Brouwerijcontracten

Matthias Moortgat
Matthias B.V. Moortgat
Brouwerijcontracten: moordende clausules of hemels manna?
1. Vanuit politiek oogpunt wordt de noodzaak van brouwerijcontracten weleens betwist, om niet te zeggen dat criticasters uit politieke hoek en andere belangenverenigingen tot op heden de filosofie van dergelijke contracten geregeld onder vuur nemen.

Brouwerijcontracten

Matthias B.V. Moortgat
Brouwerijcontracten: moordende clausules of hemels manna?
1. Vanuit politiek oogpunt wordt de noodzaak van brouwerijcontracten weleens betwist, om niet te zeggen dat criticasters uit politieke hoek en andere belangenverenigingen tot op heden de filosofie van dergelijke contracten geregeld onder vuur nemen. Vanuit economisch perspectief beschouwd, blijkt daarentegen dat brouwerijcontracten een absolute noodzaak vormen om de diversiteit aan horeca-aangelegenheden in België in stand te houden.
De scriptie is in dit opzicht bijzonder, namelijk dat werd gepoogd het brouwerijcontract te bespreken als “contract” aan de hand van de verschillende clausules die in zulk een contract worden opgenomen. Er bestaan daarenboven weinig publicaties aangaande het onderwerp, laat staan monografieën. Indien het onderwerp al wordt aangesneden is het niet zelden louter vanuit mededingingsrechtelijk perspectief. Bovendien heeft de auteur getracht om een brug te slaan naar de praktijk aan de hand van gesprekken met o.a. brouwerijen en advocaten actief in de sector. Dit mede omwille van het feit dat bijna uitsluitend rechtspraak voorhanden is en de auteur het tot een doelstelling verheven heeft om de verhandeling met voldoende economische realiteitszin te voltooien. Het onderwerp in casu ligt immers op een grenspunt tussen recht en economie. Het gevoerde onderzoek kent een juridisch draagvlak maar een economische insteek was aangewezen voor een adequate en waardevolle reflectie op het onderwerp.
In 1990 wisten circa 90% van de horeca-uitbaters zich verbonden via een brouwerijcontract. Het kwantitatieve belang van de brouwerijsector valt in België dus nauwelijks te ontkennen. Bier vormt niet enkel een belangrijk consumptie- en exportproduct op economisch vlak. Het maakt deel uit van onze Belgische geschiedenis en zo wil, zelfs een element van onze Bourgondische persoonlijkheid.
2. De rode draad doorheen de kritiek zijn de vraagtekens die worden geplaatst bij het evenwicht in de contractuele verhouding tussen brouwerij/drankenhandelaar enerzijds en afnemer anderzijds. Het betreft het evenwicht tussen de exclusieve afnameverplichting en het voordeel dat daar tegenover staat. Vooraleer die evenwichtsoefening te maken verdienen twee begrippen nadere toelichting, met name de exclusieve afnameverplichting die de brouwerij of drankenhandelaar oplegt aan de horeca-uitbater en het voordeel dat laatstgenoemde daarvoor in ruil ontvangt.
Brouwerijcontracten zijn exclusiviteitscontracten par excellence. De exclusiviteit waartoe de uitbater zich in een brouwerijcontract verbindt, behelst meestal een dubbele verplichting. De brouwerij/drankenhandelaar zal opleggen wat te kopen en bij wie. De merkexclusiviteit bepaalt welke dranken de uitbater exclusief moet afnemen. De distributie-exclusiviteit bepaalt bij wie hij zijn producten moet betrekken.
In ruil voor de aan hem opgelegde verbintenis tot exclusieve afname ontvangt de horeca-uitbater een economisch voordeel dat diverse vormen kan aannemen. Het kan gaan om i) een fonds perdus waarbij de uitbater vooraf een lump sum ontvangt die hij niet hoeft terug te
Matthias B.V. Moortgat
betalen, ii) periodieke kortingen, iii) een geldlening, iv) bruikleen van meubilair en/of materiaal zoals een tapinstallatie, een toog, frigo’s, tafels, stoelen, barkrukken, e.d. zodat de uitbater hierin niet zelf dient te investeren, v) een investering in de handelszaak van de uitbater met de uitdrukkelijke verplichting dit bedrag aan te wenden in de handelszaak voor verbouwingen, aanpassingswerken, meubilair, materiaal etc. of vi) een handelshuur of zogenaamde brouwerijhuur voor het verkooppunt wanneer de uitbater noch zelf eigenaar is van het pand, noch huurt van een derde.
Het opzet ligt voor de hand. Brouwerijen enerzijds beschikken over een immense productiecapaciteit die zij zo afdoende mogelijk wensen te benutten. Bier dient bij voorkeur te worden geconsumeerd in de maanden die volgen op de productie. Dit maakt dat brouwerijen zich verzekerd willen weten van hun afzet.
De (café-, restaurant- of hotel-) uitbater anderzijds wordt bij het opstarten van zijn handelszaak geconfronteerd met een aanzienlijke investeringskost. Daarbij komt de starre en weigerachtige houding van de banken om leningen toe te kennen wegens het risico dat inherent is aan de horeca-activiteit. Beknopt kan worden gesteld dat bij brouwerijen het belang speelt van een gegarandeerde afzetmarkt met oog op het plannen van productie en distributie, terwijl in hoofde van de horeca-uitbaters de motivering er in hoofdzaak één van financiële aard is. In die constellatie biedt het brouwerijcontract als het ware een win-win-oplossing voor beide partijen.
Uitbaters zijn niet overgeleverd aan de willekeur van brouwerijen/drankenhandelaars. Hoewel een economisch voordeel niet verplicht gesteld is bij wet, toch zal niemand in de praktijk bereid zijn zich te verbinden tot exclusieve afname zonder dat daar een prestatie tegenover staat. Peter Vanvelthoven hekelt dat de kortingen gegeven aan ongebonden uitbaters exorbitant hoger liggen dan de kortingen die uitbaters met een brouwerijcontract ontvangen. Maar een uitbater heeft steeds de keuze om onafhankelijk te blijven. Evident kan men dan een hogere korting bedingen. Zo werkt de markt nu eenmaal, de onderhandelaar in de sterkste positie behaalt het grootste voordeel. Ho.Re.Ca Vlaanderen betwist dan weer de verplichting tot minimale drankafname maar het verwachte volume vormt hét criterium bij het bepalen van het economisch voordeel. Het lijkt dan ook niet meer dan logisch dat de brouwerij zich verzekerd wil weten van een return op het door haar verleende voordeel. Uiteindelijk zou willekeur ipso facto stuiten op de commerciële haalbaarheid van de uitbater. De brouwerij/drankenhandelaar heeft er dus alle belang bij om de uitbater geen onhaalbare verplichtingen op te leggen in het bouwerijcontract zodat hij zijn handelszaak kan blijven uitbaten en de afzet gegarandeerd blijft.
Evenmin kan sprake zijn van een wanverhouding tussen de contractspartijen in de zin dat het geboden economisch voordeel weleens te gering zou zijn. Immers, de vrije markt speelt. Het aantal brouwerijen (100-tal) en drankenhandelaars (700-tal) garandeert voldoende mogelijkheid om de verschillende voordelen af te toetsen en marktspelers tegen elkaar uit te spelen. Brouwerijen zowel als drankenhandelaars willen de uitbater aan zich binden. Zo zal diegene die het meest interessante voordeel verschaft de uitbater kunnen verleiden tot exclusieve afname.
Matthias B.V. Moortgat
3. Brouwerijcontracten zijn noodzakelijk en evenwichtig. Het brouwerijcontract komt tegemoet aan de kapitaalnood van de horeca-uitbater en laat de brouwerij/drankenhandelaar toe om zich een afzet te garanderen. Het grote aantal brouwerijen en drankhandelaars biedt de horeca-uitbater voldoende mogelijkheid om de financiële en economische voordelen te vergelijken en de partijen tegen elkaar uit te spelen.

Bibliografie

zie bijlage

Universiteit of Hogeschool
Rechten
Publicatiejaar
2010
Share this on: