L'Image Scriptible

Carla Swerts
L’ IMAGE SCRIPTIBLE                                                      Een onderzoek naar verbeelding en zelfstandigheid van de kijker in de relatie                                                       tussen woord en beeld                                                      Carla Swerts – Master Illustratieve vormgeving                                                      2012 – 2013Dit masterproject beoogt een oplossing te vinden voor de negatieve impact die illustraties bij tekst kunnen hebben op de verbeelding van de lezer.

L'Image Scriptible

L’ IMAGE SCRIPTIBLE

                                                      Een onderzoek naar verbeelding en zelfstandigheid van de kijker in de relatie                                                       tussen woord en beeld

                                                      Carla Swerts – Master Illustratieve vormgeving

                                                      2012 – 2013

Dit masterproject beoogt een oplossing te vinden voor de negatieve impact die illustraties bij tekst kunnen hebben op de verbeelding van de lezer. Daar waar eerder onderzoek dit probleem vooral benadert op het niveau van de inhoud door de mogelijkheden van complementaire tekst-beeldrelaties na te gaan, richt dit project zich op het zoeken naar vormelijke oplossingen om de kijker meer inbreng te geven in de visualisering van het verhaal.Ik heb gewerkt met de tekst van vijf middeleeuwse vonnissen. Deze zijn geschikt voor een vormelijk onderzoek omdat ze nauwelijks visueel beschrijvende stukken bevatten. Dit geeft je als illustrator de mogelijkheid om een onafhankelijke positie tegenover de tekst aan te nemen en zo tot nieuwe formele inzichten te komen.

Voor het ontwikkelen van een suggestieve beeldtaal wordt gebruik gemaakt van de theoretische inzichten van literatuurtheoretici Roland Barthes (Cherbourg 1915 – Parijs 1980) en Wolfgang Iser (Marienberg 1926 – Konstanz 2007). Roland Barthes is de grondlegger van het begrip ‘texte scriptible’, waarbij de lezer tot schrijver van de tekst verheven wordt. Hij pleit voor structuurloze teksten die niet lineair naar een einde toe werken maar de lezer meer mogelijkheden presenteren en dus in veel grotere mate beroep doen op diens zelfstandigheid. Dit onderzoek ontwikkelt de beeldende tegenhanger van Barthes’ begrip; een ‘image scriptible’ dat de kijker tot co-creator wil verheffen. Hiervoor wordt beroep gedaan op een sleutelbegrip in dit project: intertekstualiteit –of, vertaald naar het medium beeld, ‘intervisualiteit’-.Wolfgang Isers grootste bijdrage is zijn onderzoek naar het belang van lege plekken in een tekst voor het tot stand brengen van een creatieve participatie tijdens het leesproces. De dingen die niet gezegd worden, vormen een soort ‘outlines’ die door de lezer geanimeerd moeten worden.

De inzichten van deze twee literatuurtheoretici worden gekoppeld aan de kunsthistorische inzichten van Heinrich Wölfflin (Winterthur 1864 - Zürich 1945) die in zijn magnum opus Kunstgeschichtliche Grundbegriffe (1915) een analysemodel opgesteld heeft voor beeldende kunst dat zich richt op de formele elementen in het beeld. Losgerukt uit zijn historische context is dit analysemodel –werkzaam via vijf tegengestelde begrippenparen- zeer zinvol bij het analyseren van eigen en andermans beeldend werk. In de context van dit onderzoek wordt gekeken naar de criteria die Wölfflin  hanteert voor het maken van suggestieve beelden. Globaal genomen wordt suggestie gekoppeld aan picturaliteit, een sterke dieptewerking, open vormen en ongedwongen composities.

In het tweede deel van het artikel wordt aan de hand van voorgaande theoretische inzichten besproken hoe suggestie in mijn tekeningen geïntroduceerd wordt. In de vormelijke evolutie van mijn werk kunnen vier fasen onderscheiden worden, die uitmonden in een beeldtaal waarin hele fijne en zwaardere lijnen in zwart-wit gecombineerd worden met geschilderde kleurvlakken, die het grafisch abstracte karakter van de tekeningen proberen te doorbreken. Dit gebeurt door met verschillende tonaliteiten en soms vrij ruwe penseelstreken binnen een vlak te werken. Mijn tekeningen kunnen lineair en vlakmatig genoemd worden, maar zijn niet in één oogopslag te vatten. Ik probeer de eigenschappen die Wölfflin koppelt aan picturale schilderijen te verenigen met een lineaire werkwijze en weet zo suggestie een plaats te geven in werken die aan het vlak gebonden zijn. Daarbij ontstaat een sterke dieptebeweging die zelfs vloeiend te noemen is aangezien figuren uit voor en achtergrond met elkaar verbonden worden. Dit impliceert dat er veel oversnijdingen in mijn werk te vinden zijn, waardoor de mogelijkheid ontstaat om negatieve vormen uit te spelen. Op die manier krijgen weglatingen een belangrijke plaats in mijn werk, en kunnen de elementen die wel getekend zijn de weggelaten delen suggereren. Daarnaast worden de contouren regelmatig losgelaten, waardoor Wölfflin’s ‘open vorm’ een belangrijke rol gaat spelen. Deze manier van werken staat in rechtstreeks verband met Isers lege plekken en de rol van intertekstualiteit in Barthes’ pleidooi voor een ‘texte scriptible’.

Vanzelfsprekend rijst de vraag op welke manier intertekstualiteit in mijn tekeningen een plaats krijgt, en hoe beslist wordt bepaalde delen van voorstelling weg te laten. De keuzes gebeuren vooral op vormelijke gronden, waardoor soms schijnbaar overbodige details meer aandacht kunnen krijgen dan de hoofdzaak. Deze details sturen de kijker in uiteenlopende richtingen in het verhaal en spelen zo in op het selectief vermogen van de kijker.

Onze intervisuele kennis over de Middeleeuwen bestaat vooral uit stereotypen, die ik zeker niet vermijd. De lezer/kijker heeft steeds een houvast nodig daar waar de tekeningen die niet altijd verschaffen. Deze houvast kan enerzijds door tekstfragmenten geboden worden, anderzijds door in mijn tekeningen terug te vallen op stereotypen. Er moet immers steeds een evenwicht gezocht worden tussen het zoeken naar een maximale betrokkenheid van de lezer/kijker en het vertellen van een verhaal.

In dit onderzoek worden manieren om de betrokkenheid van de lezer/kijker te vergroten gezocht in puur vormelijke eigenschappen, door de invloed van beeldende suggestie op de kijker na te gaan.Ik heb beeldende suggestie geïnterpreteerd als het uitstel van betekenis. Door het loslaten van contouren, de leegtes, de details,.. heeft de kijker meer tijd nodig om de tekeningen te vatten, moet hij zich langer op de vorm concentreren en mee participeren in het vormgevingsproces waarbij hij beroep moet doen op zijn verbeelding.Uitstel van betekenis bevordert ook de interactie tussen woord en beeld. Wanneer tekeningen niet dadelijk begrepen worden, zoekt men in de tekst naar herkenningspunten en wordt aan zowel tekst als beeld meer aandacht geschonken.

Bibliografie

 

BARTHES, R. (2004). Het werkelijkheidseffect in: Barthes, R., Het werkelijkheidseffect

[ed. R. Hofstede & J. Pieters]. Groningen. Historische uitgeverij.

CANNAERT, J.B. en MADOU, J.B. (1829). Bydragen tot het oude strafregt in België, gevolgd door eenige merkweerdige vonnissen van vroegere tyden, van allerlei aard. Brussel. M. Hayez, drukker der Koninklijke Academie van Wetenschappen.

DAVIS, W. (2011). A general theory of visual culture. Princeton. Princeton University Press.

FLAUBERT, G. (1991). lettre à Ernest Duplan, 12 juin 1862, Correspondance, tome III, Parijs, Gallimard.

ISER, W. (1972). The Reading Process: A Phenomenological Approach, New Literary History, Vol. 3, No. 2, On Interpretation: I (Winter, 1972), pp. 279-299. John Hopkins University Press.

JAMES, H. (1904). The Golden Bowl. New York. Scribner.

KRESS, G. en VAN LEEUWEN, T. (2006). Reading images, the grammar of visual design. Abingdon, Routledge.

NIKOLAJEVA, M. en SCOTT C., (2000). The Dynamics of Picturebook Communication. Children’s Literature in Education, December 2000, Volume 31, Issue 4, pp. 225-239 Human Sciences Press, Inc.

PINT, K. (2013). Roland Barthes & ‘Een terugkeer’ van Erik Spinoy in: Van Dijk, Yra; De Pourcq, Maarten; De Strycker, Carl (eds.). Draden in het donker: Intertekstualiteit in theorie en praktijk, Nijmegen: Vantilt, pp. 81-100

ROSENTHAL, P. Deciphering S/Z. College English, Vol. 37, No. 2 (Oct., 1975), pp. 125-144. National Council of Teachers of English.

SUMMERS, S. (2003). Real Spaces, World Art History and the Rise of Western modernism. Londen. Phaidon Press Limited.

TUCKER, A. (2010). The Illustration of the Master, Henry James and the Magazine Revolution. Stanford. Stanford University Press.

WÖLFFLIN, H. (1915). Kunstgeschichtliche Grundbegriffe. Bazel. Benno Schwabe & Co

Universiteit of Hogeschool
Beeldende Kunst
Media Arts and Design Faculty (PHL en KhLim)
Publicatiejaar
2013
Kernwoorden
Share this on: