Invloed van de media op de publieke opinie: Genetisch gewijzigd voedsel

Dorien Colman
Nieuw licht op het ggo-debat: Is je mening wel je eigen mening?In publieke debatten spelen de media een belangrijke rol. Dat geldt in het bijzonder voor het debat over genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s). Uit nieuw onderzoek blijkt dat één krantenartikel voldoende is om de mening van studenten over genetisch gemodificeerde gewassen te beïnvloeden. Wie er aan het woord is in zo’n artikel lijkt minder belangrijk te zijn.Onmiddellijk na het lezen van een krantenartikel dat de lof zingt van genetisch gemodificeerde gewassen kijken studenten er positiever tegenaan.

Invloed van de media op de publieke opinie: Genetisch gewijzigd voedsel

Nieuw licht op het ggo-debat: Is je mening wel je eigen mening?

In publieke debatten spelen de media een belangrijke rol. Dat geldt in het bijzonder voor het debat over genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s). Uit nieuw onderzoek blijkt dat één krantenartikel voldoende is om de mening van studenten over genetisch gemodificeerde gewassen te beïnvloeden. Wie er aan het woord is in zo’n artikel lijkt minder belangrijk te zijn.

Onmiddellijk na het lezen van een krantenartikel dat de lof zingt van genetisch gemodificeerde gewassen kijken studenten er positiever tegenaan. Dat blijkt uit de resultaten van een masterproef uitgevoerd aan de Hogeschool Universiteit Brussel (HUB). Nadat de deelnemers over de voordelen van de omstreden techniek hadden gelezen, vulden ze een vragenlijst in die peilde naar hun mening. Daaruit bleek dat ze er een positievere mening op na hielden dan de controlegroep, die een artikel over tv-series gelezen hadden.

Opmerkelijk was dat in een parallel experiment de mening van een andere groep studenten niet negatiever was dan die van de controlegroep nadat ze een artikel over de nadelen voorgeschoteld kregen. Dat artikel was nochtans opgesteld als een negatief spiegelbeeld van het pro-artikel. Het bevatte evenveel argumenten, en behandelde dezelfde thema’s, zoals gezondheid en milieu.

Toch hadden de studenten van de verschillende groepen een andere indruk van diezelfde auteur. Ze vonden dat degene die het pro-artikel had geschreven beter wist waarover hij het had. En ook al gaf hij de indruk minder bezorgd te zijn om de volksgezondheid en het milieu, volgens de studenten was hij ook een pak commerciëler ingesteld dan de auteur van het contra-artikel.

Een ander deel van het onderzoek spitste zich toe op de betrouwbaarheid van de bron. Daar is al eerder onderzoek naar gebeurd. Als het op ggo-gewassen aankomt, vertrouwen we in de eerste plaats wetenschappers. Op de laatste plaats komen bedrijven die zelf ggo’s verkopen. Lijkt vanzelfsprekend, niet?

Niet zo in het nieuwe onderzoek. De studenten schatten een professor biotechnologie, die in een interview uitleg geeft over ggo’s, nauwelijks betrouwbaarder in dan de woordvoerder van een biotechnologiebedrijf die in exact dezelfde woorden hetzelfde doet. Er is een verschil, maar het is niet erg groot.

Daarbovenop vinden ze de woordvoerder evenzeer een specialist ter zake als de professor. Ook in openheid, oprechtheid en ethisch bewustzijn ervaren de studenten geen verschil tussen beide bronnen. Het enige duidelijke verschil dat ze aanvoelen is dat de woordvoerder meer commercieel ingesteld is.

Niettemin hechten ze evenveel geloof aan wat die zegt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat beide bronnen dezelfde uitwerking hebben op de mening van de studenten. De ene slaagt er niet beter in dan de andere om de studenten te overtuigen van het nut van genetisch gemodificeerde voedselgewassen.

Wat is eigenlijk de mening van de doorsnee student over ggo-gewassen? Dat lijken ze zelf niet goed te weten. Iets meer dan een derde noemt zichzelf een tegenstander, iets minder dan een derde is voorstander. De rest is geen van beide. Ook uit andere vragen blijkt dat het ggo-debat op dit moment niet bepaald leeft bij de Vlaamse studenten.

In de toekomst zou dit kunnen veranderen. Volgens de helft van de ondervraagde studenten zullen we ggo-gewassen in de toekomst nodig hebben om iedereen van eten te voorzien. Meer dan 60 procent denkt zelfs dat ze in de toekomst onmisbaar zullen zijn. Waar we die broodnodige ggo-gewassen gaan kweken is nog maar de vraag, want drie kwart weigert om naast een ggo-veld te wonen.

Wanneer de onderzoekers voorwaarden stellen ebt de ongemakkelijkheid beetje bij beetje weg. Meer dan de helft zou ggo-voedsel eten als er strenge regels voor zijn, als het lekkerder smaakt, of als het beter zou zijn voor het milieu. Echt enthousiast worden de studenten pas als ggo’s duidelijk gezonder zijn, of als arme mensen ermee geholpen worden. In beide gevallen staan ongeveer negen op de tien studenten achter de techniek.

Daaruit blijkt dat Vlaamse studenten over het algemeen geen principiële problemen hebben met ggo’s. Ze lijken bereid om het risico te nemen, maar enkel en alleen als ze ervan overtuigd zijn dat de voordelen de moeite waard zijn. Een dreigend voedseltekort in de toekomst en armoede zijn problemen waarover ze zich zorgen maken. Als ggo-technologie daarvoor een niet al te ingrijpende oplossing kan bieden, wacht haar een warm welkom bij de Vlaamse jongeren.

Bibliografie

Aerni, P. (2011). Do political attitudes affect consumer choice? Evidence from a large-scale field study with genetically modified bread in Switzerland. Sustainability, 3(9), 1555-1572.

Bauer, M. W. (2002). Controversial medical and agri-food biotechnology: a cultivation analysis. Public Understanding of Science, 11(2), 93-111.

Billiet, J. (2003). Over het adequaat meten van opinies en het zinvol interpreteren van opiniepeilingen. Brussel: Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten.

Botelho, D. & Kurtz, H. 2008. The introduction of genetically modified food in the United States and the United Kingdom: a news analysis. The Social Science Journal, 45, 13–27.

Cohen, B. (1963). The press and foreign policy. New York: Harcourt.

Draulans, D. (29 juni 2011). Debat over genetisch gewijzigde aardappelen. Opgehaald van (http://www.knack.be/nieuws/wetenschap/debat-over-genetisch-gewijzigde-aardappelen/article-1195048396502.htm).

EuropaBio (2011). Approvals of GMOs in the European Union. Opgehaald van (http://www.europabio.org/sites/default/files/report/microsoft_powerpoint_-_approvals_of_gmos_in_the_european_union.pdf).

Ewen, S. W. & Pusztai, A. (1999). Effect of diets containing genetically modified potatoes expressing Galanthus nivalis lectin on rat small intestine. The Lancet, 354 (9187), 1353-1354.

Gaskell, G., Allansdottir, A., Allum, N., Corchero, C., Fischler, C., Hampel, J., Jackson, J., Kronberger, N., Mejlgaard, N., Revuelta, G., Schreiner, C., Stares, S., Torgersen, H., and Wagner, W. (2006). Europeans and Biotechnology in 2005: Patterns and Trends, Eurobarometer 64.3. Brussels: European Comission.

Gaskell, G., Allum, N. & Stares, S. (2003). Europeans and biotechnology in 2002: Eurobarometer 58.0. Brussels: European Commission.

Gerbner, G. (1998). Cultivation analysis: An overview. Mass Communication and Society, 1(3-4), 175-194.

GMO Compass (2010). GMO planting. Opgehaald van (http://www.gmo-compass.org/eng/agri_biotechnology/gmo_planting/).

Good, J. E. (2009). The cultivation, mainstreaming, and cognitive processing of environmentalists watching television. Environmental Communication, 3(3), 279-297.

Holbert, R. L. & Tchernev, J. M (2012). Media Influence as Persuasion. In Dillard, J. P. & Shen, L. (Eds.). The SAGE handbook of persuasion: Developments in theory and practice (pp. 36-50). London: SAGE.

Knight, J. G., Mather, D. W., Holdsworth, D. K. & Ermen, D. F. (2007). Acceptance of GM food: an experiment in six countries. Nature Biotechnology, 25, 507-508.

Lang, J. T. & Hallman, W. K. (2005). Who does the public trust? The case of genetically modified food in the United States. Risk Analysis, 25, 1241-1252.

Lewison, G. (2007). The reporting of the risks from genetically modified organisms in the mass media, 2002–2004. Scientometrics, 72, 439–458.

Losey, J. E., Rayor L. S. and Carter M. E. (1999). Transgenic pollen harms monarch larvae. Nature, 399, 214.

Maes, J. (2012). De evolutie en status van de publieke perceptie omtrent biotechnologische gewassen. Masterproef, Universiteit Gent.

Maeseele, P. (2009). On Media and Science in late modern societies: the GM case study. PhD thesis, Department of Communication Sciences, Faculty of Political and Social Sciences, Ghent University.

Moll, N. (2011). Socio-economic aspects of GMOs. Opgehaald van (http://ec.europa.eu/food/food/biotechnology/docs/07-europabio_en.pdf).

Nisbet, M. C. & Lewenstein, B. V. (2002). Biotechnolgy and the American Media: The Policy Process and the Elite Press, 1970 to 1999. Science communication, 23 (4), 259-391.

Perse, E. M. (2001). Media effects and society. Hillsdale : Erlbaum.

Petty, R. E. & Cacioppo, J. T. (1986). The elaboration likelihood model of persuasion. Advances in Experimental Social Psychology, 19, 123-205.

Servaes, J., & Malikhao, P. The media use of American youngsters in the age of narcissism: Surviving in a 24/7 media shock and awe – distracted by everything. Telematics and Informatics, 28, 66–76.

Sparks, G. G. (2011). Media Effects Research: A Basic Overview. Boston: Cengage Learning.

Suleski, J., & Ibaraki, M. (2010). Scientists are talking, but mostly to each other: a quantitative analysis of research represented in mass media. Public Understanding of Science, 19 (1), 115-125.

Verbaere, D. & Gorle, P. (31 mei 2011). Na bestorming aardappelveld. Het Laatste Nieuws, pp. 12-13.

Weaver, D. H. (2007). Thoughts on agenda setting, framing, and priming. Journal of communication, 57(1), 142-147.

Universiteit of Hogeschool
Journalistiek
Publicatiejaar
2013
Kernwoorden
@DorienColman
Share this on: