Op verkenning met kinderen naar een kindvriendelijke stad

Céline
Ramioul

Wanneer kinderen gevraagd wordt of het milieu belangrijk is, antwoorden ze volmondig met ‘ja’. Als we niets doen aan de huidige klimaatproblematiek, “dan hebben wij geen toekomst meer”. Toch zijn kinderen zich er niet altijd van bewust dat de omgeving veranderd kan worden. De recente klimaatbetogingen waar kinderen spijbelden om hun stem te laten horen, zijn een stap in de goede richting. Maar er is meer nodig: participatieve processen hebben een enorm potentieel om kinderen als volwaardige mensen en medeburgers te laten meedenken over het verbeteren van onze leefomgeving.

Een actuele maatschappelijke uitdaging

Sinds enkele decennia is kindvriendelijkheid een belangrijk aspect geworden in onze maatschappij. Aanleiding voor deze bewustwording was het Kinderrechtenverdrag (1989) dat dit jaar zijn 30ste verjaardag viert. In deze masterproef heb ik onderzoek gedaan naar een kindvriendelijke stad: wat maakt een stad kindvriendelijk? Daar blijkt nog geen helder antwoord op te bestaan en dikwijls wordt deze term ingevuld door volwassenen, in plaats van door of samen met kinderen zelf. Vaak worden er in steden kind-specifieke plaatsen ontworpen, maar op die manier worden kinderen en jongeren uit beeld gebracht. Er is nood aan het herdenken van de stad als een plaats voor iedereen, inclusief kinderen.

Een kindvriendelijke stad vanuit verschillende perspectieven

Centraal in deze masterproef stond het onderzoek naar het perspectief van kinderen op kindvriendelijke steden. Op basis van een verkennend literatuuronderzoek werd gekozen voor een combinatie van methodes: tekenen, interviews, wandelingen en fotografie. Samen met een Leuvense klas van het derde leerjaar deed ik onderzoek naar hun perspectief. Wat denken ze over de kindvriendelijkheid van hun stad en hoe beleven de ze de stad?

Aanvullend werden andere perspectieven onderzocht, zoals het perspectief van het Child Friendly Cities Initiative (1996) van UNICEF en de Vlaamse versie hiervan: Kindvriendelijke Steden en Gemeenten. Daarnaast werd het perspectief van de stad Leuven onderzocht, alsook dat van twee ouders. Ten slotte werden al deze perspectieven in verband gebracht met het perspectief van kinderen.

Mogelijkheden en overgangszones

Uit het onderzoek blijkt dat de mogelijkheden die plaatsen bieden, kunnen verschillen tussen volwassenen en kinderen. Zo lijken kinderen fysieke grenzen spannend te vinden en zijn ze nieuwsgierig naar wat erachter ligt (zie Afbeelding 1 en 2).

197ccr-2 0Afbeelding 1: Poes achter raam

197ccr-4 0Afbeelding 2: Politiewagen achter haag

Het feit dat kinderen overal mogelijkheden zien om te spelen suggereert dat ze plaatsen interpreteren op een andere manier dan vooropgesteld was (door volwassenen). Toch beseffen kinderen dit zelf niet altijd. Ze fotograferen elkaar bijvoorbeeld al spelend op plaatsen waarvan ze weten dat die voor spel bedoeld zijn (zoals speeltuinen en parken, zie Afbeelding 3). Op plaatsen waarvan ze weten dat die niet voor spel bedoeld zijn, fotograferen ze elkaar niet, hoewel ze daar ook spontaan begonnen te spelen (zie Afbeelding 4).

imm007 N7 0Afbeelding 3: Speeltuin

197ccr-5 0Afbeelding 4: Spontane speelplek

Eerder onderzoek toont aan dat publieke plaatsen die we passeren doorheen de dag vooral belangrijk zijn voor mensen op leeftijd (bv. voor sociale interactie) en minder voor kinderen en jongeren (Gardner, 2011). Mijn onderzoek suggereert echter dat deze overgangszones ook relevant zijn voor kinderen en jongeren, met name op vlak van autonome mobiliteit en actie-mogelijkheden zoals spelen en sociale interactie. De actie-mogelijkheden die een stad kan bieden voor kinderen kunnen hun beleving van de stad verbeteren. Als een stad aangepast is voor kinderen halen ook mensen met een beperking, oudere mensen, ... hier voordeel uit. Dit sluit aan bij het principe ‘wat goed is voor kinderen, is goed voor iedereen’.

Spanningsvelden

Het label voor Kindvriendelijke Steden en Gemeenten wijst op een aantal uitdagingen in de huidige maatschappij. Vergroening en vergrijzing zijn twee van deze maatschappelijke uitdagingen en leiden tot een spanningsveld tussen jong en oud.

“Mijn mama vindt het te gevaarlijk omdat er ook van die kruispunten zijn enz. en dan vindt mijn mama dat niet tof om mij alleen te laten gaan.”

Een andere maatschappelijke uitdaging is veiligheid. Kinderen worden beperkt door hun ouders in het zich alleen verplaatsen door de stad omwille van verkeersveiligheid, maar ook omwille van stranger danger. Sociale beperkingen (van de ouders en de maatschappij) zorgen echter voor een vermindering in autonome mobiliteit, wat een impact heeft op de vrijheid van kinderen (Freeman et al., 2015). Kinderen hebben echter zelf ook kennis over hoe de stedelijke omgeving te gebruiken, wat kan verschillen van hoe een volwassene deze gebruikt (Soja, 1996). Het zou kunnen dat kinderen voorzichtiger zijn als ze zich niet in het bijzijn van hun ouders doorheen de stad verplaatsen.

kl4 2-9kopieAfbeelding 5: Schoolroute

De kinderen die meewerkten aan mijn onderzoek geven aan dat ze zelf hun weg zouden kunnen vinden in de stad. Uit de tekeningen blijkt dat kinderen zich bij het maken van hun schoolroutes baseren op landmarks of herkenningspunten om zich te oriënteren in de stad (zie Afbeelding 5).

imm000 N02 0Afbeelding 6: Auto's zijn niet goed

imm002 N2Afbeelding 7: Fietsen zijn wel goed

Na mijn onderzoek kan ik nog een uitdaging toevoegen: het milieu. Het was verrassend hoeveel kinderen en volwassenen bezig zijn met het milieu, het klimaat en de opwarming van de aarde (zie Afbeelding 6 en 7). Dit zou kunnen komen door de huidige tijdsgeest (cf. recente klimaatbetogingen). Door hieraan te denken, denken ze aan hun toekomst.

Afval is niet goed, want “dat verdwijnt tot hele kleine stukjes, en dan gaan die in de lucht beginnen zweven die hele kleine stukjes en dan ademen wij dat in en dan gaan wij stikken”.

Kinderen als ervaringsdeskundige

Tijdens mijn onderzoek stelde ik vast dat kinderen niets willen veranderen aan hun omgeving, of zich er niet van bewust zijn dat de omgeving verbeterd kan worden. Door middel van participatieprocessen zouden ze hierin wel inzicht kunnen krijgen. Kinderen hebben kennis over hoe ze de stedelijke omgeving kunnen gebruiken, maar die kennis kan verschillen van hoe een volwassene deze gebruikt. Dit kan ertoe leiden dat volwassenen denken dat het nodig is om de ideeën van kinderen te herinterpreteren door een volwassenbril. Het zou interessant zijn om participatieprocessen te laten evolueren van raadpleging naar echte samenwerking. Het feit dat kinderen anders denken dan volwassenen, kan alleen maar een verrijking zijn.

Bronnen

Alle foto's en tekeningen werden gemaakt door de kinderen (die anoniem moeten blijven). 

FREEMAN, C., VAN HEEZIK, Y., HAND, K., & STEIN, A. (2015). Making Cities More Child- and Nature- Friendly: A Child-Focused Study of Nature Connectedness in New Zealand Cities. Children, Youth and Environments, 25(2), 176-207. doi:10.7721/chilyoutenvi.25.2.0176

GARDNER, P. J. (2011). Natural neighborhood networks - Important social networks in the lives of older adults aging in place. Journal of Aging Studies, 25(3), 263-271.

SOJA, E. W. (1996). Thirdspace: Expanding the geographical imagination: Blackwell.

Download scriptie (9.15 MB)
Universiteit of Hogeschool
KU Leuven
Thesis jaar
2019
Promotor(en)
Ann Heylighen