Denken, spreken, ontwerpen. Over het vormvocabularium van de architect.

Thomas
Montulet
  • Thomas
    Montulet

Ich denke, dass jede Generation ein eigenes, durch ganz spezifische Lebensumstände bedingtes Lebensgefühl hat. Um dieses ausdrücken zu können, musst Du die Elemente einer Sprache kennen. Du kannst nicht fertige Formen übernehmen, sondern Du musst die Elemente begreifen.

[…] es stellt sich die Frage, inwiefern unser Beruf noch wirkliche Bedürfnisse der Menschen verarbeitet. Oder sind wir einfach nur noch eine kleine Gruppe von Spezialisten, die an der Architektur interessiert ist?

Vorm, in de breedste zin van het woord, genereert de omgeving waarin wij leven. Zinsneden als ‘buiten proportie’, ‘onooglijk klein’, ‘uit de kluiten gewassen’ tonen aan dat vorm, niet enkel in haar fysieke waarneembaarheid, zich doorgedrongen heeft tot het domein van de taal en daarmee tot die van het bewustzijn. Vorm dingt mee in de ervaring van mensen van een bepaalde plek, zet zich vast in de herinnering, bepaalt of mensen zich op hun gemak voelen – of juist zo snel mogelijk de ruimte wensen te verlaten.

Het vormgeven is het gebied waar alles waarmee de architect zich bezighoudt, zich verdicht tot de tekening, de maquette, het ontwerp. Daar we niet meer spreken van een stijl die een bepaalde vormentaal voorschrijft, rijst ongenaakbaar de vraag: hoe komt vorm tot stand?

Verdoezeld onder de retoriek van poëzie, op de tweede plaats gesteld vanwege de prioriteit van het concept, of gewoonweg vervangen door een grove laag real estate elementen: het begrip ‘vorm’ staat onder druk. Hoewel biënnales getuigen van de terugkeer naar het experimenteren met vorm, toont de onkunde van het spreken over vorm door hedendaagse architecten aan dat er een complex probleem zit op de idee ‘vorm’.

Deze thesis onderzoekt hoe de architect zijn vormenvocabularium opbouwt. Hoe krijgt het lichaam van het bouwvolume zijn uitdrukking? Op welke manieren komt een façadecompositie tot stand? Wat zijn de thema’s en begrippen waarmee de ontwerper werkt? Het gaat niet om een ontwerphandleiding voor architecten vast te leggen, maar om het begrijpen van keuzes van architecten, om overtuigingen tegenover elkaar te zetten, om te onderzoeken waar vorm ontstaat – en met welke intenties die ontstaat.

De keuze om enkel 20e-eeuwse en hedendaagse architecten naast elkaar te stellen, komt voort uit de manier van omgaan met de (vorm)problematieken na de implosie van het begrip ‘stijl’. De denk- en werkwijze van architecten in de eerste helft van de twintigste eeuw illustreert zeer precies de zoektocht naar een tijdseigen, aangemeten vormentaal om architectuur te maken. De objecten die in deze thesis besproken worden zijn, op meer of minder geslaagde wijze, getuigenissen van de mogelijkheid om met architecturale elementen een ontwerp te realiseren dat betekenis geeft aan een plek. Als ontwerper observeer ik deze dingen, bedien ik me van architectuurtheorie en -geschiedenis om ze op meerdere niveau’s te begrijpen. Met andere woorden: dit is geen theoretische verhandeling over de vormproblematieken in de (hedendaagse) architectuur. 

De heersende houding binnen het architecturale discours om vorm niet expliciet meer te bespreken, leidt tot het verliezen van de taal (en daarmee het denken) over vorm. De vraag is wat er precies op het spel staat. De pluralistische hoeveelheid aan legitieme oplossingen van hedendaagse architecten genereert de schijn dat vorm triviaal geworden zou zijn (zie bijvoorbeeld de notie van Bigness van Rem Koolhaas). Het weigeren om hierover te spreken is als een half verhaal vertellen. Deze thesis probeert (aan) te tonen wat de kwaliteiten zijn die verloren zouden kunnen raken. Niet onbelangrijk is het feit dat enkel gerealiseerde ontwerpen centraal staan - de discrepantie tussen concept en gebouwde werkelijkheid is een andere laag die het vormgeven heel precies weergeeft.

[…] het gebruik van de metafoor van de bedekking of die van het weefsel. Voor de eerste categorie gaat de werkelijkheid schuil onder een kleed, doek, sluier of stoflaag en wordt ze verbeeld als iets dat door de roman ontdekt kan worden. Voor de tweede categorie, de schrijver die de metafoor van het weefsel gebruikt, is de werkelijkheid een weefsel en bestaat er niet zoiets als een ware werkelijkheid die pas zichtbaar wordt als je er een laag vanaf krabt of de sluier optilt die haar bedekt. 

We kunnen de werkelijkheid alleen persoonlijk ervaren, gekleurd en ingekaderd door onze eigen blik, waarbij palet en kader zijn samengesteld door de manier waarop we de werkelijkheid hebben leren zien en duiden. 

De filosofe Connie Palmen beschrijft hier de mogelijke houdingen van schrijvers ten opzichte van de realiteit - en hoe deze invloed heeft op het schrijven van een roman. De geschreven tekst, het residu van de creatieve arbeid, verraadt de overtuigingen van de schrijver. De observaties van bepaalde thema’s, elementen of ontwerpprocessen in oeuvres van architecten óntdekken in die zin hetgeen waar het mij om gaat: de totstandkoming van vorm. 

Download scriptie (19.65 MB)
Universiteit of Hogeschool
Universiteit Gent
Thesis jaar
2013
Thema('s)