Een onderneming maakt winst. Maar hoeveel daarvan belandt uiteindelijk op de privérekening van de ondernemer? Twee Belgische belastingregelingen bieden kleine vennootschappen een voordelige uitweg. Door recente hervormingen kunnen ze hetzelfde nettobedrag opleveren. Toch zijn ze niet zomaar onderling verwisselbaar. Dat blijkt uit de bachelorproef van Mohammed Al-Takriti, die onderzocht waarom een goede dividendkeuze verder gaat dan percentages vergelijken.
Neem een ondernemer met €100.000 beschikbare winst, nadat de vennootschapsbelasting is betaald. Bij een gewone dividenduitkering met 30% roerende voorheffing houdt de aandeelhouder €70.000 over. Onder een toepasselijk gunstregime kan dat aanzienlijk meer zijn. Maar daarvoor moet de onderneming aan voorwaarden voldoen, soms jarenlang wachten en beslissingen nemen die later moeilijk terug te draaien zijn.
Een belastingvoordeel kiezen is daarmee ook kiezen wat je met de toekomst van je bedrijf wilt doen.
Voor kleine vennootschappen bestaan twee belangrijke technieken om winst fiscaal voordelig uit te keren: VVPRbis en de liquidatiereserve. Achter die technische namen gaan verschillende manieren van belasting betalen schuil.
VVPRbis geeft recht op een verlaagd tarief voor dividenden uit bepaalde aandelen. Onder meer de inbreng in geld, de kenmerken van de aandelen en de wettelijke wachttermijn spelen een rol. De onderneming betaalt geen afzonderlijke voorafgaande belasting om dit voordeel te verkrijgen.
Bij de liquidatiereserve gebeurt dat wel. De onderneming boekt winst op een afzonderlijke reserverekening en betaalt bij de aanleg een heffing van 10% op die reserve. Bij een latere uitkering kan daar nog roerende voorheffing bijkomen. Hoeveel, hangt onder meer af van wanneer de reserve werd aangelegd en hoelang ze werd behouden.
De ene route belast dus bij de uitkering. De andere vraagt al eerder een betaling.
Voor zijn bachelorproef Accountancy-Fiscaliteit aan UCLL vergeleek Al-Takriti beide systemen aan de hand van wetgeving, fiscale literatuur en administratieve bronnen. Hij onderzocht de voorwaarden, berekende de fiscale gevolgen en paste de vergelijking toe op scenario’s rond winstuitkering en familiale opvolging.
Daarbij stonden de hervormingen van 2025 en 2026 centraal. Die veranderden tarieven en wachttermijnen en maakten het onderscheid tussen oudere en nieuwere regelingen belangrijker.
Zijn onderzoek wijst op een verschuiving: wie wil weten welke techniek het beste past, moet ook kijken naar beschikbare middelen, investeringsplannen en toekomstige aandeelhouders. Een tarief alleen geeft daarop geen antwoord.
Dat wordt duidelijk bij een vergelijking met 18% roerende voorheffing voor VVPRbis en 9,8% bij een kwalificerende uitkering van een nieuwe liquidatiereserve na de vereiste wachttijd.
Bij VVPRbis blijft van €100.000 na 18% voorheffing €82.000 over.
Voor de liquidatiereserve moet dezelfde beschikbare winst eerst worden verdeeld tussen de reserve en de afzonderlijke aanslag. Omdat die aanslag 10% van de reserve bedraagt, wordt €100.000 gedeeld door 1,10. Zo ontstaat een reserve van €90.909,09 en een voorafgaande belasting van €9.090,91. Na 9,8% voorheffing op de reserve ontvangt de aandeelhouder eveneens €82.000.
Het eindbedrag is gelijk. De weg ernaartoe is dat niet.
Dit voorbeeld veronderstelt dat aan alle voorwaarden en wachttermijnen is voldaan. Het houdt bovendien geen rekening met rendement, financieringskosten of de waarde van tijd.
Die tijd kan voor een ondernemer zwaar doorwegen.
Wie een liquidatiereserve aanlegt, betaalt onmiddellijk een afzonderlijke belasting. Dat geld kan daarna geen nieuwe machine, voorraad of andere investering meer financieren. Bij VVPRbis ontbreekt die voorafgaande heffing.
Stel dat een onderneming wil uitbreiden. Dan is de vraag niet alleen hoeveel belasting bij een toekomstige uitkering verschuldigd zal zijn. Ook hoeveel geld vandaag beschikbaar blijft, kan de keuze bepalen.
Omgekeerd kan een ondernemer zonder onmiddellijke behoefte aan privé-inkomsten andere prioriteiten hebben. De verwachte uitkeringsdatum en de verdere plannen met de vennootschap worden dan belangrijker.
Een gelijk nettobedrag op papier betekent dus niet noodzakelijk een gelijk financieel resultaat doorheen de jaren.
De toekomst van de aandelen vormt een tweede belangrijk verschil.
Het VVPRbis-voordeel hangt samen met kwalificerende aandelen en hun eigendomsgeschiedenis. Een verkoop aan een derde kan het voordeel voor de overgedragen aandelen doen verdwijnen. Voor bepaalde familiale schenkingen bestaan uitzonderingen, waardoor een overdracht niet altijd tot verlies van het gunstregime leidt.
Een rechtsgeldig aangelegde liquidatiereserve blijft daarentegen binnen de vennootschap bestaan wanneer de aandeelhouders veranderen. Dat maakt haar relevant bij plannen voor verkoop of opvolging.
Wie alleen naar de volgende dividenduitkering kijkt, kan daardoor een beslissing nemen die minder goed aansluit bij een latere overdracht.
Al-Takriti besluit dat er geen universele winnaar bestaat. Beide systemen kunnen bruikbaar blijven, maar hun geschiktheid hangt af van de onderneming en haar aandeelhouders. Ze kunnen bovendien naast elkaar worden gebruikt.
Voor accountants betekent dat dat dividendplanning meer vraagt dan een tarief opzoeken. Wanneer heeft de ondernemer het geld nodig? Welke investeringen staan gepland? Is een aandelenoverdracht waarschijnlijk? En welke regels gelden voor bestaande aandelen en reserves?
Voor de ondernemer uit het openingsvoorbeeld eindigt de keuze daarom niet bij €82.000. De volgende vraag is wat er onderweg met het geld moet kunnen gebeuren.