Sociale netwerken: een zaak van levens(be)lang

Eva Van de Pol
Sociale netwerken. Een zaak van levens(be)lang
 
Sociale netwerken. Niet alleen zijn ze belangrijk voor ieders leven en ondersteunen ze op vele vlakken de behoeften van een persoon. Ook gaan deze relaties het hele leven lang door en moeten ze onderhouden worden. Voor personen zonder een beperking of handicap is dit niet altijd vanzelfsprekend. Hoe is dit dan voor personen met een meervoudige beperking?
 
Een belangrijke leidraad in het ondersteunen van personen met beperkingen is Quality of life (Shalock, 2004, p.4) , de kwaliteit van iemand zijn leven.

Sociale netwerken: een zaak van levens(be)lang

Sociale netwerken. Een zaak van levens(be)lang

 

Sociale netwerken. Niet alleen zijn ze belangrijk voor ieders leven en ondersteunen ze op vele vlakken de behoeften van een persoon. Ook gaan deze relaties het hele leven lang door en moeten ze onderhouden worden. Voor personen zonder een beperking of handicap is dit niet altijd vanzelfsprekend. Hoe is dit dan voor personen met een meervoudige beperking?

 

Een belangrijke leidraad in het ondersteunen van personen met beperkingen is Quality of life (Shalock, 2004, p.4) , de kwaliteit van iemand zijn leven. We willen de ‘Kwaliteit van leven’ van de cliënt optimaliseren. De cliënt staat zelf in het middelpunt, neemt zelf de beslissingen of wordt hierin ondersteund en dit op maat van de cliënt. Ook voorzieningen die personen met een meervoudige beperking begeleiden, streven naar een hogere levenskwaliteit van hun cliënten.

Het is echter niet vanzelfsprekend om iemand op alle vlakken even intensief te kunnen ondersteunen. Voor sommige zaken, zoals de interpersoonlijke relaties, ontbreekt het de begeleiders aan tijd en middelen om hun cliënten volledig te ondersteunen.

Vanuit MPI Spermalie in Brugge, de voorziening waar ik stage liep, was er de vraag om het sociale netwerk van de bewoners, volwassenen met een meervoudige beperking; een verstandelijke en auditieve handicap, uit te breiden en te ondersteunen. Deze uitdaging heb ik met beide handen aangenomen en als afstudeerproject uitgewerkt.

In de literatuur kan men veel informatie vinden over het netwerk van volwassenen met een enkelvoudige beperking. De link tussen netwerken en personen met een meervoudige beperking is echter zelden te vinden. Vreemd, aangezien juist zij hier nog meer begeleiding bij nodig hebben.

 

De combinatie van beperkingen zorgt er voor dat zij op communicatief vlak heel weinig mogelijkheden hebben om met mensen contact te leggen. Wanneer er deelgenomen wordt aan vrijetijdsactiviteiten buiten de voorziening, kunnen ze vaak niet sociaal deelnemen omwille van de minimale communicatie. Wanneer de gesprekspartner wel kan communiceren met gebaren, zorgt de verstandelijke beperking soms voor een barrière of heeft de gesprekspartner geen (of onvoldoende) kennis van gebaren. Het ondersteunen van het netwerk van een persoon met een meervoudige beperking is dus geen eenvoudige opdracht. Mijn afstudeerproject heb ik uitgewerkt met één cliënt: K. Maar het kan ook als basis dienen voor andere cliënten en personen met een al dan niet meervoudige beperking.

 

Alvorens het netwerk te ondersteunen, wou ik eerst een betere kijk krijgen op het netwerk van K. Wil K. wel iets aan haar netwerk doen? Wat wil K. zelf veranderen? Is het nodig om iets te veranderen? Op welke manier kan ik hier met K. aan werken?

Het begeleiden van K. heb ik altijd gebaseerd op (voor K. en voor mij) twee belangrijke pijlers.

1.       De cliënt beslist zelf wat ze wil en is aanwezig in elke stap van het proces.

2.       Visualisatie, het zichtbaar voorstellen van de werkelijkheid, is de basis om K. volwaardig te laten deelnemen aan de ondersteuning en de veranderingen aan haar netwerk.

 

K. liet me weten dat ze graag haar netwerk wou uitbereiden. Ze zei dat ze zich in het weekend verveelde en graag iets wou doen met vrienden. Ze wist wel niet goed met wie ze iets wou doen, wat ze wou doen en op welke manier ze dit kon doen. Deze hulpvraag was voor mij een startsein om aan de slag te gaan.

Samen met K. heb ik een netwerkkaart (Bijlage 1) opgesteld van haar omgeving, vrienden en familie. De netwerkkaart is ingedeeld in niveaus en groepen. De niveaus geven weer hoe dicht een persoon in het netwerk bij de cliënt staat. De groepen op de kaart visualiseren de groepen in het leven van de cliënt, bv familie, vrienden op school, scouts, enz. Zo kreeg K. een duidelijk overzicht van wie in haar netwerk zit. De kaart is ook zo opgesteld dat hij flexibel en dynamisch is. Zo kan K. haar kaart aanpassen naarmate ze verder gaat in haar leven. Een sociaal netwerk ondergaat namelijk constant veranderingen. Deze netwerkkaart is gebaseerd op de netwerkkaart van Smit en Van Gennep (1999) en van HIntermair (2009). (Bijlage 2 en 3)

Door de meervoudige beperking van K. was de communicatie tussen haar en mij niet altijd even eenvoudig. Hierdoor heb ik gewerkt met foto’s van personen uit haar netwerk. Dit maakte het voor haar en mij eenvoudiger om duidelijk te maken over welke persoon het ging.

De netwerkkaart van K. is opgebouwd door gesprekken met K., gesprekken met haar familie, foto’s van haar netwerk en ervaringen van de andere opvoeders. Door K. zo veel mogelijk zelf te laten doen heb ik getracht de kaart zo volledig mogelijk te maken en helemaal op maat van K. De kaart was voor mij een basis om te kijken hoe haar netwerk er in de toekomst uit zou zien. Welke groepen vallen weg in de toekomst? Waar is ondersteuning nodig? Welke groepen zijn heel ondersteunend en kunnen we onderhouden? Deze zaken kon ik onderzoeken aan de hand van twee analyseschema’s die ik had opgesteld.(Bijlage 4 en 5)

Samen met de hulpvraag van K. en mijn bevindingen uit de analyseschema’s kon ik aan de slag gaan. Wat zijn de wensen en de interesses van K.? Zoals Smit en Van Gennep (1999, p.36) ook aangeven is het goed om de interesses van de cliënt als basis te nemen. Dit vergroot de kans op slagen bij het uitbreiden van het netwerk. Dus ging ik met K. op zoek naar activiteiten die ze graag doet en visualiseerde deze ook. Ze had ook nog een specifieke wens.. Door onze gesprekken en de netwerkkaart was er een meisje bovengekomen die ze al heel lang niet meer had gezien en waar ze graag iets mee wou doen. Samen zochten we naar enkele activiteiten die ze graag met dat meisje wou doen. Via een actieschema (Bijlage 6) stelden we enkele doelen op die ze ging proberen te bereiken. Zo konden we aan de eerste ondersteuning van het netwerk beginnen.

Bij K. was het vooral gericht op het ondersteunen van het bestaande netwerk. Maar soms moeten er middelen gezocht worden om het sociale netwerk ook uit te breiden. Enkele mogelijkheden zijn het aanwerven van vrijwilligers, deelnemen aan inclusieve activiteiten (activiteiten waarbij personen met een beperking kunnen deelnemen aan de samenleving), de omgeving van de cliënt activeren, enz.

 

Werken aan het netwerk neemt tijd in beslag en vraagt een positieve inzet, zowel van de begeleiders als van de cliënt. Het is een proces dat niet vanzelf gaat en veel tegenslagen kan bevatten, maar het is niet onmogelijk. Ook al is het maar één stap, één persoon of één activiteit in één maand die het leven van de cliënt verrijkt. Men ziet ook vaak dat naarmate de cliënt ouder wordt, het sociaal netwerk vermindert en minder ondersteunend is.

 

Door als begeleider aandacht te geven aan dit onderwerp en zo vroeg mogelijk aan de ondersteuning van het sociaal netwerk te beginnen, is de kans op slagen van een goed ondersteunend netwerk voor de cliënt het grootst. Dit is ontzettend belangrijk, het sociaal netwerk is immers een zaak van levens(be)lang.

 

 

 

 

 

Bibliografie

 

 

Boelens, K. (2003). Sociaal netwerken van en voor mensen met een verstandelijke handicap. Werkboek. Heeze: Kempenhaeghe.

Hendrix, H. (1997). Bouwen aan netwerken, Leer- en werkboek voor het bevorderen van sociale steun in de hulpverlening. Baarn: H. Nelissen B.V.

Hintermair, M. (2009). “The social network map as an instrument for identifying social relations

in deaf research and practice”. American Annals Of The Deaf, 154(2009) 3: 300 – 310.

Schalock, R. L. (2004). “The concept of quality of life: What we know and do not know”,

Journal of Intellectual Disability Research, 48 (2004) 3: 203 – 216.

Smit, B., Van Gennep, A. (1999). Netwerken van mensen met een verstandelijke handicap.

Werken aan sociale relaties: Praktijk en theorie. Utrecht: NIZW Uitgeverij.

Van Hove, G. (s.d.) Dialoog en samenwerking met ouders van kinderen met

speciale noden: Werktekst. [Online].Gent: Universiteit Gent. http://www.ortserve.ugent.be/img/doc/dialoog.pdf (geraadpleegd op 08/05/2010)

 

Universiteit of Hogeschool
Orthopedagogie
Publicatiejaar
2010
Kernwoorden
Share this on: