Wie heeft de kristallen bol?

Koen
Vanderborght

Voorspellingen over de evolutie van een economie bieden een houvast voor beslissingen. Correcte voorspellingen helpen risico te spreiden. Niemand heeft een kristallen bol, maar experts doen hun best de economische toekomst te lezen. Dat lukt niet altijd even goed: experts gedragen zich soms irrationeel, nemen niet alle informatie op of volgen gewoon de tendens.

De voorspellingen worden gemaakt door experts in zes instellingen: het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Europese Commissie (EC), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de Nationale Bank van België (NBB), het Federaal Planbureau (FPB) en de CESifo Group Munich (CGM). De groei van het Bruto Binnenlands Product (BBP) en inflatie zijn de belangrijkste economische variabelen voor voorspellers.

Nauwkeurigheid: de uitschieters van de klas

Eerst en vooral zien we dat de voorspellingen van de NBB en de OESO globaal gezien het nauwkeurigst zijn. Zij slagen er het best in het juiste groei- en inflatiecijfer voor volgend jaar te geven. Het IMF en het FPB stellen dan weer teleur en zelfs projecties van een aantal naïeve modellen met een tendens hebben een hogere precisie. Niet alle experten doen het dus even goed.

Wordt men er ook beter in?

Dankzij verbeterde voorspellingstechnieken en een toenemende kennis omtrent groei of inflatie kan de nauwkeurigheid van de voorspellingen toenemen doorheen de tijd. Intuïtief klinkt het aannemelijk dat experten meer ervaring opdoen en dus beter de kristallen bol lezen. Maar testen tonen ons dat de voorspellingen niet substantieel verbeterd over de tijd verbeteren.

Op of neer?

Als het voorspellen van één cijfer zo moeilijk is, dan is het misschien makkelijker de verwachte versnelling of vertraging in de groei te voorspellen. De groei vertraagt of de groei versnelt. Vooral directionele voorspellingen van inflatie bleken het vaak bij het rechte eind te hebben. Bovendien voorspelde men directioneel steeds beter dan een naïef model.

(ir)Rationeel?

Rationele voorspellers streven een zo hoog mogelijke nauwkeurigheid na en springen zo efficiënt mogelijk om met de beschikbare informatie. Allerhande rationaliteitstesten die fungeren als diagnostische controles bewijzen of de voorspellingen wel degelijk zo rationeel zijn. Ze kunnen aangeven waarom voorspellingsfouten plaatsvinden en hoe het voorspellingsproces verbeterd kan worden. In zijn meest limiterende vorm beschouwt men voorspellingen rationeel indien ze geen afwijking bevatten én efficiënt zijn. Een afwijking duidt op een systematische onder- of overschatting van de variabele en efficiënte voorspellingen bevatten alle relevante informatie omtrent de toekomstige evolutie van de doelvariabele.

Drie instellingen (EC, OESO en CGM) slagen er in louter rationele inflatievoorspellingen te produceren. Geen enkele expert kan een zuiver rationele voorspelling van de BBP-groei maken. De reden is niet dat de experten sterk afwijken in hun voorspelling;  wel dat ze te voorzichtig omgaan met nieuwe informatie. De voorspellingen worden slechts langzaam aangepast. Opeenvolgende aanpassingen aan eerder gepubliceerde voorspellingen gaan steeds in dezelfde richting. Misschien vrezen experten voor hun reputatie als ze zichzelf één keer aanzienlijk moeten corrigeren (hoe goed hun voorspellingen anders ook zijn). Of experts nemen slechts geleidelijk nieuwe informatie op.

Besluit

Niemand heeft een kristallen bol. De toekomst van een economie voorspellen zal altijd een moeilijke opdracht blijven. Een oneindig aantal factoren en relaties tussen die factoren maken de bol wazig. Toch is het nuttig om na te denken over het verbeteren van voorspellingen. Een eerste manier is om het werk van de experts te analyseren, zodat ze rekenschap moeten afleggen. Wie fouten maakt, mag uitleggen waarom. Er kan op zoek worden gegaan naar de redenen waarom sommige instellingen zoals de NBB en de OESO erbovenuit springen. Een tweede manier is het groepsdenken te beperken: voorspellers leren van elkaar maar beïnvloeden elkaar ook. Weinigen durven tegen de wind in te huilen. Wettelijke maatregelen kunnen die druk verminderen. Een derde manier is de technieken te verbeteren: het loont vaak de moeite om naar verschillende experts te luisteren, en de projecties van een aantal instellingen tegelijk te evalueren. Dergelijke voorspellingen zijn nauwkeuriger dan de individuele projecties, omdat de fouten van één voorspeller uitgewist worden. Economisten gebruiken een kristallen bol. Vaak is het een moeilijke taak, maar progressie is mogelijk.

Bibliografie

Artis, M., & Marcellino, M. (2001). Fiscal forecasting: The track record of the IMF, OECD and EC. Econometrics Journal, 4(1), 20-36.

Ash, J. C. K., Smyth, D. J., & Heravi, S. M. (1990). The accuracy of OECD forecasts of the international economy: demand, output and prices. International Journal of Forecasting, 6(3), 379–392.

Clemen, R. T. (1989). Combining forecasts: A review and annotated bibliography. International Journal of Forecasting, 5(4), 559–583.

Diebold, F. X., & Mariano, R. S. (1995). Comparing predictive accuracy. Journal of Business and Economic Statistics, 13(3), 253–263.

Dovern, J., & Weisser, J. (2011). Accuracy, unbiasedness and efficiency of professional macroeconomic forecasts: An empirical comparison for the G7. International Journal of Forecasting, 27(2), 452–465.

European Central Bank (2017). The definition of price stability. Geraadpleegd op 16 mei 2017 via https://www.ecb.europa.eu/mopo/strategy/pricestab/html/index.en.html

Federaal Planbureau (2016). De instelling. Geraadpleegd op 7 mei 2016 via http://www.plan.be/aboutus/institution_desc.php?lang=nl

Fildes, R., & Stekler, H. (2002). The state of macroeconomic forecasting. Journal of Macroeconomics, 24(4), 435–468.

Franses, P. H., Kranendonk, H. C., & Lanser, D. (2011). One model and various experts: Evaluating Dutch macroeconomic forecasts. International Journal of Forecasting, 27(2), 482–495.

Isiklar, G., Lahiri, K., & Loungani, P. (2006). How quickly do forecasters incorporate news? Evidence from cross-country surveys. Journal of Applied Econometrics, 21(6), 703−725.

Loungani, P. (2001). How accurate are private sector forecasts? Cross-country evidence from consensus forecasts of output growth. International Journal of Forecasting, 17(3), 419–432.

McNees, S. K. (1988). How accurate are macroeconomic forecasts? New England Economic Review, 9(4), 15–26.

OECD Data (2017). Real GDP forecast. Geraadpleegd op 13 februari 2017 via https://data.oecd.org/gdp/real-gdp-forecast.htm

OECD.Stat (2017). Consumer prices. Geraadpleegd op 13 februari 2017 via http://stats.oecd.org/viewhtml.aspx?datasetcode=MEI_PRICES&lang=en#

Öller, L.-E., & Barot, B. (2000). The accuracy of European growth and inflation forecasts. International Journal of Forecasting, 16(3), 293–315.

Stekler, H. O. (2007). The future of macroeconomic forecasting: Understanding the forecasting process. International Journal of Forecasting, 23(2), 237–248.

Zarnowitz, V. (1984). The accuracy of individual and group forecasts from business outlook surveys. Journal of Forecasting, 3(1), 11-26.

Download scriptie (1.88 MB)
Universiteit of Hogeschool
Vrije Universiteit Brussel
Thesis jaar
2017
Promotor(en)
Peter Claeys