Wat als één besmet dier genoeg is om een hele kudde in gevaar te brengen? Bij capripokken is dat risico reëel. Zelfs wanneer het dier zelf niet meer in beeld is, kan het virus nog op besmet materiaal achterblijven. Kan een extreme pH dan het verschil maken tussen verdere verspreiding en een uitgeschakeld virus?
Deze groep van nauw verwante virusziekten kan schapen, geiten en runderen treffen en dook de voorbije jaren opnieuw op in Europa. In 2025 en 2026 werden in verschillende landen uitbraken van schapenpokken geregistreerd, onder andere in Griekenland, Bulgarije, Roemenië en Noord-Macedonië. In Frankrijk, Italië en Spanje werd dan weer lumpy skin disease vastgesteld, een ziekte die runderen treft. Hoewel de ziekte zich in België nog niet heeft voorgedaan, tonen de uitbraken in onze Europese buurlanden aan dat een introductie mogelijk blijft.
Capripokken kunnen dieren ernstig ziek maken. Bij geitenpokken, een variant die geiten treft, kunnen symptomen optreden zoals hoge koorts, verminderde eetlust, algemene zwakte, ademhalingsmoeilijkheden en tranenvloed. Ook kunnen speekselvorming en neusafscheiding optreden, die kunnen indrogen en aanleiding kunnen geven tot korstvorming. De ziekte kan, naast de ernstige impact op de gezondheid van het dier zelf, ook belangrijke economische gevolgen hebben, zoals verminderde vlees- en melkproductie, infertiliteit en abortus, zeker in rurale gemeenschappen (plattelandsgebieden).
Daar stopt het probleem niet. Het virus kan zich rechtstreeks van dier op dier verspreiden, maar ook indirect via besmet materiaal zoals kledij, scheermateriaal, wol, haar of strooisel. Zo kan het virus zich verder verspreiden zonder dat twee dieren rechtstreeks contact hebben gehad.
Dit laatste vormt een extra uitdaging omdat het virus onder gunstige omstandigheden, zoals in een koele en donkere omgeving, lange tijd kan overleven, tot wel zes maanden. Toch heeft het virus ook zwakke plekken. Zonlicht, warmte, bepaalde chemische stoffen en extreme pH-waarden kunnen het aantasten. En precies die laatste zwakke plek vormt het vertrekpunt van mijn bachelorproef.
Hoe schakel je een hardnekkig geitenpokkenvirus uit?
Als extreme pH-waarden het virus kunnen aantasten, rijst de vraag hoe zuur of basisch de omgeving precies moet zijn om het virus uit te schakelen. Daarom werden zowel zure als basische omstandigheden onderzocht. De centrale vraag was eenvoudig: bij welke pH verliest het geitenpokkenvirus zijn vermogen om cellen te infecteren?
Om dat te onderzoeken, werd het geitenpokkenvirus onder gecontroleerde omstandigheden in het laboratorium gekweekt. Vervolgens werd het blootgesteld aan verschillende pH-waarden: van pH 2 tot 5 aan de zure kant en van pH 10 tot 13 aan de basische kant. Ook de blootstellingsduur varieerde: één minuut, dertig minuten of één uur.
In een eerste stap werden de stalen geanalyseerd met real-time polymerase chain reaction (PCR). Met deze techniek worden kleine hoeveelheden viraal DNA vermenigvuldigd totdat ze meetbaar worden. Zo kon worden nagegaan of het virus na de pH-behandeling nog op genomisch niveau aanwezig was. Maar de aanwezigheid van het genoom betekent niet automatisch dat het virus nog in staat is om cellen te infecteren. Daarom werd na elke behandeling ook onderzocht of er nog levend, infectieus virus aanwezig was. Dat gebeurde op twee verschillende manieren. Eerst werd de hoeveelheid levend virus bepaald, de zogenaamde virale titer, en vergeleken met een referentiewaarde zonder pH-behandeling. Daarnaast werd met een infectiviteitstest onderzocht of het virus nog in staat was om cellen te infecteren.
DNA aanwezig, maar niet noodzakelijk infectieus
Na alle pH-behandelingen kon met PCR nog viraal DNA worden aangetoond. Opvallend was dat er nauwelijks verschil was in de hoeveelheid aangetoond viraal DNA tussen de behandelde stalen en de onbehandelde referentie, ongeacht de pH of de blootstellingsduur.
Toch betekende dat niet dat het virus nog in staat was om cellen te infecteren. De infectiviteitstest liet namelijk een heel ander beeld zien. Bij pH 2 was het effect het sterkst: bij een voldoende lange blootstellingsduur werd het virus volledig uitgeschakeld. Bij pH 3 bleef de uitschakeling daarentegen gedeeltelijk. Bij pH 4 en 5 bleef het virus relatief stabiel en was het effect beperkt. Aan de basische kant had pH 10 eveneens weinig effect. Bij pH 11 en 12 werd het virus gedeeltelijk uitgeschakeld, terwijl het bij pH 13 in sterkere mate werd uitgeschakeld.
Niet alleen hoe zuur of basisch de omgeving was, maakte een verschil. Ook hoe lang het virus eraan werd blootgesteld, bleek belangrijk. Een blootstelling van één minuut was niet voldoende om het virus volledig uit te schakelen. Na dertig minuten lukte dat bij pH 2 en pH 13. Na zestig minuten was het virus volledig uitgeschakeld bij pH 2, pH 12 en pH 13.
Die resultaten maken duidelijk dat niet alleen de pH zelf, maar ook de blootstellingsduur een rol speelt. En juist die combinatie van pH én blootstellingsduur bepaalt mee wat deze resultaten buiten het laboratorium kunnen betekenen.
De stap naar de praktijk
De resultaten zijn vooral relevant in situaties waarin een pH-behandeling lang genoeg kan inwerken. Bij snelle desinfectie kan de contacttijd te kort zijn om het virus volledig uit te schakelen. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn na een morsincident in het labo of wanneer laarzen kort in een voetbad worden ondergedompeld bij een bezoek aan een veehouderij. In situaties waarin het virus aan een extreme pH kan worden blootgesteld, kan een pH-behandeling doeltreffender zijn. Toch is voorzichtigheid nodig. In het laboratorium werd het virus onderzocht in een gecontroleerde vloeistof. In de praktijk kan organisch materiaal, zoals eiwitten of celresten, de werking van de pH beïnvloeden. Verder onderzoek moet daarom uitwijzen hoe goed deze resultaten standhouden onder realistische omstandigheden.
Eén besmet dier kan het begin zijn van verdere verspreiding, maar besmet materiaal kan ervoor zorgen dat het probleem niet bij dat ene dier stopt. Weten onder welke omstandigheden het virus zijn infectiviteit verliest, kan daarom helpen om beter te begrijpen hoe die verspreiding kan worden beperkt.
Een extreme pH kan het geitenpokkenvirus dus hard raken, maar de juiste pH alleen is niet genoeg: ook de tijd die het virus eraan wordt blootgesteld, telt.
Babiuk, S., Bowden, T. R., Boyle, D. B., Wallace, D. B., & Kitching, R. P. (2008). Capripoxviruses: An emerging worldwide threat to sheep, goats and cattle. Transboundary and Emerging Diseases, 55(7), 263–272. https://doi.org/10.1111/j.1865-1682.2008.01043.x
Bhanuprakash, V., Indrani, B., Hosamani, M., & Singh, R. (2006). The current status of sheep pox disease. Comparative Immunology, Microbiology and Infectious Diseases, 2(1), 27–60. https://doi.org/10.1016/j.cimid.2005.12.001
Breman, F. C., Haegeman, A., Philips, W., Krešić, N., Hoffman, S., De Keersmaecker, S. C. J., Roosens, N. H. C., Agüero, M., Villalba, R., Miteva, A., Ivanova, E., Tasioudi, K. E., Chaintoutis, S. C., Kirtzalidou, A., & De Regge, N. (2024). Sheeppox virus genome sequences from the European outbreaks in Spain, Bulgaria, and Greece in 2022–2024. https://doi.org/10.1007/s00705-024-06165-6 Archives of Virology, 169(11), 234. EFSA Panel on Animal Health and Welfare. (2014). Scientific opinion on sheep and goat pox.
EFSA Journal, 12(11), Article 3885. https://doi.org/10.2903/j.efsa.2014.3885
Eom, H. J., Lee, E., & Yoo, H. S. (2023). Lumpy skin disease as an emerging infectious disease. *Journal of Veterinary Science, 24*(3), e42. https://doi.org/10.4142/jvs.23016
Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. (z.d.). Zoösanitaire toestand in België. FAVV. https://favv-afsca.be/nl/themas/dieren/dierengezondheid/zoosanitaire-to…;
Gitao, C. G., Mbindyo, C., Omani, R., & Chemenwo. (2017). Review of sheep pox disease in sheep. Journal of Veterinary Medicine and Research, 4(1). https://www.jscimedcentral.com/jounal-article info/Journal-of-Veterinary-Medicine-and-Research/Review-of-Sheep-Pox-Disease-in--Sheep-9681#
Haegeman, A., De Leeuw, I., Mostin, L., Van Campe, W., Aerts, L., Vastag, M., & De Clercq, K. (2019). An immunoperoxidase monolayer assay (IPMA) for the detection of lumpy skin disease antibodies. Journal of Virological Methods, 277, 113800. https://doi.org/10.1016/j.jviromet.2019.113800
Haegeman, A., Zro, K., Vandenbussche, F., Demeestere, L., Van Campe, W., Ennaji, M., & De Clercq, K. (2013). Development and validation of three Capripoxvirus real-time PCRs for parallel testing. Journal of Virological Methods, 193(2), 446–451. https://doi.org/10.1016/j.jviromet.2013.07.010
International Committee on Taxonomy of Viruses. (2026). Capripoxvirus. ICTV. https://ictv.global/taxonomy/taxondetails?taxnode_id=202504750&taxon_na…;
Lafar, S., Zro, K., & Ennaji, M. M. (2019). Capripoxvirus diseases: Current updates and developed strategies for control. In Elsevier eBooks (pp. 635–655). https://doi.org/10.1016/B978-0-12-819400 3.00028-4
Lei, C., Yang, J., Hu, J., & Sun, X. (2020). On the calculation of TCID50 for quantitation of virus infectivity. Virologica Sinica, 36(1), 141–144. https://doi.org/10.1007/s12250-020-00230-5
Limon, G., Gamawa, A. A., Ahmed, A. I., Lyons, N. A., & Beard, P. M. (2020). Epidemiological characteristics and economic impact of lumpy skin disease, sheeppox and goatpox among subsistencen northeast Nigeria. Frontiers in Veterinary Science, 7, 8. farmers https://doi.org/10.3389/fvets.2020.00008 Rodríguez, R. A., Pepper, I. L., & Gerba, C. P. (2008). Application of PCR-based methods to assess the infectivity of enteric viruses in environmental samples. Applied and Environmental Microbiology, 75(2), 297–307. https://doi.org/10.1128/AEM.01150-08
Tulman, E. R., Afonso, C. L., Lu, Z., Zsak, L., Sur, J., Sandybaev, N. T., Kerembekova, U. Z., Zaitsev, V. L., Kutish, G. F., & Rock, D. L. (2002). The genomes of sheeppox and goatpox viruses. Journal of Virology, 76(12), 6054–6061. https://doi.org/10.1128/JVI.76.12.6054-6061.2002
Tuppurainen, E. S. M., Venter, E. H., Shisler, J. L., Gari, G., Mekonnen, G. A., Juleff, N., Lyons, N. A., De Clercq, K., Upton, C., Bowden, T. R., Babiuk, S., & Babiuk, L. A. (2015). Review: Capripoxvirus diseases: Current status and opportunities for control. Transboundary and Emerging Diseases, 64(3), 729–745. https://doi.org/10.1111/tbed.12444
Wolff, J., Beer, M., & Hoffmann, B. (2020). Thermal inactivation of different capripox virus isolates. Microorganisms, 8(12), 2053. https://doi.org/10.3390/microorganisms8122053
World Organisation for Animal Health. (2020). Pox viruses (other than those listed by the OIE). Geraadpleegd van https://www.woah.org/app/uploads/2022/02/pox-viruses-other-than-those-l… by-the-oieinfection-with.pdf
World Organisation for Animal Health. (2024). Sheep pox and goat pox (Chapter 3.8.11). In WOAH terrestrial manual. https://www.woah.org/fileadmin/Home/fr/Health_standards/tahm/3.08.11_SH… .pdf World Organisation for Animal Health. (2026). World Animal Health Information System (WAHIS): Event management – Sheep pox and goat pox. Geraadpleegd op 23 mei 2026, van https://wahis.woah.org/#/event-management
Zewdie, G., Derese, G., Getachew, B., Belay, H., & Akalu, M. (2021). Review of sheep and goat pox disease: Current updates on epidemiology, diagnosis, prevention and control measures in Ethiopia. Animal Diseases, 1(1), 28. https://doi.org/10.1186/s44149-021-00028-2