Van toiletmadam naar sanitair manager: een inhoudsanalyse van jobtitels over tijd

Lies Durnez Nele Rubrecht
 Van toiletmadam tot sanitair manager: een inhoudsanalyse van jobtitels over tijdBinnenkort mogen wij, Nele Rubrecht & Lies Durnez, ons gaan aanbieden op de arbeidsmarkt. Een nieuwe fase begint en als we de eerste vacatures mogen geloven dan ziet het er veelbelovend uit.

Van toiletmadam naar sanitair manager: een inhoudsanalyse van jobtitels over tijd

 Van toiletmadam tot sanitair manager: een inhoudsanalyse van jobtitels over tijd

Binnenkort mogen wij, Nele Rubrecht & Lies Durnez, ons gaan aanbieden op de arbeidsmarkt. Een nieuwe fase begint en als we de eerste vacatures mogen geloven dan ziet het er veelbelovend uit. Vacaturewebsites worden overspoeld met de vraag naar een veelvoud aan soorten managers, executives, engineers, allerhande assistants en specialists… Allerlei imposante titels die heel wat beloftes in zich houden en die doen dromen van een mooie toekomst op de werkvloer.

Maar wat betekenen deze prestigieuze titels voor de carrièreplanner? Zijn bedrijven deze jobtitels gaan ‘upgraden’ om zichzelf een mooie façade in vacatures te geven? Het is wellicht niet zo onschuldig. Uit vroeger onderzoek bleek dat functietitels een belangrijke rol spelen voor het imago van het bedrijf, ze informeren over de functie en hebben op die manier ook invloed op de identiteit van de titeldrager. We achten dit onderzoek belangrijk voor werkgevers, die er baat bij hebben te weten wat de effecten zijn van deze prestigieuze jobtitels. Ook voor alle werkzoekenden is het van groot belang zich zo goed mogelijk te informeren over de aangeboden jobtitels en de achterliggende motieven.

Om de evolutie van de jobtitels na te gaan, werden gedurende de periode van 1970 tot 2010 jaarlijks 15 vacatures verzameld. Deze 615 vacatures waren steeds afkomstig uit de editie van de tweede zaterdag van maart uit ‘Het Laatste Nieuws’. Van de vacatures werd een database bijgehouden die verschillende variabelen omvat: jobtitel, datum, gewenste diploma, vereiste talenkennis, gewenst geslacht, gevraagde leeftijd, en taal waarin de jobtitel geschreven is. Als mogelijke verklaring voor deze evolutie werd een conjunctuuranalyse uitgevoerd die deze 41 jaar opdeelde in hoog- en laagconjunctuur.

Tenslotte werd het prestige van deze jobtitels gemeten door een online lijst jobtitels voor te leggen aan een aantal mensen die deze jobtitels een score gaven op het uitgestraalde prestige (een score van één tot vijf). De minimumscore van 1.5 werd gegeven voor de titels ‘telefonist’ en ‘serveerster’ en een de maximale score van 4.75 bleek voorbehouden aan de titel ‘burgerlijk ingenieur’.

De resultaten

Conjunctuur

Allereerst werd nagegaan of er enig verschil is in de gemiddelde prestigescores voor hoog- vs. laagconjunctuur. Hieruit bleek dat in tijden van hoogconjunctuur er meer prestigieuze jobtitels uitgedeeld worden dan in tijden van laagconjunctuur. Een verklaring hiervoor kan gevonden worden in de werking van de arbeidsmarkt. Concreet treedt er tijdens een laagconjunctuur een vernauwing van de arbeidsmarkt op, waarbij de mogelijkheden om aan een job te raken sterk beperkt worden, terwijl er meer kandidaten zijn. In dergelijke periodes is werk zoeken eerder een ‘survival of the fittest’ en hoeven bedrijven zelf niet teveel moeite te doen om voldoende kandidaten te vinden voor een bepaalde job. Is er echter sprake van een hoogconjunctuur, dan moeten de bedrijven wel inspanningen leveren. Er zijn heel wat meer open vacatures, terwijl er minder kandidaten zijn. In dit klimaat willen bedrijven toch de meest geschikte kandidaat aanwerven, daar een juiste persoon kan bijdragen tot meer economische groei en bijgevolg meer winst. Individuele vacatures moeten dus opvallen want concurrenten kunnen op de volgende pagina om dezelfde kandidaten strijden. Vacatures moeten er niet alleen goed uitzien, maar ook goed klinken, om die gewenste pool van kandidaten aan te trekken. Het uitdelen van prestigieuze titels kan hierbij een belangrijke rol spelen. Eens men werkt kan een imposante titel blijvend van belang zijn.

Evolutie doorheen de tijd

Een algemeen stijgende trend kan worden opgemerkt wanneer het verloop van de prestigewaarden over de jaren heen geanalyseerd wordt. Daarbij is een progressieve stijging vanaf het nieuwe millennium zichtbaar. Deze wordt gekenmerkt door de sterke opkomst van de digitalisering. Dat het prestige van de titels vooral tijdens het laatste decennium omhoog is gegaan, hoeft niet te verbazen. Dit hangt samen met wat reeds gezegd werd over het effect hiervan op het aantrekken van de juiste werkkrachten, plus het gegeven dat dit het laatste decennium heel wat intenser geworden is. De maatschappij maakte namelijk een evolutie door, waarbij kennis een hoofdrol is gaan spelen. Het proces van internationalisering en de stijgende liberalisering legt bovendien een grotere druk op bedrijven om goede resultaten te halen, daar concurrentie nu op een veel grotere schaal speelt. Door het samenspel van deze elementen veranderen de vereisten op de werkvloer en is er een ‘war for talent’ ontstaan. Bedrijven krijgen het steeds moeilijker om geschikt personeel te vinden dat over de nodige competenties beschikt om in een dergelijke veranderlijke en competitieve omgeving te blijven presteren. Tegelijk komt het besef dat organisaties die er wel in slagen om de juiste krachten aan te trekken en te behouden, andere organisaties overtreffen.

Variabelen uit de vacatures

Ook uit de verschillende kenmerken afkomstig uit de vacatures, bleken een aantal opmerkelijke resultaten. Jobtitels van vacatures die expliciet mensen jonger dan of gelijk aan 25 jaar vragen zijn minder prestigieus dan de vacatures die een oudere leeftijdsgroep aanspreken. Hoewel leeftijd door de huidige wetgeving niet meer vermeld mag worden in de vacature, kan dit vaak toch omzeild worden door in de functietitel woorden als ‘senior’, ‘junior’, ‘ervaren’ toe te voegen… Uit de analyse van de vacatures bleek eveneens dat de prestige die aan jobs voor vrouwen gegeven wordt, significant lager is dan voor mannelijke functietitels. Zo bedraagt de prestigescore voor een directiesecretaresse 2.6, terwijl een directiesecretaris een prestigescore van 3 toegeschreven krijgt. Geslacht mag echter door de wetgeving eveneens niet meer vermeld worden in vacatures. Verder blijkt dat hogere opleidingen zorgen voor jobs die als meer prestigieus worden ingeschat, deze prestigieuze titels zouden een erkenning kunnen zijn voor het langdurig studeren. Opvallend is hier ook de sterke toename in de vraag naar diploma’s: waar in de jaren ’70 nog 42 % van de vacatures geen diploma vereisten, zijn dit er in het laatste decennium slechts 14 % meer. Dezelfde trend merken we op bij lager of hoger middelbaar onderwijs. Het omgekeerde effect zien we dan weer voor hogeschool korte en lange type en universiteit. Zo werd in de jaren ’70 slechts in 4 % vacatures gevraagd naar iemand met een universitair diploma, terwijl er dat in 2000 reeds 30.7 % zijn. We zien dat dit vooral een sprong maakt in het laatste decennium. Ook hier weer kunnen we verwijzen naar de vorige verklaringen omtrent de kennismaatschappij, wat al vlug de link legt naar het onderwijsniveau van de werknemers. Wat betreft talenkennis worden jobs waarvoor het kennen van een buitenlandse taal vereist is, meer prestigieus ingeschat, dan jobs waarvoor enkel de landstalen vereist zijn. Over de jaren heen zien we ook een graduele afbouw van de vraag naar sollicitanten die enkel de landstalen (Nederlands en Frans) kennen (van 58.7 % naar 31.5%) en een toegenomen vraag naar wie ook buitenlandse talen beheerst (van 41.3 % naar 68.5%). Deze buitenlandse talen omvatten voornamelijk Engels. De verklaring loopt gelijk als deze naar de vraag voor diploma: het is een talent dat men aanbiedt en waarvoor men een hogere compensatie verwacht, vb. onder de vorm van een prestigieuze jobtitel. De vraag naar talenkennis valt ook te verklaren door de internationalisering en de digitale revolutie. Tenslotte ligt de prestige van de Engelstalige jobtitels significant hoger dan die van de Nederlandse of de Franse (tussen deze laatste twee is er geen verschil). Het aantal Nederlandstalige jobtitels neemt over de decennia af ten voordele van de Engelstalige, respectievelijk een daling van 79.3 % naar 50.7 % en een toename van 18.7 % naar 49.3 %. Ook hier weer is de grootste verandering te merken gedurende het laatste decennium. Uit de analyse blijkt dat een werkgever het best kan kiezen voor een Engelstalige titel als hij de beschikbare jobs aantrekkelijker wil laten klinken, ze worden namelijk geassocieerd met prestige, een aantrekkelijke job, een hoger salaris en meer internationale contacten. De verklaring van de sterke opkomst van de Engelstalige titels in het laatste decennium, vinden we terug in de economie, waarbij grote internationale structuren bestaan die hun buitenlandse contacten onderhouden in het Engels. Tenslotte is Engels ook steeds meer aanwezig in de maatschappij, hieraan liggen een reeks sociale en culturele fenomenen ten grondslag.

 Besluit

Van alle onderzochte variabelen die een invloed kunnen hebben op de prestige blijken uiteindelijk vooral diploma, geslacht, taal van de titel en leeftijd van belang. Deze kunnen bijgevolg een verklaring vormen voor de opvallende stijging gedurende het laatste decennium. Gezien de rol van de wetgeving moeten we kritisch zijn in het interpreteren van het effect van geslacht en leeftijd. De stijging van de prestige in het laatste decennium, die samenhangt met de toegenomen vraag naar hogere diploma’s en meer Engelstalige jobtitels, kan te wijten zijn aan de opkomst van de kennismaatschappij, de digitalisering en de internationalisering.

Werkgevers staan dus best stil bij de te geven jobtitel. Zo toont het onderzoek aan dat Engelstalige jobtitels hoger scoren op prestige. Meer subtiele cues die af te leiden zijn uit de jobtitel zoals geslacht en leeftijd hebben eveneens een effect. Werkgevers kunnen de jobtitel gebruiken om de gewenste werknemers aan te trekken, maar ook om bij te dragen tot de status van de werknemer, wat op zijn beurt leidt naar een hogere motivatie, meer jobtevredenheid en een positieve output. De inspanningen in het kiezen van een geschikte jobtitel worden dus beloond.

Ook werknemers informeren zich best goed over de jobinhoud die onder de functietitel valt. Gezien ondernemingen inderdaad vaak Engelstalige jobtitels gebruiken om de attractiviteit te verhogen, schuilt het gevaar erin dat de veelbelovende titels, een weinig boeiende functie omvatten. Dit hoeft echter niet per se het geval te zijn en wie net wel een prestigieuze jobtitel ambieert, kan best zijn talenkennis in de verf zetten en/of over een hoog diploma beschikken. Het onderzoek wees namelijk uit dat deze kenmerken geassocieerd zijn met meer prestigieuze jobtitels.

Bibliografie

 

  • Adler, N., Boyce, T., Chesney, M., Cohen, S., Folkman, S., Kahn, R., Syme S. (1994). Socioeconomic status and health: the status of the gradient. American Psychologist , 49 (1), 15-24.
  • Anderson, C., John, O., Keltner, D., & Kring, A. (2001). Who attains social status? Effects of personality and physical attractiveness in social groups. Journal of personality and social psychology , 81 (1), 116-132.
  • Andolfatto, D. (1996). Business cycles and labour market search. The American Economic Review , 86 (1), 112-132.
  • Annicchiarico, B., Corrado, L., & Pelloni, A. (2011). Long term growth and short term volatility. The labour market nexus. The Manchester school , 79, 646-672.
  • Arpaia, A., & Pichelmann, K. (2007). Nominal and real wage flexibility in EMU. IEEP , 4, 299-328.
  • Asteriou, D., & Agiomirgianakis, G. (2001). Human capital and economic growth. Time series evidence for Greece. Journal of policy modeling , 23, 481-489.
  • Barber, A., & Roehling, M. (1993). Job posting and the decision to interview: a verbal protocol analysis. Journal of applied psychology , 78 (5), 845-865.
  • Batagan, L. (2007). Indicators for the knowledge economy. Revista informatica economica , XI (4 (44)), 60-64.
  • Baxter, M., & King, R. (1999). Measuring business cycles: approximate band-pass filters for economic time series. The review of economics and statistics , 81 (4), 575-593.
  • Berend, I. (2002). Economic fluctuation revisited. European Review , 10 (3), 305-316.
  • Brayfield, A., & Crockett, W. (1955). Employee attitudes and employee performance. Psychological Bulletin , 52, 396-424.
  • Centraal Bureau voor de Statistiek. (2011)., Begrippenlijst, URL: <http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/methoden/begrippen/default.htm?conceptid=5…;. (11/04/2011).
  • Creminger, K. (2008). Belastingen en werkgelegenheid in België onder paars (1999-2007).
  • Cropanzano, R., & Mitchell, M. (2005). Social exchange theory: an interdisciplinary review. Journal of Management , 31 (6), 874-900.
  • Cropanzano, R., Byrne, Z., Bobocel, D., & Rupp, D. (2001). Moral virtues, fairness heuristics, social entities and other denizens of organizational justice. Journal of vocational behavior , 58, 164-209.
  • De Clercq, M. (2006). Economie toegelicht. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.
  • Elchardus, M., & Pelleriaux, K. (2003). Culturele en politieke gevolgen van de nieuwe sociale kwesties. In B. Cantillon, De nieuwe sociale kwestie (pp. 63-92). Antwerpen: Garant.
  • Evans, I. (1980). Aspects of the steel crisis in Europe, with particular reference to Belgium and Luxembourg. The geographical journal , 146 (3), 396-407.
  • Faragher, E., Cass, M., & Cooper, C. (2005). The relationship between job satisfaction and health: a meta-analysis. Occupational and Environmental Medicine , 62 (2), 105-112.
  • Faunce, W. (1989). Occupational status-assignment systems: the effect of status on self-esteem. The American Journal of Sociology , 95 (2), 378-400.
  • Frank, R. (1985). Choosing the right pond: human behavior and the quest for status. New York: Oxford University Press.
  • Fujishiro, K., Xu, J., & Gong, F. (2010). What does 'occupation' represent as an indicator of socioeconomic status?: exploring occupational prestige and health. Social Science & Medicine , 71, 2100 -2107.
  • Ganzeboom, H., & Treiman, D. (1996). Internationally comparable measures of occupational status for the 1988 international standard classification of occupations. Social Science Research , 25, 201-239.
  • Goyder, J. (2005). The dynamics of occupational prestige: 1975 - 2000. Canadian Review of Sociology , 42 (1), 1-23.
  • Greenberg, J., & Ornstein, S. (1983). High status job title as compensation for underpayment: a test of equity theory. Journal of applied psychology , 68 (2), 285-297.
  • Guthrie, J., Flood, P., Liu, W., & MacCurtain, S. (2009). High performance work systems in Ireland: human resource and organizational outcomes. The International Joural of Human Resource Management , 20 (1), 112-125.
  • Hall, R. (2005). Employment fluctuations with equilibrium wage stickiness. The American Economic Review , 95 (1), 50-65.
  • Heylen, F. (2004). Macro-economie. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.
  • Hoorelbeke, D. (2011). Hadden conjuncturele schommelingen een permanent effect op de Vlaamse Werkloosheid in het verleden? URL: <http://www4.vlaanderen.be/dar/svr/Pages/2011-02-07-webartikel2011-3-hys…;. (29/04/2011).
  • Hope, K. (1982). A liberal theory of prestige. The American Journal of Sociology , 87 (5), 1011-1031.
  • Hsu, G., Lin, Y., & Wei, Z. (2008). competition policy for technological innovation in an era of knowledge-based economy. Knowlegde based systems , 21, 826-836.
  • IMF. (2007). The changing dynamics of the global business cycle. In IMF, World Economic Outlook (pp. 171-189). Washington D.C.: International Monetary Fund Publication Services.
  • Judge, T., Thoresen, C., Bono, J., & Patton, G. (2001). The job satisfaction - job performance relationship: a qualitative and quantitative review. Psychological Bulletin , 127 (3), 376-407.
  • Kennedy, B., Kawachi, I., Glass, R., & Prothrow-Stith, D. (1998). Income distribution, socio-economic status, and self rated health in the united states: a multilevel analysis. British Medical Journal , 317 (7163), 917-921.
  • Kinicki, A., McKee-Ryan, F., Schriesheim, C., & Carson, K. (2002). Assessing the construct validity of job discriptive index: a review and meta-analysis. Journal of applied psychology , 87 (1), 14-32.
  • Kraus, M., & Keltner, D. (2009). Signs of socioeconomic status: a thin-slicing approach. Psychological science , 20 (1), 99-106.
  • Labaton, S. (1999, maart 14). The nation; please hold for the deputy deputy. The New York Times .
  • Lucas, J. R. (1975). An equilibrium of the business cycle. Journal of Political Economy , 83 (6), 1113-1144.
  • Martinez, A., Laird, M., Martin, J., & Ferris, G. (2008). Job title inflation. Human Resource Management Review (18), 19-27.
  • Matsusaka, J., & Sbordone, A. (1995). Consumer confidence and economic fluctuations. Economic Inquiry , 33, 296-318.
  • Mazzi, G. L., & Savio, G. (2007). Growth and cycle in the eurozone. Hampshire - New York: Palgrave Macmillan.
  • Merz, M. (1995). Search in the labour market and the real business cycle. Journal of Monetary Economics , 26, 269-300.
  • Mommen, A. (1994). The Belgian economy in the twentieth century. London: Routledge.
  • Mueller, C., & Wynn, T. (2000). The degree to which justice is valued in the workplace. Social justice research , 13 (1), 1-25.
  • NBB. (2009). De nieuwe conjunctuurbarometer van de NBB. Economisch Tijdschrift , 31-52.
  • NBB. (2011). Economische indicatoren voor België. Brussel: NBB.
  • NBB. (1970-2010). Jaarverslag. Brussel: Nationale bank van België.
  • NBB, De Greef, I., & Van Nieuwenhuyze, C. (2009). De nieuwe conjunctuurbarometer van de NBB. (NBB, Red.) Economisch Tijdschrift , 31-52.
  • Oakes, J., & Rossi, P. (2003). The measurement of SES in health research: current practice and steps towards a new approach. Social science & medicine , 56, 769-784.
  • OECD. (1970-2010). Economic outlook. Paris: OECD.
  • OECD. (1987). Economic outlook. Paris: OECD.
  • Ollivier, M. (2000). Too much money off other people's backs: status in late modern societies. The Canadian Journal of Sociology , 25 (4), 441-470.
  • Palmer, R., Colton, J., & Kramer, L. (2002). A history of the modern world. Boston: McGraw-Hill.
  • Pinto, E. (2011). Firm's relative sensitivity to aggregate shocks and the dynamics of gross job flows. Labour Economics (18), 111-119.
  • Ployhart, R. (2006). Staffing in the 21st century. New challenges and strategic opportunities. Journal of Management , 32 (6), 868-893.
  • Robbins, S., & Judge, T. (2007). Organizational behavior. New Jersey: Pearson Education.
  • Rostow, W. (1978). The world economy: history and prospect. London: MacMillan.
  • Schultz, D., & Schultz, S. (2006). Psychology & work today. New Jersey: Pearson Education.
  • Shaw, E. (1947). Burns and Mitchell on business cycles. The Journal of Political Economy. , 55 (4), pp. 281-298.
  • St. George, E. (2006). Posititioning higher education for the knowlegde based economy. Higher Education , 52, 589-610.
  • Swiercz, P., & Smith, P. (1991). Job title and perceptions of equity. Applied HRM Research , 2 (2), 111-127.
  • Tang, J. (2007). Gross job flows and technology shocks in non-durable and durable good sectors. Journal of macro-economics , 29, 326-354.
  • Treiman, D. (1977). Occupational prestige in comparative perspective. New York: Academia Press.
  • Twenge, J., & Campbell, W. (2002). Self-esteem and socioeconomic status: a meta-analytic review. Personalitiy and social psychology review , 6 (1), 59-71.
  • Van Der Gaag, M., & Snijders, M. (2005). The resource generator: social capital quantification with concrete items. Social Networks , 27, 1-29.
  • van Meurs, F. (2010). English in job advertisements in the Netherlands. Reasons, use and effects. Utrecht: LOT.
  • Van Poeck, A., & De Borger, B. (2004). Algemene Economie. Antwerpen: Uitgeverij De Boeck.
  • Warwick, P. (1992). Economic trends and government survival in West European parliamentary democracies. The American political science review , 86 (4), 875-887.
  • Winkleby, M., Jatulis, D., Frank, E., & Fortmann, S. (1992). Socioeconomic status and health: how education, income and occupation contribute to risk factors for cardiovascular disease. American Journal of Public Health , 82 (6), 816-820.
Universiteit of Hogeschool
Master in de bedrijfseconomie - afstudeerrichting: management van overheidsorganisaties
Publicatiejaar
2011
Kernwoorden
Share this on: