrijke kenmerken omvat: ten eerste gaat ze teruggrijpen naar de geschiedenis van de cinema en ten tweede wordt er geen onderscheid meer gemaakt tussen kunst en trash.

Het eerste kenmerk, namelijk het gebruik van beelden, quotes, plotlijnen, … – kortweg allusies – van de filmgeschiedenis is niet zo’n recent gegeven.  De Nouvelle Vague in Parijs, de groep achter het filmtijdschrift Cahiers du Cinéma, die zich daarna ontpopte tot filmregisseurs, lijkt de voorloper.  Later is het gebruik van de allusies overgewaaid naar Hollywood, waar de Movie Brats zoals Scorsese, Spielberg en Lucas de techniek met dank aannamen om hun kaskrakers te verwezenlijken.  Door sommige critici wordt de praktijk van allusies negatief onthaald: de regisseur lijkt geen inspiratie meer te hebben door terug te grijpen naar de oude films en kan zo geen eigen stempel meer drukken op zijn werk.  Maar anderen duiden op de positieve punten van het allusionisme: de kijker wordt meer bij de film betrokken door de uitdaging de allusies te ontdekken.

Maar waarom is er zo’n grote vraag naar trash, of met andere woorden, waarom wordt slecht ineens zo goed?  Daar kunnen de voorstanders van de paracinema, een nieuwe cultuur die pleit dat trash films op dezelfde lijn worden gezien als de klassiekers in de filmgeschiedenis, een antwoord op geven.  Ze zijn van oordeel dat door het gebrek aan geld deze B-films vaak heel origineel en creatief gemaakt zijn.  Daarnaast kunnen de films, in tegenstelling tot de meer conventionele films, ons iets vertellen over de productieomstandigheden van de film.  Hiermee doorbreken ze ook de dominante cinematografische representatie, die in de typische Hollywood film als realiteit wordt aanzien.

 

Laten we dan even kijken hoe de hedendaagse filmmaker Tim Burton zich redt binnen deze postmoderne cinema.  Als we de afgebakende periode van 1989 tot 1999 van zijn filmcarrière onder de loep nemen, kunnen we al vaststellen dat de twee grote kenmerken van de postmoderne cinema Burton niet ongemoeid gelaten hebben.  Niet enkel gaat hij allusies maken, ook gaat hij het niet zo gerespecteerde genre van de horror gebruiken als referentiepunt.  In elk van zijn films uit de jaren negentig maakt hij allusies naar horrorfilms.  De horrorfilms, waarnaar Burton refereert, zijn niet recent: de oudste film in de analyse dateert uit 1922 en de recentste uit 1961.  Hij gaat vooral teruggrijpen naar de onnatuurlijke horrorfilms met de gebruikelijke vampieren, geesten, monsters, …  Burton kwam met deze films ook in contact tijdens zijn kinder- en jeugdjaren.  Zijn voorkeur ging uit naar – hoe kan het ook anders – de trashy horrorfilms of oude horrorfilms, die als revival terug op tv of in de cinema vertoond werden.

Door zijn allusies naar deze oude films, kan Burton aanzien worden als een filmmaker van het Nieuwe Hollywood.  Sommige filmcritici zijn namelijk van mening dat het Nieuwe Hollywood voorgoed voorbij is, daar de huidige filmmakers enkel nog allusies zouden maken naar films of sitcoms uit de jaren zeventig.  Niet waar dus, zo bewijst Burton.

 

De horrorfilm is voor Burton dus nog lang niet dood.  Maar belangrijk op te merken is dat hij geen horrorfilms gaat maken; hij verwijst er enkel naar.  Batman (1989) is een avonturenfilm, Edward Scissorhands (1990) een fantastisch sprookje, Ed Wood (1994) een biopic.  In Hollywood is het lang geen recent gegeven meer dat een film een hybride genre heeft.  Veel regisseurs vrezen voor hun film op de marktplaats door het te bestempelen als een horrorfilm.  Toch gaat Burton zich op het einde van de jaren negentig aan een echte horrorfilm wagen: Sleepy Hollow (1999).  Dit is veruit ook de enige film, waar Burton het gore gaat benadrukken en gebruik gaat maken van bloed.

Toch wordt hij niet verleid om in zelfreflexiviteit te verdrinken zoals de typische horrorfilms uit de jaren negentig, de Scream trilogie (1996-2000, Wes Craven).

Ed Wood (1994) echter, zijn biopic over de “slechtste regisseur ooit”, is duidelijk zelfbewust.  Bij deze film krijgen we echt de indruk te kijken naar een horrorfilm gemaakt door Wood zelf.  Zo heeft Burton op sommige cruciale momenten in de film fouten gemaakt, zoals een foute belichting, die duidelijk niet beantwoordt aan de hedendaagse normen.  En zijn acteurs spelen met net zoveel overacting als de acteurs van Wood.  Burton gaat met opzet trash verwerken in zijn mainstream films, ook al heeft hij een groot budget en wordt hij omringd door de beste vakmensen.  De regisseur, die het eigenlijk wel gemaakt heeft in Hollywood, wil niets liever dan in de huid kruipen van een trash regisseur.  Mars Attacks! (1997) is zijn persoonlijke versie van Wood’s Plan 9 From Outer Space (1959, Ed Wood).  Ook al heeft hij het geld om zijn UFO’s iets vernuftiger te maken dan een vliegend soepbord, toch doet hij dit niet.

Doorheen zijn films van de jaren negentig gaat Burton niet enkel alluderen naar Plan 9 From Outer Space, die uitgeroepen werd tot “de slechtste film aller tijden”, maar ook naar Citizen Kane (1941, Orson Welles), die door velen aanzien wordt als “de beste film aller tijden”.  Dus Burton gaat zich naast het infiltreren van trash in zijn films, ook bezinnen over de evaluatieve termen, die men toewerpt aan films.  Dit is een heel paracinematische en postmoderne instelling, die Burton weergeeft: hij maakt allusies naar de geschiedenis van de cinema en wil hierin geen onderscheid maken tussen mainstream en trash.  Een scène uit Ed Wood geeft dit heel goed weer: Ed Wood, in vrouwenkleren, ontmoet Orson Welles, de maker van Citizen Kane, maar Welles voelt zich niet de betere van Wood en vertelt hem dat Wood moet doorgaan met het maken van films ondanks de kritiek.  Trash of geen trash, elke filmmaker verdient het respect.

 

Deze thesis werd heel goed onthaald door Prof. Dr. Mathijs, die gespecialiseerd is in het vakgebied van de trash film: “Een zeer sterk werk, dat getuigt van een doorgedreven focus (er zijn geen flauwtes en elke zin draagt bij tot het geheel), van een sterke structuur en van een zeer weldoordacht gebruik van een buitengewoon brede waaier van literatuur.  De mate waarin de auteur toont dat ze op de hoogte is van de (recente) literatuur over reflexiviteit in de horror en trash film is bewonderenswaardig en de auteur slaagt er ook in deze werken allemaal relevant aan te wenden in haar analyse.”

Universiteit of Hogeschool
Communicatiewetenschappen
Publicatiejaar
2003
Share this on: