Studie van het sociaal profiel van fitnessbezoekers.

Maria Van Poppel
Persbericht

Studie van het sociaal profiel van fitnessbezoekers.

Fitnessers: liever lui dan moe!

 

Fitnessers doen hun sport niet voor het plezier en zijn eigenlijk liever lui dan moe, zeker wat betreft het vervoer naar het fitnesscentrum. Dit blijkt uit een studie naar het sociaal profiel van fitnesscenterbezoekers. Aan de studie, uitgevoerd in het kader van een licentiaatsverhandeling Lichamelijke Opvoeding aan de K.U.Leuven, nam een 300-tal fitnessers uit 7 Vlaamse fitnesscentra deel.

 

‘Plezier’ is het tweede populairste argument voor sporters in het algemeen om hun sport te beoefenen, zo blijkt uit gegevens van het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC). Bij fitnessers is het echter anders gesteld, getuige de resultaten van een studie naar het sociaal profiel van fitnesscenterbezoekers. Relatief weinigen van de 303 geïnterviewde fitnessers halen ‘plezier’ aan als argument om te fitnessen. Fitness is blijkbaar in tegenstelling tot andere sporten geen ‘pleziersport’. De  fitnessers halen regelmatig eentonigheid als reden aan om ermee te stoppen. Gezondheidsproblemen en tijdgebrek zijn andere redenen om fitness voor bekeken te houden. Daarbij gaan zij voorbij aan de mogelijkheid trainingprogramma’s aan te passen aan de gezondheidssituatie van elke fitnesser.

Bovendien zijn de fitnessers liever lui dan moe, als het gaat om de verplaatsing naar het fitnesscentrum! Maar liefst 51% van degenen die op minder dan 1 kilometer wonen, zegt die met de auto te doen. In de afstandsklasse 1 tot 5 kilometer stijgt dit percentage tot 82%. De keuze van het vervoermiddel lijkt in tegenspraak met de drijfveren om aan fitness te doen (verbetering van gezondheid en conditie). Men kan zich hierbij afvragen of het ‘gezondheidsargument’ ingegeven is vanuit sociale wenselijkheid, eerder dan dat het een doordacht argument is. Verder zou het ook kunnen zijn dat ‘gaan fitnessen’ een statussymbool is. Voor sommige fitnessers was de vraag hoe ver ze woonden en hoe ze naar het fitnesscentrum kwamen, confronterend. Ze reageerden soms ‘beschaamd’ nadat ze lieten weten een relatief korte afstand met de auto af te leggen.

 

Conditie = gezondheid ?

De studie gaf ook antwoorden op vragen als: wie gaat er fitnessen en wanneer? Wat is de levensstijl van de fitnesser? Van welke diensten maakt deze gebruik? Waarom houdt men fitness al dan niet vol? Het woordgebruik en de uitspraken van de fitnessers om uit te leggen waarom ze fitness volhouden, waren opvallend. Gezondheid en conditie worden vaak in één adem genoemd alsof het synoniemen zijn. Dit zijn echter twee verschillende concepten. Het is niet omdat je een goede conditie hebt, dat je niet door een of andere ziekte geveld kan worden. Ook beschouwt de fitnesser het lichaam letterlijk als maakbaar: ze spreken bijvoorbeeld over ‘het lichaam bijschaven’, ‘het figuur onderhouden’, ‘aan het lichaam werken’.

Fitness blijkt op basis van deze studie eerder een mannenactiviteit te zijn. De steekproef telde 41% vrouwen en 59% mannen. Het feit dat twee centra bestempeld kunnen worden als ‘mannenbastions’, kan het groter aandeel van de mannen verklaren. Opmerkelijk was eveneens dat de gemiddelde leeftijd van de vrouwen beduidend hoger lag dan die van de mannen. De mannen waren gemiddeld 35 jaar met een piek tussen 20 en 24 jaar, de vrouwen waren gemiddeld 38 jaar met een piek tussen 45 en 49 jaar.

De resultaten van deze studie bevestigen ook wat in de literatuur over de fitnessbeweging naar voor komt: de fitnessbeweging wordt vooral beleefd door de middenklasse en de hoge middenklasse. De fitnesser die werkt, heeft voornamelijk een voltijdse job en gaat ook met de auto naar het werk.

Op het vlak van roken houden de fitnessers er een gezondere levensstijl op na dan de Vlaamse bevolking als geheel. Van de totale steekproef heeft 54% nooit gerookt, 26% heeft vroeger gerookt en 11% beperkt zich tot 10 sigaretten per dag of minder. In vergelijking met de Belgische bevolking telt de fitnesssteekproef evenveel dagelijkse alcoholgebruikers, namelijk 12% (Gezondheidsenquête: België 2001).

 

Cardio

De fitnessers maken voornamelijk gebruik van de diensten cardiofitness, conditietraining en krachttraining. De mannen houden zich in het fitnesscentrum vooral met krachttraining bezig, vrouwen doen vooral cardiofitness. Daarnaast zijn het ook vooral de vrouwen die de groepslessen volgen.

De meeste fitnessers (zowel de mannen als de vrouwen) komen enkele keren per week naar het fitnesscentrum. Ze houden er meestal een bepaald ‘fitnesspatroon’ op na, met minstens één rustdag tussen de verschillende fitnessbeurten. Fitness wordt voornamelijk ‘in de avonduren’ uitgeoefend. Slechts enkelen gaven aan ’s ochtends vòòr hun werk of tijdens de middagpauze te fitnessen. Hoewel fitness een individuele sport is - er worden immers voornamelijk individuele programma’s afgewerkt - komen veel fitnessers samen met vrienden naar het fitnesscentrum.

De voornaamste andere fysieke activiteiten die de fitnessers doen, zijn fietsen, wandelen en zwemmen. Een verklaring voor de populariteit van fietsen en wandelen kan zijn dat hier ook verplaatsingen bij inbegrepen zijn. Om de duur van het interview te beperken werd hier in de vragenlijst echter geen onderscheid in gemaakt.

 

Vrienden

De fitnessers zetten in hoofdzaak zelf de eerste stap om te gaan fitnessen. Vrienden speelden in 21% van de gevallen een belangrijke rol in de beslissing om met fitness te beginnen. Dit sluit aan bij de eerder vermelde bevinding dat heel wat fitnessers met vrienden naar het fitnesscentrum komen. In slechts 3% van de gevallen was een arts de verwijzer, en dat terwijl de meeste fitnessers komen voor de verbetering van hun gezondheid. Het verschil tussen de invloed van mediaboodschappen op mannen en vrouwen is beduidend. Vrouwen zijn meer geneigd dan mannen om naar aanleiding van reclame-uitingen te starten met fitness. Hieruit kan men echter niet zondermeer de conclusie trekken dat vrouwen gevoeliger zijn voor reclameboodschappen. Het is immers mogelijk dat ze actief op zoek zijn naar een fitnesscentrum dat bij hen past en hierdoor meer naar advertenties kijken.

 

Bibliografie

Bibliografie

Behm K,

1998,   Influences and consequences of the fitness movement for women and girls, in Volkwein KAE (ed), Fitness as cultural phenomenon (German & American studies in sport 4), Münster: Waxmann, 93 – 107.

 

Billiet JB,

1996,   Methoden van sociaal-wetenschappelijk onderzoek: ontwerp en dataverzameling, Leuven: Acco, 320p.

 

BOIC,

2000,   Meest beoefende sporten – per gewest (2000), Vlaams gewest

(Online versie 29 februari 2004; http://statbel.fgov.be/figures/d34_nl.asp#3).

 

Bolin A,

1998,   Muscularity and femininity: women bodybuilders and women’s bodies in culturo-historical context, in Volkwein KAE (ed), Fitness as cultural phenomenon (German & American studies in sport 4), Münster: Waxmann, 187 – 212.

 

CIM,

2004,   Bereikstudies, pers, bioscoop en plurimedia: mei 2003 – mei 2004,

33 – 36 (Online versie 25 april 2005; http://www.cim.be/base/nl/g/gm.html).

 

De Gouden Gids Online,

2004,   (Online versie in de periode september – oktober 2004; www.goudengids.be).

 

Demarest S; Van der Heyden J; Gisle L; Buziarist J; Miermans P-J; Sartor F; Van Oyen H; Tafforeau J,

2001a, Tabaksgebruik in België: gezondheidsenquête 2001, in Gezondheidsenquête door middel van interview: België 2001, 949 – 1034 (Online versie 12 april 2005; http://statbel.fgov.be/studies/thesis_nl.asp?q=09).

 

Demarest S; Van der Heyden J; Gisle L; Buziarist J; Miermans P-J; Sartor F; Van Oyen H; Tafforeau J,

2001b, Gebruik van alcohol: gezondheidsenquête 2001, in Gezondheidsenquête door middel van interview: België 2001, 875 – 948 (Online versie 12 april 2005; http://statbel.fgov.be/studies/thesis_nl.asp?q=09).

 

De Rijck S,

            2005,   E-brief aan M. van Poppel, (Online boodschap 18 mei 2005;

sofie@fitnessorg.be).

 

De Wachter F,

1988,   The symbolism of the healthy body: a philosophical analysis of the sportive imagery of health, in Morgan WJ; Meier KV (eds), Philosophic inquiry in sport, Champaign (Illinois) : Human Kinetics, 119 – 224.

 

Featherstone M,

1991a,             The body in consumer culture, in Featherstone M; Hepworth M; Turner BS (eds), The body: social process and cultural theory, London: Sage, 170 – 196.

 

Featherstone M,

            1991b, Consumer culture and postmodernism, London: Sage, 164p.

 

Field A,

2000,   Discovering statistics using SPSS for Windows, London: Sage, XVI + 496p.

 

FOD Economie – NIS, Bureau methodologie en coördinatie,

2001a,             Mathematische demografie: gemiddelde leeftijd van de bevolking (1981 – 2001) (Online versie 19 april 2005; http://www.statbel.fgov.be/figures/d23_nl.asp).

 

FOD Economie – NIS, Enquête naar de arbeidskrachten,

2001b, Werkgelegenheid en werkloosheid: deeltijds werk (1995 – 2003), 4 (Online versie 19 april 2005; http://statbel.fgov.be/figures/d31_nl.asp#3).

 

Gebauer G,

1998,   On the role of everyday physical-fitness-sports in our times, in Volkwein KAE (ed), Fitness as cultural phenomenon (German & American studies in sport 4), Münster: Waxmann, 83 – 91.

 

Gibson HJ,

1998,   The fitness and tourism connection: who participates?, in Volkwein KAE (ed), Fitness as cultural phenomenon (German & American studies in sport), Münster: Waxmann, 131 – 149.

 

Glassner B,

1989,   Fitness and the postmodern self, Journal of health and social behavior 30: 180 – 191.

 

Kom op en stop,

2005,   Kom op en stop: roken informatief (Online versie 8 april 2005; http://www.komopenstop.be/roken/vlaanderen_vla.asp).

 

Laermans R,

            1993,   Individueel vlees: over lichaamsbeelden, Amsterdam: De Balie, 55p.

 

Linden,

2005,   I want a fitness video. Do you deliver?, in Physical activity and sedentary behaviours in youth (gastlezing Biddle S.; Heverlee: Faculteit Bewegings- en revalidatiewetenschappen; 12 mei 2005).

 

McConatha JT,

1998,   Contours of self through the body, in Volkwein KAE (ed), Fitness as cultural phenomenon (German & American studies in sport 4), Münster: Waxmann, 151 – 167.

 

Michiels F,

2005,   Televisie is de grootste concurrent voor fitness, Vacature (2 april 2005).

 

Nationale,

1998 – 1999,   Nationale enquête naar de mobiliteit van huishoudens (1998 – 1999): Woon-werkpendel per vervoermiddel – België en gewesten (1998/1999), 9 (Online versie 19 april 2005;

http://www.statbel.fgov.be/figures/d37_nl.asp#7).

 

NIS (Nationaal Instituut voor de Statistiek),

1998,   Frequentie van sportbeoefening, (Online versie 26 augustus 2004; http://statbel.fgov.be/figures/d34_nl.asp#3).

 

Penz O,

1998,   Fit for the looks: heavenly bodies, in Volkwein KAE (ed), Fitness as cultural phenomenon (German & American studies in sport 4), Münster: Waxmann, 33 – 54.

 

Pfister G,

1998,   Women – fitness – sport in Germany: the social-scientific perspective, in Volkwein KAE (ed), Fitness as cultural phenomenon (German & American studies in sport 4), Münster: Waxmann, 55 – 81.

 

Portney LG; Watkins MP,

            2000,   Foundations of clinical research: applications to practice, 2nd edition,

                        Upper Saddle River: Prentice Hall Health, xiv + 768p.

 

Sage GH,

1998,   The political economy of fitness in the United States, in Volkwein KAE (ed), Fitness as cultural phenomenon (German & American studies in sport 4), Münster: Waxmann, 111 – 130.

 

Scheerder J,

2000,   Fysieke gezondheid, verschijning, ervaring en het hedendaagse vrijetijdslichaam, Vrijetijdstudies 18 (3 - 4): 5 – 20.

 

Scheerder J,

2002,   Prestatie, sensatie en digitalisatie: het lichaam in de postmoderne bewegingscultuur, in De Knop P; Vanreusel B; Scheerder J (eds), Sportsociologie: het spel en de spelers, Maarssen: Elsevier gezondheidszorg, 244 – 250.

 

Scheerder J; Taks M; Vanreusel B; Renson R,

2002,   De actieve sportbeoefening gedemocratiseerd? Over de sociale gelaagdheid in de sport, in De Knop P; Vanreusel B; Scheerder J (eds), Sportsociologie: het spel en de spelers, Maarssen: Elsevier gezondheidszorg, 284 – 308.

 

Scheerder J; Vanreusel B,

2002,   ‘Sport’ in beweging: de bewegingscultuur in een veranderende samenleving, in De Knop P; Vanreusel B; Scheerder J (eds), Sportsociologie: het spel en de spelers, Maarssen: Elsevier gezondheidszorg, 31 – 56.

 

Smith Maguire J,

2002,   Body lessons: fitness publishing and the cultural production of the fitness consumer, International review for the sociology of sport 37: 449 – 464.

 

Taks M,

1994,   Sociale gelaagdheid in de sport: een kwestie van geld of habitus? (rapporten van de onderzoekseenheid SOCK 16), Heverlee: KUL Faculteit lichamelijke opvoeding en kinesitherapie, XVII + 399p.

 

UNESCO,

2005,   Unesco.org (Online versie 21 mei 2005;

http://portal.unesco.org/en/ev.php-URL_ID=15006&URL_ DO=DO_TOPIC&URL_SECTION=201.html).

 

Valentis,

2004,   Valentis: All lifestyle concept (Online versie 1 december 2004; www.valentis.be).

 

van Poppel A (ed),

            1993,   Direct marketing gids DM 93 – 94, Evergem: Linda Engels, 254p.

 

VIZO (Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen),

 

(Online versie 29 februari 2004; http://aps.vlaanderen.be/sgml/reeksen/3086.htm).

 

Volkwein KAE (ed),

1998a, Fitness as cultural phenomenon (German & American studies in sport 4), Münster: Waxmann, XXVI + 259 p.

 

Volkwein KAE,

1998b, Introduction: fitness and the cross-cultural exchange, in Volkwein KAE (ed), Fitness as cultural phenomenon (German & American studies in sport 4), Münster: Waxmann, IX - XXVI.

 

Vranken J; Henderickx E,

2001,   Het speelveld en de spelregels: een inleiding tot de sociologie, Leuven: Acco, 473p.

 

Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid; NIS; Limburgs Universitair Centrum,

1997,   Gezondheidsenquête 1997, Mate van sportbeoefening volgens diverse parameters, (Online versie 29 februari 2004; http://statbel.fgov.be/figures/d34_nl.asp#3).

 

World Health Organization,

1948,   WHO definition of Health, (Online versie 2 mei 2005; http://www.who.int/about/definition/en/).

 

Universiteit of Hogeschool
Lichamelijke Opvoeding
Publicatiejaar
2005
Share this on: