Investeren in opvoeding voor een betere samenleving, de effectiviteit van interventies in de vroege kindertijd

Karen De Meyst
Investeren in de vroege kindertijd rendeert meer dan investeren in de financiële markten  In mijn scriptie heb ik een stand van zaken gegeven van het onderzoek naar de effectiviteit van Early Childhood Intervention, het interveniëren in de opvoeding van voornamelijk achtergestelde kinderen onder de leeftijd van zes jaar. Aanvankelijk was dit een louter humanitair onderzoeksgebied. Het laatste decennium werd dit echter ook voor veel economen een interessegebied.

Investeren in opvoeding voor een betere samenleving, de effectiviteit van interventies in de vroege kindertijd

Investeren in de vroege kindertijd rendeert meer dan investeren in de financiële markten  

In mijn scriptie heb ik een stand van zaken gegeven van het onderzoek naar de effectiviteit van Early Childhood Intervention, het interveniëren in de opvoeding van voornamelijk achtergestelde kinderen onder de leeftijd van zes jaar. Aanvankelijk was dit een louter humanitair onderzoeksgebied. Het laatste decennium werd dit echter ook voor veel economen een interessegebied. Zij zagen in dergelijke programma’s namelijk een lucratieve investering voor de staat en een efficiënt instrument in de strijd om de kloof tussen arm en rijk te dichten.  

Eén van die economen is James  Heckman. Hij bekritiseert dat het beleid om de kloof tussen arm en rijk te dichten, in plaats van het probleem bij de kern aan te pakken, nog te vaak de verkeerde middelen inzet. De kern, dat zijn volgens Heckman in de eerste plaats de cognitieve en niet-cognitieve vaardigheden van een persoon. Het zijn deze die zijn socio-economische status op volwassen leeftijd bepalen en die ook cruciale factoren als afstuderen, al dan niet naar de universiteit gaan, tewerkstelling, loon, risico op tienerzwangerschappen, participatie in risicovolle activiteiten, gezondheid en crimineel gedrag gaan beïnvloeden.

Deze beide soorten vaardigheden worden al op erg vroege leeftijd bepaald en er is eveneens reeds op jonge leeftijd een kloof te zien tussen de vaardigheden van kinderen uit welgestelde en kinderen uit achtergestelde gezinnen. De omgeving waarin een kind opgroeit, heeft namelijk naast de genetische aanleg van het kind een zeer grote impact op de ontwikkeling van zijn cognitieve en non-cognitieve vaardigheden. Early Childhood Intervention (ECI) programma’s, die de ontwikkeling van beide soorten vaardigheden stimuleren, wil het probleem dan ook bij de wortels aanpakken, op het moment waarop de basis gelegd wordt voor het volwassen leven.

ECI is een vorm van begeleiding van kinderen die de schoolrijpe leeftijd nog niet bereikt hebben en meestal ook van hun ouders. Deze begeleiding gebeurt door middel van een combinatie van componenten zoals onderricht en opvoeding, huisbezoeken door begeleiders, onderricht van de ouders, voeding, gezondheidszorg en ondersteuning van de ouders door andere ouders met gelijkaardige ervaringen. Het eigenlijke doel van ECI programma’s is daarbij te compenseren voor de verschillende risicofactoren die beslag leggen op de toekomst van het kind zoals een gebrek aan medische zorg, een tekort aan stimulatie van de cognitieve en persoonlijke ontwikkeling, mishandeling en verwaarlozing, financiële problemen van de ouders, opgroeien in sloppenwijken en buurten met een nefaste invloed op de gezondheid, ongeletterdheid bij zowel kinderen als ouders en andere.

Compensatie van deze factoren tracht men te realiseren door binnen de verschillende componenten van het programma de sociale, emotionele en cognitieve ontwikkeling van kinderen te stimuleren, door het kind een betere opvoeding te bieden en door ook de ouders te ondersteunen bij de opvoeding en bij het nastreven van hun persoonlijke ontwikkeling. Er is veel discussie over de optimale leeftijd voor het bijwonen van interventieprogramma’s. De meeste succesvolle ECI programma’s starten echter voor de leeftijd van drie jaar. Deze leeftijd kan verklaard worden vanuit verschillende bevindingen van de neurowetenschappen. Kleine kinderen zijn dus nog veel receptiever voor zowel positieve als negatieve invloeden op hun ontwikkeling. Wanneer interventies om een achterstand in vaardigheden te remediëren daarentegen op latere leeftijd komen, kan men niet meer dezelfde resultaten behalen, in ieder geval niet met gelijke middelen.

In de Verenigde Staten is reeds enkele decennia geleden gestart met het implementeren van ECI programma’s. Aanvankelijk richtte men ze op uit louter humanitaire en sociale overwegingen. De laatste vijftien jaar is men ook het grote economische nut ervan gaan inzien. Zo ging men beseffen dat ECI niet als een kost moest gezien worden maar veeleer als een investering in de toekomst. Reeds van bij de oprichting van dergelijke programma’s, ging dit gepaard met een constante evaluatie en analyse ervan. De meest bekende ECI programma’s in de Verenigde Staten waarvan ook de effectiviteit in de wetenschappelijke literatuur is aangetoond, zijn het Abecedarian Early Childhood Intervention programma, de Chicago Child-Parent Centers, het High/Scope Perry Preschool Project en het Head Start Program.  

Uit de analyse en vergelijking van de resultaten van deze ECI programma’s in mijn scriptie bleek dat dergelijke programma’s inderdaad effectief zijn. Positieve effecten werden waargenomen zowel voor het kind zelf, voor zijn nabije omgeving waaronder ouders en toekomstige nakomelingen en voor de maatschappij in haar geheel. Voor het kind zelf werd over het algemeen op korte termijn een positieve invloed geconstateerd op de cognitieve en emotionele ontwikkeling en op de gezondheid, een daling op vlak van gedragsproblemen en van problemen tijdens de schoolloopbaan, een reductie in verwaarlozing en in de kans om in de criminaliteit verzeild te raken. Op lange termijn werden een stijging van de kans op het behalen van een diploma, op het bekomen van een betere job met een hoger loon en een daling van crimineel gedrag vastgesteld.

Wat betreft de invloed van de programma’s op de ouders, was er sprake van een betere ontwikkeling van de didactische vaardigheden, het vaker behalen van een diploma en tewerkstelling, een daling in gebruik van maatschappelijke bijstand, een gezondere levensstijl en minder criminele activiteiten. Ook voor de eventuele kinderen van participanten en daarop volgende generaties bleken ECI programma’s een positieve return te genereren. Deze return bestaat uit onder andere meer succes op school en op academisch niveau, gunstige effecten op het loon, op criminaliteitscijfers, op het ontvangen van uitkeringen, op job tevredenheid, op hun socio-economische status, op hun zelfbeeld en sociaal vlak.

De voornaamste voordelen ten slotte voor de rest van de maatschappij, met name de overheid en alle andere privépersonen en instanties die niet rechtstreeks bij de ECI programma’s betrokken waren, bestonden voornamelijk in een daling van de te betalen belastinggelden en een daling van de criminaliteit. Bij een verdiscontering van deze effecten evenals van de kosten die aan de implementatie van dergelijke programma’s verbonden is, met andere woorden bij de doorvoering van kosten-batenanalyses, bleek dat de return van de geanalyseerde programma’s tot $16 per geïnvesteerde Dollar bedraagt. De algemene these van de meeste economen is dan ook dat ECI een positieve return oplevert die de kosten van de staat om dergelijke programma's te implementeren, ruim zou overstijgen, een these die ik door een analyse van de effectiviteit van dergelijke programma’s in mijn paper heb inzichtelijk gemaakt. 

Bibliografie

 Boeken

Geraadpleegde tijdschriften

Working papers

  • Danziger, S., & Waldfogel, J. (2000). Investing in Children: What Do We Know? What Should We Do? Working paper, Londen School of Economics. Online available on: http://eprints.lse.ac.uk/6473/1/Investing_in_Children_What_do_we_know_W…
  • Doyle, O., Harmon, C.P., Heckman, J.J., & Tremblay, R.E. (2007). Early Childhood Intervention: Rationale, Timing and Efficacy. Working paper, UCD Geary Institute Dublin. Online available on: http://www.ucd.ie/geary/static/publications/workingpapers/GearyWp200705…
  • Goos, M., Van Damme, J., Onghena, P., Petry, K. (2011). Zittenblijven in het eerste leerjaar: zinvol of niet? Van basisschool tot arbeidsmarkt: de overheid coacht mee. Conferentie van het Steunpunt Studie- en Schoolloopbanen, Leuven.
  • Hazarika, G., & Viren, V. (2010). The Effect of Early Childhood Developmental Program Attendance on Future School Enrollment and Grade Progression in Rural North India. Working paper, Institute for the Study of Labor Bonn. Online available on: http://ftp.iza.org/dp5209.pdf
  • Heckman, J.J., & Masterov, D.V. (2004). The Productivity Argument for Investing in Young Children. Working paper, Committee for Economic Development Chicago. Online available on: http://jenni.uchicago.edu/human-inequality/papers/Heckman_final_all_wp_…
  • Heckman, J.J. (2008). School, skills and synapses. Working paper, Institute for the Study of Labor Bonn. Online available on: http://ftp.iza.org/dp3515.pdf
  • Heckman, J.J., Moon, S.H., Pinto, R., Savelyev, P., & Yavitz, A. (2010). A New Cost-Benefit and Rate of Return Analysis for the Perry Preschool Program: A Summary. Working Paper, National Bureau of Economic Research Cambridge. Online available on: http://ftp.iza.org/pp17.pdf
  • Kaytaz, M. (2004). A Cost Benefit Analysis of Preschool Education in Turkey. Working paper, Bogazici University. Available on: http://siteresources.worldbank.org/INTTURKEY/Resources/361616-114241500…
  • Masse, L.M., & Barnett, S. (2002). A Benefit Cost Analysis of the Abecedarian Early Childhood Intervention. Working paper, National Institute for Early Education Research New Brunswick. Online available on: http://nieer.org/resources/research/AbecedarianStudy.pdf
  • Reynolds, A.J., Temple, J.A., Robertson, D.L., & Mann, E.A. (2002). Age 21 Cost-Benefit Analysis of the Title I Chicago Child-Parent Centers. Working paper, Institute for Research on Poverty Wisconsin-Madison. Online available on: http://www.waisman.wisc.edu/cls/cbaexecsum4.html
  • Schweinhart, L.J., Montie, J., Xiang, Z., Barnett, W.S., Belfield, C.R., & Nores, M. (2005). The High/Scope Perry Preschool Study Through Age 40, Summary, Conclusions and Frequently Asked Questions. High/Scope Educational Research Foundation Ypsilanti. Online available on: http://www.highscope.org/file/Research/PerryProject/specialsummaryrev20…

 

Websites

Interne nota’s

 

Universiteit of Hogeschool
Master in het Management
Publicatiejaar
2011
Kernwoorden
Share this on: