Classical motives in 20th-century war poetry

Frances Van de Vel
Klassieke motieven in 20e-eeuwse oorlogspoëzie: het falen van literaire traditie in oorlogstijdEen literair motief wordt klassiek genoemd als schrijvers het gebruiken door de eeuwen heen. Bekende voorbeelden zijn de mythe (thema) en het sonnet (vorm). Beiden bestaan reeds vele honderden jaren in de Europese culturele traditie en hebben inspirerend gewerkt voor diverse auteurs doorheen verschillende tijdvakken van de literatuur. Maar blijven deze literaire vaste waarden ook overeind in oorlogstijd?

Classical motives in 20th-century war poetry

Klassieke motieven in 20e-eeuwse oorlogspoëzie: het falen van literaire traditie in oorlogstijd

Een literair motief wordt klassiek genoemd als schrijvers het gebruiken door de eeuwen heen. Bekende voorbeelden zijn de mythe (thema) en het sonnet (vorm). Beiden bestaan reeds vele honderden jaren in de Europese culturele traditie en hebben inspirerend gewerkt voor diverse auteurs doorheen verschillende tijdvakken van de literatuur. Maar blijven deze literaire vaste waarden ook overeind in oorlogstijd? Hoe gebruiken met name dichters deze klassieke motieven om hun (al dan niet directe) oorlogservaringen te verwoorden? Na een formele en inhoudelijke studie van drie Engelstalige gedichten valt al snel op dat de dichter als oorlogsverslaggever de behoefte voelt om zijn gebruikte klassieke motief of motieven te vervormen: de werkelijkheid blijkt te gruwelijk voor woorden.

De geselecteerde gedichten zijn “Dulce et Decorum Est” (1917) van Wilfred Owen, “Leda and the Swan” (1923) van William Butler Yeats en “The Shield of Achilles” (1952) van Wystan Hugh Auden. De eerste twee poëten baseerden zich op de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) voor hun gedicht, de laatste werd geïnspireerd door de Tweede Wereldoorlog (1939-1945).

In het eerste gedicht, het dubbele sonnet “Dulce et Decorum Est”, blijkt dat Owens traumatische ervaringen in de loopgraven niet te vatten zijn in de formele en thematische striktheid van het sonnet. Daarom breekt hij de gangbare conventies door onverwachte thematische wendingen en een onregelmatig metrum. Ook negeert hij het rijmschema een enkele keer. Daarnaast verbreekt hij de interne gedichtstructuur door halverwege een schijnbaar onafhankelijk couplet te schrijven, dat op die manier het tweede sonnet onvolledig maakt. De dichter die zo graag de spreekbuis wilde zijn van alle soldaten in de Eerste Wereldoorlog verliest op het einde bijna letterlijk zijn woorden door steeds korter wordende verzen. Hierdoor lijkt het alsof de sonnetvorm tekortschiet als woordvoerder van de oorlogsgruwel.

Ook Yeats ondervindt in “Leda and the Swan” dat de sonnetvorm en de mythe van Leda en Zeus op zich niet voldoende zijn om de horror van de Eerste Wereldoorlog een plaats te geven. Daarom voegt hij aan de mythe een existentiële vraag toe. Deze komt op bij het bestuderen van de identiteit van de verkrachter in het gedicht. Een studie van Barnwell (1977) duidt vier mogelijke verkrachters aan: Zeus, Leda, de Geschiedenis, of de lezer zelf. Naargelang de lezing verandert ook het antwoord op de existentiële vraag: heeft de Mens (gesymboliseerd door de sterveling Leda) iets geleerd uit het brutale geweld van de Eerste Wereldoorlog (gesymboliseerd door de verkrachting in het gedicht)? Elke interpretatie heeft bovendien ook een andere weerslag op de vermeende verantwoordelijkheid van de Mens in het oorlogsgebeuren.

De meest courante lezing stelt Zeus voorop als de verkrachter en Leda (de Mens) als slachtoffer. Vanuit dit perspectief heeft de Mens niets geleerd uit de oorlog en is hij, als speelbal van de goden, niet verantwoordelijk voor wat er gebeurd is. Conflicten zijn het gevolg van plannen die door de goden gesmeed worden en die niet door de Mens vermeden kunnen worden.

Een tweede lezing ziet Leda als verkrachter van Zeus. Hier wordt de Mens een hongerig wezen dat bovennatuurlijke kennis hoopt te vergaren door zijn contact met het goddelijke. De Mens creëert dus geweld (de verkrachting in het gedicht, oorlog in ruimere zin) om tot hogere intelligentie te komen. Maar de wereld is in chaos na afloop van de Eerste Wereldoorlog: de Mens is verantwoordelijk en heeft daarenboven niets bijgeleerd.

In de derde lezing is de Geschiedenis de verkrachter. Volgens Yeats verloopt geschiedenis in cycli van 2000 jaar en vereist het begin van elke nieuwe cyclus een gewelddadig contact tussen het menselijke en het goddelijke. Mens en god worden dus gedwongen tot geweld. Hierbij is de Mens even hulpeloos als de goden: geen van beiden is verantwoordelijk voor het geweld, geen van beiden heeft eruit geleerd.

In de laatste, meest abstracte lezing is de lezer zelf de verkrachter, die leest en herleest om kennis te verwerven. Het herlezen van het gedicht houdt in dat de gewelddadige inhoud keer op keer herbeleefd wordt, met als bedoeling om hieruit te leren. In een breder kader moet men oorlog dus interpreteren als een “noodzakelijk kwaad”: het moet gebeuren, zodat de Mens er lessen uit kan trekken en op die manier intelligenter kan worden.

Deze veelheid aan verklaringen illustreert hoe moeilijk het is om de oorlog te verwerken. Daarnaast wordt het duidelijk dat ook bij Yeats de regels van het sonnet te verstikkend zijn: er is sprake van een thematisch haasje-over en een ongebruikelijke pauze in het laatste deel. Ook het metrum kan soms op verschillende manieren ingevuld worden, telkens met een andere betekenis tot gevolg.

Bij Auden is het niet anders in “The Shield of Achilles”: hij inspireert zich op een mythische scène tussen de god Hephaestos en Achilles’ moeder Thetis uit Boek XVIII van Homerus’ Ilias. Deze passage vervormt hij door de beeltenis van Achilles’ schild, gesmeed door Hephaestos, te vervangen door taferelen uit de maatschappij zoals die er uitziet na de Tweede Wereldoorlog. Terwijl Thetis beelden verwacht van het idyllische oude Griekenland, krijgt ze de harde realiteit te zien, waar oorlogsheroïek onmogelijk is geworden door de invoering van nucleaire wapens en concentratiekampen. De strijd wordt niet meer man tegen man beslecht op het slagveld. In de plaats daarvan wordt de oorlog gevoerd door enkele machtige figuren, die vanuit hun veilige kabinetten tactieken plannen en ze laten uitvoeren door hun marionetten in de bommenwerpers of de gaskamers.

De drie dichters geven dus bewust een draai aan de klassieke motieven die ze gebruiken omdat de literaire traditie tekort komt in het weergeven van een horrorrealiteit. De regels van het sonnet worden verwrongen (Owen, Yeats), terwijl de mythe een existentieel laagje krijgt (Yeats) of geprojecteerd wordt op de barre naoorlogse werkelijkheid (Auden). In oorlogstijd komen talrijke vaste waarden op losse schroeven te staan (religie, democratie,…) en ook de literatuur ontsnapt niet: de realiteit van het oorlogsgebeuren is zo gruwelijk dat ze niet gevat kan worden met behulp van de traditionele thematische en formele hulpmiddelen. De literaire traditie heeft gefaald.

Bibliografie

BIBLIOGRAFIE

1. Algemeen

Greenblatt, Stephen et al. The Norton Anthology of English Literature. 8th ed. Vol. 2. New York: Norton, 2006.

 

2. Wilfred Owen

Johnston, John H. English poetry of the First World War: a study in the evolution of lyric and narrative form. Princeton: Princeton University Press, 1964.

McIlroy, James F. Wilfred Owen’s poetry: a study guide. London: Heinemann, 1974.

Owen, Wilfred. The collected poems of Wilfred Owen. Ed. C. Day Lewis. London: Chatto and Windus, 1964.

Purkis, John. A preface to Wilfred Owen. London: Longman, 1999.

Roberts, David (ed.). Minds at war: the poetry and experience of the First World War. London: Saxon, 2007.

Stallworthy, Jon. Wilfred Owen. London: Oxford University Press, 1974.

 

3. William Butler Yeats

Barnwell, W.C. ‘The Rapist in “Leda and the Swan”’. South Atlantic Bulletin 42.1 (1977): 62-68.

Holdeman, David, and Levitas, Ben (eds.). W.B. Yeats in context. Cambridge: Cambridge University Press, 2010.

Jeffares, A. Norman. A new  commentary on the collected poems of W.B. Yeats. London: Macmillan, 1984.

Larrissy, Edward (ed.). Irish Writers in their Time. W.B. Yeats. Dublin: Irish Academic Press, 2010.

Malins, Edward, and Purkis, John. A Preface to Yeats. 2nd ed. London: Longman, 1994.

McKenna, Bernard. ‘Violence, Transcendence, and Resistance in the Manuscripts of Yeats’s “Leda and the Swan”’. Philological Quarterly 90.4 (2011): 425-444.

Mills Harper, George, and Hood, Walter Kelly (eds.). A critical edition of Yeats’s A vision (1925). London: Macmillan, 1978.

Scott, Clive. ‘A Theme and a Form: Leda and the Swan and the Sonnet’. Modern Language Review 74.1 (1979): 1-11.

Whitaker, Thomas R. Swan and Shadow. Yeats’s dialogue with history. Chapel Hill: University of North Carolina Press, 1964.

 

4. Wystan Hugh Auden

Bahlke, George W. The Later Auden. From “New Year Letter” to About the house. New Jersey: Rutgers University Press. 1970.

Callan, Edward. Auden: A Carnival of Intellect. Oxford & New York: Oxford University Press, 1983.

Carpenter, Humphrey. W.H. Auden. A biography. Oxford: Oxford University Press, 1992.

Fuller, John. A Reader’s Guide to W.H. Auden. London: Thames & Hudson. 1970.

Johnson, Richard. Man’s Place. An Essay on Auden. Ithaca & London: Cornell University Press. 1973.

Poets.org. “The Iliad, Book XVIII, [The Shield of Achilles].” The Academy of American Poets. The Academy of American Poets, 1997-2013. Web. 20 May 2013. <http://www.poets.org/viewmedia.php/prmMID/19926&gt;.

Rodway, Allan. A Preface to Auden. London & New York: Longman, 1984.

Smith, Stan. Rereading Literature. W.H. Auden. Oxford & New York: Blackwell, 1985.

Smith, Stan (ed.). The Cambridge Companion to W.H. Auden. Cambridge: Cambridge University Press, 2004.

Universiteit of Hogeschool
Master of Arts in de taal- en letterkunde
Publicatiejaar
2013
Kernwoorden
Share this on: