“De mens: een weefsel van vrijheid en noodzaak”. Neurofilosofische literatuurstudie over het verband tussen hersenen, omgeving, emoties, vrije wil en morele verantwoordelijkheid.

Marijke Blommaert
De vraag naar de vrije wil
 
Inleiding
 
Wat is de vrije wil?  Kunnen we deze lokaliseren?  Waaruit bestaat de vrije wil?  En nog belangrijker: hebben wij wel een vrije wil?  Het vraagstuk waar we het nu over hebben, hoort thuis in verschillende vakgebieden.  Zowel de filosofie als de neurologie houdt zich bezig met de vraag naar de vrije wil.  De vraag naar de vrije wil is vooral een hot item in de forensische psychologie, waar de toerekeningsvatbaarheid van onze handelingen centraal staat.  Zijn immorele beslissingen te wijten aan een defect in ons brein?  Wanneer kan men spreken over on

“De mens: een weefsel van vrijheid en noodzaak”. Neurofilosofische literatuurstudie over het verband tussen hersenen, omgeving, emoties, vrije wil en morele verantwoordelijkheid.

De vraag naar de vrije wil

 

Inleiding

 

Wat is de vrije wil?  Kunnen we deze lokaliseren?  Waaruit bestaat de vrije wil?  En nog belangrijker: hebben wij wel een vrije wil?  Het vraagstuk waar we het nu over hebben, hoort thuis in verschillende vakgebieden.  Zowel de filosofie als de neurologie houdt zich bezig met de vraag naar de vrije wil.  De vraag naar de vrije wil is vooral een hot item in de forensische psychologie, waar de toerekeningsvatbaarheid van onze handelingen centraal staat.  Zijn immorele beslissingen te wijten aan een defect in ons brein?  Wanneer kan men spreken over ontoerekeningsvatbaarheid?  Dit zijn enkele belangrijke vragen om een uitspraak te kunnen doen over de morele verantwoordelijkheid van de mens.  Om deze vragen te kunnen beantwoorden, gaan we te rade bij twee verschillende wetenschappers: Johan Den Boer, professor aan de Rijksuniversiteit van Groningen (RUG) en Antonio Damasio, professor aan de Universiteit van Iowa.

 

Het boek Neurofilosofie van Johan Den Boer, legt het verband tussen het filosofisch vakgebied en de neurologie duidelijk uit.  Den Boer stelt zich verschillende vragen over de gang van zaken in de biologische psychiatrie en gaat op zoek naar de vrije wil van de mens.  Den Boer toont aan dat de mens meer is dan een brein dat beslissingen neemt.  Ook omgevingsfactoren en het lichaam zijn van tel voor het verklaren van het menselijk gedrag.  Dit is een keerpunt in de biologische psychiatrie, die voordien geneigd was enkel biologische aspecten te betrekken in het ziektebeeld van de patiënt.  Kan de biologie ons gedrag bepalen?  En zijn we dan nog vrij in onze handelingen?  Wanneer er een biologisch defect is in de hersenen zou het kunnen dat we verkeerde beslissingen gaan nemen.  Maar, benadrukt Den Boer, de mens blijft verantwoordelijk voor zijn daden tot het moment dat de biologie de bovenhand krijgt.  Als voorbeeld geeft hij de ontwenningsverschijnselen bij een drugsverslaafde.  Dit is een biologisch aspect dat ons gedrag gaat bepalen.  We kunnen ons afvragen of we dan nog een vrije wil hebben.  Maar toch, zegt Den Boer, blijft de mens verantwoordelijk.  Want eens heeft de drugsverslaafde zelf beslist zich aan de drugs te wagen.  Dit was zijn beslissing waar geen biologie aan te pas kwam.  Hij is hier verantwoordelijk voor.  Maar waar leggen we de grens?  Wanneer besluiten we dat de biologie de bovenhand heeft gekregen en we dus niet meer verantwoordelijk zijn?  Den Boer zegt in een interview dat dit bespreekbaar moet worden in een biologische ethiek en we het van casus tot casus moeten bekijken. 

Geeft dit dan een antwoord op de vraag naar de vrije wil?  Den Boer neemt hier een belangrijk standpunt in.  Hij stelt dat de vraag naar de vrije wil een verkeerd gestelde vraag is.  Over welke functie hebben we het dan?  Dit moeten we eerst afbakenen voordat we een duidelijk antwoord kunnen geven op de vraag naar de vrije wil en morele verantwoordelijkheid.

 

Blijkbaar hangen beslissingen die we maken niet alleen af van ons brien en onze omgeving.  Antonio R. Damasio besloot dat emoties en gevoelens een belangrijk aspect zijn bij het redeneren en beslissen.  Hij onderzocht het ethisch gedrag van de mens aan de hand van zijn casus Phineas Gage.  Gage was een man die bij een ongeval een ijzeren staaf door zijn hersenen kreeg.  Gage functioneerde nadien normaal.  Op één aspect na: sociaal gedrag en ethisch redeneren.  Damasio ging op onderzoek en ontdekte dat bij Gage juist die centra in de hersenen geraakt waren die zorgen voor een beeld van ons eigen lichaam.  Zo besloot Damasio dat lichaamssignalen aan de oorsprong liggen van onze emoties.  Volgens  Damasio hebben emoties en gevoelens een belangrijke invloed op ons ethisch gedrag, redeneer- en beslissingsvermogen.  Damasio bewijst dat we niet alleen beslissen met onze hersenen, maar dat ook ons lichaam een belangrijke rol hierin speelt.  Het lichaam en de signalen die het lichaam uitzendt, helpen ons bij het nemen van ethische beslissingen.  Door deze conclusie stelt hij het dualisme van de filosoof Descartes uit de 17e eeuw sterk in vraag.  Descartes beweerde dat het brein en het lichaam twee aparte substanties waren die niet met elkaar verbonden waren.  Vandaar ook de titel van het bekende boek van de wetenschapper Damasio: De vergissing van Descartes.

 

Toch blijkt dat Descartes zijn invloed nog steeds laat gelden op ons denken over verschillende onderwerpen.  Wanneer we het hebben over de vraag naar de vrije wil, komen we tot de belangrijkste vraag.  Eigenlijk stellen we ons de vraag hoe iets materieels als onze hersenen, een invloed kan hebben op iets immaterieels als de vrije wil.  Dit noemt men de vraag naar de mentale veroorzaking.  Den Boer stelt dat we hier reeds uitgaan van een dualisme.  We maken reeds een onderscheid in het materiële, het brein, en het immateriële, de geest.  Ook veronderstellen we dan dat de vrije wil onder de geest gerangschikt zit.  We vervallen in het dualisme van Descartes en dit zet ons weer vast in een antwoord op de vraag naar de vrije wil.  Den Boer besluit dat we inderdaad moeten afstappen van dit dualistisch denken, willen we een correct beeld krijgen over het functioneren van de mens, meer bepaald, zijn moreel gedrag en zijn vrije wil.

 

Nu er geweten is welke aspecten van de mens van belang zijn voor het ethisch handelen, kunnen we ons de vraag stellen naar de artificiële intelligentie.  Zouden computers in staat zijn te functioneren als mensen?  Deze vraag is tegenwoordig erg populair.  Er zijn verschillende wetenschappers die zich hierover buigen.  Het is echter een onderwerp in volle ontwikkeling, waar erg uiteenlopende meningen over bestaan.  De theorie van Damasio vormt op dit gebied wel een goede basis om verder te denken over de mogelijkheid dat een robot ooit een mens zal kunnen evenaren.

 

Wanneer we ons tot slot opnieuw buigen over de kwestie van de morele verantwoordelijkheid, kunnen we besluiten met een citaat van Buytendijck.  Zijn uitspraak over de vrije wil luidt:” De mens is een weefsel van vrijheid en noodzaak.”  Hiermee wil Buytendijck zeggen dat we over sommige functies een vrije wil hebben, maar we op sommige gebieden gedetermineerd zijn door onze biologie.  Deze uitspraak is in overeenstemming met Den Boer die stelt dat de vraag naar de vrije wil een verkeerd gestelde vraag is, de vraag is te vaag om er een éénduidig antwoord op te kunnen geven. 

 

Bibliografie

LITERATUURLIJST

 

Damasio, A. R. (1994).  De vergissing van Descartes.  Gevoel, verstand en het menselijk brein (5e druk) [Descartes’ Error – Emotion, Reason and the Human Brain]Amsterdam: Wereldbibliotheek.

Damasio, A. R. (2003).  Het gelijk van Spinoza.  Vreugde, verdriet en het voelend brein (2e druk) [Looking for Spinoza – Joy, Sorrow and the Feeling Brain]Amsterdam: Wereldbibliotheek.

De Ceulaer J., Draulans D. (2005, 9 februari).  ‘Ik ga ervan uit dat de wereld bestaat’.  Knack, pp. 58-63.

Den Boer, J. A. (2003).  Neurofilosofie - Hersenen, bewustzijn, vrije wil.  Amsterdam: Boom.

Glas, G. (2004).  Emotie, neurobiologie en de toekomst van de psychotherapie.  Tijdschrift voor Psychotherapie, 30 (1), 6-21

Universiteit of Hogeschool
Sociaal-Agogisch werk, Toegepaste Psychologie
Publicatiejaar
2005
Share this on: