De gevolgen voor derden-schuldeisers van de achterstelling van een schuldvordering: knelpunten

Lien Beckers
Persbericht

De gevolgen voor derden-schuldeisers van de achterstelling van een schuldvordering: knelpunten

 

Lien Beckers
 
Helpt een achterstelling ons vooruit?
 
 
“Als je het bedrijfsmatig zou bekijken, is België virtueel failliet.”
Minister van Begroting Guy Vanhengel (5 september 2009)
 
 
Het begrotingstekort in België swingt fors de pan uit en bedraagt momenteel 25 miljard euro. Hoe is het zo ver kunnen komen? Mede door de gigantische bedragen aan overheidssteun die door België aan de banken is toegekend, kampen we nu met dat tekort. En laat het bedrag van dat tekort nu net overeenkomen met de gelden die werden uitgegeven om de banken te redden, juist, 25 miljard euro.
 
Doordat de wereld verzeild was in een grote crisis werden regeringen wereldwijd gedwongen tot het nemen van maatregelen om de banken van het faillissement te behoeden. Een van de technieken daarvoor is het verlenen van een achtergestelde lening. Onder een achterstelling wordt het volgende begrepen: een schuldeiser (de junior schuldeiser) stemt er in toe dat zijn vordering bij bepaalde gebeurtenissen pas zal worden voldaan nadat de vorderingen van één, sommige of alle andere schuldeisers (de senior schuldeiser) op hun gezamenlijke schuldenaar geheel of gedeeltelijk zijn voldaan. Een bepaalde kredietinstelling is bijvoorbeeld enkel bereid een belangrijk krediet te verschaffen aan de onderneming als een andere schuldeiser een stapje terug wilt zetten bij de betaling in geval van faillissement. Op die manier vervult de achterstelling een soort zekerheidsfunctie. De kredietinstelling kan er immers wat geruster in zijn om haar geld terug te zien moest het ooit verkeerd aflopen met de onderneming.
 
De achterstelling kan volledig contractueel worden uitgewerkt tussen de betrokken personen en dus op maat worden gesneden. Door deze soepelheid is het is een multifunctioneel instrument. In het geval van de banken is de achterstelling door de overheid aangewend als een reddingsmiddel. In plaats van te kiezen voor een kapitaalinjectie, kunnen er redenen zijn waarom men een achtergestelde lening verkiest in dit geval. Zo is er bijvoorbeeld geen risico op verwatering van de bestaande aandeelhouders en kan de steun een tijdelijk karakter hebben. Door de achterstelling vergroot dan weer de leencapaciteit van de onderneming. Dat er wel degelijk heil wordt gezien in dit instrument bewijzen de recente steunverleningen. De Belgische federale overheid verleende namelijk 3,5 miljard euro aan KBC eind oktober 2008 en daaropvolgend kwam er nog een terbeschikkingstelling van een eeuwigdurende achtergestelde lening van de Vlaamse overheid van 2 miljard euro aan diezelfde kredietinstelling. Deze financieringen zijn gestructureerd naar het voorbeeld van wat in Nederland gebeurde met ING.
 
De achterstelling kan ook bekeken worden als een financieringsmiddel. De onderneming zelf verkiest dan om vreemd vermogen aan te trekken door bijvoorbeeld achtergestelde obligaties uit te geven. De voordelen hiervan zijn dat hierdoor, in tegenstelling tot financiering met eigen vermogen (het kapitaal), de zeggenschapsverhoudingen tussen de huidige aandeelhouders niet worden verstoord en er niet moet worden gewerkt met een omslachtige kapitaalverhoging en –vermindering. Tevens is het fiscaal gunstiger door de aftrekbaarheid van de renten die worden betaald.
Ook de kant van de junior schuldeiser moet worden belicht. Hij zal vaak een hoger rendement verkrijgen omwille van het grotere risico dat hij aangaat. Zo kan de achterstelling worden gezien als een beleggingsobject. Of het kan gaan om een persoon die er alle belang bij heeft dat een bepaalde onderneming kan blijven voortbestaan, zoals een leverancier die een krediet verstrekt aan een afnemer omdat deze een belangrijke bron van inkomsten voor hem is.
 
De achterstelling kent in ons land nog geen aloude traditie. De bakermat van de achterstelling als financieringsmiddel ligt in de Verenigde Staten. Daar vond reeds in 1936 de eerste publieke emissie van een achtergestelde lening plaats. Al snel vervulde deze achterstelling ook andere functies. De achterstelling waaide over naar België in de jaren zestig om te fungeren als solvabiliteitssteun voor kredietinstellingen. Allerhande regelingen vandaag de dag tonen de populariteit van de achterstelling aan. Wil je een onderneming opstarten? Heb je buitenlandse investeringsprojecten? Dan kan je bijvoorbeeld aankloppen bij de ParticipatieMaatschappij Vlaanderen en zo een achtergestelde lening verkrijgen in het kader van het Fonds Vlaanderen-Internationaal of Vinnof.  Ook als je zelf krediet verleent aan een startende onderneming, kan je hiervoor een belastingvermindering verkrijgen als je binnen de lijntjes kleurt van de Winwinlening of ook wel Vriendenlening genoemd.
 
En zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. De achterstelling heeft haar nut bewezen en wordt veelvuldig aangewend, al dan niet in het kader van een overheidsregeling. Haar soepelheid brengt wel hier en daar interpretatieproblemen met zich mee als de partijen niet alles duidelijk hebben afgesproken. Het is mogelijk dat men niet precies kan uitmaken wie het voordeel van de achterstelling geniet. De junior schuldeiser kan zich namelijk achterstellen aan één welbepaalde persoon of aan alle andere schuldeisers. Daarbij moet worden uitgemaakt of hij hiermee de bestaande schuldeisers bedoelt, of ook degenen die na hem krediet verlenen. Ook het tijdstip of de omstandigheden van de inwerkingtreding van de achterstelling kunnen betwisting veroorzaken. De achterstelling kan immers net zo goed in werking treden buiten faillissement, zoals bijvoorbeeld bij een fusie of splitsing van de onderneming. Tenslotte moet ook de omvang van de achterstelling worden afgebakend. Zo is het niet onbelangrijk te weten of de junior schuldeiser zijn renten mag blijven ontvangen, of dat deze samen met de hoofdsom zijn achtergesteld. Deze scriptie gaat op deze en andere twistpunten dieper in en belicht de achterstelling als figuur met raakvlakken aan het verbintenissen- het insolventie- en het zakenrecht.
 
Net zoals in andere disciplines gaat men ook in het recht vaak over de grens kijken als men zwakheden in zijn eigen regelgeving ontdekt. Door een rechtsvergelijkende studie integreert men originele oplossingen, die reeds hun vruchten hebben afgeworpen, in het eigen rechtssysteem. Ikzelf heb een blik geworpen op Frankrijk en Nederland. Vooral in Frankrijk heeft men niet meer alles overgelaten aan de contractsvrijheid, de toevallige situatie van de betrokken personen zeg maar. Men heeft er enkele wettelijke regelingen op touw gezet om de achterstelling nog meer slagkracht te geven en sommige problemen te vermijden. Met moet natuurlijk weer niet te veel gaan reguleren.  Nadien moet men misschien weer dereguleren: want dat is nu eenmaal in en zo houdt men Kafka buiten de onderneming.
 
Misschien moeten wij als burgers binnenkort met België hetzelfde gaan doen als wat de overheid deed om de banken te redden en waardoor ze nu in een benarde situatie verkeert, namelijk achtergestelde gelden verstrekken…

Bibliografie

 

BIBLIOGRAFIE

 

 

I. België

 

a) Rechtspraak

 

Cass. 27 mei 1909, Pas. 1909, 272, met concl. Adv.-gen. TERLINDEN.

Cass. 9 juli 1953, Arr.Cass. 1953, 792 en Pas. 1953, 911.

Cass. 19 februari 1970, Pas. 1970, I, 542.

Cass. 27 september 1974, Arr.Cass. 1974-75, 125.

Cass. 18 december 1974, Pas. 1974, I, 425.

Cass. 13 januari 1967, Arr.Cass. 1967, 577.

Cass. 4 januari 1988, Arr.Cass. 1987-88, 556, JT, 1989, 59 en RW 1988-89, 90.

Cass. 18 mei 1989, Arr.Cass. 1988-89, 1089, RW 1989-90, 711.

Cass. 3 november 1989, RW 1989-90, 1256.

Cass. 22 januari 1990, Arr.Cass. 1989-90, 666 en Pas. 1990, 598.

Cass. 30 juni 1995, Arr.Cass. 1995, 701 en Pas. 1995, 723.

Cass. 17 oktober 1996, Arr.Cass. 1996, nr. 386, Pas. 1996, I, 992, nr. 386, concl. Adv. Gen. PIRET, RW 1996-97, 1395, noot STORME, M.

Cass. 18 april 1997, Arr.Cass. 1997, 458 en Pas. 1997, 475.

Cass. 9 september 1999, Arr.Cass. 1999, 1073 en Pas. 1999, 1114.

Cass. 22 oktober 1999, Arr.Cass. 1999, 1324 en Pas. 1999, 1379.

Cass. 9 maart 2000, Arr.Cass. 2000, 544-548.

Cass. 9 mei 2003, JT 2005, 396.

Cass. 28 september 2000, Arr.Cass. 2000, 1443 en Pas. 2000, 499.

Cass. 15 oktober 2004, RCJB 2007, 244-246, noot GEORGES, F.

Cass. 20 oktober 2005, NJW  2006, 365, noot COUSSEMENT, P.

Cass. 16 januari 2006, www.cass.be.

Cass. 27 april 2006, RW 2007-08, 1541, noot M.E. STORME.

Cass. 2 februari 2007, RW 2006-07, 1679, noot V. SAGAERT, TBH 2007, 341, noot I. PEETERS en A. ZENNER, JT 2007, 527, noot C. ALTER.

Gent 15 januari 1991, RW 1991-92, 467.

Luik 28 juni 2002, JLMB 2005, 1220, noot B. KOHL.

Luik 23 december 2003, JT 2004, 384.

Brussel 19 maart 2004, TBH 2006, 99-105, noot BUYLE, J.P. en DELIERNEUX, M.

Bergen 20 januari 2005, TBBR 2007, 218, noot CARETTE, N.

Antwerpen 10 januari 2006, RW 2006-07, 373.

Gent 30 oktober 2006, www.jure.juridat.just.fgov.be/?lang=nl.

Rb. Antwerpen 1 maart 1989, RW 1990-91, 304.

 

 

b) Rechtsleer

 

BRUYNEEL, A., “Les prêts subordonnés”, Bank Fin. 1976, 530-569.

 

BRUYNEEL, A., Les sûretés (sûretés traditionnelles, réelles et personnelles, en droit français et en droit belge ; sûretés issues de la pratique ; droit international privé): colloque de Bruxelles des 20 et 21 octobre 1983 / Direction scientifique du colloque, Parijs, Feduci, 1984, 505 p.

 

BUYLE, J.P. en DELIERNEUX, M., noot onder Brussel 19 maart 2004, TBH 2006, 99-105.

 

BYTTEBIER, K., Voorrechten en hypotheken in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 2005, 787 p.

 

CARETTE, N., “Derdenbeding. Een “nieuw” recht voor de derde vereist?”, (noot onder Bergen 20 januari 2005), TBBR 2007, 222-224.

 

CAUFFMAN, C., De verbindende eenzijdige belofte in het Europese privaatrecht, proefschrift Kuleuven 2004, 823 p.

 

CAUFFMAN, C., De verbindende eenzijdige belofte, Antwerpen, Intersentia, 2005, 952 p.

 

CAUWENBERGS, S. en BECKERS, K., “De winwinlening: wil de winnaar nu opstaan?”, Fisc.Act. 2006, afl. 37, 6-9.

 

CLAEYS, I., Samenhangende overeenkomsten en aansprakelijkheid: de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent herbekeken, Antwerpen, Intersentia, 2003, 713 p.

 

CORNELIS, L., Algemene theorie van de verbintenis, Antwerpen, Intersentia Rechtswetenschappen, 2000, 997 p.

 

DE BOECK, A., “De verbintenis uit eenzijdige wilsverklaring”, in STIJNS, S. en WERY, P. (eds.), De bronnen van niet-contractuele verbintenissen, Brugge, Die Keure, 2007, 19-46.

DEFOOR, W., “The winner takes it all”, Notariaat 2007, afl. 6, 6-11.

 

DEKKERS, R. en VERBEKE, A., Handboek Burgerlijk Recht, III, Verbintenissen, Bewijsleer, Gebruikelijke contracten, Antwerpen, Intersentia, 2007, 820 p.

 

DE PAGE, H., Traité élémentaire de droit civil Belge, VI, Les sûretés, Brussel, Bruylant, 1953, 620-1192.

DE PAGE, H., Traité élémentaire de droit civil Belge, VII, Les privilèges, Brussel, Bruylant, 1957, 5-854.

 

DE PAGE, H., Traité élémentaire de droit civil Belge, II, Les obligations, Brussel, Bruylant, 1964, nr. 647 e.v.

 

DERIJCKE, W., “Dwars door het insolventierecht: de (on)gelijke behandeling van de schuldeisers in de diverse insolventieprocedures”, in XXXIste Postuniversitaire Cyclus Willy Delva (ed.), Insolventierecht 2004-2005, Antwerpen, Kluwer, 2006, 542-565.

 

DIERICK, F., “ De eigen-vermogensbestanddelen van een kredietinstelling: algemeen overzicht en begrippen”, T.Fin.R. 2002, 72-84.

 

DIERICK, F., “het gebruik van de achtergestelde lening door een kredietinstelling”, T.Fin.R. 2002, 232-244.

 

DIRIX, E., Obligatoire verhoudingen tussen contractanten en derden, Antwerpen, Maarten Kluwer, 1984, 318 p.

 

DIRIX, E., “Enige recente arresten van het Belgisch Hof van Cassatie, de Franse Cour de Cassation en de Nederlandse Hoge Raad inzake beslag, faillissement en zekerheden”, in COUSY, H. en DIRIX, E.(eds.), Insolventierecht, Themis 2000-2001, Brugge, Die Keure, 2000, 33-56.

 

DIRIX, E., “Overzicht van rechtspraak. Zekerheden (1998-2003)”, TPR 2004, 1163-1311.

 

DIRIX, E., “Recente arresten faillissement, gerechterlijk akkoord en zekerheden”, in COUSY, H. en DIRIX, E.(eds.), Insolventierecht, Themis 2006-2007, Brugge, Die Keure, 2006, 45-46.

 

DIRIX, E. en DE CORTE, R., Zekerheidsrechten, Antwerpen, Kluwer, 2006, 519 p.

 

FRANSIS, R., “Achterstelling”, in Voorrechten en hypotheken, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Antwerpen, Kluwer, 2008, 43-87 (losbl.).

 

GEORGES, F., “Les droits des créanciers confrontés à une procédure collective: vers une inexorable érosion de la théorie du concours?”, (noot onder Cass. 15 oktober 2004), RCJB 2007, 246-275.

 

GREGOIRE, M., Publicité foncière, suretés réelles et privilèges, Brussel, Bruylant, 2006, 798 p.

 

JAKHIAN, G., “Les clauses de non-recours ou dites ‘non-recourse’ en droit bancaire et civil”, TBH 1997, 339-351.

 

T’KINT, F., Sûretés et principes généraux du droit de poursuite des créanciers, Brussel, Larcier, 2004, 467 p.

 

LINDEMANS , J.V., “Negatieve zekerheden”, in Voorrechten en hypotheken. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Antwerpen, Kluwer, 1998, 37-63 (losbl.).

MOREAU-MARGREVE, I., “À propos de quelques garanties en vogue”, Rev.not.b. 1984, 322-344.

 

PEETERS, I. en ZENNER, A., “Het minnelijk kantonnement uitdrukkelijk erkend als een samenloopvermijdend contractueel waarborgmechanisme”, (noot onder Cass. 2 februari 2007), TBH 2007/4, 351-358.

 

RONSE, J. en VAN HULLE, K., “Overzicht van rechtspraak (1968-1977), Vennootschappen”, TPR 1978, 681-969.

 

RONSE, J., NELISSEN GRADE, J.M. en  VAN HULLE, K., “Overzicht van rechtspraak (1978-1985), Vennootschappen”, TPR 1986, 859-1023.

 

SAGAERT, V. en DE WILDE, A., “Het lot van de preferente schuldeisers bij collectieve saneringsprocedures”, De Gerechtsd.-Dig. 2001, 4-15.

 

SAMOY, I., “Pijnpunten bij het opstellen van consortium- en andere overeenkomsten met meer dan twee partijen”, in STIJNS, S. (ed.), Verbintenissenrecht, Themis, 2006-2007, Brugge, Die Keure, 2007, 51-70.

 

STIJNS, S., “Contracten en derden: derde-medeplichtigheid en actio pauliana, stermaking en schijnvertegenwoordiging, derdenbegunstiging” in STIJNS, S. (ed.), Verbintenissenrecht, Themis, 2006-2007, Brugge, Die Keure, 2007, 25-50.

 

STORME, M., “Zekerheidsoverdracht, numerus clausus van zakelijke rechten, en andere zekerheidsmechanismen na het cassatie-arrest van 17 oktober 1996”, (noot onder Cass. 17 oktober 1996), RW, 1996-97, 1398-1403.

 

STORME, M., Zekerheden- en insolventierecht, I-II, Vermogen, verhaalsrecht, samenloop, rangregeling, Gent, 2005, 198 p.

 

STORME, M., Zekerheden- en insolventierecht, Gent-Mariakerke, 2006, 968 p.

 

STRANART, A.M., “De zekerheden”, in VAN GERVEN, W., COUSY, H. en STUYCK, J., Beginselen van het Belgisch privaatrecht, XIII, Handels- en economisch recht, I Ondernemingsrecht, volume B, Brussel, Story-Scientia, 1989, 651-810.

 

VANBELLEGHEM, P., “Centen nodig om een onderneming op te starten? Vraag uw vrienden om hulp”, De Venn. 2006, afl. 9, 4-5.

 

VAN GERVEN, W. en COVEMAKER, S., Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2006, 719 p.

 

VAN OEVELEN, A., Algemeen verbintenissenrecht, I, Antwerpen, Universitas, 1993, 338 p.

 

VAN OMMESLAGHE, P., “Examen de jurisprudence (1968-1973), Les obligations”, RCJB, 423-538 en 597-736.

 

VELU-SPREUTELS, S., “La subordination de créance’ in DEWINCKLAER, L.(ed.), Travaux de recherches réalisés au sein du centre de droit privé et de droit économique de l’U.L.B., Brussel, CIEAU, 1983, 32 p.

VERBEKE, A., “Rechtsmiddelen van schuldeiseres”, in Vlaams Pleitgenootschap bij de balie te Brussel(ed.), Schuldeisers en ondernemingen in moeilijkheden, Kalmthout, Biblo, 1994, 11-69.

 

VERBEKE, A. en PEETERS, I., “Voorrechten, hypotheken en andere zekerheden”, permanent documentatiesysteem, Gent, Mys & Breesch, 1995/1, 1-130.

 

VERBEKE, A. en PEETERS, I., “Voorrechten, hypotheken en andere zekerheden”, permanent documentatiesysteem, Gent, Mys & Breesch, 1995/2, 131-207.

 

VERBEKE, A. en PEETERS, I., “Negatieve zekerheden”, DAOR 1996, afl. 39, 39-53.

 

VERBEKE, A. en PEETERS, I., “Privilèges, hypothèques et autres sûretés”, in MYS en BREESCH (eds.), Système permanent de documentation, Gent, 1996, 122 p.

 

WILLERMAIN, D., “Le financement de l’entreprise et le maintien de son controle: le quasi capital, les quasi fonds propres, les financements mezzanine et leurs instruments”, Bank Fin. 7/1999, 346-358.

 

X., “Winwinlening: dubbel voordeel voor echtgenoten”, Fiscoloog 2006, afl. 1038, 4-7.

 

ZENNER, A. en PEETERS, I., “Tegenwerpbaarheid van samenloopvermijdende contractuele waarborgmechanismen”, RW 2004-05, 481-505.

 

ZENNER, A. en ALTER, C., “Evolutions récentes en droit de l’insolvabilité”, in BIQUET, C. (ed.), Sûretés et procédures collectives, Luik, Anthemis, 2008, 151-213.

 

 

II Nederland

 

a) Rechtspraak

 

Hoge Raad 13 maart 1981, NJ 1981, 635.

Hoge Raad 8 november 1991, NJ 1992, 174.

Hoge Raad 21 april 1995, NJ 1996, 652.

Hoge Raad 24 oktober 1997, JOR 1997, 147, noot LOESBERG, E.

Hoge Raad 2 oktober 1998, RvdW 1998, 168.

Hoge Raad 23 maart 2001, NJ 2003, nr. 715.

Hoge Raad 18 oktober 2002, JOR 2002, 234, noot WESSELS, B. en NJ 2003, nr. 503, noot DU PERRON, C.E.

Hof Den Haag 31 oktober 2000, JOR 2001, 41.

Hof Arnhem 14 maart 2006, NJF 2006, 234.

Rb. Rotterdam 11 mei 1993, KG 1993, 215.

Rb. Rotterdam 22 februari 2001, JOR 2001, 203.

 

b) Rechtsleer

 

COREN, L., “Financiering met achtergestelde obligaties”, ESB, 1973, 12-14.

 

DUFFHUES, P.J.W., “Achtergestelde lening en rentabiliteitsneutraliteit”, Serie Bank- en Effectenbedrijf, juni/juli 1978, 215-221.

 

HOOFT, C.P., “Een achtergesteld rechtskindje”, V&O 2004, nr. 10, 179-182.

 

EIJGENHUIJSEN, H.G., “Enige aspecten van de achtergestelde lening”, Maandschrift Economie, nov/dec 1972, 108-124.

 

GANS, M.P., “Financiering met achtergestelde obligatie”, ESB 1972, 764-768.

 

JONKHART, M.J.L., “Achterstelling, Leencapaciteit en de Waarde van het aandeel”, in JONKHART, M.J.L., SCHUIT, J.W.R. en SPRONK, J. (eds.), Financiering en Belegging, Stand van zaken anno 1978, H.E. Stenfert Kroese BV, 26-38.

 

KLAASSEN, A., De achtergestelde lening, in Serie Bank- en Effectenbedrijf, nr. 14, Deventer, Kluwer, 1981, 116 p.

 

KLIEBISCH, Th.A.L., De contractuele achterstelling – nog steeds ongeregeld?, in Onderneming en 10 jaar nieuw Burgerlijk Recht, Serie Onderneming en Recht, Deventer, Kluwer, 2002, 445-455.

 

KRAAL, A., De achtergestelde lening in Nederland, in Geld en onderneming, 1976, 237-260.

 

KUIJL, J.G., “Het onderscheid tussen eigen en vreemd vermogen bij de verschaffing van venture kapitaal”, O&F, 2002, nr. 50, 2-7.

 

MAAS, P.C., “De rentabiliteit van de onderneming en het achtergestelde krediet”, Bank- en Effectenbedrijf, maart 1976, 104-106.

 

PABBRUWE, H.J., “De achtergestelde geldlening, WPNR 1985, 493-498.

 

PABBRUWE, H.J., “Nogmaals: achtergestelde geldlening”, WPNR 1992, 929-931.

 

PABBRUWE, H.J., “De achtergestelde geldlening nog eens ontrafeld”, WPNR 1998, 766-771.

 

PRINSEN, J.J., Converteerbare obligaties. Omzetting van schuld in eigen vermogen, Doctoraat Radboud Universiteit Nijmegen, in, Serie vanwege het Van den Heijdeninstituut, Deventer, Kluwer, 2004, 33-35.

 

SCHIMMELPENNINCK, R. J., “Leningen of schadeclaims van aandeelhouders concurrent?”, TvI, 2003 (Themanummer: curator en kapitaalbescherming), 239-246.

SCHOLTEN, Th.M., “De introductie van nieuwe beleggings -en financieringsvorm”, TVVS 1972, 88-93.

 

SCHONIS, H.M.N., Fiscale aspecten van eigen vermogen en vreemd vermogen, in De financiering van de onderneming, Serie vanwege het Van den Heijdeninstituut, Deel 88, Deventer, Kluwer, 2006, 67 e.v.

 

SECKEL, F.M., “Achtergestelde lening en kredietwaardigheid”, Intermediair, 1977, 35.

 

SPINATH, I., Achtergestelde vorderingen, in Serie Financieel Recht (18), Deventer, Kluwer, 2005, 45 p.

 

TEN BOSCH, B.F., Hybridische financieringsinstrumenten en de vermogensstructuur, Het preferente aandeel en de achtergestelde obligatie als instrumenten voor de financiering van de onderneming, academisch proefschrift universiteit van Amsterdam, 1980, 256 p.

 

THIJSSEN, E.E. en RUTTEN, K., “De mogelijkheid van verrekening bij een achtergestelde lening”, (noot onder Hof Den Haag 31 oktober 2000), V&O 2001, nr. 7/8, 135-138.

 

VAN DRUTEN, J.P.J., “Financieringsvormen met achterstellingsclausule”, Intermediair, 1979, 45-53.

 

VAN GREVENSTEIN, P.V.U., “Contractuele achterstelling”, TVVS 1984 nr. 84/11, 261-267.

 

VAN HEES, A., De achtergestelde vordering, in het bijzonder de achtergestelde geldlening, Deventer, Kluwer, 1989, 170 p.

 

VAN HEES, A., “De achtergestelde geldlening”, TVVS 1990, nr. 90/2, 30-33.

 

VAN RAVENSTEIN, “Nieuwe financieringsvormen en de markt”, TVVS 1972, 46-52.

 

VAN SCHUPPEN, H., “Onderscheid tussen eigen en vreemd vermogen voor Nederlandse fiscale doeleinden nader afgebakend”, V&O 2002, nr. 6, 105-110.

 

VRANKEN, J.B.M., “Boekbespreking VAN HEES, A., De achtergestelde vordering, in het bijzonder de achtergestelde geldlening”, WPNR 1989, 584-586.

 

VRANKEN, J.B.M., “Een niet wenkend toekomstperspectief. Over meerpartijenverhoudingen en de vlucht in het derdenbeding”, in In het nu, wat worden zal, Liber Amicorum SCHOORDIJK, H.C.F., Deventer, Kluwer, 1991, 295-307.

 

WESSELS, B., “Enkele insolventievragen bij de positie van de achtergestelde crediteur”, TvI 1995/1, 7 e.v.

 

WESSELS, B., Achtergestelde vorderingen, Deventer, W.E.J. Tjeenk Willink, 1997, 138 p.

 

WESSELS, B., Achtergestelde vorderingen, Deventer, Kluwer, 2006, 103 p.

 

WIBIER, R.M., Alternatieven voor zekerheid op bankrekeningen, Proefschrift universiteit van Tilburg, 2007, 177 p.

WYTZES, H.C., “Achtergesteld vermogen en leencapaciteit”, TVVS, 1979, 213-221.

 

ZWITSER, R., “Derdenbeding en de overdracht van spaarzegels”, NJB 1995, afl. 16, 581-587.

 

III. Frankrijk

 

a) Rechtspraak

 

Cass. civ. 18 november 1896, DP 1897, I, 51.

Cass. civ. 28 december 1927, DH 1928, 135.

Cass. civ. 19 april 1988, Banque 1988, 822, JCP G 1989, 21176, noot DELEBECQUE, Ph. 

Cass. civ. 9 juni 1992, Bull. civ., I, n° 233.

Cass. com. 23 maart 1993, Quot. Jur. 1993, 2.

TGI Bordeaux 13 februari 1969, D 1969, 334, noot GHESTIN, J.

CA Parijs 22 januari 1986, RTD com. 1986, 420. 

Hof Parijs 20 februari 2001, J.C.P. 2001 E. 1857 met bespr. SIMLER en DELEBECQUE.

 

b) Rechtsleer

 

ANCEL, P., Manuel de droit du crédit, Parijs, Litec, 1995, 316 p.

 

AUBERT, J.L., “Engagement par volonté unilatérale”, Encyclopédie Dalloz, V, Contrats et obligations.

 

BONNEAU, T., “Titres subordonnés, titres de créances négociables et contrats à terme”, Droits des sociétés 2003, nr. 10, 41.

 

BONNEAU, T. en DRUMMOND, F., Droit des marchés financiers, Parijs, Economica, 2006, 848 p.

 

BONNEAU, T., Droit bancaire, 7e éd., Parijs, Montchrestien, 2007, 670 p.

 

CAUSSAIN, J.J., Prêts participatifs et prêts subordonnés: un nouveau mode de financement. Journée d’étude de Rouen du 19 novembre 1981, Parijs, Feduci, 1983, 438 p.

 

COURET, A., “Le déclin des prêts participatifs”, BJS 1986, nr. 6, 659.

 

COURET, A. en LE NABASQUE, H., Droit financier, Parijs, Dalloz, 2008, 1088 p.

 

DAVID, C., “Valeurs mobilières composées, Titres subordonnés”, Répertoire de droits de sociétés (Dalloz)  1997, nr. 262 e.v.

DUPICHOT, P., Le pouvoir des volontés individuelles en droit des sûretés, Parijs, Editions Panthéon-Assas, 2005, 835 p.

 

GALLAND, M., “Les titres super-subordonnés”, Petites Affiches 2003, nr. 228, 107.

 

GALLAND, M., “La subordination de dernier rang: régime et finalités des titres super-subordonnés”, BJS 2006, nr. 10, 1111.

 

GAVALDA, C. en STOUFFLET, J., Droit bancaire: institutions, comptes, opérations, services, Parijs, Litec, 2008, 623 p.

 

HAMOU, R., “Les titres super-subordonnés dans les LBO”, DrPat., 2004, nr. 128, 26-29.

 

LAMOUREUX, M., noot onder Cass. 13 december 2005, JCP E 2006, 2080-2084.

 

MARTIN, L.M., Banques et bourses, Parijs, Montchrestien, 1991, 986 p.

 

NEUVILLE, S. Droit de la banque et des marchés financiers, Parijs, Presses Universitaires de France, 2005, 371 p.

 

PIEDELIEVRE, S., Droit bancaire, in Thémis, Droit privé, Parijs, Presses Universitaires de France, 2003, 555 p.

 

RAIMBOURG, P. en BOIZARD, M. (eds.), Ingénierie financière, fiscale et juridique, Parijs, Dalloz, 2006, 1363 p.

 

REBOUL, N., “Titres subordonnés”, JurisClasseur Sociétés Formulaire, 1996, 08, Fasc. P-630.

 

RIVES-LANGE, J.L. en CONTAMINE-RAYNAUD, M., Droit Bancaire, 6e éd., Parijs, Dalloz, 1995, 805 p.

 

VILLANI, D., “La stipulation pour autrui comme moyen de paiement”, R.G.D.A. 1997, nr. 1997-2, 429.

 

IV. Internationaal

 

WOOD, P.R., Law and practice of international finance, Londen, Sweet & Maxwell, 1980, 462 p.

 

WOOD, P.R., Project finance, securitisations, subordinated debt, in Law and practice of international finance series, Londen, Sweet & Maxwell, 2007, 262 p.

Universiteit of Hogeschool
Rechten
Publicatiejaar
2009
Kernwoorden
Share this on: