Spelen in de stad: kinderspel? Een kwalitatieve en kwantitatieve studie naar het speelgedrag en de speelmogelijkheden van Antwerpse stadskinderen

Stien Van Eijnde
Persbericht

Spelen in de stad: kinderspel? Een kwalitatieve en kwantitatieve studie naar het speelgedrag en de speelmogelijkheden van Antwerpse stadskinderen

Spelen in de stad: kinderspel?

 

Geef ze wat groen en een straat die weer schoon is.’ Misschien fronst u de wenkbrauwen bij het lezen van dit zinnetje en wellicht doet het u vaag denken aan de jaren toen de klanken van Louis Neefs de woonkamer vulden? Neen, dit is geen artikel over artiesten van weleer. ‘Dit is een artikel voor de kinderen van morgen. Opgesloten, gevangen in een stenen woestijn. Want zo zal morgen het spelen verdwijnen. Verslagen door auto’s van staal en straten van beton.’ Slechts enkele woorden van één van Vlaanderens meest gevierde zangers hoeven vervangen te worden om te komen tot een tekst die zowat de conclusie van mijn thesis zou kunnen zijn. Zeg nu zelf, klinkt volgend scenario u nog bekend in de oren: mama zet de tv uit, pakt haar kroost vast, doet de voordeur open en ‘hup de straat op…en dat ik jullie niet zie voor het donker wordt.’ De sciencefictioncartoon die net werd uitgezet dreigt voor sommige kinderen dichter bij de realiteit te komen dan het geschetste fragmentje. De door ons heiligverklaarde wezentjes, diegenen die we dagelijks moeten beschermen tegen al wat slecht en al wat echt is, zullen immers voor het leven getraumatiseerd zijn als hen buiten datgene overkomt wat wij zo vrezen. Beelden van zware valpartijen, enge mannen, dronken automobilisten en ambulances flitsen voor onze ogen. In hun veerkracht en herstelvermogen geloven we al lang niet meer. Neen, we mogen niet overdrijven. Ze zijn er nog wel hoor. Kijk, daar is er ééntje. En daar nog één. De gelukzakken. Zij mogen het wel, alleen de straat op. Zie je dat meisje daar? Zij mag het ook, maar dan alleen als mama of papa meekomt.

 

Spelen in de stad is vandaag geen vanzelfsprekendheid. Ik hoef u daar geen tekening bij te maken en van sommige stadskinderen hoeft u dat ook niet meer te verwachten, zij weten niet eens meer wat ze zich moeten voorstellen bij ‘spelen in de stad’. Het blad dreigt leeg te blijven omdat tal van barrières onze citykids verhinderen onbezorgd buiten te spelen. Buiten spelen is nochtans broodnodig omdat kinderen er in een variatie aan activiteiten hun energie kwijt kunnen, zich fysisch en motorisch ontwikkelen, leren sociale relaties opbouwen en omgaan met collectief bezit. Én buiten spelen betekent ook gewoon plezier maken. In de literatuur zocht ik naar factoren die het buiten spelen in de stad kunnen belemmeren, op Antwerpse pleintjes ging ik kijken naar het speelgedrag en de speelmogelijkheden van de kinderen.

 

Er zijn vier grote knelpunten met betrekking tot het spelen in de stad, met onvoldoende kwantiteit als eerste punt. In onze steden is nauwelijks nog ruimte voor het ravottende kind. Op koertjes van flatgebouwen is spelen uit den boze, dat verstoort de rust van andere bewoners, die komen aandraven met de verkoopsadvertentie waarin hen een oase van rust werd beloofd. Op straat voetballen dan maar? Neen, want hier vrezen omwonenden voor hun ruiten en auto’s. Een braakliggend stukje grond wordt al vlug omgetoverd tot een modern wooncomplex en eens dat er staat, moet men soms vaststellen dat speelruimte voor de allerjongste bewonertjes vergeten werd in het ontwerp. Belangen van kinderen moeten het steevast afleggen tegen die van volwassenen.

 

Ook de kwaliteit van de speelgelegenheden die er wél zijn, is aan kritiek onderhevig. Verschillende pedagogen wijzen er op dat speeltuintjes het spel té veel voorstructureren. Dit blijkt overigens wanneer je de kinderen gadeslaat op één van de pleintjes die de stad rijk is. Enkele minuten op de schommel, een paar keer de glijbaan op en af, nog even op de wipkip en dan heb je het wel gehad. De kinderen beleven hier duidelijk veel plezier aan, maar de vraag is of deze toestellen kunnen voldoen aan hun behoeften. Zeker, er is vast ook een voetbal- of basketpleintje, maar dit dient vooral de noden van de, al wat oudere, jongens. Interessante vaststelling is immers dat op pleintjes waar geen speeltuigen staan, minder meisjes komen dan wanneer wél speelelementen zijn aangebracht. Voor kinderen die het speeltuintje ontgroeid of beu zijn, of gewoonweg eens wat anders willen, zijn er echter nauwelijks alternatieven. De infrastructuur telt weinig elementen die uitnodigen tot spelen. Opmerkelijk is wel dat op ‘informele’ speelplekken, plekken niet uitdrukkelijk bedoeld om te spelen, kinderen de omgeving creatiever gebruiken dan op formele speelplekken. Nochtans verbannen we onze kinderen maar al te graag naar ‘reservaten’, zoals Jan Van Gils, directeur van Kind & Samenleving, de formele pleintjes noemt. Hoewel speelpleintjes essentieel zijn, wil een kind overal spelen en niet alleen op de daartoe voorbestemde plekjes. Het wil de hele buurt verkennen en dit merk je als je de kinderen in de gaten houdt: de pleintjes vormen vaak een oriëntatie- of rustpunt in het hele speelgebied, dat vaak enkele straten behelst. Een totaalaanpak van de omgeving is daarom gewenst.

 

Knelpunt nummer drie is de verkeersveiligheid. De straten worden almaar drukker en net voor kinderen vormen voorbijrazende auto’s een grote bedreiging. Ouders van de hogere- en middenklasse opteren er dan ook voor om hun kroost met de auto van activiteit naar activiteit te vervoeren, met het bekende paradoxale effect dat de straten nog onveiliger worden. Maar de buitenschoolse activiteiten worden door hen nu eenmaal beschouwd als een goed alternatief voor het buiten spelen, veel veiliger alvast. Zo hoeven we niet te vrezen dat binnenkort de term ‘voorruitgeneratie’ opduikt in de pers. Neen, dan liever de ‘achterbankgeneratie’, een term die vanuit Nederland komt overgewaaid en wijst op kinderen die de stad enkel nog vanop de achterbank van de auto kennen.

 

Nog belangrijker dan de reële dreigingen, onder meer van het verkeer, zijn de angstgevoelens van de ouders. Het zijn immers de ouders die het kind de toestemming geven of ontnemen om zich zelfstandig door de omgeving te bewegen. De Britse socioloog Frank Furedi hekelt de ‘angstcultuur’ die in onze maatschappij de overhand heeft als het op opvoeden aankomt. Goed opvoeden betekent niet langer dat je je kinderen stimuleert in hun bezigheden, wel dat je deze tot op de voet volgt. Er is geen vertrouwen meer in het herstelvermogen van kinderen, blauwe plekken van het vallen zijn een teken van onverantwoord ouderschap en maken geen deel meer uit van het ‘groot worden’. We beschermen onze kinderen als waren zij een bedreigde soort. Op de Antwerpse pleintjes kan je er niet omheen: heel wat kinderen worden begeleid door een volwassene. Vanzelfsprekend worden jonge kinderen vaker begeleid dan oudere kinderen, maar ook etniciteit en geslacht zijn hier bepalend. Vooral autochtone kinderen komen in het gezelschap van mama of papa en ook meisjes, ongeacht etniciteit, komen veel vaker onder begeleiding dan jongens. Dit heeft invloed op het spel: begeleide kinderen verkennen een veel kleiner gebied, hun activiteiten zijn minder gevarieerd én ze leggen aanzienlijk minder vaak contact met andere kinderen. Vooral voor autochtone kinderen is dit laatste het geval, allochtone kinderen beschikken immers vaak over een meer uitgebreid netwerk van vriendjes en vriendinnetjes.

 

Spelende kinderen zijn zeker nog niet uit het stadsbeeld verdwenen. Stedelijke elementen als een fontein, trapjes en paaltjes zorgen vaak voor veel speelplezier en de jeugddienst neemt alvast enkele goede initiatieven zoals onder meer de speelstraten en een mobiele speelpleinwerking. Toch wijzen bovenstaande knelpunten er op dat jonge stadsbewonertjes lang niet voldoende kunnen doen waar zij misschien wel het meest behoefte aan hebben: naar hartelust ravotten en op ontdekkingstocht gaan in de stadsjungle.

 

Universiteit of Hogeschool
Politieke en sociale wetenschappen, optie sociale wetenschappen
Publicatiejaar
2004
Share this on: