Protection of private built heritage in the Brussels-capital conservation policy, a social approach

Natan Bruneel
Artikel Vlaamse Scriptieprijs 2004
Natan Bruneel
 
Eigenaars Interbellumwoning minst opgezet met bescherming
Bescherming van privaat eigendom, een conflict van waarden en belangen
 
Stel je voor.  Je bent eigenaar van een niet onaardig pand.

Protection of private built heritage in the Brussels-capital conservation policy, a social approach

Artikel Vlaamse Scriptieprijs 2004

Natan Bruneel

 

Eigenaars Interbellumwoning minst opgezet met bescherming
Bescherming van privaat eigendom, een conflict van waarden en belangen

 

Stel je voor.  Je bent eigenaar van een niet onaardig pand. Je woont er, je hebt er een zaak of kantoor.  Vooruitziend als je bent, heb je plannen: de veranda voor vrouwlief en van die deur maak je ooit nog een venster.  Maar dan, de ogenschijnlijke streep door alle rekeningen, ligt die brief in de bus: “bij het besluit houdende de instelling van de procedure tot bescherming als monument van de gevels en bedaking van het niet onaardige pand gelegen…”  Het gebouw wordt monumentale waarden toegedicht en bepaalde rechten, maar vooral vele plichten worden je duidelijk gemaakt: je mooie pand wordt beschermd… 

Maar hoe voel je je als eigenaar daar nu bij?  Een recent onderzoek voor het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest nam klachtenbrieven van eigenaars op systematische wijze onder de loep, met enkele opmerkelijke resultaten tot gevolg.

 

Vanaf de nieuwe wetgeving op het onroerend erfgoed van 1993, werd in het Brussels Gewest voor het vrijwaren van monumenten en ensembles het uitzonderlijk onderscheid gemaakt tussen een klassieke ‘bescherming’ (gemeenzaam het ‘klasseren’ genoemd) en het ‘inschrijven op de bewaarlijst’.  Dit dubbel beschermingsniveau was tot stand gekomen binnen een bepaalde beschermingsfilosofie met de ‘bewaarlijst’ als belangrijkste wapen.  Van deze intenties is doorheen het beleid weinig terechtgekomen, op een manier zelfs dat het inschrijven op een bewaarlijst de facto neerkomt op een ‘bescherming’, maar dan een zonder het recht op subsidies.  Logischerwijs kan verwacht worden dat deze groep van eigenaars massaal de pen in zou kruipen om lucht te geven aan een mogelijk onrechtvaardigheidgevoel.  Niets is minder waar, een heel vreemde, wat contradictorische vaststelling is dat eigenaars van een goed op de bewaarlijst nauwelijks opmerkingen maken.  In beide beschermingsprocedures is voor de betrokken eigenaars de mogelijkheid vervat om schriftelijk bezwaren over de vrijwaring bij de administratie bekend te maken.  Uit het onderzoek blijkt nu dat, ondanks een zelfde plichtenpakket en het ontbreken van enige financiële tegemoetkoming, eigenaars van een goed op de bewaarlijst dit opmerkelijk minder doen.  Een verklaring kan zijn dat doordat het woord ‘bescherming’ als dusdanig (het ‘klasseren’, ‘classement’) een wijder verspreid begrip is dat inherent een negatievere bijklank bezit dan het ‘inschrijven op een bewaarlijst’, eigenaars automatisch een bescherming veel bedreigender vinden en daarom vaker bezwaren maken. 

 

Naast deze specifiek Brusselse problematiek heeft kwantitatief onderzoek uitgewezen dat binnen de grootste groep die geanalyseerd werd, namelijk die van de beschermde monumenten, de eigenaars van Interbellumhuizen en die van eclectische huizen niet alleen het grootste aantal, maar ook de meest negatieve bezwaren maken over de bescherming van hun eigendom.  Klaarblijkelijk hebben eigenaars van 17de en 18de-eeuwse huizen en Art Nouveau woningen meer begrip voor de reden van bescherming.  Zeker de eerste groep kwam als vrij gematigd uit de studie.  Hiermee is een duidelijk positief verband aangetoond tussen de ouderdom van het te beschermen huis en het accepteren van haar bescherming.  Een verklaring voor het verschil tussen de eigenaars van de 19de-eeuwse eclectische en Art Nouveau woningen daarentegen wordt gezien als een gevolg van een vrij recente herwaardering en erkenning van de Brusselse Art Nouveau stijl op internationaal vlak. 

 

De eventuele reacties op de opening van de beschermingsprocedures zijn al even divers als een muur bakstenen telt, maar toch zijn een aantal tendensen duidelijk zichtbaar.  Dat het nieuws van de bescherming als een donderslag bij heldere hemel zou komen blijkt echter slechts voor een heel kleine minderheid waar te zijn.  Opmerkingen over de officiële bekendmaking slaan eerder op vormelijke aspecten zoals het weergeven van verkeerde gegevens of typfouten in het beschermingsbesluit.  De klachtenbrieven gaan echter vooral over de gebruikte argumentatie.  Elke bescherming moet gerechtvaardigd worden door de (historische, artistieke, esthetische, wetenschappelijke, enz.) waarden die het vertegenwoordigt.  Liefst 44% van de opmerkingen bevatte een negatief oordeel over de gebruikte waardemotivatie.  De motivatie, die eigenlijk het echte fundament is of zou moeten zijn voor iedere bescherming, wordt beschouwd als ‘onvoldoende’ en ‘niet overtuigend’.  Eigenaars hekelen dat een eenvoudige beschrijving van hun eigendom met bijhorende waarden voldoende blijkt te zijn om te beschermen.  Een duidelijke spanning komt aan het licht tussen wat als ‘algemeen belang’ kan beschouwd worden en de private belangen van de eigenaar.  Deze problematiek komt ten volle aan het licht wanneer eigenaars de onmogelijkheid uitdrukken van de bescherming van hun interieur.  Een begrijpbaar en pertinent probleem als je weet dat maar liefst 46% van de negatieve reacties over de gebruikte motivatie ontevredenheid over de interieurbescherming inhoudt. Een eigenaar begrijpt tot op zekere hoogte wel waarom zijn gevel zou beschermd worden, maar helemaal niet waarom per se het hele gebouw die eer te beurt moet vallen.  Het vrijwaren van een gebouw als geheel, inclusief de logica en structuur van het interieur, is reeds jaren gemeengoed binnen de conservatiefilosofie, maar wordt niettemin ervaren als de hoofdspanning tussen belangen en waarden van beleidsmakers en de persoonlijke belangen van de private eigenaar.

Uiteraard houden klachten over de interieurbescherming vaak rechtstreeks verband met hoe eigenaars de plichten van de bescherming ervaren.  Beperkingen op het vrij aanpassen van het interieur, gooien vaak roet in het eten voor wie wilde renovatieplannen heeft.  In Brusselse context gaan die plannen heel vaak over herinrichting voor commerciële doeleinden of kantoorinrichting, en in veel mindere mate over wooninrichting.  Hoofdzakelijk commerciële en financiële redenen liggen aan de basis van deze opmerkingen.  Los van de administratieve rompslomp, worden inderdaad de directe gevolgen van een bescherming vooral ervaren op het financiële niveau.  Als gevolg van de beperkingen beweren eigenaars, terecht of onterecht, dat hun commerciële activiteiten niet meer zullen kunnen ontwikkelen, dat hun pand onverkoopbaar of onverhuurbaar is geworden en dat de bescherming de financiële waarde van het gebouw keldert.  De kost van onderhoud, conservatie en restauratie wordt eveneens aangehaald als bezwaar tegen de bescherming.  Sommige eigenaars beweren dat deze laatste kost te hoog en niet draagbaar is, zelfs mét een financiële compensatie.  Vooral omwille van deze laatste redenen zien een aantal eigenaars de bescherming liever ingeperkt of zelfs helemaal stopgezet. 

Ongeveer 26% ziet het nut van een bescherming niet in.  Hieruit blijkt vaak dat het beschermingsbeleid verkeerd wordt begrepen.  Een terugkerende idee-fixe is dat beschermen het behouden van de bestaande, soms erbarmelijke, toestand betekent.  Een bescherming tracht uiteraard recht te doen aan de historische integriteit van het gebouw, maar wil nooit het gebouw ‘bevriezen’ in de toestand op het moment van bescherming.  Maar al te vaak steken eigenaars zich weg achter een soort slachtofferrol en proberen zo hun eigen verantwoordelijkheid te ontlopen.

 

Dit nieuw onderzoek dat de situatie voor het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest onderzocht, toont aan dat het toepassen van een beschermingsbeleid niet altijd zonder fricties verloopt.  Toch wordt beklemtoond dat de situatie zeker niet als al te problematisch mag beschouwd worden gezien nog steeds een meerderheid van de private eigenaars geen schriftelijke opmerking maakt.  De meningen van alle eigenaars in kaart brengen zou wellicht een genuanceerder beeld geven. 

 

NB

 

Universiteit of Hogeschool
Toegepaste wetenschappen, master in conservation of historic towns and buildings
Publicatiejaar
2004
Share this on: