Een kind met kleurzinstoornis? Wat nu?!

Lisa van Schaik
Persbericht

Een kind met kleurzinstoornis? Wat nu?!

Een kind met kleurzinstoornis?

Wat nu?!

5-8% van de jongens heeft een vorm van kleurzinstoornis of volledige kleurenblindheid. Toch is hierover weinig bekend bij de leerkrachten, opvoeders en zelfs bij ouders. Zij worden hier soms mee geconfronteerd en weten niet goed hoe er mee om te gaan. Het doel van deze bachelorproef is dan ook om deze stoornis onder de aandacht te brengen en leerkrachten, opvoeders, … bij te staan wanneer deze beperking bij een kind in hun klas wordt vastgesteld. Deze bachelorproef wil daarnaast ook openstaan voor ouders en andere geïnteresseerden.

Tijdens mijn onderzoek heb ik heel wat bronnen onder de loep genomen. In veel gevallen bevatte dit moeilijke termen, … . Voor mensen die niet thuis zijn in de medische wereld klonk dit heel ingewikkeld. Met deze bachelorproef wil ik op een verstaanbare manier en met klare taal uitleggen wat het is, welke vormen bestaan er allemaal, hoe ernstig is het, hoe gaan we daarmee om, wat voor problemen levert dit op voor het kind zelf, hoe kunnen we aan de noden van deze kinderen tegemoet komen, … . Een brok aan informatie die klaarstaat voor wie het nodig heeft of voor wie er interesse in toont.

Kleurzinstoornis is bij de meeste mensen bekend onder de naam “kleurenblindheid”. Toch wordt deze term eigenlijk foutief gebruikt. De meeste mensen met “kleurenblindheid” hebben eigenlijk een kleurzinstoornis. Het is zo dat er in ons oog (meerbepaald in het netvlies) kegeltjes en staafjes zitten. De kegeltjes zorgen voor het zien van kleuren, terwijl de staafjes zorgen voor het zien van zwart, wit en grijstinten. De staafjes zorgen er eveneens ook voor dat we in het schemerdonker toch kunnen zien.

Bij een persoon met kleurzinstoornis bevindt de stoornis zich in de kegeltjes. We hebben drie soorten kegeltjes: rood, groen en blauw. Door een combinatie van deze kegeltjes kunnen we ook andere kleuren zien. Hieronder staan de verschillende vormen opgesomd van meest voorkomend naar minst voorkomend.

Wanneer één van deze kegeltjes minder goed werkt, dan heb je een kleurzinverzwakking. Dat kan roodzwakte zijn, groenzwakte of blauwzwakte. Dat is afhankelijk van het kleur kegeltjes dat minder goed werkt. Wanneer je bijvoorbeeld roodzwakte hebt, zal de rode kleur verminderd zichtbaar zijn.

Een volgende mogelijkheid is blindheid voor één grondkleur. Ook hier draait het weer om dezelfde drie soorten kegeltjes. Roodblindheid, groenblindheid of blauwblindheid. Wanneer je bijvoorbeeld groenblindheid hebt, zal je GEEN groen kunnen zien.

Tenslotte heb je ook twee verregaandere vormen. De eerste vorm heet monochromasie. Een moeilijke term voor het zien van één kleur (mono = één, chroma = kleur). Wanneer je maar één kleur kan zien, betekent dit ook dat je blind bent voor de twee andere kleuren. Er ontbreken bij die persoon dan twee van de drie kegelmechanismen. De laatste vorm heet volledige kleurenblindheid. Die persoon zal geen enkele kleur zien, maar zal wel zwart, wit en grijstinten zien. Dat komt omdat de staafjes het bij die persoon van de kegeltjes zullen overnemen.

Volledige kleurenblindheid is dus een vorm van kleurzinstoornis. De kans dat je volledig kleurenblind bent, is uiterst klein. Meestal heb je één van de andere vormen. Het is ook zo dat er vaak twee kleuren samen gaan. Denk maar aan de rood-groen-stoornis en de blauw-geel-stoornis.

Kleurzinstoornis is een aangeboren afwijking. Het is erfelijk en geslachtsgebonden. De rood-groenstoornis (meest voorkomend) is recessief op het chromosoom X. Dat is ook de reden waarom jongens er vaker last van hebben dan meisjes. Bij meisjes is er nog een tweede X-chromosoom (dat in de meeste gevallen gezond is). Het gezonde chromosoom is dominant, waardoor het meisje alleen maar draagster is. Wanneer zij twee “besmette” chromosomen door zou krijgen, zal de stoornis ook daadwerkelijk tot uiting komen.

Bij de blauw-geelstoornis (minder voorkomend) ligt het een beetje anders. Daar is het niet het X-chromosoom waar alles om draait, maar wel het chromosoom 7.

Ondanks het feit dat het een aangeboren afwijking is, wordt de stoornis pas vastgesteld in de lagere school. Bij de kleuters doet men dit meestal nog niet, omdat zij te klein zijn. De testen vragen vrij veel concentratie, de uitleg is soms nog wat ingewikkeld, … . De test kan wel gedaan worden, wanneer er een sterk vermoeden is.

Wanneer wordt er dan wel getest? Het is zo dat er systematisch getest wordt op kleurzinstoornis in het eerste leerjaar. Alleen wanneer het kind positief test, wordt de test in het vijfde leerjaar opnieuw gedaan. De test wordt afgenomen door het CLB. Er zijn verschillende soorten testen. De bekendste test is de Ishiharatest. Hierbij wordt aan de testpersoon een boek voorgelegd met hierin een aantal platen. Op de platen staan allemaal gekleurde bollen met daarin een cijfer, getal, figuur, slang, … verwerkt. Door het benoemen van de cijfers, getallen, figuren, … of door er met een penseel of vinger over te gaan, kan de arts of verpleegkundige uitmaken wat het kind ziet. Afhankelijk van wat het kind ziet, niet ziet of anders ziet, kan men de stoornis vaststellen.

Een andere test is de Farnsworth Panel D15 (op internettesten soms de Pollaktest genoemd). Hierbij moet de testpersoon gekleurde doppen schakeren volgens de juiste tint. Wanneer je de doos waarin je de dopjes legt omdraait, verschijnen er cijfertjes. Wanneer deze in de juiste volgorde liggen, heeft de persoon geen kleurzinstoornis. Wanneer de getalrij niet klopt, duidt de arts of verpleegkundige dit aan op een speciaal blad. Afhankelijk van de volgorde van de getallen verschijnt er een ander patroon. Aan de hand van dat patroon kan men uitmaken welke vorm van kleurzinstoornis de testpersoon heeft.

Bij deze bachelorproef hoort ook een brochure. In deze brochure worden er aan leerkrachten tips gegeven over hoe men met deze stoornis kan omgaan. Ook voor ouders van één of meerdere kinderen met kleurzinstoornis kan dit interessant zijn. U kunt de brochure verkrijgen via de Pedagogische Begeleidingsdienst Gent, het CLB en Vlaamse Wetenschappelijke Vereniging voor Jeugdgezondheidszorg vzw.

Bibliografie

Bergsma, A. (1994). Het geval van de kleurenblinde schilder. Psychologie, 13(9), 28-30.

Centrum voor jeugd en gezin Hardenberg. (s.d.). Kleurenblind. Geraadpleegd op 11 maart 2013 via http://www.cjghardenberg.nl/puber/groei-en-ontwikkeling/zintuigen/kleurenblind

Daan. (persoon met kleurenblindheid). (2013). Schriftelijke Mededeling. Via interview.

d-g, A. (2009). Alles over kleurenblindheid. Geraadpleegd op 8 maart 2013 via http://mens-en-gezondheid.infonu.nl/ziekten/8493-alles-over-kleurenblindheid.html

Farnsworth Panel D-15 test.

Ferenc, S. (2012). Kleurenblindheid. Geraadpleegd op 12 maart 2013 via http://kleurenblindheid.com/kleurenblindheid_daltonisme.htm

Gezondheid NV (s.d.). Kleurenblindheid of gestoord kleurenzicht. Geraadpleegd op 8 maart 2013 via http://www.gezondheid.be/index.cfm?fuseaction=art&art_id=3174

Hardy, L.H.; Rand, M.D.G. & Rittler, PH.D.M.C. (1957). Pseudoisochromatic plates for detecting, classifying, and estimating the degree of defective color vision. Verenigde Staten: American Optical-Instrument Division.

Ishihara, S. (1992). Ishihara’s Tests for Colour Blindness. Tokyo: Kanehara & Co., LTD.

Jacobs, S. (oogarts). (2013). Schriftelijke Mededeling. Via e-mail.

Klaver, I. (januari 2007). Kleurenblindheid in het onderwijs: problemen en oplossingen. Geraadpleegd op 12 maart 2013 via http://www.kleurenblindheid.nl/handleidingen/kleurblindheidinhetonderwi…

Ouwerkerk, R. (2012). Kleur waarnemen. Geraadpleegd op 29 juni 2013 via http://www.natuurkunde.nl/artikelen/view.do?supportId=782358

Pieter. (persoon met kleurenblindheid). (2013). Schriftelijke Mededeling. Via interview.

Nieuwe Adviescentrum voor School en Ouders ~ “De Lantaarn” (s.d.) Informatie voor leerkrachten i.v.m. leerlingen met een kleurzinstoornis. Vlaamse Wetenschappelijke Vereniging voor jeugdgezondheidszorg vzw. Geraadpleegd op 13 december 2012 via http://www.vwvj.be

Oogcentrum E. Van Caelenberghe. (medewerker). (2012). Mondelinge Mededeling. Via informeel gesprek.

Sagasser, J. (1989). Mam, welke kleur is dit? Ouders van nu, 20(6), 62-63.

Spileers, W. (1994). Met een afwijkend kleurenzicht valt goed te leven. UZGezondheidsbrief, 4(40), 1-2.

Timmer, M. (2006). Kleurenblindheid bij kleuters. Praxisbulletin, 23(9), 3-5.

Uvijls, A. & Mortier, V. (1990). Kleurenzien en stoornissen van de kleurzin: bestemd voor ouders & jongeren. Gent. Onuitgegeven brochure, Gent: CLB Gent.

van Bolhuis, J. (2010). Kleurenblind. Geraadpleegd op 5 maart 2013 via http://www.kleurenblindheid.nl

Van Herzeele, K. (CLB-arts). (2012). Mondelinge Mededeling. Via informeel gesprek.

Universiteit of Hogeschool
Onderwijs: kleuteronderwijs
Publicatiejaar
2013
Kernwoorden
Share this on: