Omgaan met zelfverwijzers

Antonetta (Nicole) Vanlaerhoven
Gedragsdeterminantenanalyse voor zelfverwijzend gedrag, dmv literatuurstudie. Gevonden factoren worden geplaatst in het ASE-model en getoetst via praktijkstudie.

(Te) Goed voor Spoed?

(Te) Goed voor Spoed?

Wanneer je ziek bent of een ongelukje hebt gehad, wil je misschien een dokter raadplegen. Waar ga je dan naar toe? Je huisarts of de Spoedgevallendienst? Je hebt meestal wel een idee over wat er mis is. Soms kies je voor de huisarts maar als het echt erg is ga je direct naar de Spoedgevallen. Je wilt de beste zorg. Toch vinden medewerkers van de Spoedgevallendienst, samen met de regering, dat de Spoedgevallendienst te vaak onnodig bezocht wordt.

Als artsen en verpleegkundigen van de Spoedgevallendienst vinden dat jouw probleem géén “spoedgeval” is, hebben zij daar vaak een medische reden voor. Hoewel je je best zal doen om de juiste beslissing te nemen; je bent geen dokter of verpleegkundige. Toch zal je er van overtuigd zijn dat jouw beslissing de juiste beslissing is. Ook zelfverwijzers zijn overtuigd dat hun beslissing de juiste is. Wie kiest voor de spoedgevallendienst, zonder eerst naar de huisarts te gaan, is een “zelfverwijzer”. Van elke tien mensen die onnodig de Spoedgevallendienst bezoeken, zijn 3 tot 7 mensen zelfverwijzer. In de scriptie “Omgaan met zelfverwijzers” is gezocht naar factoren die een rol spelen bij de beslissing om naar Spoed te gaan bij zelfverwijzers. Waarom kiezen zij voor de spoed en niet voor de huisarts? Het onderzoek werd uitgevoerd op de Spoedgevallendiensten in Malle en Brasschaat. De uitkomsten van het onderzoek sluiten aan bij vergelijkbaar onderzoek.

Iedereen

Het maakt niet uit of je arm of rijk, jong of oud of hoog- of laaggeschoold bent. De groep van 450 volwassen zelfverwijzers die aan het onderzoek deelnamen blijkt een afspiegeling van de plaatselijke bevolking te zijn. Iedereen loopt de kans zichzelf te verwijzen.

Attitude

Zelfverwijzers beslissen vanuit een bepaalde basishouding, de attitude. Deze basishouding kan drie richtingen in gaan. De zelfverwijzer heeft een positief beeld van de Spoedgevallendienst, een negatief beeld van het huisartsenwerk en/of een negatief beeld van de gezondheidsklachten.

Wie positief denkt over de Spoedgevallen, komt naar Spoed omdat de dienst 24/7 open is, er veel middelen voor onderzoek zijn of omdat men ervan overtuigd is dat het personeel deskundig is.

Wie negatief denkt over de huisarts, gaat naar Spoed omdat ze vinden dat de huisarts niet bereikbaar is, of, ze vinden het vervelend dat er op afspraak gewerkt wordt. Ook kunnen deze mensen van mening zijn dat de huisarts hun probleem niet kan oplossen en/of over te weinig onderzoekstechnieken beschikt.

Zelfverwijzers die negatief denken over hun gezondheidsklachten vinden dat de aandoening zo ernstig is dat specialistische hulp niet langer kan wachten.

Eigen effectiviteit

Tijdens het onderzoek werd de eigen effectiviteit van zelfverwijzers gemeten. Eigen effectiviteit is de mate waarin iemand zichzelf in staat vindt om problemen correct en naar verwachting op te lossen. De eigen effectiviteit van zelfverwijzers was onverwacht hoog, vergeleken met andere groepen die de General Self Efficacy Scale invulden. Bij een hoge eigen effectiviteit denk je veel problemen zelf op de juiste manier te kunnen oplossen.  Zelfverwijzers zijn er dus behoorlijk van overtuigd dat zij de juiste keuze maken wanneer zij naar Spoed komen.

Als klachten langer dan verwacht aanwezig bleven, daalde de eigen effectiviteit bij de zelfverwijzers die een negatieve houding ten opzichte van de klachten hadden. Denkbaar is dat de spanningseffectiviteit af neemt. Zelfverwijzers die lang wachten met hulp zoeken, verwachten dat de klachten wel weg gaan, maar de klachten verdwijnen niet. Hoe langer iemand wachtte met hulp zoeken, hoe vaker de vrees voor een ernstige aandoening de reden was om naar spoed te gaan. Het idee dat snel specialistische hulp nodig is wordt sterker en dan kies je eerder voor de Spoedgevallendienst. Deze redenering verklaart misschien waarom veel mensen met langer bestaande klachten naar de “Spoed” gaan.

Omgeving

Zelfverwijzers houden rekening met adviezen van andere mensen uit hun omgeving als zij de beslissing nemen naar Spoed te gaan. Het meest invloedrijk zijn echtgenoten, kinderen, broers en zussen. Ook huisartsen lijken vaak geraadpleegd te worden. Huisartsen geven niet altijd een verwijsbrief mee, of,  verwittigen niet het onthaal van de Spoedgevallendienst. De patiënt wordt dan als zelfverwijzer geregistreerd, wat misschien niet terecht is.

Voorlichting

Overheid en ziekenhuizen deden al pogingen om zelfverwijzend gedrag te veranderen. Deze pogingen waren niet succesvol. Overbevolking op de Spoedgevallendienst blijft een oud maar actueel en toenemend probleem. Onnodige zelfverwijzing kost geld. Zorgkosten nemen toe en dat voelt elke Belg in zijn portemonnee.

De scriptie “Omgaan met zelfverwijzers” geeft een overzicht van factoren die het ontstaan van zelfverwijzend gedrag bepalen. Hierbij wordt het ASE-model gebruikt, een wetenschappelijk model voor het geordend beschrijven van gedrag. Hulp en voorlichting kan nu beter afgestemd worden op de manier waarop zelfverwijzers denken. Het heeft bijvoorbeeld geen zin om te vertellen over de openingstijden van huisartsenwachtposten, als de zelfverwijzer van mening is dat de klacht snel behandeld moet worden. Wat misschien wel zin heeft, is om deze zelfverwijzer te vertellen waarom de klachten niet ernstig zijn en waarom de huisarts daarbij de beste persoon is om naar toe te gaan. Kennis verhoogt de spanningseffectiviteit van deze zelfverwijzer. Het makkelijk advies kunnen vragen zonder te moeten wachten kan van belang zijn. De zelfverwijzer moet ergens anders dan op Spoed even snel een geruststellend antwoord op vragen kunnen krijgen. Onnodig dure onderzoeken zijn dan overbodig.

Omdat de zelfverwijzer vanuit zichzelf denkt, zal hij zich moeilijk aanpassen aan de verwachtingen van dokters en verpleegkundigen. De uitdaging is om het denken van de zelfverwijzer zo te beïnvloeden dat hij volgende keer een beter passende hulpverlener kiest. Dus alleen naar Spoed als het ook echt Spoed is. Persoonlijk advies en een goede organisatie van zorg kunnen helpen om de Spoed weer voor Spoedgevallen te laten zijn.

Bibliografie

Abraham, C., Norman, P., & Conner, M. (2013). Understanding and Changing Health Behaviour: From Health Beliefs to Self-Regulation. Psychology Press.

Bolman, C. A. W. (2010). Gezondheidspsychologie bij patiënten. Uitgeverij Van Gorcum.

Bonemeyer, A., Smet, F., Ennekens, T., Decoster, T., Moni, D., Dagnelie, P., … Naeyaert, S. (2013). Strategieën   ter   optimalisatie   van   het  zorgproces op de spoedgevallenafdeling  van het AZ Monica Campus Deurne:  Wat zegt de literatuur? Spoedgevallen, 32(2), 6–15.

Brug, J., Van Assema, & Lechner, L. (2007). Gezondheidsvoorlichting en gedragsverandering (5de ed.). Assen: Uitgeverij Van Gorcum.

Carret, M. L. V., Fassa, A. C. G., & Domingues, M. R. (2009). Inappropriate use of emergency services: a systematic review of prevalence and associated factors. Cadernos De Saúde Pública, 25(1), 7–28.

Charante, E. P. M. van, Riet, G. ter, & Bindels, P. (2008). Self-referrals to the A&E department during out-of-hours: Patients’ motives and characteristics. Patient Education and Counseling, 70(2), 256–265. http://doi.org/10.1016/j.pec.2007.10.012

Chen, E., & Miller, G. E. (2013). Socioeconomic Status and Health: Mediating and Moderating Factors. Annual Review of Clinical Psychology, 9(1), 723–749. http://doi.org/10.1146/annurev-clinpsy-050212-185634

Claesens, T. (2006). GVO en communicatie in de gezondheidszorg (2de ed.). Garant.

De noodcentrale: een unieke blik achter de schermen van de 100 en 101. (2016, februari 11). Geraadpleegd 26 april 2016, van http://communicatie.een.be/de-noodcentrale-een-unieke-blik-achter-de-sc…

de Valk, J., Taal, E. M., Nijhoff, M. S., Harms, M. H., Lieshout, E. M., Patka, P., & Rood, P. P. (2014). Self-referred patients at the Emergency Department: patient characteristics, motivations, and willingness to make a copayment. International Journal of Emergency Medicine, 7(1). http://doi.org/10.1186/s12245-014-0030-7

Dijcks, B., Joeris, S., & Van Engelen, E. (2012, april). General Self-efficacy Scale (GSE Scale), uitgebreide toelichting van het meetinstrument. Geraadpleegd van http://www.meetinstrumentenzorg.nl/portals/0/bestanden/211_1_n.pdf

Diserens, L., Egli, L., Fustinoni, S., Santos-Eggimann, B., Staeger, P., & Hugli, O. (2015). Emergency department visits for non-life-threatening conditions: evolution over 13 years in a Swiss urban teaching hospital. Swiss Medical Weekly. http://doi.org/10.4414/smw.2015.14123

Domus Medica - Symposium geeft aftrap project 1733 Leuven-Tienen. (2016, maart 31). Geraadpleegd 2 mei 2016, van http://www.domusmedica.be/documentatie/archief/congresverslagen/6507-sy…

FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. (2015, juli 7). Wet Rechten van Patiënt. Geraadpleegd 8 februari 2016, van http://www.health.belgium.be/eportal/Myhealth/PatientrightsandIntercult…

Geurden, B., & van Hemel, L. (2012). De verpleegkundige als organisator van zorg. Garant.

Henson, L. A., Gao, W., Higginson, I. J., Smith, M., Davies, J. M., Ellis-Smith, C., & Daveson, B. A. (2015). Emergency Department Attendance by Patients With Cancer in Their Last Month of Life: A Systematic Review and Meta-Analysis. Journal of Clinical Oncology, 33(4), 370–376. http://doi.org/10.1200/JCO.2014.57.3568

Hogeschool Zuyd. (z.d.). Meetinstrumenten in de zorg. Geraadpleegd 31 maart 2016, van http://meetinstrumentenzorg.nl/

ISCED: International Standard Classification of Education. (2014). Geraadpleegd 18 maart 2016, van http://www.uis.unesco.org/Education/Pages/international-standard-classi…

John, O. P., Robins, R. W., & Pervin, L. A. (2008). Handbook of Personality, Third Edition: Theory and Research. Guilford Press.

Klandermans, B., & Seydel, E. (Red.). (1996). Overtuigen en activeren (4e ed.). Uitgeverij Van Gorcum.

Kraaijvanger, N., Rijpsma, D., van Leeuwen, H., & Edwards, M. (2015). Self-referrals in the emergency department: reasons why patients attend the emergency department without consulting a general practitioner first—a questionnaire study. International Journal of Emergency Medicine, 8. http://doi.org/10.1186/s12245-015-0096-x

Kvarme, L. G., Haraldstad, K., Helseth, S., Sørum, R., & Natvig, G. K. (2009, september 23). Associations between general self-efficacy and health-related quality of life among 12-13-year-old school children: a cross-sectional survey. Geraadpleegd 2 maart 2016, van http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC2757020/

Liggins, K. (1993). Inappropriate attendance at accident and emergency departments: a literature review. Journal of Advanced Nursing, 18(7), 1141–1145. http://doi.org/10.1046/j.1365-2648.1993.18071141.x

Lippens, A. (2011). Zorggebruik tijdens de wachtdiensten: waarom kiezen voor de spoedgevallendienst of de huisartsenwachtpost /.

Malle. (2016, februari 22). In Wikipedia. Geraadpleegd van https://nl.wikipedia.org/w/index.php?title=Malle&oldid=46081734

Morrison, V., & Bennett, P. (2006). An Introduction to Health Psychology. Pearson Education.

Murdaugh, C. L., Parsons, M. A., & Pender, N. J. (2009). Gezondheidsvoorlichting en ziektepreventie. (M. Adriaansen, Vert.) (5de ed.). Pearson Education.

Oktay, C., Cete, Y., Eray, O., Pekdemir, M., & Gunerli, A. (2003). Appropriateness of emergency department visits in a Turkish university hospital. Croatian Medical Journal, 44(5), 585–591.

Padgett, D. K., & Brodsky, B. (1992). Psychological factors influencing non-urgent use of the emergency room: a review of the literature and recommendations for research and improved service delivery. Social Science and Medicine, 35(9), 1189–1197.

Philips, H., Mahr, D., Remmen, R., Weverbergh, M., Graeve, D. D., & Royen, P. V. (2010). Experience: the most critical factor in choosing after-hours medical care. Quality and Safety in Health Care, 19(6), e3–e3. http://doi.org/10.1136/qshc.2007.024299

Philips, H., Remmen, R., De Paepe, P., Buylaert, W., & Van Royen, P. (2010). Out of hours care: a profile analysis of patients attending the emergency department and the general practitioner on call. BMC Family Practice, 11(1), 88. http://doi.org/10.1186/1471-2296-11-88

Schwarzer, R. (2012, februari 14). General Self-Efficacy Scale (GSE). Geraadpleegd 17 maart 2016, van http://userpage.fu-berlin.de/%7Ehealth/selfscal.htm

Schwarzer, R. (2014, mei 30). Documentation of the General Self-Efficacy Scale. Geraadpleegd van http://userpage.fu-berlin.de/%7Ehealth/faq_gse.pdf

Schwarzer, R., & Fuchs, R. (1999, december 13). Self-Efficacy and Health Behaviours. Geraadpleegd 1 maart 2016, van http://userpage.fu-berlin.de/gesund/publicat/conner9.htm

Sharp, A. L., Chang, T., Cobb, E., Gossa, W., Rowe, Z., Kohatsu, L., & Heisler, M. (2014). Exploring Real-time Patient Decision-making for Acute Care: A Pilot Study. Western Journal of Emergency Medicine, 15(6), 675–681. http://doi.org/10.5811/westjem.2014.5.20410

“Spoed en huisarts best op één locatie” | VTM NIEUWS. (2016, maart 29). Geraadpleegd van http://nieuws.vtm.be/binnenland/184661-spoed-en-huisarts-best-op-een-lo…

Statistics Belgium. (2010). Structuur van de bevolking volgens leeftijd en geslacht: indicatoren per gewest. Geraadpleegd 31 maart 2016, van http://statbel.fgov.be/nl/statistieken/cijfers/bevolking/structuur/leef…

Steekproefcalculator. (2015, september 26). Geraadpleegd 16 maart 2016, van http://www.steekproefcalculator.com/steekproefcalculator.htm

Stordeur, S., Keppens, K., & D’hoore, W. (2006, maart). Aantrekkingskracht, behoud en betrokkenheid van verpleegkundigen en kwaliteit van zorg. Federale overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Geraadpleegd van http://www.patientrights.be/internet2Prd/groups/public/@public/@dg1/@ac…

Uscher-Pines, L., Pines, J., Kellermann, A., Gillen, E., & Mehrotra, A. (2013). Deciding to Visit the Emergency Department for Non-Urgent Conditions: A Systematic Review of the Literature. The American journal of managed care, 19(1), 47–59.

van der Bijl, J. J., & Shortridge-Baggett, L. M. (2001). The theory and measurement of the self-efficacy construct. Scholarly Inquiry for Nursing Practice, 15(3), 189–207.

van der Linden, M. C., Lindeboom, R., van der Linden, N., van den Brand, C. L., Lam, R. C., Lucas, C., … Goslings, J. C. (2014). Self-referring patients at the emergency department: appropriateness of ED use and motives for self-referral. International Journal of Emergency Medicine, 7, 28. http://doi.org/10.1186/s12245-014-0028-1

Van der Mauten, F., Martens, L., Fornaciari, D., & Van der Elst, C. (2011). Gezondheidszorg in een notendop. (S. Callens, Red.) (2de ed.). Brugge: die Keure.

Van Vugt, P. J. H. (2007). Beslissen is menselijk. Eburon Uitgeverij B.V.

Young, G. P., Wagner, M. B., Kellermann, A. L., Ellis, J., & Bouley, D. (1996). Ambulatory visits to hospital emergency departments. Patterns and reasons for use. 24 Hours in the ED Study Group. JAMA, 276(6), 460–465.

 

Universiteit of Hogeschool
Bachelor in de Verpleegkunde
Publicatiejaar
2016
Promotor(en)
Marijke De Gendt
Kernwoorden
Deel deze scriptie