Vroegtijdig je bedrijfslening aflossen kan duur uitvallen: waarom onze wetgeving aan vernieuwing toe is

Efterpi
Kourtis

Wie een zakelijke lening vervroegd wil afbetalen, kan in België geconfronteerd worden met torenhoge uitstap-vergoedingen. Academisch onderzoek toont aan dat een verouderde wet uit 1934 zorgt voor willekeur en slepende rechtszaken, en pleit voor een dringende hervorming.

Stel je voor: je runt een goed draaiend bedrijf en hebt enkele jaren geleden een fikse banklening afgesloten. Intussen is de rente op de markt gedaald. Je besluit verstandig te zijn en je lening vervroegd terug te betalen om over te stappen naar een goedkoper krediet. Maar wanneer de afrekening van de bank in de bus valt, slik je even. De ‘vertrekboete’, in vakjargoon de wederbeleggingsvergoeding genoemd, blijkt torenhoog. En het vreemdste van al? Hoeveel je precies moet betalen, hangt in België niet af van eco-nomische logica, maar van een juridisch etiketje op je contract.

De Belgische wetgeving rond de vervroegde terugbetaling van zakelijke kredieten leidt tot grote rechtsonzekerheid en slepende rechtszaken. Zowel banken als ondernemingen zitten gevangen in een wettelijke doolhof dat dringend aan modernisering toe is.

Twee etiketjes, een wereld van verschil

Wanneer een onderneming geld leent bij de bank, gebeurt dat in de praktijk voor-namelijk onder twee hoofdvormen: een lening op interest of een kredietopening.

De lening op interest kan je vergelijken met een geldbedrag dat je in één keer ontvangt en vervolgens volgens een vast maandelijks schema afbetaalt. De kredietopening lijkt eerder op een flexibele geldreserve: het geld staat klaar, maar je kiest zelf wanneer en hoeveel je ervan opneemt.

Voor de gewone lezer lijkt dit een academisch detail, maar het financiële verschil bij een vroegtijdig vertrek is gigantisch. Voor de traditionele lening geldt namelijk een wet uit 1934 die de vergoeding begrenst tot maximaal zes maanden rente. Een bescheiden plafond dat de kredietnemer beschermt.

Bij een kredietopening geldt die wettelijke be-scherming in principe echter niet. Daar mag de bank het ‘werkelijke financiële verlies’ (actuariële funding loss) aanrekenen. Als de rente op de markt sterk is gedaald, kan die vergoeding oplopen tot tientallen of honderdduizenden euro’s meer.

De KMO-wet bracht rust, maar het lek is niet gedicht

Om kmo’s te beschermen, greep de Bel-gische wetgever in via de Wet KMO-Financiering. Voor zakelijke kredieten tot twee miljoen euro werd het plafond van zes maanden rente ook van toepassing gemaakt op kredietopeningen. Dat nam voor het kleinbedrijf de ergste druk weg.

Maar voor kredieten boven die grens van twee miljoen, en voor alle contracten die vóór 2014 werden afgesloten, blijft de juridische strijd onverminderd voortduren. Ondernemers die hun lening willen aflossen, stappen massaal naar de rechter om te bewijzen dat hun contract eigenlijk een ‘gewone lening’ was, om zo onder de torenhoge bankvergoeding te omzeilen. Rechters en juristen twisten al jaren over de vraag wanneer precies sprake is van ‘reële opnamevrijheid’.

Waarom een regel uit 1934 niet meer werkt

Volgens de masterproef is het onderscheid vanuit economisch oogpunt moeilijk te rijmen met de realiteit.

Wanneer een bedrijf een krediet vervroegd terugbetaalt, lijdt de bank namelijk precies hetzelfde soort schade, ongeacht of het contract ‘lening’ dan wel ‘kredietopening’ heet. De bank heeft immers zelf geld aangetrokken op de financiële markt om die lening mogelijk te maken. Als het geld plots vervroegd terugkomt in tijden van lage rente, kan de bank dat kapitaal enkel nog herbeleggen tegen een lager rendement.

Het wettelijk plafond van zes maanden rente stamt uit de nasleep van de beurscrash van 1929. In de huidige moderne financiële wereld is dat forfaitaire plafond een economische anachronisme geworden dat de werkelijke bankrealiteit negeert.

Het voorstel: naar een eerlijk en transparant ‘keuzemenu’

Hoe moet het dan wel? In de masterproef wordt gepleit voor een grondige hervorming van het Belgisch Burgerlijk Wetboek:

1° Schrap het verouderde onderscheid: maak een einde aan de juridische strijd tussen leningen en kredietopeningen. Voor de uitstapvergoeding moeten dezelfde regels gelden.

2° Hanteer de werkelijke financiële schade: veranker de zogenaamde actuariële funding loss-methode als de universele norm. Zo betaalt de ondernemer de werkelijke marktconforme schade van de bank, niet meer en niet minder.

3° Geef bedrijven een transparant keuzemenu: in plaats van rigide wettelijke plafonds moet de wetgever inzetten op transparantie. Ondernemers moeten vooraf een duidelijke keuze krijgen: óf ze kiezen voor een lagere maandelijkse rente met een hogere vergoeding bij vervroegde uitstap, óf ze kiezen voor een iets hogere rente met de garantie van een lage, vaste uitstapvergoeding.

Het Belgische kredietrecht staat op een kruispunt. Door af te stappen van paternalistische plafonds uit de jaren 30 en te kiezen voor transparantie en marktconforme berekeningen, kunnen we het evenwicht herstellen. Zo krijgen banken een eerlijke vergoeding voor hun werkelijke schade, terwijl ondernemers vooraf exact weten waar ze aan toe zijn, zonder dure verrassingen achteraf.

 

 

Bibliografie

Wetgeving

België

Grondwet.

Oud Burgerlijk Wetboek. 

Wet van 27 juli 1934 tot wijziging en aanvulling van artikel 1907 van het Burgerlijk Wetboek betreffende de interest krachtens overeenkomst, BS 29 juli 1934, 4145.

Wet van 21 december 2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen, BS 31 december 2013.

Wet van 18 december 2015 tot omzetting van Richtlijn 2013/34/EU van 26 juni 2013 van het Europees Parlement en van de Raad betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (1), BS 30 december 2015.

Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht, BS 27 april 2018.

Wet van 21 december 2017 houdende wijziging van de wet van 21 december 2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen, BS 21 december 2018.

Wetboek van vennootschappen en verenigingen, BS 23 maart 2019.

Wet van 28 april 2022 houdende boek 5 “Verbintenissen” van het Burgerlijk Wetboek, BS 1 juli 2022.

Gedragscode van 16 januari 2014 in het kader van de wet van 21 december 2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen, BS 4 maart 2014.

Voorbereidende werken 

Wetsontwerp betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming, KAMER, 2009-2010, 28 december 2009, nr. 52-2340/001.

Wetsvoorstel tot nadere regeling van de wederbeleggingsvergoeding, KAMER, 2012-2013, 19 november 2012, nr. 53-2507/001.

Wetsontwerp betreffende diverse bepalingen inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen, KAMER, 2013-2014, 24 oktober 2013, nr. 53-3088/001.

Wetsvoorstel tot nadere regeling van de wederbeleggingsvergoeding, KAMER, 2013-2014, 2 december 2013, nr. 53-3088/003.

Wetsontwerp houdende wijziging van de wet van 21 december 2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen, KAMER 2017-2018, 24 november 2017, nr. 54-2765/001.

Wetsvoorstel tot invoering van Boek 7 “Bijzondere contracten” in het Burgerlijk Wetboek, KAMER, 2024-2025, 20 februari 2025, nr. 56-0743/001.

Rechtspraak

HvJ 10 juli 2014, C-421/12, ECLI:EU:C:2014:2064, ‘Commissie/België’.

GwH 7 augustus 2013, 119/2013.

Cass. 9 maart 1973, Arr.Cass. 1973, 671.

Cass. 22 oktober 1999, RW 2001-2002/40, 1502.

Cass. 6 september 2002, RABG 2003/12, 637. 

Cass. 22 oktober 2004, RABG 2005/7, 647, noot BAECK J.

Cass. 27 oktober 2011, BFR 2014/1-2, 42.

Cass. 24 juni 2013, BFR 2014/1-2, 46.

Cass. 17 oktober 2014, C.13.0452.N.

Cass. 26 december 2014, C.14.0121.N.

Cass. 22 september 2015, S.14.0014.F.

Cass. 9 november 2015, S.13.0042.N.

Cass. 24 november 2016, NJW 2017/17, 742.

Cass. 28 september 2017, RW 2017-2018/81, 1543.

Cass. 27 april 2020, BFR 2020/3, 178.

Cass. 18 juni 2020, BFR 2020/4, 233.

Cass. 11 maart 2021, BFR 2021/4, 218.

Cass. 14 juni 2021, BFR 2021/4, 220.

Cass. 3 februari 2022, RW 2022-2023/3, 96.

Cass. 29 januari 2024, JLMB 2024/21, 937.

Cass. 17 juni 2024, C.23.0348.N, RW 2024-2025/3, 112. 

HvB Antwerpen 2 oktober 2003, TBH 2005/2, 174, noot BUYLE J.P. en DELIERNEUX M.

HvB Antwerpen 26 september 2019, NJW 2020/19, 882.

HvB Bergen 25 april 2016, DAOR 2016/119, 33.

HvB Bergen 29 januari 2018, DAOR 2018/3, 98. 

HvB Brussel 6 september 1999, RDC 2000/11, 703.

HvB Brussel 12 februari 2009, TBH 2011/4, 292.

HvB Brussel 11 juni 2009, DAOR 2009/91, 338.

HvB Brussel 25 november 2009, BFR 2014/1-2, 43.

HvB Brussel 27 september 2012, BFR 2014/1-2, 53.

HvB Brussel 8 februari 2013, DAOR 2013/3, 308.

HvB Brussel 9 mei 2016, TBH 2017/10, 1096.

HvB Brussel 13 mei 2016, DAOR 2016/119, 37.

HvB Brussel 22 januari 2018, RABG 2019/5, 418.

HvB Brussel 13 maart 2018, TBH 2019/2, 263.

HvB Brussel 3 mei 2022, RABG 2022/10, 666.

HvB Gent 9 april 2003, RW 2005-2006, 978, noot. VAN DEN STEEN L.

HvB Gent 16 juni 2008, BFR 2009/2, 100.

HvB Gent 17 januari 2017, TBH 2019/2, 259.

HvB Gent 28 november 2018, RABG 2019/5, 393.

HvB Gent 14 januari 2019, RABG 2019/5, 404.

HvB Gent 12 mei 2021, RW 2021-2022/9, 379.

HvB Gent 10 januari 2024, RW 2023-2024/39, 1551.

HvB Luik 28 januari 2010, TBBR 2010/9, 475. 

HvB Luik 10 september 2013, BFR 2014/2, 59.

HvB Luik 3 oktober 2018, JLMB 2019/4, 171. 

Rb. Brussel 11 december 2006, TBBR 2007/10, 630, noot BIQUET-MATHIEU C.

Rb. Charleroi 8 juni 2000, RDC 2001/12, 781.

Rb. Oost-Vl. (afd. Dendermonde) 8 januari 2016, TGR 2016/3, 192.

Kh. Brussel 18 december 2007, TBBR 2010/2, 93.

Kh. Brussel 28 april 2015, JLMB 2016/11, 496.

Kh. Brussel (Nl.) 10 december 2015, A/14/053842, TBH 2017/10, 1093.

Kh. Gent (afd. Gent) 4 juni 2015, DAOR 2017/121, 136 (samenvatting).

Kh. Luik (afd. Luik) 16 september 2016, DAOR 2016/120, 86.

Kh. Luik 19 mei 2017, JLMB 2017/31, 1495.

Rechtsleer

Boeken (en verzamelwerken)

BIQUET-MATHIEU C., Le sort des intérêts dans le droit du crédit: actualité ou désuétude du Code civil?, Ed. Collection Scientifique de la Faculté de Droit de Liège, 1998.

 

BOGAERT F., Overdracht van kredietrisico, Intersentia, 2013.

 

BOUDGHENE Y. en DE KEULENEER E., Pratiques et techniques bancaires, Larcier Business, 2016.

 

BUYLE J.P. en PROESMANS P., Le droit bancaire et financier en mouvement, Bruylant, 2012.

 

CAMBIE P., Onrechtmatige bedingen, Intersentia, 2009.

 

CRUTZEN N., MOLLY V., RODEYNS A., VERBRAEKEN G., LAUREYS L. en BIESBROUCK F., CeFiP-KeFiK Academic Awards 2009, Larcier, 2010.

 

DE PAGE H. en DEKKERS R., Traité élémentaire de droit civil belge: deel V, Bruylant, 1957.

 

DIERYCK A., Les ouvertures de crédit, Bruylant, 1945.

 

FALLOISE M., Traité des ouvertures de crédit, Larose & Forcel, 1891.

 

SCHRANS G. en STEENNOT R., Algemeen deel van het financieel recht, Intersentia, 2003.

 

TILLEMAN B., CARETTE N., DEMARSIN B., VAN DAMME N., VAN DEN ABEELE F., THIELENS M. en VERBEKE A.L., Bijzondere overeenkomsten: Themis 2020-2021 nr. 115, die Keure, 2020.

 

VAN DOORSLAER J., De kredietopening, Kluwer rechtswetenschappen, 1984.

 

VAN GERVEN W. en COVEMAEKER S., Verbintenissenrecht, Acco, 2001.

 

WERA T., BYTTEBIER K., JOSEPH D., GESQUIRE M., VANSTRAELEN J., DELANOTE M. en BORGERHOFF J., Ondernemingsrecht, die Keure, 2020, 29-32.

 

WERY P., Livre 5 du Code civil: les obligations. Les sources des obligations, Larcier-Intersentia, 2024. 

Bijdragen in verzamelwerken 

ALTER C. en VAN MUYLEM L., ‘Contrats de couverture et swap de taux d’intérêts (IRS): Les vestiges de pratiques bancaires révolues ?’ in VAN DEN HAUTE E. en LALLEMAND R. (eds.), Liber Amicorum François Glansdorff et Pierre Legros, Bruylant, 2013, 47.

 

APERS C., ‘Funding loss: une approche économique axée sur les principes fondamentaux de l’indemnité de rupture en cas de remboursement anticipé de crédits commerciaux à durée déterminée’ in BUYLE J.P. (ed.), La banque dans la vie de l’entreprise, Éditions du jeune barreau de Bruxelles, 2005, 353.

 

BEECKWEE A., ‘Commentaar bij artikel 1907bis BW’, in DAMBRE M., TILLEMAN B. en TANGHE T. (eds.), Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer, 2016, 131.

 

BEECKWEE A., ‘Du prêt à intérêt’ in DEL CORRAL J., DIRIX E., GODART V. e.a. (eds.), Focus sur les contrats spéciaux, Wolters Kluwer, 2023, 230. 

 

BECUE P., ‘Publieke kredietverzekering’ in ANDRE-DUMONT J., BECUE P., DE VOET C., DE LAMINNE DE BEX D., HULLEBROECK G., JUNION A., SCHILDERMANS C., SOLLIE I., VANDERGETEN P. en VAN DAELE G. (eds.), Kluwer’s Verzekeringshandboek, Wolters Kluwer, 2022.

 

BIQUET-MATHIEU C., ‘Remboursement anticipé et indemnité de remploi – Développements récents’ in Instituut Financieel Recht (ed.), Financiële regulering: een dwarsdoorsnede, Intersentia, 2019, 93.

 

BLOMMAERT D. en ALTER C., ‘Le droit du crédit – La loi du 21 décembre 2013 sur le financement des PME’, in AYDOGDU R. (ed.), Les petites et moyennes entreprises dans le droit des affaires, Bruylant, 2016, 39.

BLOMMAERT D. en BONNARENS F., ‘De wederbeleggingsvergoeding inzake hypothecaire krediet: vergelijking met andere gereglementeerde en commerciële kredieten’ in BIQUET-MATHIEU C. en TERRYN E. (eds.), Hypothecair krediet, die Keure, 2010, 501.

 

BLOMMAERT D. en VANNEROM J., ‘De geldlening op interest en de niet-wederopneembare kredietopening: verwant of toch verschillend? Mijmeringen bij het standpunt van het Grondwettelijk Hof’ in VAN DEN HAUTE E. (ed.), Liber Amicorum François Glansdorff et Pierre Legros, Bruylant, 2013, 69.

 

BLOMMAERT D. en VANNEROM J., ‘Kroniek gereglementeerd kredietrecht 2010-2016’, BFR 2016/2, 96.

 

BLOMMAERT D. en VANNEROM J., ‘Verantwoorde kredietverlening aan KMO’s. ‘Informatie’ en ‘Redelijkheid’: kernbegrippen ter bescherming van de financiële KMO’, DAOR 2015/2, 6.

 

BRULOOT D. en DE MUYNCK M., ‘Artikel 9 Wet 21 december 2013’ in WYMEERSCH E., STEENNOT R., STRAETMANS G., PEETERS I. en MICHIELS N. (eds.), Financieel recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, 2016, 201. 

 

BUYLE J.P. en CLOQUET L., ‘Le financement bancaire des PME: portée de la loi du 21 décembre 2013 et examen d’autres modes de financement’ in BUYLE J.P., CLOQUET L., LAGUESSE G., RAES D. en VANDENBERGHE N. (eds.), Actualités en matière de crédit, Larcier, 2016, 147.

 

BUYLE J.P. en DESSART B., ‘L’autonomie de la volonté en droit bancaire privé. Analyse de quelques questions d’actualité dans un contexte de crise: peer-to-peer banking, microcrédit, prêt sur gage, funding loss et débiteur en difficulté’ in FELTKAMP R. en VANBOSSELE F. (eds.), Wilsautonomie, contractvrijheid en ondernemingscontracten. Welke toekomst beschoren?, Intersentia, 2012, (241) 275.   

 

CATTARUZZA J., ‘La révision des conditions financières des ouvertures de crédit’ in BUYLE J.P. (ed.), La banque dans la vie de l’entreprise, Éditions du jeune barreau de Bruxelles, 2005, 317.

 

CREPLET O., ‘Chapitre 2 – Le crédit aux petites et moyennes entreprises’ in DE FRACQUEN V. en GRÉGOIRE M. (eds.), Droit bancaire et financier, Larcier, 2022, 391.

 

DE VOS P., ‘Die loze funding loss!’ in PEETERS J., RENIERS K. en GOOSSENS N. (eds.), Actuele problemen van financieel, vennootschaps- en fiscaal recht, Intersentia, 2017, 65.

 

DU LAING B., ‘Lening en kredietopening: een voorstel van theoretisch kader toegepast inzake hypothecair krediet’ in BIQUET-MATHIEU C. en TERRYN E. (eds.), Hypothecair krediet, die Keure, 2010, 91.

 

FORIERS P.A. en DELWAIDE A.F., ‘La sanction des manquements de l’emprunteur: les montants dus en cas d’inexécution du contrat’, in BOONE A.D., POULLET Y., LEFEBVRE A. en DAL G.A. (eds.), Le crédit à la consommation, Jeune Barreau, 1997, 135.

 

JANSEN R. en MUYLLE M., ‘Hypothecaire lening en krediet in de notariële praktijk’ in MUYLLE M, SWINNEN K., DE CLERCQ M., DEWITTE E., GHYSENS A., GROOTJANS A., HELSEN F., JANSEN R. en WYNANT S. (eds.), Notarieel kredietrecht, die Keure, 2019, 1.

 

MAES L. en STEENNOT R., ‘De vervroegde beëindiging van commerciële kredietovereenkomsten’ in BRULOOT D. (ed.), Rechtskroniek voor het notariaat: deel 38, KnopsPublishing, 2021, 33. 

 

RAES M. en PEETERS I., ‘Negatieve rente: een ronddwalend spook dat niet snel lijkt te verdwijnen’ in Instituut Financieel Recht (ed.), Financiële regulering: een dwarsdoorsnede, Intersentia, 2019, 65.

 

RAPSAET M., ‘Een commercieel krediet vervroegd terugbetalen: hoe groot moet het bliekje zijn om de snoek te vangen?’ in WAUTERS K. en DEVOS K. (eds.), Feestbundel Monard-D’Hulst 20 jaar, 2010, 191.

 

STEENNOT R. en WERBROUCK J., ‘Bindende kracht, wijziging, duur en opzegging, nakoming en niet-nakoming en tenietgaan van het contract in Boek 5 ‘Verbintenissen’ van het Burgerlijk Wetboek’, in SAGAERT V. en STORME M.E. (eds.), Het vernieuwde verbintenissenrecht doorgelicht, Wolters Kluwer, 2025, 351.

 

VANDENBROUCKE J. en LAGUESSE G., ‘Funding loss: à la recherche de la logique perdue’ in BUYLE J.P., CATTARUZZA J., GRÉGOIRE M. en WILLEMS A. (eds.), Actualités en droit commercial et bancaire, Larcier, 2017, 677.

 

VERHAEGEN D. en PURNAL D., ‘De vervroegde terugbetaling van commerciële kredieten: de “funding loss”-vergoeding revisited’ in CATTARUZZA J., KUPERS W. en PEETERS I. (eds.), Liber Amicorum Achilles Cuypers, Larcier, 2009, 305.

 

WYNMEERSCH E., ‘Strafbedingen o.m. inzake enkele kredietovereenkomsten’ in Krings E. (ed.) Liber amicorum prof. em. E. Krings, Story-Scientia, 1991, 921.

Bijdragen in tijdschriften

ANDRÉ-DUMONT A., ‘Le prêt, l’ouverture de crédit et la promesse de prêt: des contrats différents’, Rev. not. 2022/1, 6.

 

ANDRÉ-DUMONT A., ‘Ouverture de crédit et prêt: le critère de la liberté de prélèvement ou l’illusion de l’absolu’, TBH 2017/10, 1110.

 

ANTONISSEN B. en CASTEELS T., ‘Vlottere beurstoegang voor KMO’s. Rechtseconomische benadering van Europese regelgeving en initiatieven’, TRV 2018/8, 837.

 

BALLON G., ‘Over de kwalificatie als lening van een kredietopening t.v.v. een onderneming’, DAOR 2017/120, 90.

 

BIQUET-MATHIEU C., ‘Crédit hypothécaire et crédit d’investissement – Indemnités, frais et pénalités’, Rev.dr.ULg 2015/2, 231.

 

BIQUET-MATHIEU C., ‘Crédit, remboursement anticipé et indemnité de remploi’, RNB 2006/8, 494.

 

BIQUET-MATHIEU C., ‘L’article 1907bis limite l’indemnité de remploi à six mois d’intérêts en cas de remboursement anticipé’, RGDC 2007/10, 633.

 

BLOMMAERT D. en BENNOOT J., ‘De vervroegde terugbetaling van commerciële kredieten: it’s all about perspective’, RABG 2019/5, 412.

 

CATTARUZZA J., ‘L’indemnité de remploi au cœur des débats’, JT 2013/37, 720.

 

COOREMAN A. X., ‘Private equity: een welgekomen aanvulling op kredietverschaffing?’, Bank Fin. 2012/7, 467.

 

CORNIL P.E. en CORNIL D., ‘Funding loss… À la recherche de l’intérêt perdu’, Le Pil Juridique 2015/33, 11.

 

DE TROIJ D., ‘Kredietopening, lening op interest en wederbeleggingsvergoeding. What’s in a name?’, NJW 2017/370, 718.

 

DU LAING B., ‘(Geld)lening en krediet(opening)’, RW 2004-2005, 961.

 

FELTKAMP R. en MICHIELS N., ‘Actualiteit: Hof van Cassatie, 27/04/2020, C.19.0602.N’, TBH 2021/1, 97.

 

FRANKIGNOUL L., ‘Indemnité et remboursement anticipé d’un prêt à intérêt. La Cour de cassation confirme l’application de l’article 1907bis du Code civil’, JT 2017/6686, 292.

 

GEIREGAT S. en STEENNOT R., ‘Impact van de B2B-wet op de wilsautonomie en de rechtszekerheid: een rechtsvergelijkende analyse’, TPR 2019/3-4, 973.

 

GOETHALS S., ‘Het financieringsspectrum voor ondernemingen – The Range of Corporate Financing Solutions’, Bank Fin. 2014/2, 119.

 

LANGEDOCK L., ‘Mezzaninefinanciering’, Bank Fin. 2018/1, 41.

 

LAVEREN E., ‘Financiering van KMO’s: resultaten van een praktijkonderzoek en implicaties voor banken, overheid en ondernemers’, Bank Fin. 2009/4, 259.

 

LAVEREN E. en PUTTEMANS L., ‘Bankfinanciering voor KMO’s: knelpunten en mogelijke oplossingen’, Bank Fin. 2012/7, 453.

 

LEYS N., ‘Kwalificatie van de kredietovereenkomst: wijst Cassatie de weg?’, Juristenkrant 2020/415, 4.

 

LIERMAN F., ‘Kredieten aan ondernemingen in het gedrang?’, Bank Fin. 2006/5, 272.

 

MAREELS D., ‘Het Europees maatschappelijk middenveld over de toekomst van het financieel bestel en de banken. Enkele actuele adviezen van het Europees Economisch en Sociaal Comité’, BFR 2015/5, 358.

 

RAISSE H. en MESONNIER J.-S., ‘Accès au crédit des PME depuis la grande crise financière: quels effets des nouvelles politiques monétaires et prudentielles ?’, Revue d’économie financière 2023/150, 35.

 

SCHELHAAS H., ‘Opzegbeding versus strafbeding’, TBBR 2005/2, 102.

 

SMETS J. en VAN NIEUWENHUYZE C., ‘Recente ontwikkelingen in de kredietverstrekking aan de niet-financiële private sector’, BFW 2012/7, 426.

 

STIJNS S., ‘Contractualisering van sancties in het privaatrecht, inzonderheid bij contractuele wanprestaties’, RW 2001-2002/34, (1258) 1275.

TROCH K., ‘De wederbeleggings- en ‘funding loss’-vergoeding bij vervroegde terugbetaling van commerciële kredieten met bepaalde duur’, T.Fin.R. 2002/4, 248.

 

VAN DEN SPIEGEL F., ‘De impact van het nieuwe regelgevende kader voor banken op de beschikbaarheid van krediet’, Bank Fin. 2012/7, 439.

 

VAN DEN SPIEGEL F., ‘Kredietverlening aan ondernemingen: praktijk, risico’s, prijszetting en de problematiek van de vervroegde terugbetaling’, Bank Fin. 2018/2, 179.

 

VANDENBERGHE R., ‘Een structureel stevige banksector heeft de capaciteit om het zo verhoopte economische herstel te financieren’, Bank Fin. 2015/2, 84.

 

VAN DER HAEGEN M., ‘Rechtsvorming door toeval of beleid? Enkele beschouwingen over de rechtsvorming door het Hof van Cassatie naar aanleiding van het arrest van 27 april 2020 over de kwalificatie van de kredietopening’, TBH 2021/4, 381.

 

VANDEWALLE L., ‘De banken en de bedrijfsfinanciering’, Bank Fin. 2004/2, 77.

 

VAN GERVEN W., ‘Verkokering in het privaatrecht’, TPR 1991, 1021.

 

VAN WASSENHOVE Y., ‘Kredietverlening aan KMO’s. Nieuw wettelijk kader’, NJW 2014/307, 626.

 

VERMAERKE M. en DE CORT D., ‘Bancaire kredietverlening aan ondernemingen houdt stand ondanks financiële crisis’, Bank Fin. 2010/1, 31.

 

VRIELYNCK P., ‘Beslag op een kredietopening, een epiloog of het afsluiten van een etappe?’, TBH 2013/7, 666.

 

WEINBERGER M.D., ‘Funding loss… in translation’, BFR 2014/1, 3.

 

WEINBERGER M.D. en CAPITEYN E., ‘Le sort du crédit et le transfert de l’hypothèque’, Jurim Pratique 2016/1, 267.

 

Noten 

ALTER C. en VAN MUYLEM L., ‘Article 1907bis du Code civil et (re)qualification de l’ouverture de crédit (noot onder Kh. Charleroi 11 oktober 2013)’, TBH 2015/2, 193.

 

ANDRÉ-DUMONT A., ‘La banque qui entend réclamer la couverture de la totalité de sa perte en cas de remboursement anticipé est-elle vraiment sujet à critiques ? (noot onder HvB Brussel 9 mei 2016)’, TBH 2017/10, 1102.

 

ANDRÉ-DUMONT A. en MALENGREAU T., ‘Contentieux de la funding loss: la Cour de cassation pose des jalons (noot onder Cass. 27 april 2020)’, BFR 2020/3, 183.

 

ANDRÉ-DUMONT A. en MALENGREAU T., ‘Les liens tortueux entre ouverture de crédit et promesse de prêt (noot onder Cass. 18 juni 2020 en 11 maart 2021)’, TBH 2022/3, 354.

 

ANDRÉ-DUMONT A. en MALENGREAU T., ‘Sans option ni liberté, point de promesse de prêt (noot onder Cass. 11 maart 2021 en Cass. 14 juni 2021)’, BFR 2021/4, 224.

 

BIQUET-MATHIEU C., ‘Jurisprudence contrastée pour les indemnités de funding loss (noot onder HvB Brussel 13 maart 2018)’, TBH 2019/2, 267.

 

BIQUET-MATHIEU C., ‘Possibilité de renoncer à la protection de l’article 1907bis mais uniquement après le remboursement anticipé (noot onder Cass. 29 januari 2024)’, JLMB 2024/21, 942.

 

BIQUET-MATHIEU C., ‘Prêt versus ouverture de crédit – Confrontation d’un arrêt rendu par la cour d’appel de Liège avec l’enseignement découlant des arrêts de la Cour de cassation des 27 avril 2020 et 18 juin 2020 (noot onder HvB Luik 6 maart 2019)’, TBBR 2020/9, 515.

 

BLOMMAERT D. en DE WILDE O., ‘Lening op interest of kredietopening: enkele puzzelstukken op hun plaats gelegd (noot onder Cass. 18 juni 2020)’, RW 2021-22, 370.

 

BUYLE J.P. en DELIERNEUX M., ‘Remboursement anticipé de crédit et le coût du funding (noot onder HvB Antwerpen 2 oktober 2003)’, TBH 2005/2, 175.

 

BUYLE J.P. en METZGER T., ‘L’indemnité de remploi en matière de contrat de prêt à intérêt (noot onder Cass. 24 november 2016)’, BFR 2017/3, 165.

 

CLAESSENS C. en BUYLE J.P., ‘De kwalificatie van kredietopening: niet zomaar uit te sluiten (noot onder Cass. 3 februari 2022)’, RW 2022-23/3, 96.

 

DE HOON A., ‘Funding loss (noot onder Cass. 29 januari 2024)’, TBH 2024/2, 201.

 

DEMAECKER V., ‘De kwalificatie van kredietopening voor de financiering van een eenmalige vastgoedtransactie (noot onder Cass. 3 februari 2022)’, RABG 2022/10, 658.

 

DE MUYNCK M. en DE POTTER DE TEN BROECK M., ‘Begrip voor begripsverwarring? Capita selecta inzake de eenzijdige beëindiging van krediet(openingen) (noot onder HvB Brussel 15 september 2009)’, BFR 2011/1, 65.

 

FRANKIGNOUL L., ‘La promesse de prêt (noot onder Cass. 11 maart 2021 en Cass. 14 juni 2021)’, BFR 2021/4, 221.

 

GOYENS D., ‘Wederbeleggingsvergoeding: vergoeding op basis van artikel 1907bis BW of vergoeding van de ‘funding loss’? (noot onder HvB Brussel 12 februari 2009)’, Not.Fisc.M. 2010/2, 51.

 

HEIRMAN G. en IDE K., ‘Afstand van artikel 1907bis oud BW: wanneer is de tijd rijp? (noot onder Cass. 29 januari 2024)’, BFR 2024/9, 3.

 

LINTJENS R. en VERGOOSSEN R., ‘Kredietcrisis en de jaarrekening van Nederlandse ondernemingen’, Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 2010/84, 276.

 

MAES L., ‘Herkwalificatie van kredietovereenkomsten – cassatie bevestigt: opnamevrijheid staat centraal (noot onder Cass. 17 juni 2024), NJW 2025/529, 708.

 

MAES L., ‘Kwalificatie kredietovereenkomst en de toepassing van artikel 1907bis BW (noot onder Cass. 27 april 2020)’, NJW 2020/428, 692.

 

STEENNOT R., ‘Lening of kredietopening? Daadwerkelijke opnamevrijheid van kredietnemer is doorslaggevend (noot onder Cass. 11 maart 2021)’, RW 2022-23/3, 106.

 

VAN DEN STEEN L., ‘Het recht op de vervroegde terugbetaling van een krediet van bepaalde duur en de wederbeleggingsvergoeding (noot onder HvB Gent 9 april 2003)’, RW 2005-2006, 978.

 

WEINBERGER M.D., ‘Funding loss: status quo? (noot onder Cass. 24 november 2016)’, TBH 2017/8, 887.

 

Overige bronnen 

BOMPOTIS N., Separation of Investment Banking Activities from Universal Banks, Intersentia, 2025.

 

CENTRAAL BUREAU VOOR DE STATISTIEK, ‘Financieringsmonitor 2024’, Centraal Bureau voor de Statistiek 31 januari 2025, https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/aanvullende-statistische-diensten/2025/financieringsmonitor-2024?onepage=true (geraadpleegd op 11 april 2026).

 

CHIANG H., ‘Commercial loan borrower’s optimal borrowing and prepayment decisions under uncertainty’, Applied Economics 2007/39, 1013.

 

COSTA B.A. en JAKOB K., ‘Loan prepayment and default analyses of a US regional community development financial institution’, Enterprise development & microfinance 2018/29, 133.

 

DE NEDERLANDSE BANK, ‘Financiering via Nederlandse fintechs in drie jaar tijd meer dan verdubbeld’, De Nederlandse Bank 6 oktober 2025, https://www.dnb.nl/algemeen-nieuws/statistiek/2025/financiering-via-nederlandse-fintechs-in-drie-jaar-tijd-meer-dan-verdubbeld/ (geraadpleegd op 11 april 2026).

 

DEUTSCHER BUNDESTAG, ‘Finanzierung von kleinen und mittleren Unternehmen (KMU) in Deutschland’, Wissenschaftliche Dienste 5-3000-057/21, 2021.

 

ECKBO B.E., SU X. en THORBURN K.S., ‘Bank Compensation for the Penalty-Free Loan Prepayment Option: Theory and Evidence’, Management science 2025/71, 10414.

 

EUROPESE COMMISSIE, Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s – ‘Denk eerst klein’. Een ‘Small Business Act’ voor Europa, COM (2008) 394 definitief, 2008.

 

EUROPESE COMMISSIE, Mededeling van de Commissie aan de Raad, aan het Europees Parlement, aan het Comité van de Regio’s en aan het Europees Economisch en Sociaal Comité – Een actieplan ter verbetering van de toegang tot financiering voor kmo’s, COM(2011) 870, 2011.

 

FAYMAN A. en HE L.T., ‘Prepayment Risk and Bank Performance in Rising and Falling Interest Rate Environments’, Bank Accounting & Finance 2008/8, 34.

 

GOURIÉROUX C., ‘Création d’actifs financiers et remboursements anticipés’, L’actualité économique 1994/70, 227.

 

JOU J. en LEE T., ‘Prepayment option and the interest rate differential between a fixed- and floating-rate mortgage loan’, The Journal of Fixed Income 2016/25, 83.

 

KBC, ‘Oorlog in Iran: stijging energieprijzen en de gevolgen’, KBC 13 maart 2026, https://www.kbc.be/corporate/nl/info/nieuws/oorlog-in-iran.html (geraadpleegd op 9 april 2026).

 

NIŢESCU D. C., ‘Prepayment risk, impact on credit products’, Theoretical and applied economics 2012/08, Vol.XIX (8), 53.

 

SCHULZE BROCK P., KATSINIS A., LAGÜERA GONZÁLEZ J., DI BELLA L., ODENTHAL L., HELL M., LOZAR B. en SECADES CASINO B., ‘Annual Report on European SMEs 2024/2025’, SME performance review, Publications Office of the European Union 2025, 11-12, https://data.europa.eu/doi/10.2760/7714438, (geraadpleegd op 11 april 2026).

 

PIETTE C., DE WALQUE G., GODEFROID H., OUERK S., REUSENS P., TIELENS J., ZACHARY M.D. en ZIMMER H., ‘The impact of the recent episode of high inflation and interest rates on the Belgian economy: a helicopter view’, Economisch Tijdschrift 2025, 1.

 

WRIGHT S., The International Loan Documentation Handbook, Palgrave Macmillan, 2024.

Download scriptie (1.13 MB)
Universiteit of Hogeschool
KU Leuven
Thesis jaar
2026
Promotor(en) en begeleiders
Bert Keirsbilck, Jellen Rasquin
Kernwoorden