De relevantie van het secundaire kunstonderwijs voor de verdere studies binnen de beeldende kunst.

Evi Steyaert
In mijn thesis onderzocht ik de relevantie van een secundaire kunstopleiding voor de verdere studies in de Vrije Kunsten. Door deze twee instellingen tegenover elkaar te plaatsen kon ik hun onderwijs methode onderzoeken.

De contradictie van het kunstonderwijs.

In juli 2011 stapte ik nerveus doorheen de poorten van het KASK, zoekend naar het lokaal waar mijn toelatingsexamen voor de afdeling ‘Vrije Kunsten’ zou plaatsvinden. Met drie grote tekenmappen slenterde ik door de eindeloze gangen. Ik verwonderde mij over de omvang van het prachtige gebouw, maar kon tegelijkertijd mijn lokaal niet vinden. Vlak voor mij liep een man met tikkende schoenen, gekleed in kostuum; zijn pas was groot en gehaast. Ik beende snel bij.

‘Meneer, mag ik u iets vragen?’ vroeg ik de man.

Hij draaide zich om, trok zijn wenkbrauwen hoog en antwoordde: ‘Ja?’

‘Kun je mij misschien vertellen waar het toelatingsexamen voor Tekenkunst doorgaat?’

‘Volg mij’ zei hij kortaf.

Zijn pas nam nog grotere proporties aan.

Ik kon de man amper bijhouden waardoor ik grip verloor op mijn mappen. Eén voor één glipten ze uit mijn handen, mijn tekeningen dwarrelend over de betegelde vloer. Ik sloeg een onzekere blik naar boven.

‘Ik ga niet helpen’ zei hij terwijl hij zijn pas vervolgde.

Gejaagd raapte ik mijn tekeningen van de vloer, en met een bloedrood gezicht nam ik plaats voor het lokaal waar ik moest zijn.

 

Wanneer ik terug denk aan mijn eerste ervaring in het hoger kunstonderwijs voel ik het zweet nog steeds op mijn hoofd druppelen. Ze hadden mij gewaarschuwd. Het hoger kunstonderwijs zou nihilistisch zijn; vol ziel etende docenten. Ze zouden mijn puurheid op de rooster leggen in ruil voor een commerciële markthouding. Mijn ogen verbranden met subjectieve hedendaagse voorkeuren en mijn handen verlammen terwijl ze mijn hersenpan zouden overstelpen met onzinnige ideeën. Enkele maanden later werd ik geconfronteerd met de ideeën over het secundaire kunstonderwijs. Zij hadden het kind in mij uitgemoord met schoolse technieken en theoretische encyclopedieën. Zij hadden de mogelijke kunstenaar in mij schaakmat gezet; en hun enige doel bleek het terug vinden van die speelse ziel te zijn die zij compleet hadden verwoest.

 

De aaneensluiting van het secundaire op het hogere onderwijs lijkt in veel sectoren een complexe situatie. Ook in het kunstonderwijs botsen we op die probleemstelling; en wel in een zeer radicale vorm. Bij het toelatingsexamen wordt voorzichtig gepolst naar de ervaringen van de student. Niet de onwetendheid jaagt docenten schrik aan, maar de aangeleerde schoolse methoden waar studenten moeilijk afstand van kunnen nemen. Jury’s voelen voor vele eerstejaars aan als een slagveld en ook docenten lijken het er over eens dat er wel degelijk een groot probleem is in de overgang van het secundaire kunstonderwijs naar het hoger kunstonderwijs. Studenten spenderen vier jaar aan een eerder schoolse, formele manier van werken. Wanneer zij in het hoger kunstonderwijs aankomen wordt een radicaal andere methode gebruikt. In deze thesis onderzocht ik de methode van beide opleidingen. Op die manier trachtte ik een antwoord te vinden op de vraag of een secundaire kunstopleiding relevant is voor de verdere studies in de kunsten en wat beide instellingen van elkaar kunnen leren.

Hoewel het onderwerp van deze scriptie een complex gegeven is, is het volgens mij van groot belang voor onze toekomstige kunstenaars. Het zou volgens mij een spijtige zaak zijn moesten kunstenaars een meer vruchtbare bodem vinden in een klimaat buiten het onderwijs die daartoe bestemd is.

Bibliografie

Bibliografie

Boeken

  • Hertmans, S. (2010). Waarover men niet spreken kan: elementen voor een agogiek van de kunst. Gent: Academia Press.
  • Lanckneus, L.FR. & Blancquaert,edg. ( 1939). De methodiek van het tekenonderricht. Gent: De Passer.

Artikels

  • Boenders, F & Popelier, B. (1988). De noodzaak van metier: notities over het beeldende kunstonderwijs. Kunst en Cultuur, sept., pp. 43-45: ill.
  • Cengiz, I. (2015). Achteraf gezien. Rekto Verso, nr. 68 (oktober- november), pp. 36-37.
  • Delpeut, P.(2004). De paradox van het kunstonderwijs. Skrien, Jrg. 36, nr. 6, pp. 27-28
  • Esche, C. (2015).  Terug naar de gemeenschap. Rekto Verso, nr. 68 (oktober - november), pp.55 – 58.
  • Nussbaum, M. (2015). Mijd de markt, neem een cursus filosofie. Rekto Verso, nr. 68 (oktober- november), pp. 17-20.
  • Van Camp, C. (2015). Drop out!. Rekto Verso, nr. 68 (oktober- november), pp. 14-15.
  • Vanhaesebrouck, K. (2015). Geschiedenis is niet van gisteren. Rekto Verso, nr. 68 (oktober- november, pp. 23-25.
  • Vanhee, I. (2015). Sous les pavés, la plage. Lessen in abstractie. Rekto Verso, nr. 68 (oktober- november), pp. 28-35.
  • Vanhee, I. & Van Imschoot, T. (2015). Achter het hoekje leren kijken. Rekto Verso, nr. 68 (oktober- november), pp. 47-51.
  • Van Imschoot, T. (2015) Een nieuwe leerschool der liefde. Rekto Verso, nr. 68 (oktober- november), pp. 44-45.

 

Internetbronnen:

 

 

Andere

  •  Campens, A.(2003-2004). De instroom van jonge beeldende kunstenaars op de kunstmarkt. Universiteit Antwerpen, faculiteit TEW, Antwerpen.

 

Opmerking: Het onderzoek werd aangevuld met een marktonderzoek. 

Universiteit of Hogeschool
Vrije Beeldende Kunsten (Tekenkunst)
Publicatiejaar
2016
Promotor(en)
Angelique Campens
Kernwoorden
Deel deze scriptie