De rem zit op de verkeerde plaats

Wannes
Tijskens

De rem zit op de verkeerde plaats

Wie aan een touw naar beneden gaat, wordt afgeremd door dat touw zelf. Alle warmte en alle slijtage van een afdaling belanden zo in het enige onderdeel waar een mensenleven aan hangt. Ik bracht een toestel in kaart dat het anders aanpakt: daar komt 98 procent van die energie in een aparte, vervangbare rem terecht in plaats van in het touw.

Het touw doet twee dingen tegelijk

Een klimmer die na het klimmen naar beneden wordt gelaten, een brandweerman die een slachtoffer uit een brandend gebouw laat zakken, een technicus die zich langs de mast van een windmolen laat afdalen: alle drie hangen ze aan een touw dat door een afdaaltoestel loopt, en zo goed als elk van die toestellen werkt volgens hetzelfde principe. Het touw wordt in scherpe bochten door het toestel geleid. Waar het langs het metaal schuift, wrijft het, en die wrijving remt de afdaling. Wie sneller of trager wil, trekt losser of steviger aan het uiteinde dat vrij hangt.

Die beweging moet ergens gestopt worden. De energie die een dalend lichaam of een dalende last bezit, verdwijnt niet vanzelf; ze wordt omgezet in warmte, en die warmte ontstaat precies op de plek waar het touw over het metaal glijdt. Het touw draagt dus de last én remt de last. Twee taken die elkaar bijten, want de tweede beschadigt het onderdeel dat de eerste moet uitvoeren.

Die schade zie je bovendien niet. Een klimtouw heeft een dragende kern onder een gevlochten mantel, en die mantel kan er onberispelijk uitzien terwijl de kern eronder al warmte en slijtage heeft opgelopen. Omdat de remwerking uit datzelfde touw komt, verandert ook het remgedrag mee.

In de machinebouw verplaats je die slijtage: je wijst één onderdeel aan dat mag verslijten, maakt het goedkoop en snel vervangbaar, en houdt de rest van de constructie eruit. Bij afdaaltoestellen valt dat slijtdeel net samen met het dragende deel.

Een toestel dat werkt, zonder dat iemand weet waarom

Vijfentwintig jaar geleden begon Johan Boon aan een alternatief. Zijn Slow-Fall gebruikt het touw alleen nog om te dragen; het remmen gebeurt in een afzonderlijke remschijf.

De kern van het ontwerp is een V-vormige groef. Het touw wordt die groef in getrokken zoals een wig in een spleet en duwt daarbij de twee helften van het wiel uit elkaar. Die zijwaartse kracht drukt op de remschijf. Hoe zwaarder de last, hoe dieper het touw zich in de V wringt en hoe steviger er geremd wordt: de last activeert zijn eigen rem. Doseren doet de gebruiker zoals bij elk ander toestel, door meer of minder te trekken aan het losse uiteinde.

Het toestel werd gebouwd, getest, aangepast en opnieuw gebouwd. Het werkte. Klimzalen gebruikten het, en de Nederlandse Defensie liet er lasten mee zakken.

En toen liep het vast. Want niemand kon uitleggen wáárom het werkte.

 

Elke vraag kostte een nieuw prototype

Dat is geen academisch bezwaar maar een praktisch. Hoe zwaar mag de last zijn? Wat gebeurt er wanneer je die grens overschrijdt? Kan het lichter? Geen van die vragen was te beantwoorden zonder opnieuw te bouwen en te beproeven. Elke ronde kostte tijd en geld, en leverde niets op dat overdraagbaar was naar de volgende versie. Uiteindelijk werd de ontwikkeling stilgelegd.

Wat ontbrak was dus geen extra prototype. Wat ontbrak was inzicht.

Wat ik gedaan heb

Ik heb het toestel ontleed tot zijn afzonderlijke bouwstenen en die elk apart gemeten. Hoe gedraagt een klimtouw zich wanneer je er een gewicht aan laat vallen? Hoeveel kracht draagt het over wanneer je het rond een wiel wikkelt? Hoeveel remt de remschijf bij een gegeven druk?

Voor elk van die vragen ontwierp en bouwde ik een eigen testopstelling. Uit de valproeven volgde een nieuw rekenmodel voor klimtouw, dat twee effecten samen verklaart die bestaande modellen elk apart lieten liggen.

Die stukken bracht ik samen in één berekening van het volledige toestel. Om die te toetsen bouwde ik een grote opstelling waarin alles gelijktijdig gebeurt: een servomotor trekt volgens een exact herhaalbaar patroon aan het touw, terwijl sensoren de krachten meten over het hele traject. Meting en berekening naast elkaar, verschillen benoemen en verklaren.

Wat eruit kwam

Het uitgangspunt klopt: ongeveer 98 procent van de energie verdwijnt in de remschijf. Bij een conventioneel toestel is dat honderd procent in het touw.

De rest van het antwoord was minder voorspelbaar. De Slow-Fall blijkt een krachtversterker in twee trappen. De wikkelingen rond het eerste wiel versterken de handkracht met een vaste factor, volgens hetzelfde effect waarmee een matroos een schip vasthoudt met het touw enkele keren rond een bolder. De wig versterkt die kracht daarna een tweede keer.

Belangrijker nog: het toestel is een teruggekoppeld systeem. Versnelt de last, dan stijgt de spanning in het touw, dan drukt de wig harder, dan remt het toestel harder. De gebruiker trekt niet aan de last. Hij verschuift het werkpunt van een systeem dat zichzelf bijstuurt.

Waarom dat de moeite waard is

De slijtage verdwijnt niet, ze verhuist. Van een touw waarvan je de binnenkant niet kan beoordelen, naar een remschijf die in een minuut vervangen is. Bovendien hangt de remwerking niet langer af van de conditie van het touw.

Hoevéél langer een touw daardoor meegaat, is nog niet gemeten. Dat is een volgende stap. Wat wel vaststaat: de oorzaak van die slijtage is grotendeels weg.

Ontwerpkeuzes kunnen nu eerst berekend worden en pas daarna gebouwd. Daardoor kan de ontwikkeling opnieuw op gang komen, gericht op één toepassing tegelijk: zelfredding bij brand in hoogbouw, reddingswerken, klimzalen, het laten zakken van lasten.

Vijfentwintig jaar lang was de Slow-Fall een toestel dat werkte. Nu is het een toestel dat je kan uitleggen. Dat verschil is wat er nodig was om verder te kunnen.

Bibliografie

Bibliografie

Attaway, S. (1996). Rope System Analysis. ITRS. Retrieved from https://lamountaineers.org/pdf/xRopes.pdf

Bedogni, V., & Manes, A. (2011). A constitutive equation for the behaviour of a mountaineering rope under stretching during a climber's fall., (pp. 3353-3358). Procedia Engineering. doi:https://doi.org/10.1016/j.proeng.2011.04.553

Bert, C. (1973). Material damping: An introductory review of mathematic measures and experimental technique. Journal of Sound and Vibration. doi:https://doi.org/10.1016/S0022-460X(73)80131-2

Bowden, F., & Young, J. (1951). Friction of diamond, graphite, and carbon and the influence of surface films. Proceedings of the Royal Society of London. Series A. Mathematical and Physical Sciences, pp. 444-445.

Budynas, R., & Nisbett, J. (2015). Shigley's Mechanical Engineering Design. McGraw-Hill Education.

Ferry, J. (1961). Viscoelastic Properties of Polymers. Journal of The Electrochemical Society.

Findley, W., Lai, J., & Onaran, K. (1976). Creep and Relaxation of Nonlinear Viscoelastic Materials: With an introduction to linear viscoelasticity. North-Holland.

Gao, X., Wang, L., & Hao, X. (2015). An improved Capstan equation including power-law friction and bending rigidity for high performance yarn. In Mechanism and Machine Theory, 90 (pp. 84-94). Mechanism and Machine Theory.

Goldstein, H., Poole, C., & Safko, J. (2002). Classical Mechanics (3e ed.). San Francisco: Addison-Wesley.

Hearle, J., Grosberg, P., & Backer, S. (1969). Structural Mechanics of Fibers, Yarns and Fabrics. New York: Wiley-interscience.

Howell, H. (1953). The general case of friction of a string round a cylinder. Journal of the Textile Institute Transactions, 44, pp. 359-362.

Jung, J., Kang, T., & Youn, J. (2004). Effect of bending rigidity on the capstan equation. In Textile Research Journal, 74 (pp. 1085-1096). doi:https://doi.org/10.1016/j.mechmachtheory.2007.06.002

Jung, J., Pan, N., & Kang, T. (2008). Capstan equation including bending rigidity and non-linear frictional behavior. In Mechanism and Machine Theory, 43 (pp. 661-675).

Leuthäusser, U. (2012). Physics of climbing ropes – part 3: viscous and dry friction combined, rope control and experiments. SigmaDeWe. Retrieved from https://www.sigmadewe.com/fileadmin/user_upload/pdf-Dateien/Physics_of_…

Leuthäusser, U. (2015). The Physics of a Climbing Rope. SigmaDeWe. Retrieved from https://www.sigmadewe.com/fileadmin/user_upload/pdf-Dateien/SEILPHYSIK…

Morton, W., & Hearle, J. (1975). Physical Properties of Textile Fibres (2e ed.). London: Heinemann.

Pavier, M. (1998). Experimental and theoretical simulations of climbing falls. Sports Engineering, 1, pp. 79-91.

Rayleigh, J. (1877). The Theory of Sound, Vol. 1. London: Macmillan.

Stuart, I. (1961). Capstan equation for strings with rigidity. British Journal of Applied Physics, 12, pp. 559-562.

Wells, D. (1967). Schaum's Outline of theory and problems of Lagrangian Dynamics. New York: McGraw-Hill.

Wittel, H., Muhs, D., Jannasch, D., & Voßiek, J. (2013). Roloff/Matek Machineonderdelen (5e herziene druk). Academic Service (Sdu Uitgevers).