Sarcomen zijn zeldzaam, agressief en berucht moeilijk te diagnosticeren. Artsen hebben vandaag vaak vijf verschillende testen nodig om te weten met welke variant ze te maken hebben, en toch wordt in bijna een derde van de gevallen de diagnose achteraf bijgesteld. Jason Legein onderzocht voor zijn masterthesis of één nieuwe techniek, Optical Genome Mapping, die versnipperde puzzel in één keer kan oplossen.
Een kanker met duizend gezichten
Sarcomen zijn kankers die ontstaan in bindweefsel: bot, spier, vet, kraakbeen. Ze maken minder dan 1% van de kankers bij volwassenen uit, maar treffen opvallend vaak kinderen en jongvolwassenen. Wat sarcomen extra lastig maakt, is hun genetische diversiteit: er bestaan tientallen subtypes, elk met hun eigen genetische kenmerken, en de behandeling hangt sterk af van welk subtype het precies is. Een verkeerde of late diagnose kan dus rechtstreeks gevolgen hebben voor de behandeling die een patiënt krijgt.
Om een sarcoom te typeren, combineren labo's vandaag verschillende technieken: karyotypering, FISH, RNA-sequencing, copy number-analyse. Elke techniek bekijkt het DNA op zijn eigen manier en heeft zijn eigen beperkingen. Karyotypering geeft een globaal overzicht maar mist kleine afwijkingen. FISH is heel precies, maar kijkt alleen naar de plek waar je al naar zoekt. Grote herschikkingen die niemand verwacht, blijven zo makkelijk onder de radar. Het resultaat: een tijdrovend traject van meerdere testen, dat niet altijd het volledige genetische plaatje oplevert.
Eén molecuul, uitgerekt als een lint
Optical Genome Mapping (OGM) pakt het anders aan. In plaats van het DNA letter voor letter uit te lezen zoals bij sequencing, wordt het DNA van een tumor eerst voorzichtig geïsoleerd in extreem lange, intacte stukken soms honderdduizenden basenparen lang. Die lange DNA-draden worden vervolgens gemarkeerd met fluorescerende labels op specifieke, vaste plekken in het genoom.
Daarna gebeurt het meest fascinerende deel van het proces: het DNA wordt als een uitgerekt lint door piepkleine nanokanaaltjes op een chip geleid, en een camera fotografeert het lichtpatroon dat ontstaat. Dat patroon werkt als een soort streepjescode, uniek voor elk stuk DNA. Door die code te vergelijken met een referentiegenoom, wordt in één oogopslag zichtbaar waar stukken DNA ontbreken, verdubbeld, omgedraaid of naar een andere plek verhuisd zijn. Precies dat soort grote structurele afwijkingen ligt vaak aan de basis van sarcomen.
Het grote voordeel: OGM zoekt niet gericht naar één vooraf gekende afwijking, zoals FISH dat doet, maar scant het volledige genoom tegelijk. Kleine en grote afwijkingen, gekende en onverwachte, komen in principe allemaal in beeld — in één enkele test.
Het bewijs in de cellen
Legein testte de techniek eerst op rhabdomyosarcoom-cellijnen en op tumoroïden, mini-orgaantjes gekweekt uit tumorweefsel van patiënten. Bij de RH30-cellijn en bij een patiënt-afgeleide tumoroïde spoorde OGM de kenmerkende PAX3::FOXO1-fusie op, een genetische herschikking die typisch is voor een agressieve vorm van rhabdomyosarcoom en die perfect overeenkwam met de klassieke FISH-test. Tegelijk bracht dezelfde test ook een versterking van het gen CDK4 en het verlies van CDKN2A aan het licht: informatie die met een gerichte FISH-test niet automatisch was meegenomen.
Ook bij weefsel van echte patiënten leverde de techniek opmerkelijke resultaten op. Bij een maligne perifere zenuwschedetumor (MPNST) bracht OGM een bijzonder complex genoom in kaart, met tal van herschikkingen die aansluiten bij het verlies van gekende tumoronderdrukkende genen. Zulke complexiteit blijft met de klassieke, gerichte testen vaak grotendeels onzichtbaar.
De echte hindernis: het DNA zelf
Toch is de technologie geen wondermiddel dat morgen de klinische routine binnenwandelt. De grootste hobbel bleek niet de meettechniek zelf, maar iets veel praktischer: het isoleren van voldoende lang, intact DNA uit echt tumorweefsel. Waar cellijnen in het labo relatief gemakkelijk hoogwaardig DNA opleveren, is vers of ingevroren patiëntenweefsel veel grilliger. Het type weefsel, de hoeveelheid staal, de manier waarop het weefsel wordt losgemaakt, en zelfs hoeveel tijd er verstrijkt tussen de operatie en het invriezen van het weefsel, bleken allemaal een grote invloed te hebben op of de test uiteindelijk lukt.
Legein bracht deze factoren systematisch in kaart en vond dat bevroren weefsel van minstens 20 tot 40 milligram, in combinatie met een gecontroleerde mechanische dissociatie, de meest betrouwbare resultaten gaf. Bemoedigend nieuws: zelfs een vertraging van twee uur tussen het wegnemen van de tumor en het invriezen ervan, een realistisch scenario in een druk ziekenhuis bleek de kwaliteit van de analyse niet in gevaar te brengen. Vet- en bindweefselrijke tumoren blijven voorlopig wel een extra uitdaging.
Wat betekent dit voor patiënten?
Voor patiënten met een sarcoom kan een technologie als OGM op termijn het verschil maken tussen weken wachten op een reeks aparte testen, en één test die sneller een vollediger beeld geeft. Een snellere, preciezere diagnose betekent minder onzekerheid, en kan artsen helpen om sneller de juiste behandeling te kiezen. Bij zeldzame kankers zoals sarcomen, waar expertise vaak geconcentreerd is in enkele centra, kan een techniek die makkelijker te standaardiseren is bovendien helpen om de kwaliteit van diagnose gelijker te trekken tussen ziekenhuizen.
Legeins onderzoek plaatst OGM daarom niet als vervanger, maar als een krachtige aanvulling op de bestaande diagnostische gereedschapskist te combineren met gerichte sequencing voor kleinere mutaties en met RNA-sequencing om nieuwe fusies functioneel te bevestigen. Voor volledige klinische implementatie is nog verder optimalisatiewerk nodig, vooral rond de DNA-extractie uit lastige weefseltypes. Maar de resultaten uit deze thesis tonen alvast dat de technologie klaar is om die volgende stap te zetten.
Legein, J. (2026). Application of Optical Genome Mapping for detection of Structural Variants in Sarcomas. Masterthesis, Universiteit Gent. Promotor: Prof. N. Van Roy; Co-promotor: Prof. K. Durinck; Mentor: Dr. S. Loontiens.