Wanneer je als patiënt de diagnose kanker krijgt, staat je wereld even stil. Je toekomstplannen verdwijnen tussen ziekenhuisafspraken, onderzoeken en wat-als gedachten. Overleven wordt de prioriteit. Tijdens dit intensieve traject speelt zich echter ook een minder zichtbaar verhaal af: dat van de mond.
Tijdens chemo- en radiotherapie wordt ook de mond zwaar getroffen. Pijnlijke ontstekingen, infecties, smaakverlies, slikproblemen en een droge mond kunnen alledaagse handelingen zoals eten, drinken en medicatie innemen plots een stuk moeilijker maken. Wat begint als een probleem in de mond, kan zo een weerslag krijgen op het hele behandeltraject.
Wanneer mondproblemen niet tijdig worden herkend of behandeld, kunnen ze leiden tot ondervoeding, een verzwakte algemene conditie en moeilijkheden bij het innemen van medicatie. In ernstige gevallen zijn sondevoeding of infuusondersteuning nodig en moet de oncologische behandeling worden aangepast, uitgesteld of tijdelijk stopgezet. Een extra belasting voor patiënten en omgeving, die vermeden had kunnen worden.
Dat mondzorg binnen de oncologie vaak onderbelicht blijft, is geen nieuw gegeven. Hoewel internationale richtlijnen het belang van preventieve mondzorg en een vroegtijdige aanpak van mondproblemen benadrukken, ontbreekt in Vlaanderen nog steeds een uniforme werkwijze. Ook de rol van de mondhygiënist is binnen de oncologische zorg nog onvoldoende ingebed. Ondanks het tienjarig bestaan van het beroep in 2026, heeft de mondhygiënist tot op vandaag nauwelijks een structurele plaats binnen oncologische zorgtrajecten.
Maar hoe wordt mondzorg momenteel georganiseerd en waar liggen de grootste kansen voor verbetering?
Om deze vragen te beantwoorden, werd een uitgebreide literatuurstudie gecombineerd met interviews bij twaalf zorgprofessionals. Daarbij werd onderzocht hoe mondproblemen beter kunnen worden voorkomen en vroeger opgespoord, en welke rol de mondhygiënist kan opnemen binnen een interdisciplinair oncologisch team.
De resultaten brachten een opvallende paradox aan het licht. Iedereen erkent het belang van mondzorg, maar niemand bewaakt het volledige mondzorgtraject.
Zoals een van de geïnterviewde zorgprofessionals het treffend samenvatte:
“Iedereen weet dat mondzorg belangrijk is, maar in de praktijk is niemand er volledig verantwoordelijk voor.”
Artsen, verpleegkundigen en externe tandartsen nemen elk een deel van de zorg op zich vanuit hun eigen expertise en verantwoordelijkheden. Net daardoor dreigt mondzorg versnipperd te raken. Een vast aanspreekpunt dat de mondgezondheid doorheen het oncologisch traject bewaakt, ontbreekt. Hierdoor gaan kansen verloren om mondproblemen vroegtijdig op te sporen en complicaties te voorkomen.
Daar ligt volgens de geïnterviewde zorgprofessionals een mogelijke rol voor de mondhygiënist. Niet als vervanging van bestaande zorgverleners, maar als aanvulling op het oncologische team.
Toch volstaat erkenning van die meerwaarde niet. Uit de gesprekken kwamen ook praktische drempels naar voren. Welke taken neemt de mondhygiënist precies op? Hoe wordt de samenwerking met andere zorgverleners georganiseerd? En hoe kan deze zorg structureel worden gefinancierd? Zonder duidelijke afspraken blijft een vaste plaats binnen het oncologische zorgtraject moeilijk te realiseren.
Toch hoeft daarvoor niet vanaf nul te worden begonnen. Ziekenhuizen werken vandaag al multidisciplinair: artsen, verpleegkundigen en andere zorgprofessionals bundelen hun expertise rond dezelfde patiënt. De mondhygiënist zou binnen die bestaande structuur kunnen aansluiten als gespecialiseerd aanspreekpunt voor mondzorg.
Door als vaste, laagdrempelige en gespecialiseerde professional aanwezig te zijn, creëert de mondhygiënist het centraal aanspreekpunt dat vandaag ontbreekt. Die rol begint bij preventie: patiënten krijgen uitleg over hoe ze hun mond tijdens de behandeling kunnen verzorgen en welke klachten ze tijdig moeten melden. Door de mond regelmatig te controleren, kunnen problemen bovendien vroeg worden opgemerkt en opgevolgd. Wanneer bijkomende zorg nodig is, kan de mondhygiënist overleggen met andere zorgverleners of gericht doorverwijzen. Zo wordt de mondzorg niet beperkt tot één moment, maar opgevolgd doorheen het volledige oncologische traject.
Als we alles samennemen, is het duidelijk: de mondhygiënist vormt geen bijkomende luxe, maar een ontbrekende schakel binnen de oncologische zorg. Waarom benutten we dat potentieel nog niet?
De uitdaging ligt vandaag niet in het aantonen van de meerwaarde, maar in het effectief integreren ervan in de zorgorganisatie. Als we willen inzetten op kwaliteit van zorg, dan moeten we evolueren naar een model waarin mondzorg een vaste plaats krijgt. Het vraagt een duidelijke rolafbakening, een haalbaar financieringsmodel en vooral een sterke multidisciplinaire samenwerking. Alleen zo kan mondzorg echt een vaste en volwaardige plaats krijgen binnen de oncologische zorg.
Ons onderzoek maakt duidelijk dat het probleem niet ligt bij een gebrek aan erkenning. Zorgprofessionals zien het belang van mondzorg en de mogelijkheden die de mondhygiënist binnen het oncologische zorgtraject kan bieden. De uitdaging ligt nu in het creëren van de juiste voorwaarden om die expertise ook structureel te benutten.
Uiteindelijk draait die verandering niet alleen om de plaats van een zorgprofessional, maar om de patiënt. Om mondproblemen waar mogelijk te voorkomen, ze tijdig op te merken en te vermijden dat ze pas aandacht krijgen wanneer ze al een invloed hebben op het dagelijks leven of de behandeling al beïnvloeden.
De expertise is er. De nood wordt erkend. Nu moeten beide nog structureel worden samengebracht.
Want de mond vertelt tijdens een kankerbehandeling wel degelijk een verhaal. Het is aan de zorg om er tijdig naar te luisteren.