De theosofie als herinvoering van een spirituele dimensie in het eigentijdse materialistische wereldbeeld op het einde van de negentiende eeuw. Een godsdienstpsychologische benadering van H.P. Blavatsky aan de hand van het leven en oeuvre van Maurice Ma

de Smet Sofie
- U bedoelt misschien theologie?  - Nee hoor, the-o-so-fie.  Een godsdienstpsychologische wind doorheen het Maeterlinckjaar"Helena Petrovna Blavatsky en de theosofie". Zo luidde het onderwerp van mijn masterproef. U wou ook spontaan bovenstaande vraag stellen? Wees niet ongerust, het klonk velen onbekend in de oren. Wanneer ik startte met mijn opzoekingswerk en de eerste boeken in de bibliotheek wou ontlenen, werd ik tot mijn verbazing zelfs naar de afdeling “esoterie en occultisme” verwezen.

De theosofie als herinvoering van een spirituele dimensie in het eigentijdse materialistische wereldbeeld op het einde van de negentiende eeuw. Een godsdienstpsychologische benadering van H.P. Blavatsky aan de hand van het leven en oeuvre van Maurice Ma

- U bedoelt misschien theologie?  

- Nee hoor, the-o-so-fie. 

 Een godsdienstpsychologische wind doorheen het Maeterlinckjaar

"Helena Petrovna Blavatsky en de theosofie". Zo luidde het onderwerp van mijn masterproef. U wou ook spontaan bovenstaande vraag stellen? Wees niet ongerust, het klonk velen onbekend in de oren. Wanneer ik startte met mijn opzoekingswerk en de eerste boeken in de bibliotheek wou ontlenen, werd ik tot mijn verbazing zelfs naar de afdeling “esoterie en occultisme” verwezen. Een "goddelijke wijsheid" zou men toch een meer eerbiedwaardige plaats toekennen?

Bij velen heersen er vooroordelen omtrent esoterie en occultisme, en duiken meteen ideeën van Ufo’s en geest- en duivelsuitdrijvingen op. Mijn ervaring in de bibliotheek, maar ook een uitspraak van Adorno getuigen daarvan: “Okkultimus ist die Metaphysik der dummen Kerle”. Welke domoren Adorno aan deze lijst zou toevoegen, vermeldt hij niet.  Wanneer men op namen als Steiner, Newton en Yeats stuit als volgelingen van Blavatsky en algemener ook nog Goethe en Mozart bij esoterische beïnvloeding kan onderbrengen, vind ik het moeilijk de dwaasheid van deze heren te kaderen. In de geschiedenis van de westerse wereld, van de Griekse mysteries en filosofie tot de New age beweging worden kunstenaars, filosofen, wetenschappers en letterkundigen door de esoterische traditie geprikkeld en geïnspireerd. Ideeën en symboliek worden in hun eigen werken overgenomen. 

Wie was dan die vrouw die zelfs in een gemeentelijke bibliotheek de afdeling "esoterie" domineerde? Blavatsky was de grondlegster van de moderne theosofische beweging in de laatste decennia van de negentiende eeuw. Ze trachtte de kern van alle religies weer te geven en een universele broederschap op aarde te verwezenlijken. De leer werd internationaal met enthousiasme ontvangen. Na echter grondig en secuur onderzoek duikt ter verbazing in het lijstje van bewonderaars evenzeer een Belgische naam op: Nobelprijs literatuur winnaar Maurice Maeterlinck.

Het jaar 2011 staat in België in het teken van diezelfde Maeterlinck. Honderd jaar na zijn Nobelprijs wijden nu tentoonstellingsruimtes, operahuizen en vele andere zich aan hem. In het licht van mijn "esoterische" literatuurstudie slaat als het ware het lot toe: een Belg op de lijst van volgelingen wiens werk bovendien exact dit jaar gevierd wordt! Het loonde volgens mij in ieder geval de moeite in te gaan op die vertegenwoordiger van het Europese symbolisme. Is dit dé missing link in de nieuwste Maeterlinck tentoonstelling? Of bevestigt het misschien Maeterlincks plagiërende karakter dat Vlaams cultuurhistoricus Van Reybrouck onderzocht?

"Wat weet ik eigenlijk over Maeterlinck behalve dat van die Nobelprijs?” schrijft diezelfde Van Reybrouck wanneer hij start aan zijn onderzoek naar de plagiaatkwestie van Maeterlinck. Net als Blavatsky is Maeterlinck een wat vergeten figuur geworden. Dat is een jammerlijke zaak wanneer men de omvang en het toenmalige succes van hun beider oeuvre bekijkt. Alleen al The secret doctrine van Blavatsky telt 1477 pagina's. Waarom belandden beide historische figuren in de vergetelheid?

Een godsdienstpsychologisch perspectief werpt nu een nieuw licht op de beantwoording van die vraag. De theosofie fungeerde als nieuw zingevend systeem en oriënteringskader voor de negentiende-eeuwse mens in het algemeen en in het bijzonder voor Maeterlinck. Hij was zo'n negentiende-eeuwse mens en groeide op in een wereld die probeerde om te gaan met een aantal ernstige deuken in de geloofsovertuiging en wereldbeschouwing.  Een comparatieve studie naar de bewegingen die het psychologische veld van de religieuze context doorkruisten in relatie tot de theosofische thematiek in het oeuvre van Maeterlinck wordt zo uiterst boeiend.  Een religieuze houding is immers ambivalent en schommelt tussen toejuiching en boegeroep. Wie zulk een houding wil begrijpen vanuit godsdienstpsychologisch oogpunt, kan niet anders dan zich de vraag te stellen naar de psychologische motivaties die hierachter schuilden. Het is net dat wat we hier ambiëren. 

De godsdienstpsychologie bestudeert de psychische archeologie der receptie van het symbolisch systeem van de godsdienst. Wat is met andere woorden de relatie tussen de algemene psychische elementen op het einde van de negentiende eeuw en de theosofie als religieus systeem? De theosofie beantwoordde aan specifieke niet-religieuze interesses

en motivaties in tijden van religieuze crisis spiritualistische hoogtij. Zij gaf de mens een plaats in het universum zonder de nodige twijfel en incongruenties. Die behoeften concretiseren zich aan de hand van aanhangers van de theosofie. Menselijke ervaringen die tot theosofische gedragingen en geloof aanzetten, uitten zich in het werk van vele kunstenaars in het Westen. Hun werk kwam tegemoet aan de vraag naar spontane religieuze ervaringen. Een nieuwe rituele praktijk in het licht van het theosofische gedachtegoed was geboren. 

Maeterlinck bediende zich, psychologisch gemotiveerd, van de theosofische leer. Voor die invloed wordt bewijsmateriaal aangedragen: essentiële theosofische concepten en begrippen in de teksten van Maeterlinck. Sterker nog, Maeterlincks theaterteksten worden verduidelijkt doorheen een theosofische bril. Het is net die bewijsvoering die tevens de ambivalente religieuze houding aantoont en thematiseert.

Boegeroep, inconsistenties en afkeuring van de theosofie domineren zijn latere teksten. Waarom? De theosofie kan na jarenlang succes door interne ruzies en cultuurhistorische veranderingen in het algemeen niet meer als toevluchtsoord fungeren. Het bood geen ethisch ideaal meer én bovendien werd de overkoepelende doctrine theoretisch en intellectueel onderuit gehaald. De negentiende-eeuwse mens vond eerst antwoorden bij de theosofie, maar kreeg nu een koude douche, inclusief Maeterlinck. Niet enkel het succes van de theosofie vervaagt, ook dat van Maeterlinck. In zijn werk en denken wisselen psychisch gemotiveerd geloof en ongeloof elkaar af. 

Vandaag, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, worden Maeterlincks mystieke werk noch Blavatsky's authentieke geschriften frequent gelezen of aan een publiekvoorgesteld (of het moet het Maeterlinckjaar zijn!). Geef toe, hoort u in de stiltes van Maeterlincks werk het toeslaan van het noodlot? Het succes van de theosofie én dat van Maeterlinck vervagen. De oorzaak is niet louter het verschil in lezer tussen vroeger en nu. Na ons onderzoek moeten we die uitspraak nuanceren: kennelijk heerst er een verschil tussen de "gelovige" lezer van vroeger en nu. 

Het Maeterlinckarchief wordt met andere woorden plots meer dan een plaats voor Van Reybroucken, dramaturgen of literatuurwetenschappers. Een godsdienstpsychologische wind waait doorheen het Maeterlinckjaar.

 

Bibliografie
  • niet-gedrukte bronnen 

  •  Gent Stadsarchief, De Zwarte Doos  B.LXXXVI.3  brief van Maurice Maeterlinck aan N. n., 2 met paarse inkt beschreven bladen, r° en v°, 11,5 x  17,5, over reïncarnatie, Parijs, 28 oktober, 1898.  
  • gedrukte bronnen 

  • Allport, G. W. (1950). The individual and his religion: a psychological interpretation. New York: Macmillan. 
  • Allport, G. W., & Ross, J. M. (1967). Personal religious orientation  and prejudice. Journal of Personality and Social Psychology, 5, 432-443.  
  • Artaud, A. (1964). Le théâtre et son double. Parijs: Gallimard.  
  • Balakian, A. (1982). The symbolist movement in the literature of european languages.
  • Budapest: Akadémiai Kiadó.  
  • Batson, C. D., & Ventis, W. L. (1982). The religious experience: a social-psychological perspective. New York: Oxford University Press.  
  • Bel, J. (1989a). Maeterlinck, Tolstoi en Ibsen: drie “mystici” in Noord-Nederlands. Spiegel der Letteren, 31 (4), 279-299.  
  • Bel, J. (1989b). Middeleeuwen en mystiek in het fin-de-sciècle. Literatuur, 31 (4), 276-284.  
  • Berger, P., & Luckmann, T. (1966). The social construction of reality. New York: Doubleday.  
  • Bevir, M. (1994). The west turns eastward. Madame Blavatsky and the tranformation of the occult tradition. Journal of the American Academy of Religion, 62 (3), 747-767. 
  • Binet, A. (1897). Réflexions sur le paradoxe de Diderot. L’Année Psychologique, 3, 279-295.  
  • Blanchot, M. (1969). L’entretien infini. Parijs: Gallimard.  
  • Blavatsky, H. P. (1972). Isis unveiled : a master-key to the mysteries of ancient and modern science and theology (Vols 1-2). Pasedana: Theosophical University Press. (org. 877). 
  • Blavatsky, H. P. (1977). The secret doctrine: The synthesis of science, religion, and philosophy (Vols 1-2). Pasedana: Theosophical University Press. (org. 1888).  
  • Blavatsky, H. P. (1985). De sleutel tot de theosofie: een heldere uiteenzetting in de vorm van vragen en antwoorden van de ethiek, wetenschap en filosofie. Den Haag: Theosophical University Press. (org. 1889).   
  • Blavatsky, H. P. (1988). De geheime leer: De synthese van wetenschap, religie en Filosofie  (Vols. 1-2). Den Haag: Theosophical University Press. (org. 1888).   
  • Blavatsky, H. P. (1989). Een introductie tot de geheime leer. Den Haag: Theosophical University Press Agency. (org. 1988).  
  • Boyer, P. (2002). Godsdienst verklaard: de oorsprong van ons godsdienstig denken. Amsterdam: De Bezige Bij.  
  • Brown, C. M. (2007). The western roots of avataric evolutionism in colonial India.  Zygon: Journal of Religion and Science, 42 (2), 423-447.  
  • Campbell, B. F. (1980). Ancient wisdom revived: A history of the theosophical movement. Berkeley: University of California Press.  
  • Capiteyn, A. (2008). Maeterlinck: Een Nobelprijs voor Gent. Gent: Uitgeverij Snoeck. 
  • Carlson, M. (1993). “No religion higher than truth”: A history of the theosophical movement in Russia, 1875 – 1922. Princeton: Princeton University Press. 
  • Clark, B. H. (1929). European theories of the drama. London: Appleton and Company.  
  • Cranston, S. (2008). Het bijzondere leven en de invloed van Helena Blavatsky stichtster van de moderne theosofische beweging (2de ed.). Den Haag: Theosophical University Press. (org. 1993).  
  • De Purucker, G. (1990). Bron van het occultisme: een moderne presentatie van de oude,  universele wijsheid gebaseerd op De Geheime Leer van H.P. Blavatsky. Den Haag: Theosophical University Press. (org. 1974).  
  • De Purucker, G. (1998). Beginselen van de esoterische filosofie. Den Haag: Theosophical University Press. (org. 1932).  
  • De Schloezer, B. (1987). Scriabin: artist and mystic. Los Angeles: University of California Press.  
  • Dubois, H. (1985). De reïncarnatieleer volgens de theosofie: een beschrijvende analyse met een kritische evaluatie vanuit christelijk standpunt. Dissertatie Licentiaat Godsdienstwetenschappen, Faculteit Godgeleerdheid, Katholieke Universiteit Leuven, Leuven.  
  • Ellwood, R. (1994). Wat is Theosofie? Wegen naar innerlijke wijsheid. Utrecht: Kosmos – Z&K Uitgevers. (org. 1986).  
  • Erenstein, R. L. (1996). Een theatergeschiedenis der Nederlanden. Amsterdam: Amsterdam University Press.  
  • Falby, A. (2004). Cultural exchange and religious change: Buddhism, Vendanta and immortality in late nineteenth- and early twentieth-century britain. Canadian Journal   of History, 39 (2), 271-295. 
  • Farner, K. (1970). Der Aufstand der Abstrakt-Konkreten. Berlijn: Luchterhand. 
  • Feifel, H. (Ed.). (1965). The meaning of death. New York: Mac Graw-Hill.  
  • Festinger, L., Riecken, H., & Schachter, S. (1956). When prophecy fails. Minneapolis: University of Minnesota Press.  
  • Flemming, B. (1993). Das theosophische Weltbild (Vols 1-2) (3de ed.). München: F. Hirthammer Verlag. 
  • Fromm, E. (1950). Psychoanalysis and religion. New Haven: Yale University Press.  
  • Fussell, J. H. (1915). Incidents in the history of the theosophical movement. Point Loma: The Aryan Theosophical Press.  
  • Garafola, L. (1991). The enigma of Nicholas Roerich. Dance Chronicle, 13 (3), 401-412.  
  • Geertz, C. (1973). The interpretation of cultures. New York: Basic Books. 
  • Gerould, D. (2009). The symbolist legacy. A Journal of Performance and Art, 31 (1), 80-90.  
  • Gibbs, J. C. (2003). Moral development and reality: Beyond the theories of Kohlberg and Hoffman. Thousand Oaks: Sage.  
  • Godderis, J. (2004). En mijn verrukking neemt geen end: Cultuurhistorische reflecties over drugs, roes, verbeelding en creativiteit. Antwerpen: Garant. 
  • Gross, S. (Ed.). (1985). Maeterlinck: Introduction à une psychologie des songes et autres ecrits (1886-1896). Brussel: Labor.  
  • Halls, W. D. (1960). Maurice Maeterlinck: a study of his life and thought. Londen: Oxford University Press.        
  • Hunsberger, B., & Brown, L. B. (1984). Religious Socialization, Apostasy, and the Impact of Family Background. Journal for the Scientific Study of Religion, 23 (3), 239-251.  
  • Hoskins, I. (1992). Grondslagen van esoterische filosofie: uit de geschriften van H.P. Blavatsky. Amsterdam: Uitgeverij der Theosofische Vereniging in Nederland. (org. 1990). 
  • Ingelbien, R. (2005). Symbolism at the periphery: Yeats, Maeterlinck, and cultural nationalism. Comparative Literature Studies, 42 (3), 183-204.  
  • James, W. (2010). Vormen van religieuze ervaring : een onderzoek naar de menselijke aard (6de ed.) (Vertaald door: D. Mok & J. Van tricht). Amsterdam: Abraxas. (org. 1902).  
  • Judge, W. Q. (1996). De oceaan van theosofie. Den Haag: Theosophical University Press. (org. 1893). 
  • Jung, C. G. (1940). Psychologie und Religion. Zürich: Rascher.  
  • Kandinsky, W. (1952). Über das Geistige in der Kunst (10de ed.). Bern: Benteli Verlag. (org. 1912). 
  • Koenig, H. G., McGullough, M.E., & Larson, D.B. (2001). Handbook of Religion and Health. New York: Oxford University Press. 
  • Kohlberg, L. (1969). Stage and sequence: The cognitive-developmental approach to socialization. In D.A. Goslin (Ed.), Handbook of socialization theory and research (pp. 347-480). Chigago: Rand McNally.  
  • Laffut, V. (1993). Maurice Maeterlinck en de Belgische kritiek: Een systematisch onderzoek naar de receptie van Maeterlinck in Belgische tijdschriften tussen 1889 en 1902.  Dissertatie licentiaat Germaanse Filologie, Faculteit letteren en wijsbegeerte, Katholieke Universiteit Leuven, Leuven.  
  • Lecat, M. (1937). Le Maeterlinckianisme. Brussel: Libraire Castaigne. 
  • Liander, G. H. (1900). The mission of theosophy. The Theosophical Review, 27 (157), 19-22.  
  • Loquer, W. (1996). Fin-de-siècle: once more with feeling. Journal of Contemporary History,  31 (5), 5-49.  
  • Maenner, P. J. (1965). Maurice Maeterlinck: Theatralische Repräsentation einer Philosophie 
  •  im Zusammenhang der modernen Dramaturgie. Dissertatie doctoraat filosofie, Philosophischen Fakultät, Freie Universität Berlin, München.  
  • Maeterlinck, M (s.d.). Het toneel: heiligdom van de droom (Vertaald door: Y. de Man). Mechelen: Het poppenspel. (org. s.d.). 
  • Maeterlinck, M. (1897). De schat des harten (Vertaald door: G.M.v.d. Wissel-Herderschee).  Amsterdam: S.L. Van Looy. (org. 1896).  
  • Maeterlinck, M (1902). Le Temple enseveli. Parijs: Fasquelle.  
  • Maeterlinck, M. (1907). Over de onsterfelijkheid. Amsterdam: Allert de Lange. (org. s.d.).   
  • Maeterlinck, M. (1910). Wisdom and destiny (Vertaald door: A. Sutro). Londen: George Allen & Sons. (org. 1898).  
  • Maeterlinck, M. (1913). La Mort. Parijs: Fasquelle  
  • Maeterlinck, M. (1929). Théâtre (Vols 1-2). Paris: Fasquelle.  
  • Maeterlinck, M. (s.d.). Het groote geheim (Vertaald door: G. De Ridder). Zutphen: W.J. Thieme & Cie. (org. 1921).  
  • Maeterlinck, M. (1935). Before the great silence (Vertaald door: B. Miall). Londen: George Allen & Unwin Ltd. (org. 1934).  
  • Maeterlinck, M. (1937). Devant Dieu. Parijs: Fasquelle éditeurs.  
  • Maeterlinck, M. (1948). Bulles bleues. Souvenirs heureux. Monaco: Editions du Rocher. 
  • Maeterlinck, M. (1962). Gedichten / toneel en proza. Hasselt: Uitgeverij Heideland.   
  • Mauclair, C. (1892). Notes sur un essai de dramaturgie symbolique. La Revue indépendante, 22 (65) , 305-317.  
  • McCannon, J. (2004). Passageways to wisdom: Nicholas Roerich, the dramas of Maurice Maeterlinck, and symbols of spiritual enlightenment. The Russian Review, 63 (3), 449-478.  
  • McGuinness, P. (2002). Maurice Maeterlinck and the making of modern theatre (herdruk).  Oxford: Oxford University Press. (org. 2000).  
  • Morrisson, M. S. (2008). The periodical culture of the occult revival: esoteric wisdom, modernity and counter-public spheres. Journal of Modern Literature, 31 (2), 1-20. 
  • Nauta R. (1995). Ik geloof het wel: godsdienstpsychologische studies over mens en religie. Assen: Van Gorcum. 
  • Overbeeke, E. (2001). De milde dood. Mens en Melodie, 56 (1), 12-16.  
  • Owen, A. (2004). The place of enchantment: British occultims and the culture of modern.  Chicago: University of Chicago Press.  
  • Priebe, E. (1986). Angst und Abstraktion. Die Funktion der Kunst in der Kunsttheorie  Kandinskys. Frankfurt: Peter Lang. 
  • Pyszczynski, T., Greenberg, J. & Solomon, S. (1999). A dual process model of defense  against conscious and unconscious death-related thoughts: An extension of terror management theory. Psychological Review, 106, 835-845. 
  • Quispel, G. (2005). Gnosis. De derde component van de Europese cultuurtraditie. Haarlem: Rozekruis Pers.  
  • Ringbom, S. (1966). Art in ‘the epoch of the great spiritual’: Occult elements in the early theory of abstract painting. Journal of the Warburg and Courtauld Institutes, 29, 386-418.  
  • Ritschl, A. (1870). Die christliche Lehre von der Rechtfertigung und Versöhnung. Bonn: Aldoph Marcus.  
  • Robichez, J. (1957). Le Symbolisme au théätre: Lugné-Poë et les débuts de l’oeuvre. Paris: L’Arche.  
  • Rutten, M. (1962). Maurice Maeterlinck. In M. Maeterlinck, Gedichten / toneel en proza (pp.7-77). Hasselt: Uitgeverij Heideland.  
  • Ryan, C. J. (1984). H.P. Blavatsky en de theosofische beweging: een kort historisch overzicht. Den Haag: Theosophical University Press. (org. 1937).   
  • Sheppard, R. W. (1975). Kandinsky's abstract drama "Der gelbe Klang": an interpretation. Forum for Modern Language Studies, 11 (2), 165-176.  
  • Schuré, E. (1904). Précurseurs et révoltés. Parijs: Perrin.  
  • Scott, J. B. (2009). Miracle publics: theosophy, Christianity and the Coulomb affair. History  of Religions, 49 (2), 172-196. 
  • Sinnett, A. P. (1906). Esoterisch buddhisme (Vertaald door: C.M. Perk-Joosten). Amsterdam: Theosofische Uitgevermaatschappij. (org. 1883). 
  • Sinnett, A. P. (1906). Trillingen (Vertaald door: C. Streubel). Amsterdam: Theosofische uitgeversmaatschappij. (org. 1906). 
  • Steiner, R. (1983). Theosofie. Inleiding tot de bovenzintuiglijke kennis van de wereld en van  de bestemming van de mens (Vertaald door: H.G.J. de Leeuw ) Zeist: Vrij Geestesleven. (org. 1904).  
  • Sutro, A. (1910). Introduction. In M. Maeterlinck, Wisdom and destiny (Vertaald door: A.  Sutro) (pp. ix-xxiii), Londen: George Allen & Sons. (org. 1898).  
  • Symons, A. (1919). The symbolist movement in literature. New York: E. P. Dutton & Company. 
  • Taylor, U. (1914). Maurice Maeterlinck: a critical study by Una Taylor. Londen: Martin Secker. 
  • Thürlemann, F. (1986). Kandinsky über Kandinsky: Der Künstler als Interpret eigener Werke. Bern: Benteli Verlag. 
  • Todorov, T. (1978). Symbolisme et interprétation. Parijs: Seuil.  
  • Van Campen, C. (2005). Tussen zinnen: Synesthesie of hoe de zintuigen samenwerken. Utrecht: Uitgeverij Zien.  
  • Vandermeersch, P. & Westerink, H. (2007). Godsdienstpsychologie in cultuurhistorisch perspectief. Amsterdam: Uitgeverij Boom.  
  • van Pelt, G. W. (1984). Karma: De wet van oorzaak en gevolg (2de ed.). Den Haag: Theosophical University Press.  
  • Van Reybrouck, D. (2010). De plaag. Het stille knagen van schrijvers, termieten en Zuid-Afrika. Amsterdam: De bezige bij.  
  • Vercruysse, G. (1972). The meaning of God: a factorananalytic study. Social Compass, 19, 347-364.  
  • Vergeer, K. (1996). Symbolistisch theater: over het toneelwerk van Maurice Maeterlinck. Bzzlletin, 25 (236), 31-37.  
  • Vergrote, A. (1967). Godsdienspsychologie. Tielt: Lannoo. 
  • Vergrote, A. (1987). Religie, geloof en ongeloof: psychologische studie (2de ed.). Kapellen: Uitgeverij De Nederlandse Boekhandel.  
  • Vonnegut, K. (1970). The mysterious Madame Blavatsky. McGall’s, 97 (6), 66-67, 142-144.  
  • Wallis, R. (1985). Science and pseudo-science. Social Science Information, 24 (3), 585-601.  
  • Wells, A. A. (1901). What a theosophist believes. The Theosophical Review, 28 (163), 52-61.  
  • Wichmann, J. (1990). Die Renaissance der Esoterik. Eine kritische Orientierung. Stuttgart: Kreuz Verlag.  
  • Zimmermann R. (2002). Die Kunsttheorie von Wassily Kandinsky (Vols. 1-2). Berlin: Gebr. Mann Verlag.  
  • Zola, E. (1881). Le naturalisme au théâtre. Parijs: Fasquelle. 
Universiteit of Hogeschool
Psychologie
Publicatiejaar
2011
Share this on: