‘Vraagt, en U zal aangeboden worden’: een economische toenadering van religie

Maryam H’madoun
Vraagt, en U zal aangeboden worden De economische wetenschap die ooit uitsluitend gericht was op de materiële behoeftebevrediging blijkt nu ook wat te kunnen zeggen over de spirituele wereld. In navolging van de econoom Gary Becker die een Nobelprijs in de wacht heeft gesleept voor zijn analyse van niet‑economische onderwerpen zoals criminaliteit, drugsgebruik en het huwelijk; tracht een aantal economen hetzelfde te doen met religie. Gewapend met micro-economische wetten zoals die van vraag en aanbod, wordt het gedrag van de agenten op de religieuze “markt” onder de loep genomen.

‘Vraagt, en U zal aangeboden worden’: een economische toenadering van religie

Vraagt, en U zal aangeboden worden

 

De economische wetenschap die ooit uitsluitend gericht was op de materiële behoeftebevrediging blijkt nu ook wat te kunnen zeggen over de spirituele wereld. In navolging van de econoom Gary Becker die een Nobelprijs in de wacht heeft gesleept voor zijn analyse van niet‑economische onderwerpen zoals criminaliteit, drugsgebruik en het huwelijk; tracht een aantal economen hetzelfde te doen met religie. Gewapend met micro-economische wetten zoals die van vraag en aanbod, wordt het gedrag van de agenten op de religieuze “markt” onder de loep genomen. Men gaat vooral na hoe individuen religie “produceren”, welke religieuze organisaties er zoal zijn en hoe ze werken, en welke elementen de mate van religiositeit in de wereld bepalen. Uiteindelijk zullen twee mythes definitief kunnen worden begraven; namelijk die van de koele homo economicus die niet in staat is om zich met spiritualiteit en zingeving in te laten, en die van de irrationele, primitieve homo religiosus die niet voor zichzelf kan denken. De economische benadering van religie steunt op het feit dat mensen even rationeel zijn in hun keuze voor een bepaalde geloofsleer als ze zijn bij het kopen van een wagen. Ze wegen de kosten en baten af met het oog op een maximale behoeftebevrediging. Het verschil is dat religie een huishoudgoed is. Dit betekent dat de productie én consumptie ervan voornamelijk gebeuren binnen het huishouden. In het productieproces worden tijd en geld geïnvesteerd maar is het menselijk kapitaal zonder meer de belangrijkste productiefactor. Dit begrip dat eigenlijk tot de arbeidseconomie behoort, verwijst in religieus verband naar de stock van kennis van religieuze geschriften en doctrines; religieuze vaardigheden, ervaringen en vriendschappen met geloofsgenoten. Dit religieus kapitaal verhoogt in sterke mate de productiviteit van gelovigen. Zo zal iemand die goed vertrouwd is met de leer en rituelen van zijn religie minder moeite hebben om de religieuze voorschriften na te leven. Kenmerkend voor religieus kapitaal is wel het contextspecifieke karakter. Religieus kapitaal wordt niet enkel binnen een bepaalde religie gevormd, maar biedt ook uitsluitend voordelen binnen diezelfde context. Op basis van dit model kunnen verklaringen worden geboden voor en voorspellingen gedaan over religieus gedrag. Zo zal het religieus kapitaal ervoor zorgen dat gelovigen binnen de religieuze overtuiging blijven die ze van thuis uit hebben meegekregen. Beslissen ze toch om zich te bekeren dan zal dit op redelijk jonge leeftijd gebeuren, en tot een religie die veel weg heeft van de oorspronkelijke. Dit om zo veel mogelijk van het reeds opgebouwde religieus kapitaal te bewaren. Men zal ook eerder huwen met iemand die dezelfde religie aanhangt omdat de huishoudproductie dan efficiënter verloopt. Denk maar aan de discussies die worden vermeden zoals met welke overtuiging de kinderen moeten worden opgevoed en hoeveel tijd en geld er aan wiens geloof zal worden besteed. Naast een economische benadering van het religieus gedrag van individuen (vraagzijde), worden ook theorieën ontwikkeld over het gedrag van religieuze organisaties (aanbodzijde). Het uitgangspunt is hier het risicovol karakter van religie, omdat het in essentie draait om geloof. Een gelovige weet namelijk nooit of zijn handelingen de gewenste gevolgen hebben, vooral als deze laatste zich in het hiernamaals situeren. Om een oplossing te bieden voor dit probleem worden twee risicobeperkende strategieën onderscheiden die elk aanleiding geven tot een andere organisatiestructuur. Enerzijds ontstaan er collectieve religieuze organisaties die door regelmatig samen te komen, het risico gebonden aan religie proberen te verminderen. Om te voorkomen dat weinig geëngageerde mensen toetreden en profiteren van de voordelen die de organisatie biedt, wordt er gebruik gemaakt van toetredingsbelemmeringen zoals een besnijdenis. Naast deze eenmalige vereiste kunnen ook “offers en stigma” worden opgelegd die altijd moeten worden nageleefd zoals kleding‑ en voedselvoorschriften, seksuele onthouding,… De monotheïstische godsdiensten zijn hier het voorbeeld bij uitstek. Anderzijds zijn er religies die hoofdzakelijk gebaseerd zijn op private productie. Deze privé‑religies gaan een persoonlijke relatie aan met de consument, en verhinderen deze laatste niet om ook andere religieuze organisaties te bezoeken. Zo kan de consument het risico gebonden aan religie verlagen door een portfolio van religies aan te houden. Het zijn vooral de Aziatische en New Age religies die deze vorm benaderen. Ten slotte zijn er de theorieën die op het niveau van de samenleving proberen te achterhalen of er sprake is van secularisatie of toenemende religiositeit. De meest dominante theorieën op dit vlak zijn de vraag‑ en aanbodtheorie van religie. De vraagtheorie van religie legt nadruk op de mate waarin mensen een gevoel hebben van bestaanszekerheid. Religie zou volgens dit model vooral aanhang genieten bij individuen en bevolkingsgroepen die zich op een of andere manier in hun bestaanszekerheid bedreigd voelen, bijvoorbeeld door armoede, ziekte, discriminatie of eenzaamheid. Mensen die tijdens hun vormingsjaren een bedreiging ervaren ten aanzien van zichzelf of hun omgeving, zouden doorgaans religieuzer zijn dan zij die in een veilige en voorspelbare omgeving opgroeien. Dit zou verklaren waarom het secularisatieproces zich het sterkst heeft afgetekend in de meest welvarende postindustriële landen. De secularisatietrend in Europa past perfect in dit model. Het probleem is dat men de hoge religiositeit in de VS, het schoolvoorbeeld van een rijke en moderne samenleving, niet kan verklaren. De aanbodtheorie van religie stelt daarentegen dat de vraag naar religie constant is, maar dat variaties in de religiositeit te wijten zijn aan het aanbod in de religieuze markten. Meer bepaald hangt de religiositeit in een samenleving sterk af van de mate waarin men concurrentie toestaat tussen religieuze organisaties, die dan hun beste marketing- en verkooptechnieken zouden gebruiken om zoveel mogelijk klanten aan te trekken. Dit is echter enkel mogelijk in een vrije religieuze markt waar de overheid zo min mogelijk reguleert en geen bescherming biedt aan één Staatskerk. Men vindt vooral steun voor deze theorie in de VS. Omwille van de beperkte datasets zijn op dit moment de empirische bewijzen té verdeeld om uitsluitsel te bieden over de juiste theorie. Desondanks kan men stellen dat de economische benadering van religie wel degelijk vruchten afwerpt. De belangrijkste conclusie voor onze samenleving is echter dat er geen verschil is tussen het gedrag van het religieuze en het niet-religieuze individu. Meer bepaald ligt het in de natuur van de mens om alle mogelijke keuzes op een rationele wijze te benaderen. Zo laat zich de utilitaristisch geïnspireerde kosten-batenanalyse ook toepassen op de keuze van de meest geschikte religie, of de keuze voor géén religie.

Bibliografie

Zie scriptie

Universiteit of Hogeschool
Toegepaste Economische Wetenschappen
Publicatiejaar
2006
Share this on: