De literaire opvattingen van het tijdschrift Humo (1970-2000)

Sarah Theerlynck
Persbericht

De literaire opvattingen van het tijdschrift Humo (1970-2000)

Dromen, protest en humor

 

De literatuuropvattingen van het tijdschrift Humo tussen 1970 en 2000

 

Volgens Piet Piryns, ex-medewerker van Humo, heeft het weekblad nooit een echte opvatting over literatuur gehad. “Er was maar een selectiecriterium en dat was de bekendheid van de schrijver.” Humo is dan ook geen literair tijdschrift; nooit geweest. Toch is het opvallend dat een onafhankelijk weekblad voor radio en televisie van 1970 tot 2000 gemiddeld 2,9% van zijn pagina’s voor literatuur reserveert. Bart Vanegeren heeft dan ook onmiskenbaar een punt wanneer hij stelt dat “het eigenlijk een beetje provocatief is dat er nog zoveel literatuur in Humo aan bod komt”. 

 

Dit onverwacht grote aandeel van literatuur in Humo heeft vermoedelijk met twee factoren te maken. De eerste is logisch: twee derde van de Humo-medewerkers is germanist en aangezien germanisten bijna per definitie in literatuur gëinteresseerd zijn, komt er veel van voor in Humo. Anderzijds zit er vermoedelijk ook een bewuste, Bourdiaanse machtsstrategie achter. Bourdieu, een Frans cultuursocioloog, ziet de hele sociale wereld ingedeeld in velden. Mensen nu streven ernaar zoveel mogelijk macht te vergaren in die sociale “werelden”. Je kan het feit dat Humo’s journalisten relatief veel over literatuur schrijven in die optiek dus ook beschouwen als een poging om een zekere positie op te bouwen in het literaire veld.

 

Wat bedoel ik hier eigenlijk met “literatuur”?  Enerzijds directe literatuur: Humo’s voorpublicaties, feuilletons, kortverhalen en columns. Anderzijds reken ik daar ook de literaire interviews en recensies bij. De komst van VTM op een februari 1989 heeft een grote invloed op het aandeel en de aard van die verschillende literatuurartikels. Een pak advertentieruimte valt dan weg, zodat ook de ruimte verdwijnt voor voorpublicaties, kortverhalen en feuillletons. Humo compenseert voor dit verlies met het publiceren van meer columns, een minder plaatsrovend genre. In die periode werft Humo ook drie nieuwe Vlaamse columnisten aan: Tom Lanoye, Herman Brusselmans en Hugo Matthysen. Een grote verandering ten opzichte van de jaren ’70 en ’80 waarin Humo uitsluitend Nederlandse columnisten in dienst heeft – Guido Van Meir, alias Cornelius Bracke, niet meegerekend.

 

Het is slechts een aspect van Humo’s neerlandofilie in die jaren. Humo is van grofweg ’70 tot ’90 zowel politiek-ideologisch als literair op Nederland gericht. De linkse politieke strekking, de Reviaanse schrijfstijl, de Nederlandse traditie op het gebied van columnisme: het zijn alle zaken die Humo in die periode overneemt. Met de komst van VTM, waardoor de ster van de Bekende Nederlanders in Vlaanderen taant, en de verbetering van de kwaliteit van de eigen Vlaamse dag-en weekbladen is die neerlandofilie niet meer houdbaar. Enkel de Reviaanse schrijfstijl blijft.

 

            Het is vooral die stijl die Humo bijna-literair maakt. De Humo-stijl is helder, puntig, anti-clichématig en humoristisch. De Humo-medewerkers lijden allen aan “het onvermogen om saai te zijn”, zoals Herman de Coninck het in het gedicht A View from the Bridge stelt. De invloed van die stijl is enorm geweest en is duidelijk terug te vinden in het werk van een Lanoye of een Brusselmans.

 

            Het belang dat Humo aan humor en een heldere stijl hecht, wijst op een pragmatische literatuuropvatting. Er wordt altijd in de eerste plaats rekening gehouden met de lezer. Deze -- zo hebben studies aangetoond -- blijkt het tijdschrift vooral te lezen omwille van de humoristische stijl en vooral níet omwille van de literatuurartikels. Vandaar dat Humo zijn recensies en columns zo aantrekkelijk mogelijk maakt, lees: grappig en makkelijk begrijpbaar. Ook de keuze van de boeken in de recensies enerzijds en van de huiscolumnisten anderzijds, wijst op die pragmatische literatuuropvatting. Zo waren alle Humo-columnisten, onder wie Remco Campert, Gerrit Komrij en Hugo Matthysen, al bekend en literair erkend voor ze door Humo werden binnengehaald. Ook in de literaire recensies komen vooral de Literaire Groten aan bod zoals Hugo Claus, Graham Greene, Louis Paul Boon en György Konrád. Bovendien legt Humo er vooral de klemtoon op de leeservaring, wat er opnieuw op wijst dat het directe effect van literatuur op de lezer voor het tijdschrift het belangrijkst is. 

 

            Maar: welk effect heeft goede literatuur dan op de lezer volgens Humo? Er zijn twee opties, die elkaar daarom niet uitsluiten. De eerste ligt voor de hand: pure ontspanning. Uit Humo’s columns en recensies blijkt duidelijk dat het tijdschrift veel belang hecht aan humor, spanning en een goed uitgewerkte plot.  Daarnaast kan literatuur de lezer ook een zeker historisch besef bijbrengen, een besef van de tijd waarin hij leeft, zeg maar. Zo verbindt Humo in zijn literatuuropvatting entertainment met engagement.

 

            Humo houdt er echter een sterk relativerende visie op het belang van literatuur op na. Het tijdschrift staat bijvoorbeeld afkerig tegenover grote literaire pretenties. Een schrijver houdt het best simpel, zowel in zijn schrijfstijl als in zijn uitspraken over literatuur. Saaiheid (bijvoorbeeld door te veel psychologische bespiegelingen), hoogdravenheid (bijvoorbeeld door gekoketteer met de eigen gevoelens en angsten) of een misplaatste elitaire houding zijn absoluut uit den boze. Humo voert  een strijd tegen de al te grote sérieux die rond literatuur hangt, tegen “literatuur met een grote, gekalligrafeerde L” zoals de Humo-medewerker Bart Vanegeren het noemt, en het is onder andere die strijd die Humo zo “rock ’n roll” maakt. Die relativerende kijk op literatuur blijkt ook uit de directe stijl en de thematiek van Humo’s columns: ze gaan vooral over de kleine dingen en waarheden des levens, over de werkelijkheid hier en nu of over een of ander absurd voorval.

 

Veel Humo-medewerkers en – columnisten hebben dan ook geen hoge pet op met het hedendaagse literaire bedrijf, vooral dan met het Nederlandstalige. De beste illustratie hiervan is de columnreeks Ezelsoor & Co waarin Gerrit Komrij onder het pseudoniem Patrick Demompere geen spaander heel laat van de Vlaamse en Nederlandse literaire wereld. Het enfant terrible van de Nederlandse letteren bespreekt tussen 1992 en 1994 bijna wekelijks een pas verschenen Nederlandstalig boek en besluit dan bijvoorbeeld dat “het boek overigens zeer geschikt is om het tot snippers te verscheuren voor als na winkelsluitingstijd de kattebakvulling onverhoopt op is”. Bart Vanegeren vat Humo’s opvatting mooi samen: “In de Amsterdamse grachtengordel vind je meer ratten dan ooit in Hameln gesignaleerd zijn”.

 

“Ik ben van Humo dus, van wat toen kon./Dromen, protest en humor, die hetzelfde waren:/onvermogen om saai te zijn. Ik ben on.” schrijft Herman de Coninck in het gelegenheidsgedicht A View from the Bridge. En hij heeft gelijk: de uitzonderlijke mix van humor en idealisme maakt Humo tot een unicum in de geschiedenis van de Nederlandstalige weekbladpers. Ook op het vlak van literatuur.

 

Universiteit of Hogeschool
Germaanse talen, Nederlands en Engels
Publicatiejaar
2004
Share this on: