Taalfaciliteiten: een nuttig instrument voor het taalbeleid van de EU?

Nick Vliegen
Het taalbeleid van de EU lijkt op vele vlakken tekort te schieten. In deze thesis wordt onderzocht of een politiek van taalfaciliteiten de bestaande problemen rond het EU taalbeleid kan helpen oplossen. Hiervoor wordt in eerste instantie nagegaan wat taalfaciliteiten in België precies inhouden.

Kunnen taalfaciliteiten de EU vooruithelpen?

In verscheidenheid verenigd, dat is het motto van de EU. Het domein waarin die verscheidenheid op de meest duidelijke manier aanwezig is, zou wel eens dat van meertaligheid kunnen zijn. Binnen de Unie worden er enorm veel verschillende talen gesproken. Het doel van mijn thesis is nagaan of de communicatie binnen de EU efficiënter kan verlopen zonder daarbij het fundamentele aspect van de Europese verscheidenheid uit het oog te verliezen. De Europese integratie met het daarbij horende vrije verkeer van personen, goederen en diensten heeft ons in staat gesteld makkelijker te reizen en werken binnen de Unie. Hierdoor kunnen inwoners van de EU sneller en meer in contact komen met andere talen. Dit kan zorgen voor communicatieproblemen wanneer er tussen mensen uit twee verschillende lidstaten geen gemeenschappelijke taal voor handen is. In een studie uitgevoerd door de Europese Commissie wordt onderschreven dat taal- en cultuurbarrières belangrijke factoren zijn in de vooralsnog gelimiteerde geografische mobiliteit van EU burgers (Bonin et al. 2008: 9). In de thesis onderzoeken we of een politiek van taalfaciliteiten een rol kan spelen in het oplossen van dit cruciale probleem.

De taalfaciliteiten zijn een typisch Belgisch fenomeen ontstaan in de jaren ’60 en vandaag nog steeds aanwezig in 27 gemeenten en steden in ons land. In een eerste fase zal onderzocht worden wat taalfaciliteiten precies zijn en hoe ze in België tot stand kwamen binnen een zeer ingewikkelde beleidsmatige context. Hiernaast zal geschetst worden wat er de dag van vandaag de voor- en nadelen van zijn. Dit gebeurt aan de hand van een aantal interviews met personen die er elke dag van dichtbij mee te maken hebben, zoals de burgemeesters van de faciliteitengemeenten zelf, maar ook mensen uit de academische wereld. Bovendien zal ook worden nagegaan hoe de huidige taalpolitiek van de EU in elkaar zit, hiervoor had ik een interview met een Europarlementslid. In het laatste deel van deze masterproef zal dan bekeken worden of een politiek van taalfaciliteiten een nuttig instrument zou kunnen zijn binnen het beleid van een Europese Unie waar interne migratie almaar lijkt toe te nemen, maar tegelijkertijd communicatieproblemen deze mobiliteit afremmen. In de interne markt is meer arbeidsmobiliteit wenselijk om ze optimaal te laten werken en om een beter economisch evenwicht te bekomen tussen de verschillende regio’s. Of een systeem dat zijn oorsprong vindt in België hierin een rol kan spelen is de centrale vraag waar deze masterproef rond opgebouwd is.

Bibliografie
  • BONINet al. (2008). “Geographic Mobility in the European Union: Optimising its economic and social benefits”. Institute for the Study of Labour (voor Europese Commissie, DG Employment, Social Affairs and Equal Opportunities).

 

  • CEULEERS Evy, EYCKMANS June, DE SMET Hyo Jung (2015). “Meertaligheid onder de loep”. Antwerpen: Garant.

 

 

  • Europese Commissie (2012). “Special Eurobarometer 386: Europeans and their languages”.

 

  • FERGUSON, Charles A. (1959). “Diglossia”. In Word. 15 (3) pp. 325-340.
     
  • FONTEYN, Guido (1983). “Voeren: een heel happart geval”. Antwerpen: Soethoudt.

 

  • KOPPEN, Jimmy, DISTELMANS, Bart, JANSSENS, Rudy (2002). “Taalfaciliteiten in de Rand: Ontwikkelingslijnen, conflictgebieden en taalpraktijk” (Brusselse Thema’s 9). Brussel: VUBpress.

 

  • Ministerium der Deutschsprachigen Gemeinschaft Belgiens Abteilung Allgemeine Dienste (2015). “De Duitstalige Gemeenschap- Onbekend België?”. Pedagogisch Dossier. Duitstalige gemeenschap.
     
  • SPOLSKY, B. (2004). “Language rights”. In Language policy. Cambridge: Cambridge University Press, pp. 113-132.
     
  • VAN DE CRAEN, P. & WILLEMYNS, Roland (1988). “The Standardization of Dutch in Flanders”. In International Journal of the Sociology of Language 1988 (3). pp. 45-64.
     
  • VANDERMEEREN, S. (1996). “Language attitudes on either side of the linguistic frontier: A sociolinguistic survey in the Voeren/Fouron-area in Old Belgium North”. In Contrastive Sociolinguistics. Berlin-New York: W.de Gruyter. pp. 157-174.
     
  • VAN HAEGENDOORN, M. (1983). “Van taalstrijd tot staatsvorming”. Leuven: Davidsfonds.

 

  • VAN VELTHOVEN, Harry. (2011). “Waarheen met België? Van taalstrijd tot communautaire conflicten”. Brussel: ASP.

 

  • WILLEMYNS, Roland (2002). “The Dutch-French Language Border in Belgium”. In Journal of Multilingual and Multicultural Development. 23: 1-2. Routledge, pp. 36-49.
     
  • WITTE, Els (1993). “Faciliteiten voor taalminderheden in de Brusselse rand” in Brusselse Thema’s. 1:2. VUBpress, pp. 168-209.

Internetbronnen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Universiteit of Hogeschool
Master in de Europese Studies: transnationale en mondiale perspectieven
Publicatiejaar
2016
Promotor(en)
Prof. Dr. Kris Van den Branden
Kernwoorden
Share this on: