Een soort (van) thesis: Een corpusgebaseerd onderzoek naar het gebruik van 'soort' in binominale constructies

Robbert De Troij
Deze masterproef heeft als doel tegemoet te komen aan de bestaande hiaten in grammaticale beschrijvingen van binominale constructies met 'soort', als in 'een soort auto'. Dat tracht ze te doen op een empirische basis, steunend op corpusgebaseerde inzichten, vanuit een gecombineerd synchroon-diachroon perspectief.

Een soort (van) onderzoek

A harmless thing to say, sort of. It’s just a filler, sort of. It doesn't really mean anything; but after certain things, sort of means everything.” Zo omschrijft de Urban Dictionary het Engelse sort of; als iets vaags dat in bepaalde contexten toch heel veel kan betekenen. Nu lijkt sinds enkele jaren een gelijkaardige constructie het Nederlands te zijn binnengeslopen, soort (van). Deze masterproef onderzocht waar dat gebruik van soort vandaan komt, en hoe het historisch geëvolueerd is.

We kennen een ‘soort’ in de zin van het biologische ‘species’, maar in bepaalde, specifieke gebruikscontexten kan soort een heel andere betekenis oproepen. Denk maar aan het volgende voorbeeld. Wanneer iemand zegt dat personen X en Y ‘een soort liefdesrelatie’ hebben, dan bedoelt die persoon niet alleen dat X en Y iets met elkaar hebben, maar wil hij wellicht ook aangeven dat hij die verhouding afkeurt. De nuance van afkeuring of minachting zit met andere woorden in de betekenis van de constructie ingebakken.

Daarnaast is er ook wat met de vorm aan de hand. Zo kun je zowel ‘een soort liefdesrelatie’ als ‘een soort van liefdesrelatie’ hebben. Het feit dat we als sprekers van het Nederlands kunnen kiezen tussen beide varianten is in de Nederlandse spraakkunsten tot nog toe grotendeels genegeerd geweest. Waarom hebben wij die keuze en waar komt ze vandaan? Analyses van historisch corpusmateriaal brachten aan het licht dat de vormen zonder van in feite een relatief jonge innovatie zijn. Tot in de 19de eeuw werden bijna uitsluitend vormen mét van gebruikt.

Bovendien is het zo dat de vormen met van in Nederland intussen wel bijna helemaal verdwenen zijn (4,5%); in Vlaanderen daarentegen blijken ze iets hardnekkiger stand te houden (20,6%). Daarbij valt op dat het voornamelijk de oudere Vlamingen zijn die de soort van-variant gebruiken (wat ook een indicatie zou kunnen zijn voor het feit dat die variant op z’n retour is). Ook collocaties van soort met een (in tegenstelling tot de soort, het soort, zo’n soort, enz.) hebben een voorkeur voor de soort van-variant.

Dat is, in het licht van een structurele eigenschap van het Nederlands, een vreemde ontwikkeling. Die structurele eigenschap houdt immers in dat het Nederlands de neiging vertoont om bepalingen in een constituent te laten voorafgaan aan hoofden (d.i. een syntactisch samenhangende woordgroep). Zo is het bijvoorbeeld niet mogelijk om *trui rode te zeggen, omdat rode een bepaling is bij het hoofd trui, en er dus steeds aan moet voorafgaan. Vanuit historisch oogpunt is in ‘een soort liefdesrelatie’ soort dus het hoofd en liefdesrelatie de bepaling, en dat is strikt genomen een inbreuk op het hierboven geschetste principe. Wanneer het woordje van tussen beide leden wordt gevoegd – wat taalkundigen een ‘relator’ noemen –, wordt echter tegemoet gekomen aan deze inbreuk.

In dat opzicht is het zeker opvallend te noemen dat de soort van-varianten (vooral in Nederland) zo snel verdwijnen ten voordele van de varianten zonder van. Er moet dus meer aan de hand zijn. De literatuur suggereert inderdaad dat de woordgroepen geheranalyseerd worden. Dat betekent dat sprekers de constituentstructuur op een andere manier gaan interpreteren, waardoor soort als bepaling bij het tweede nomen wordt beschouwd. In deze masterproef werden drie ‘symptomen’ van heranalyse als bewijs aangewend.

Ten eerste toont de analyse van het corpusmateriaal aan dat er sprake is van veranderende congruentie tussen onderwerp en werkwoord. Zo zullen steeds meer mensen zeggen: ‘Dat soort (van) mensen zijn ...’ in plaats van het oudere ‘Dat soort (van) mensen is ...’. Daarnaast kan het lidwoord bij soort al eens wegvallen, wat wijst op een heranalyse van soort als voorbepaling bij het tweede nomen. Voornamelijk in informele registers zoals chatgesprekken vinden we al vormen als ‘ik heb ook al soort minigun gekregen’ (zonder een). Ten slotte duiken sinds heel recent ook al gevallen op waarin soort (van) buiten de nominale constituent op zinsniveau gebruikt wordt, parallel aan het Engelse gebruik beschreven in Urban Dictionary, zoals in ‘ik ben aan het werk, soort van’ of ‘ik ben soort van aan het leren’.

Op die manier heeft deze masterproef proberen uit te spitten welke complexe mechanismen werkbaar zijn achter de schijnbaar eenvoudige oppositie tussen soort en soort van. En evenzo heeft ze getracht een soort (van) bijdrage te leveren tot de – te eenvoudige, zo blijkt – grammaticale beschrijvingen van woordgroepen met soort.

Bibliografie

Abney, Steven Paul. 1987. The English noun phrase in its sentential aspect. Cambridge, MA: The MIT Press. (Doctoraal proefschrift.)

Aijmer, Karin. 2002. English discourse particles: Evidence from a corpus. Amsterdam: John Benjamins.

Anthony, Laurence. 2014. AntConc (versie 3.4.3m) [computersoftware]. Tokio: Waseda University. (http://www.laurenceanthony.net/)

Baayen, Rolf Harald. 2011. Analyzing linguistic data: A practical introduction to statistics. 5e dr. Cambridge: Cambridge University Press.

Blythe, Richard A. & William Croft. 2012. S-curves and the mechanisms of propagation in language change. Language 88(2). 269–304.

Brems, Lieselotte & Kristien Davidse. 2010. The grammaticalisation of nominal type

noun constructions with kind/sort of: Chronology and paths of change. English Studies 91(2). 180–202.

Broekhuis, Hans & Evelien Keizer. 2012. Syntax of Dutch: Nouns and noun phrases, vol. 1. Amsterdam: Amsterdam University Press.

Broekhuis, Hans & Marcel den Dikken. 2012. Syntax of Dutch: Nouns and noun phrases, vol. 2. Amsterdam: Amsterdam University Press.

Bybee, Joan L. 2006. From usage to grammar: The mind’s response to repetition. Language 82(4). 711–733.

Bybee, Joan L. 2010a. Diachronic linguistics. In Dirk Geeraerts & Hubert Cuyckens

(eds.), The Oxford Handbook of Cognitive Linguistics, 945–987. 2e dr. Oxford: Oxford University Press.

Bybee, Joan L. 2010b. Language, usage and cognition. Cambridge: Cambridge University Press.

Campbell, Lyle. 2013. Historical linguistics: An introduction. 3e dr. Cambridge, MA: The MIT Press.

Croft, William. 2000. Explaining language change: An evolutionary approach. Harlow: Longman.

Croft, William. 2001. Radical Construction Grammar: Syntactic theory in typological perspective. Oxford: Oxford University Press.

Davidse, Kristin, Lieselotte Brems & Liesbeth De Smedt. 2008. Type noun uses in the English NP: A case of right to left layering. International Journal of Corpus Linguistics 13(2). 139–168.

De Clerck, Bernard & Timothy Colleman. 2013. From noun to intensifier: Massa and

massa’s in Flemish varieties of Dutch. Language Sciences 36. 147–160.

Denison, David. 2002. History of the sort of construction family. (Paper voorgesteld op de Second International Conference of Construction Grammar, Helsinki, 7 september 2002.)

Denison, David. 2003. Log(ist)ic and simplistic S-curves. In Raymond Hickey (ed.), Motives for language change, 54–70. Cambridge: Cambridge University Press.

Dik, Simon C. 1983. Two constraints on relators and what they can do for us. In Simon C. Dik (ed.), Advances in Functional Grammar, 267–298. Dordrecht: Foris.

Fox, John & Sanford Weisberg. 2011. An R companion to applied regression. 2e dr. Thousand Oaks, CA: Sage.

Fox, John. 2003. Effect displays in R for generalised linear models. Journal of Statistical Software 8(15). 1–27.

Goldberg, Adele E. 1995. Constructions: A construction grammar approach to argument structure. Chicago/Londen: The University of Chicago Press.

Goldberg, Adele E. 2003. Constructions: A new theoretical approach to language.

TRENDS in Cognitive Sciences 7(5). 219–224.

Goldberg, Adele E. 2006. Constructions at work: The nature of generalization in language. Oxford: Oxford University Press.

Greenberg, Joseph Harold. 1966. Some universals of language with special reference to the order of meaningful elements. In Joseph Harold Greenberg (ed.), Universals of language, 73–113. 2e dr. Cambridge, MA: The MIT Press.

Gries, Stefan Th. 2009. Statistics for linguistics with R: A practical introduction. Berlijn/New York: De Gruyter.

Grondelaers, Stefan, Katrien Deygers, Hilde Van Aken, Vicky Van Den Heede & Dirk Speelman. 2000. Het CONDIV-corpus geschreven Nederlands. Nederlandse Taalkunde 4(5). 356–363.

Grondelaers, Stefan, Paul van Gent & Roeland van Hout. 2015. Is Moroccan-flavoured Standard Dutch standard or not? On the use of perceptual criteria to determine the limits of standard languages. In Alexei Prikhodkine & Denis R. Preston (eds.), Responses to language varieties, 191–218. Amsterdam: John Benjamins.

Haeseryn, Walter, Kirsten Romijn, Guido Geerts, Jaap de Rooij & Maarten C. van den Toorn (red.). 1997. Algemene Nederlandse Spraakkunst. 2e dr. Groningen/Deurne: Martinus Nijhoff/Wolters Plantyn.

Haiman, John. 1985. Natural syntax: Iconicity and erosion. Cambridge: Cambridge University Press.

Harris, Alice C. & Lyle Campbell. 1995. Historical syntax in cross-linguistic perspective. Cambridge: Cambridge University Press.

Heine, Bernd. 2003. Grammaticalization. In Brian D. Joseph & Richard D. Janda (eds.), The handbook of historical linguistics, 575–601. Oxford: Blackwell.

Hilpert, Martin & Stefan Th. Gries. 2016. Quantitative approaches to diachronic corpus linguistics. In Merja Kytö & Päivi Pahta (eds.), The Cambridge Handbook of

English historical linguistics, 36–53. Cambridge: Cambridge University Press.

Hoeksema, Jack. 2011. Het WNT: Een waarlijk nuttige tool? Nederlandse Taalkunde

16(2). 152–159.

Hoeksema, Jack. 2014. De opkomst van aan als verbindend element in maatnomenconstructies. In Freek Van de Velde, Hans Smessaert, Freek Van Eynde & Sara Verbrugge (red.), Patroon en argument: Een dubbelfeestbundel bij het emeritaat van William Van Belle en Joop van der Horst, 421–432. Leuven: Leuven University Press.

Hoffman, Thomas & Graeme Trousdale. 2013. The Oxford Handbook of Construction Grammar. Oxford: Oxford University Press.

Hopper, Paul & Elizabeth Closs Traugott. 2003. Grammaticalization. 2e dr. Cambridge: Cambridge University Press.

Hopper, Paul. 1987. Emergent grammar. Proceedings of the thirteenth annual meeting of the Berkeley Linguistics Society. 139–157.

Hopper, Paul. 1991. On some principles of grammaticalization. In Elizabeth Closs Traugott & Bernd Heine (eds.), Approaches to grammaticalization, vol. 1: Focus on theoretical and methodological issues, 17–35. Amsterdam/Philadelphia: John Benjamins.

Hüning, Matthias, Ulrike Vogl, Ton van der Wouden & Arie Verhagen. 2006. Nederlands tussen Duits en Engels: Handelingen van de workshop op 30 september en 1 oktober aan de Freie Universität Berlin. Leiden: SNL.

Joosten, Frank. 2003. Collectiva en aggregaatsnamen in het Nederlands: Begripsbepaling en typologie. Leuven: KU Leuven. (Doctoraal proefschrift.)

Joosten, Frank & Lea Vermeire. 2006. Collectiva en relationaliteit. Nederlandse Taalkunde 11. 23–58.

Kay, Paul. 1984. The kind of/sort of construction. Proceedings of the tenth annual meeting of the Berkeley Linguistics Society. 157–171.

Keizer, Evelien. 2007. The English noun phrase: The nature of linguistic categorization. Cambridge: Cambridge University Press.

Kemmer, Suzanne & Michael Barlow. 2000. Introduction: A usage-based conception of language. In Michael Barlow & Suzanne Kemmer (eds.), Usage-based models of language, vii–xxii. Stanford: CSLI.

Kroch, Anthony S. 1989. Reflexes of grammar in patterns of language change. Language Variation and Change 1. 199–244.

Lakoff, George. 1973. Hedges: A study in meaning criteria and the logic of fuzzy concepts. Journal of Philosophical Logic 2(4). 458–508.

Lehmann, Christian. 1985. Grammaticalization: Synchronic variation and diachronic

change. Lingua e Stile 20(3). 303–318.

Meyer, David, Achim Zeileis & Kurt Hornik. 2006. The strucplot framework: Visualizing multi-way contingency tables with vcd. Journal of Statistical Software 17(3).1–48.

Meyer, David, Achim Zeileis & Kurt Hornik. 2016. vcd: Visualizing categorical data. R package versie 1.4–3.

Mihatsch, Wiltrud. 2007. The construction of vagueness: ‘Sort of’ expressions in Romance languages. In Günter Radden, Klaus-Michael Köpcke, Thomas Berg & Peter Siemund (eds.), Aspects of meaning construction, 225–245. Amsterdam/Philadelphia: John Benjamins.

Mihatsch, Wiltrud. 2016. Type-noun binominals in four Romance languages. Language Sciences 53. 136–159.

Norde, Muriel & Graeme Trousdale. 2016. Exaptation from the perspective of construction morphology. In Muriel Norde & Freek Van de Velde (eds.), Exaptation and language change: Current issues in linguistic theory, 163–195. Amsterdam/Philadelphia: John Benjamins.

Nortier, Jacomine & Margreet Dorleijn. 2008. A Moroccan accent in Dutch: A sociocultural style restricted to the Moroccan community? International Journal of Bilingualism 12(1/2). 125–142.

Oostdijk, Nelleke, Martin Reynaert, Véronique Hoste & Ineke Schuurman. 2013. The

construction of a 50-million-word reference corpus of contemporary written Dutch. In Peter Spyns & Jan Odijk (eds.), Essential speech and language technology for Dutch: Results by the STEVIN-programme, 219–247. Berlijn: Springer.

Pekelder, Jan. 1993. Conventies en functies: Aspecten van binominale woordgroepen in het hedendaagse Nederlands. Louvain-la-Neuve: Peeters.

Philippa, Marlies, Frans Debrabandere, Arend Quak, Tanneke Schoonheim & Nicoline van der Sijs (red.). 2009. Etymologisch woordenboek van het Nederlands: S–Z. Amsterdam: Amsterdam: University Press.

Pijpops, Dirk & Freek Van de Velde. 2014. A multivariate analysis of the partitive genitive in Dutch: Bringing quantitative data into a theoretical discussion. Corpus Linguistics and Linguistic Theory (ahead of print). 1–33.

Pijpops, Dirk & Freek Van de Velde. 2015. Ethnolect speakers and Dutch partitive adjectival inflection: A corpus analysis. Taal en Tongval 67(2). 343–371.

Quirk, Randolph, Sidney Greenbaum, Geoffrey Leech & Jan Svartvik. 1992. A grammar of contemporary English. 20e dr. Londen: Longman.

R Core Team. 2016. R: A language and environment for statistical computing. Wenen: R Foundation for Statistical Computing. (https://www.R-project.org/)

Ruette, Tom & Freek Van de Velde. 2013. Moroccorp: Tien miljoen woorden uit twee

Marokkaans-Nederlandse chatkanalen. Lexicos 23. 456–475.

Schermer-Vermeer, Ina C. 2008. De SOORT-constructie: Een nieuw patroon in het Nederlands. Nederlandse Taalkunde 13(1). 2–33.

Scott, Alan K. 2011. The position of the genitive in present-day Dutch. Word Structure 4(1). 104–135.

Scott, Alan K. 2014. The survival and use of case morphology in Modern Dutch. In

Ronny Boogaart, Timothy Colleman & Gijsbert Rutten (eds.), Extending the scope

of construction grammar, 107–137. Berlijn: De Gruyter Mouton.

Speelman, Dirk. 2014. Logistic regression: A confirmatory technique for comparisons in corpus linguistics. In Dylan Glynn & Justyna A. Robinson (eds.), Corpus methods for semantics: Quantitative studies in polysemy and synonymy, 487–533. Amsterdam: John Benjamins.

Sperber, Dan & Deirdre Wilson. 1991. Loose talk. In Steven Davis (ed.), Pragmatics: A reader, 540–549. Oxford: Oxford University Press.

Stoett, Frederik A. 1923. Middelnederlandsche spraakkunst: Syntaxis. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff.

Tummers, José, Kris Heylen & Dirk Geeraerts. 2005. Usage-based approaches in Cognitive Linguistics: A technical state of the art. Corpus Linguistics and Linguistic Theory 1/2. 225–261.

Van Bree, Cor. 1987. Historische grammatica van het Nederlands. Dordrecht: Foris.

Van der Horst, Joop M & Freek Van de Velde. 2016. Miljoen. Leuvense Bijdragen 99/100. 410–424.

Van der Horst, Joop M. & Kees van der Horst. 1999. Geschiedenis van het Nederlands in de twintigste eeuw. ’s-Gravenhage: Sdu.

Van der Horst, Joop M. 2003. Tal van informatie: De verandering van een telwoord.

Onze Taal 72(2/3). 58–60.

Van der Horst, Joop M. 2006. Geldhoeveelheid of hoeveelheid geld? Waarom de samenstelling soms beter is dan de groep. Onze Taal 75(12). 346–349.

Van der Horst, Joop M. 2008. Geschiedenis van de Nederlandse syntaxis. Leuven: Leuven University Press.

Van der Lubbe, Henricus F.A. 1968. Woordvolgorde in het Nederlands: Een synchrone structurele beschouwing. 3e dr. Assen: Van Gorcum.

Van de Velde, Freek & Fred Weerman. 2014. The resilient nature of adjectival inflection in Dutch. In Petra Sleeman, Freek Van de Velde & Harry Perridon (eds.), Adjectives in Germanic and Romance, 113–145. Amsterdam: John Benjamins.

Van de Velde, Freek. 2009. De nominale constituent: Structuur en geschiedenis. Leuven: Leuven University Press.

Van de Velde, Freek. 2014. Nederlandse predeterminatoren als levend fossiel. Nederlandse Taalkunde 19(1). 87–103.

Van de Velde, Freek. 2017. Understanding grammar at the community level requires a diachronic perspective: Evidence from four case studies. Nederlandse Taalkunde 22(1). 47–74.

Van Eerten, Laura. 2007. Over het Corpus Gesproken Nederlands. Nederlandse Taalkunde 12(3). 194–215.

Van Eynde, Frank. 2004. Part-of-speechtagging en lemmatisering van het Corpus Gesproken Nederlands. Leuven: Centrum voor Computerlinguïstiek, KU Leuven.

Van Haeringen, Coenraad Bernardus. 1956. Nederlands tussen Duits en Engels. ’s-Gravenhage: Servire.

Van Langendonck, Willy. 2010. Iconicity. In Dirk Geeraerts & Hubert Cuyckens (eds.), The Oxford Handbook of Cognitive Linguistics, 394–418. 2e dr. Oxford: Oxford University Press.

Van Loey, Adolphe. 1970. Schönfelds historische grammatica van het Nederlands: Klankleer, vormleer en woordvorming. 8e dr. Zutphen: Thieme.

Van Olmen, Daniël. 2013. The imperative of say as a pragmatic marker in English and Dutch. Journal of Germanic Linguistics 25(3). 247–287.

Van Olmen, Daniël & Johan van der Auwera. 2014. “Over zo’n en zo meer”. In Freek Van de Velde, Hans Smessaert, Frank Van Eynde & Sara Verbrugge (red.), Patroon en argument: Een dubbelfeestbundel bij het emeritaat van William Van Belle en Joop van der Horst, 215–228. Leuven: Leuven University Press.

Verhagen, Arie. 2005. Constructiegrammatica en ‘usage based’ taalkunde. Nederlandse Taalkunde 10(3/4). 197–222.

Vos, Hinderika M. 1999. A grammar of partitive constructions. Tilburg: Tilburg University. (Doctoraal proefschrift.)

Wickham, Hadley & Romain Francois. 2016. dplyr: A grammar of data manipulation. R package versie 0.5.0.

Wickham, Hadley. 2009. ggplot2: Elegant graphics for data analysis. New York: Springer-Verlag.

Wickham, Hadley. 2016. stringr: Simple, consistent wrappers for common string operations. R package versie 1.1.0.

Weerman, Fred & Petra de Wit. 1999. The decline of the genitive in Dutch. Linguistics 37(6). 1155–1192.

WNT = onlineversie van De Vries, Matthias & Lammert te Winkel. 1882–1998. Woordenboek der Nederlandsche Taal. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff. (http://gtb.inl.nl/)

Universiteit of Hogeschool
Master Taalkunde
Publicatiejaar
2017
Promotor(en)
Freek Van de Velde
Share this on: