De crisis van de westerse psychiatrie

Michaël Poorthuis
De crisis van de westerse psychiatrieIn 2014 verscheen de Nederlandse vertaling van de nieuwe editie van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM). Het is de vijfde editie in een reeks handboeken, waarin een classificatie van de verschillende mentale stoornissen beschreven wordt. Al in de aanloop naar de verschijning van deze classificatie laaide hevige kritiek op. Deze kritiek richtte zich onder andere op de validiteit van deze classificatie. De validiteit van een classificatie vertelt ons hoe goed de classificatie overeenkomt met de werkelijkheid.

De crisis van de westerse psychiatrie

De crisis van de westerse psychiatrie

In 2014 verscheen de Nederlandse vertaling van de nieuwe editie van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM). Het is de vijfde editie in een reeks handboeken, waarin een classificatie van de verschillende mentale stoornissen beschreven wordt. Al in de aanloop naar de verschijning van deze classificatie laaide hevige kritiek op. Deze kritiek richtte zich onder andere op de validiteit van deze classificatie. De validiteit van een classificatie vertelt ons hoe goed de classificatie overeenkomt met de werkelijkheid. Critici stelden dat de DSM ons niet de beschrijving biedt van mentale stoornissen, zoals deze in werkelijkheid zijn. De beschreven mentale stoornissen zouden niet naar echt bestaande mentale stoornissen verwijzen.

In antwoord op de validiteitsproblematiek is het Research Domain Criteria (RDoC) project gestart. Binnen dit project wordt eveneens een classificatie voor mentale stoornissen gemaakt, maar men stelt dat de mentale stoornissen in de classificatie wel naar echt bestaande mentale stoornissen verwijzen. De mentale stoornissen worden binnen het RDoC project van elkaar onderscheiden op basis een verschil in etiologie, ofwel oorzaak. Dit is anders dan bij de DSM die beschrijvende psychopathologie gebruikt om onderscheidingen aan te brengen. Dit houdt in dat de mentale stoornissen in de DSM clusters zijn van verschillende symptomen en bevatten geen verwijzing naar de oorzaak van de stoornissen. Dit betekent niet dat ze geen oorzaak hebben, maar wel dat de naam van een stoornis in ieder geval niet verwijst naar een specifieke oorzaak. Impliciet verwijt het RDoC project de DSM kunstmatige onderscheidingen te maken, die slechts zouden bestaan bij gratie van de classificerende activiteit, omdat meerdere oorzaken ten grondslag kunnen liggen aan de door de DSM beschreven mentale stoornissen. Voor het RDoC project is een mentale stoornis pas valide wanneer deze verwijst naar een specifieke oorzaak.

We zullen deze kritiek op de validiteit van de DSM en het antwoord hierop van het RDoC project nader beschouwen. De DSM is historisch sterk beïnvloed door een zeer specifieke opvatting van validiteit. Deze opvatting werd beschreven door de Duitse psychiater Emil Kraepelin. Hij stelde dat de verschillende mentale stoornissen ziekte-entiteiten zijn met elk een afzonderlijk oorzaak (de essentie), die men empirisch meent te kunnen ontdekken. De hoop van de DSM was dat met iedere opvolgende editie men dichter bij deze ziekte-entiteiten zou komen.

We hebben hierboven echter gezien dat de mentale stoornissen in de DSM enkel een beschrijving van de toestandsbeeld bevatten en geen verklaring. Dit lijkt op gespannen voet te staan met het ideaal van Kraepelin en de traditie die daarop volgde en deze kritiek op de validiteit van de DSM lijkt gegrond. De inzet van het RDoC project lijkt op het ideaal van Kraepelin, in zoverre beide mentale stoornissen willen onderscheiden op basis van een verschil in etiologie. Het RDoC project lijkt echter een andere invulling te geven aan de inhoud van het begrip ‘etiologie’. Met deze nieuwe invulling hoopt het RDoC project echte stoornissen te kunnen onderscheiden. Deze echte stoornissen worden natuurlijke soorten genoemd en bestaan onafhankelijk van onze classificerende activiteit. Wat voor het RDoC project echter de natuurlijkheid van deze natuurlijke soorten uitmaakt, bepaalt de manier waarop we het specifieke begrip ‘etiologie’ van het RDoC project dienen te verstaan. Dit is voor het RDoC project van belang om een zinvol antwoord te zijn op de zojuist genoemde validiteitsproblematiek van de DSM.

Toch is niet elke theorie over de natuurlijkheid van natuurlijke soorten geschikt voor het RDoC project. Een essentialistische theorie, waar bijvoorbeeld Kraepelin op terugvalt, is niet geschikt, omdat deze theorie geen recht kan doen aan de complexe etiologie die ten grondslag ligt aan mentale stoornissen. Het RDoC project lijkt daarentegen impliciet een ruime theorie van natuurlijke soorten te hanteren om zo recht te kunnen doen aan de complexe etiologische structuur van mentale stoornissen. Bij nadere evaluatie blijkt dat het RDoC project in haar huidige structuur eigenlijk helemaal geen recht kan doen aan deze ruime opvatting. Ernstiger zelfs, ze laat enkel een zeer enge (essentialistische) opvatting toe en het was precies deze enge opvatting die het RDoC project probeerde te vermijden om een zinvol antwoord te zijn op de DSM.

Daarnaast stellen we het RDoC project als psychopathologische classificatie in vraag. Om te kunnen spreken van een mentale stoornis stelt het RDoC dat men een disfunctionerend neuronaal netwerk moet kunnen vaststellen. Dit zou moeten gebeuren met behulp van moderne technologische hulpmiddelen. Deze hulpmiddelen kunnen ons laten zien wanneer een neuronaal netwerk disfunctioneert en men mag spreken van een mentale stoornis. Toch is dit minder vanzelfsprekend dan het op het eerste gezicht lijkt. Het is de vraag of het criterium ‘disfunctioneren’ wel geschikt is om de status van een mentale stoornis als stoornis te bevestigen. De hulpmiddelen laten ons namelijk geen disfuncties zien maar verschillen en het is niet gerechtvaardigd deze verschillen gelijk te stellen met pathologische verstoringen.

Het lijkt eerder zo te zijn dat men op voorhand heeft besloten welke condities als mentale stoornis worden beschouwd en niet dat dit wordt vastgesteld door neuronale netwerken in kaart te brengen. Deze beslissingen neemt men voorafgaand aan de wetenschappelijke feiten, maar ze bepalen wel de interesses van de wetenschap. Ze volgen echter niet uit deze feiten, want bij veranderde feiten over de etiologie van een mentale stoornis verandert de beslissing niet of er sprake is van een mentale stoornis. Nu lijkt het zo te zijn dat deze benadering in tegenspraak is met de claim van het RDoC project te verwijzen naar echt bestaande mentale stoornissen te verwijzen. Dit hoeft niet het geval te zijn voor zover het gaat om de invulling van het onderzoek naar de etiologie van mentale stoornissen. De theorie over natuurlijke soorten kan het onderzoek binnen het RDoC project structureren. De theorie vertelt ons echter niet welke condities als mentale stoornis beschouwd moet worden. Het RDoC project zal om die reden moeten expliciteren waarom bepaalde condities door hen als pathologisch worden beschouwd.

Bibliografie

P.J. Adriaens, A. De Block, ‘Why we Essentialize Mental Disorders’, The Journal of Medicine and Philosophy 38/2013, pp. 107-127.

A Joint Committee of the American Psychological Association, American Educational Research Association, and National Council on Measurements used in Education, ‘Technical Recommendations for Psychological Tests and Diagnostic Techniques’, Psychological Bulletin Supplement 51/1954.

———, ‘Standards for Educational and Psychological Tests and Manuals’, Washington, D.C., American Psychological Association, 1996.

American Psychiatric Association, Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, (Third edition), Washington, DC, American Psychiatric Association, 1980.

———, Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, (Fifth edition), Washington, DC, American Psychiatric Association, 2013.

———, ‘Meet Us’, <http://www.dsm5.org/MeetUs/Pages/Default.aspx&gt; [geraadpleegd op 11/08/2014].

M. Aragona, ‘Rethinking Received Views on the History of Psychiatric Nosology: Minor Shifts, Major Continuities’, in: P. Zachar, D. St. Stoyanov, M. Aragona, A. Jablensky (Eds.), Alternative Perspectives on Psychiatric Validation, Oxford, Oxford University Press, 2014, pp. 27-46.

H. Berenbaum, ‘Classification and Psychopathology Research’, Journal of Abnormal Psychology 122/2013, pp. 894-901.

A. Bird, E. Tobin, ‘Natural Kinds’, The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Winter 2012 Edition), E.N. Zalta (ed.), <http://plato.stanford.edu/archives/win2012/entries/natural-kinds/&gt; [geraadpleegd op 18/08/2014].

J.L.T. Birley, ‘DSM III: From Left to Right or From Right to Left?’, British Journal of Psychiatry 157/1990, pp. 116-118.

R.K. Blashfield, The Classification of Psychopathology. Neo-Kraepelinian and Quantitative Approaches, New York and London, Plenum Press, 1984.

A. De Block, P. Adriaens, ‘Evolutietheorie, functies en het ziekteconcept’, in: D. Denys en G. Meynen (Red.), Handboek psychiatrie en filosofie, Utrecht, De Tijdstroom, 2012, pp. 19-29.

D. Borsboom, G.J. Mellenbergh, J. van Heerden, ‘The Concept of Validity’, Psychological Review 111/2004, pp. 1061-1071.

D. Borsboom, A.O. Cramer, ‘Network Analysis: An Integrative Approach to the Structure of Psychopathology’, Annual Review of Clinical Psychology 9/2013, pp. 91-121.

R. Boyd, ‘Realism, Anti-Foundationalism and the Enthusiasm for Natural Kinds’, Philosophical Studies 61/1991, pp. 127-148.

———, ‘Homeostasis, Species, and, Higher Taxa’, in: R.A. Wilson (Ed.), Species: New Interdisciplinary Essays, Cambridge, Mass, MIT Press, 1999, pp. 141-185.

G. Carey and J. Gottesman, ‘Reliability and Validity in Binary Ratings: Areas of Common Misunderstanding in Diagnosis and Symptom Ratings’, Archives of General Psychiatry 35/1978, pp. 1454-1459.

R. Cooper, ‘What is Wrong With the DSM?’, History of Psychiatry 15/2004, pp. 005-025.

———, ‘Why Hacking is Wrong about Human Kinds’, The British Journal for the Philosophy of Science 55/2004, pp. 73-85.

———, Classifying Madness. A Philosophical Examination of the Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, Dordrecht, Springer, 2005.

L.J. Cronbach, P.E. Meehl, ‘Construct Validity in Psychological Tests’, Psychological Bulletin 52/1955, pp. 281-302.

B.N. Cuthbert, M.J. Kozak, ‘Constructing Constructs for Psychopathology: The NIMH Research Domain Criteria’, Journal of Abnormal Psychology 122/2013, pp. 928-937.

B.N. Cuthbert, ‘The RDoC Framework: Facilitating Transition from ICD/DSM to Dimensional Approaches that Integrate Neuroscience and Psychopathology’, World Psychiatry 13/2014, pp. 28-35.

T. Dehue, ‘Over de (on)wetenschappelijkheid van de DSM, een wetenschapstheoretisch perspectief’, in: D. Denys en G. Meynen (Red.), Handboek psychiatrie en filosofie, Utrecht, De Tijdstroom, 2012, pp. 53-68.

P.J.D. Drenth, K. Sijtsma, Testtheorie. Inleiding in de theorie van de psychologische test en zijn toepassingen, Houten/Antwerpen, Bohn Stafleu Van Loghum, 1990.

J. Dupré, The Disorder of Things. Metaphysical Foundations of the Disunity of Science, Cambridge, MA, Harvard University Press, 1993.

———, ‘Is ‘Natural Kind’ a Natural Kind?’, The Monist 85/2002, pp. 29-49.

J.P. Feighner, E. Robins, S.B. Guze, R.A. Woodruff, G. Winokur, R. Munoz, ‘Diagnostic Criteria for Use in Psychiatric Research’, Archives of General Psychiatry 26/1972, pp. 57-63.

A. Frances, ‘A Warning Sign on the Road to DSM-V: Beware of Its Unintended Consequences’, Psychiatric Times, 26 juni 2009 <http://www.psychiatrictimes.com/articles/warning-sign-road-dsm-v-beware…; [geraadpleegd op 03/01/2015].

———, ‘DSM 5 in Distress. DSM 5 Field Trials Discredit APA. You Can't Turn a Sow's Ear Into a Silk Purse’, Psychology Today, 30 oktober 2012 <http://www.psychologytoday.com/blog/dsm5-in-distress/201210/dsm-5-field…; [geraadpleegd op 03/01/2015].

G. Glas, ‘Wat is een psychiatrische ziekte?’, in: D. Denys, G. Meynen (Red.), Handboek psychiatrie en filosofie, Utrecht, De Tijdstroom, 2012, pp. 31-51.

I. Hacking, ‘The Looping Effect of Human Kinds’, in: D. Sperber, D. Premack, A.J. Premack (Eds.), Causal Cognition: A Multidisciplinary Debate, Oxford, Oxford University Press, 1995, pp. 351-383.

S.E. Hyman, ‘Can neuroscience be integrated into the DSM-V?’, Nature Reviews Neuroscience 8/2007, pp. 725-732.

———, ‘A Glimmer of Light for Neuropsychiatric Disorders’, Nature 455/2008, pp. 890-893.

———, ‘The Diagnosis of Mental Disorders: The Problem of Reification’, Annual Review of Clinical Psychology 6/2010, pp. 155-179.

T.R. Insel, B.N. Cuthbert, ‘Brain disorders? Precisely. Precision Medicine comes to Psychiatry’, Science 348/2015, pp. 499-500.

T. Insel, B. Cuthbert, M. Garvey, R. Heinssen, D.S. Pine, K. Quinn, C. Sanislow, P. Wang. ‘Research Domain Criteria (RDoC): Toward a new Classification Framework for Research on Mental Disorders’, The American Journal of Psychiatry 167/2010, pp. 748-751.

A. Jablensky and R. Kendell, ‘Criteria for Assessing a Classification in Psychiatry’, in: M. Maj, e.a. (Eds.), Psychiatric Diagnosis and Classification, Chichester, John Wiley & Sons, 2002, pp. 1-24.

R. Kendell and A. Jablensky, ‘Distinguishing between the Validity and Utility of Psychiatric Diagnoses’, The American Journal of Psychiatry 160/2003, pp. 4-12.

K.S. Kendler, A. Jablensky, ‘Kraepelin's Concept of Psychiatric Illness’, Psychological Medicine 41/2011, pp. 1119-1126.

K.S. Kendler, P. Zachar, C. Craver, ‘What Kinds of Things are Psychiatric Disorders’, Psychological Medicine 41/2011, pp. 1143-1150.

K.S. Kendler, ‘Toward a Philosophical Structure for Psychiatry’, The American Journal of Psychiatry 162/2005, pp. 433-440.

D.J. Kupfer, M.B. First, D.A. Regier, ‘Introduction’, in: D.J. Kupfer, M.B. First, D.A. Regier (Eds.), A Research Agenda for DSM-V, Washington, DC, American Psychiatric Association, 2002.

O. Lemeire, ‘Soortgelijke stoornissen. Over nut en validiteit van classificatie in de psychiatrie’, Tijdschrift voor Filosofie 76/2014, pp. 217-246.

S.O. Lilienfeld, ‘The Research Domain Criteria (RDoC): An Analysis of Methodological and Conceptual Challenges’, Behaviour Research and Therapy 62/2014, pp. 129-139.

I.S. Marková, G.E. Berrios, ‘Neuroimaging in Psychiatry: Epistemological Considerations’, in: P. Zachar, D. St. Stoyanov, M. Aragona, A. Jablensky (Eds.), Alternative Perspectives on Psychiatric Validation, Oxford, Oxford University Press, 2014, pp. 112-127.

D. Murphy, ´Validity, Realism and Normativity’, in: P. Zachar, D. St. Stoyanov, M. Aragona, A. Jablensky (Eds.), Alternative Perspectives on Psychiatric Validation, Oxford, Oxford University Press, 2014, pp. 60-75.

E.H. Nieweg, ‘Wat wij van Jip en Janneke kunnen leren. Over reïficatie (verdinglijking) in de psychiatrie’, Tijdschrift voor Psychiatrie 47/2005, pp. 687-696.

NIMH Strategic Plan, ‘Strategy 1.4 of the 2008 NIMH Strategic Plan’ <http://www.nimh.nih.gov/research-priorities/rdoc/index.shtml&gt; [geraadpleegd op 07/01/2015].

Plato, Phaedrus, Cambridge, MA, Cambridge University Press, 2011.

W.V. Quine, ‘Natural Kinds’, in: W.V. Quine, Ontological Relativity and Other Essays, New York and London, Columbia University Press, 1969, pp. 114-138.

D.A. Regier, W.E. Narrow, D.E. Clarke, H.C. Kraemer, S.J. Kuramoto, E.A. Kuhl, D.J. Kupfer. ‘DSM-5 Field Trials in the United States and Canada, Part II: Test-retest Reliability of Selected Categorical Diagnoses’, The American Journal of Psychiatry 170/2013, pp. 59-70.

E. Robins, S.B. Guze, ‘Establishment of Diagnostic Validity in Psychiatric Illness: Its Application to Schizophrenia’, The American Journal of Psychiatry 126/1970, pp. 983-987.

A.C.T. Rodrigues, C.E.M. Banzato, ‘Reality and utility unbound: An argument for dual-track nosologic validiation’, in: P. Zachar, D. St. Stoyanov, M. Aragona, A. Jablensky (Eds.), Alternative Perspectives on Psychiatric Validation, Oxford, Oxford University Press, 2014, pp. 47-59.

C.A. Sanislow, D.S. Pine, K.J. Quinn, M.J. Kozak, M.A. Garvey, R.K. Heinssen, P.S. Wang, B.N. Cuthbert, ‘Developing Constructs for Psychopathology Research: Research Domain Criteria’, Journal of Abnormal Psychology 119/2010, pp. 631-639.

K.F. Schaffner, ‘Psychiatry and Molecular Biology: Reductionistic Approaches to Schizophrenia’, in: J.Z. Sadler e.a. Philosophical Perspectives on Psychiatric Diagnostic Classification, Baltimore, Johns Hopkins University Press, 1994, pp. 279–294.

E. Shorter, ‘The history of DSM’, in: J. Paris and J. Phillips (Editors), Making the DSM-5. Concepts and controversies, New York Heidelberg Dordrecht London, Springer, pp. 3-19.

R.L. Spitzer, J. Endicott, E. Robins, ‘Research Diagnostic Criteria: Rationale and Reliability’, Archives of General Psychiatry 35/1978, pp. 773-782.

R. Spitzer, ‘DSM-V: Open and Transparent?’ (Letter to the editor), Psychiatric News, 18 juni 2008, <http://psychnews.psychiatryonline.org/doi/full/10.1176/pn.43.14.0026&gt; [geraadpleegd op 03/01/2015].

S. Vanheule, M. Desmet, R. Meganck, R. Inslegers, J. Willemsen, M. De Schryver, I. Devisch, ‘Reliability in Psychiatric Diagnosis with the DSM: Old Wine in New Barrels’, Psychotherapy and Psychosomatics 83/2014, pp. 313-314.

R.J. Stoller, J. Marmor, I. Bieber, R. Gold, C.W. Socarides, R. Green, R.L. Spitzer, ‘A Symposium: Should Homosexuality be in the APA Nomenclature?’, The American Journal of Psychiatry 130/1973, pp. 1207-1216.

J.Y. Tsou, ‘Rachel Cooper Classifying Madness: A Philosophical Examination of the Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorder’, The British Journal for the Philosophy of Science 61/2010, pp. 453-457.

T.E. Wilkerson, ‘Natural Kinds’, Philosophy 63/1988, pp. 19-42.

P. Zachar, A. Jablensky, ‘Introduction: The Concept of Validation in Psychiatry and Psychology’, in: P. Zachar, D. St. Stoyanov, M. Aragona, A. Jablensky (Eds.), Alternative Perspectives on Psychiatric Validation, Oxford, Oxford University Press, 2014, pp. 3-24.

Universiteit of Hogeschool
Wijsbegeerte
Publicatiejaar
2015
Kernwoorden
Share this on: