Micromorfologisch onderzoek van de zwarte laag te Antwerpen (burchtsite)

Barbora Wouters
 Hoe ver reikt de archeologie? Het mysterie van de Antwerpse ‘zwarte laag’Enkele maanden geleden ontstond er in de media heel wat ophef over de archeologie in Vlaanderen – haar kostenplaatje, maar ook haar nut, draagvlak en publiekswerking lagen zwaar onder vuur. Het doel van mijn thesis was niet om dit probleem rechtstreeks aan te pakken, maar ze kan er wel toe bijdragen om dit negatieve beeld te weerleggen. De archeologie is immers een erg actuele wetenschap die zich voortdurend ontwikkelt.

Micromorfologisch onderzoek van de zwarte laag te Antwerpen (burchtsite)

 Hoe ver reikt de archeologie? Het mysterie van de Antwerpse ‘zwarte laag’

Enkele maanden geleden ontstond er in de media heel wat ophef over de archeologie in Vlaanderen – haar kostenplaatje, maar ook haar nut, draagvlak en publiekswerking lagen zwaar onder vuur. Het doel van mijn thesis was niet om dit probleem rechtstreeks aan te pakken, maar ze kan er wel toe bijdragen om dit negatieve beeld te weerleggen. De archeologie is immers een erg actuele wetenschap die zich voortdurend ontwikkelt. Door het stellen van de juiste vragen en het gebruik van gesofisticeerde methoden is ze in staat om oplossingen te vinden voor kwesties die op geen enkele andere manier achterhaald zouden kunnen worden. Zo behandelt mijn onderzoek de mysterieuze ‘zwarte laag’ van Antwerpen.

Deze ‘zwarte laag’ is een dik, homogeen pakket donkere aarde dat werd teruggevonden onder een 9de-eeuwse site in het centrum van Antwerpen. De site bevond zich aan de Antwerpse burcht, nabij het Steen en de Scheldekaaien. De opgraving legde dichte sporen van bewoning bloot, met goedbewaarde houten knuppelpaden en wanden van vlechtwerk, maar ook prestigieuze voorwerpen zoals een versierde schijffibula en ter plaatse bewerkte voorwerpen in been (o.a. kammen). Een aarden omwalling omringde deels deze sporen. De geschreven bronnen over deze periode zijn zeer schaars, waardoor over het Antwerpen van de negende eeuw slechts weinig bekend is. Wat betreft de tijd voor de negende eeuw weten we echter nagenoeg niets over deze stad. De zwarte laag speelt daarom een cruciale rol bij het ontrafelen van de vroegste stedelijke ontwikkeling – een zeer raadselachtige periode in de geschiedenis van de stad. Deze laag bevindt zich immers net boven sporen van laatromeinse brandgraven en bevat dus aanwijzingen over vroegmiddeleeuws Antwerpen tussen de 4de en 9de eeuw. Aldus de periode waarvan we over noch schriftelijke, noch archeologische bronnen beschikken.

Hoe zag Antwerpen eruit voor ze zich vanaf de 9de eeuw tot een rijke handelsplaats ontpopte? Waren er mensen aanwezig? Zo ja, in welke hoedanigheid waren ze aanwezig? Welke activiteiten vonden er plaats? Wat zijn de redenen voor de sterke bloei in vanaf de volle middeleeuwen? En is het überhaupt wel mogelijk om een antwoord op deze problematieken te bieden?

Bovenstaande vragen konden slechts beantwoord worden door een manier te vinden om de zwarte laag te ontcijferen. Het grootste probleem bij het onderzoeken van zwarte lagen is immers dat ze zeer sterk gebioturbeerd zijn. Dit wil zeggen dat ze herhaaldelijk herwerkt en vergraven zijn door plantenwortels en dieren. Vooral regenwormen zorgen ervoor dat zwarte lagen hun typische uiterlijk van een eentonige massa krijgen. Dit maakt het heel moeilijk om met het blote oog verschillende activiteitenlagen te onderscheiden, zoals bij archeologisch onderzoek gewoonlijk het geval is. Het is meteen ook de reden waarom zwarte lagen op andere sites in het verleden zeer weinig of gewoonweg niet bestudeerd werden, men was immers van mening dat ze geen betekenisvolle bijdrage konden leveren aan het onderzoek. Nochtans is het fenomeen van zwarte lagen op de plaats waar zich (vroeg)middeleeuwse steden ontwikkelden er een van een internationale orde. Ze werden bijvoorbeeld reeds teruggevonden in steden zoals Londen, Parijs, Tours, Firenze, Brussel en vele andere.

Omdat het bestuderen van zwarte lagen aan de hand van gebruikelijke technieken bijna onmogelijk is, heb ik een speciale methode gebruikt die totnogtoe zelden is toegepast op archeologische sites in België. Deze methode is de micromorfologie, en is reeds langere tijd in gebruik in o.a. het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Het is een techniek waarbij bulkstalen genomen worden uit de bodemprofielen zonder deze te verstoren. Daarna worden ze gedroogd en met kunsthars geïmpregneerd om er vervolgens een flinterdun laagje van af te snijden. Dat wordt op een glazen plaatje bevestigd en onder de microscoop bestudeerd. Het bijzondere aan deze methode is dat de stalen niet verstoord worden. Dit maakt het mogelijk om op microscopische schaal te kijken naar een doorsnede van de archeologische site. Op deze manier kunnen we zien welke artefacten zich in de slijpplaatjes bevinden, maar vooral ook welke bodemkundige en menselijke processen hebben plaatsgevonden. Deze processen laten immers steeds een spoor na in de bodem. Deze methode is bijgevolg ideaal voor het bestuderen van zwarte lagen omdat het mogelijk is om veel meer details te onderscheiden en zeer kleine aanwijzingen op te merken, zelfs in sterk herwerkte bodems.

Voor de zwarte laag van Antwerpen bleek deze methode heel doeltreffend. Ik heb kunnen aantonen dat er wel degelijk menselijke invloed was in de vroege middeleeuwen. Verschillende activiteiten die voorafgingen aan de 9de-eeuwse stad konden geïdentificeerd worden. In het bovenste gedeelte van de zwarte laag vond ik aanwijzingen voor het stallen van dieren, hoogstwaarschijnlijk grazers, op een grondbedekking van gras of stro. In de onderste lagen waren er relatief overtuigende indicaties voor de cultivatie van graangewassen. In de hoger gelegen delen van de zwarte laag (tussen de cultivatie- en stallingslagen) was de verstoring door bioturbatie te groot om met zekerheid een bepaalde activiteit te identificeren. De mogelijkheid bestaat dat we hier te maken hebben met graasland, maar voorafgaande cultivatie kan niet uitgesloten worden. Een opeenvolging of combinatie van beide activiteiten, bijvoorbeeld in het kader van wisselbouw (het afwisselend gebruik van grond voor cultivatie, braakliggend terrein en graasland), lijkt een plausibele veronderstelling.

Mijn onderzoek toonde aan dat het gebruik van de micromorfologie veel nieuwe informatie kan voortbrengen over moeilijk te begrijpen archeologische fenomenen zoals zwarte lagen. Bovendien kon ik aan de hand van archiefwerk nog een twintigtal andere plaatsen in Antwerpen identificeren waar hoogstwaarschijnlijk zwarte lagen aanwezig zijn, maar in het verleden niet als zodanig geïdentificeerd werden. Dit betekent dat er een enorm potentieel bestaat om in de toekomst mijn resultaten te vergelijken met nieuwe gegevens. Het complementeren van dit onderzoek met andere hoogtechnologische methodes, chemische en biologische analyses kan ons helpen om de vroegste middeleeuwse geschiedenis van Antwerpen verder te ontcijferen.

Benaderingen zoals deze kunnen bijdragen tot een groter inzicht in het belang van verschillende archeologische sites. Zo kan gemakkelijker ingeschat worden wat het potentieel van een bepaalde site en de return aan vernieuwende informatie van het archeologisch onderzoek op die plaats kan zijn. Op die manier kan een wetenschappelijk selectiecriterium voor archeologische sites gehanteerd worden waardoor de archeologie ook opnieuw financieel draagbaarder kan worden voor de samenleving.

Bibliografie
  •  Ackermans & Oost 1976 J. Ackermans & T. Oost 1976, Archeologisch algemeen toezicht. Maandverslag januari 1976, 2 februari 1976, Antwerpen. (Dossier A. Sp Stadsparking) Onuitgegeven rapport Stad Antwerpen, dienst archeologie.
  • B. AMBROSIANI & H. CLARKE (eds.) 1992, Investigations in the Black Earth. Early Investigations and future plans, Stockholm. (= Birka Studies 1)
  • B. AMBROSIANI & H. CLARKE (eds.) 1995, Excavations in the Black Earth 1990, Stockholm. (= Birka Studies 2)
  • N. Baeyens 2010, De Burchtsite onderzocht: studie van de ceramiek uit Burchtsite 3 te Antwerpen. Onuitgegeven masterproef Vrije Universiteit Brussel.
  • T. Bellens, A Schryvers, D. Tys, D. Termote & H. Nakken 2011 (in druk), “Archeologisch onderzoek van de Antwerpse burcht”, Monumenten en Landschappen.
  • I. Boeren 2010, “Inventarisatie, evaluatie en onderzoek van hout en houtskool uit de burchtzone, Antwerpen”, Rapporten natuurwetenschappelijk onderzoek VIOE, RNO.VIOE.2010-004.
  • B. Boissavit-Camus et al. 2000, “Villes de France dans lesquelles ont été mentionnées des terres noires entre Antiquité et Moyen Age: étude lexicologique d’après le Annuaires des opérations de terrain en milieu urbain (l’Annuaire) et les Bilans scientifiques régionaux (BSR)”, in: L. VERSLYPE & R. BRULET (eds.): Terres Noires – Dark Earth. Actes de la table ronde internationale tenue à Louvain-la-Neuve, les 09 et 10 novembre 2001, Louvain-la-Neuve, p. 7-14. (= Collection d’archéologie Joseph Mertens XIV)
  • Q. Borderie 2011, L'espace urbain entre Antiquité et Moyen Âge: analyse géoarchéologique des terres noires, études de cas. Onuitgegeven doctoraatsverhandeling Université de Paris 1 – Sorbonne.
  • L.-M. Bresson & C. Valentin 1994, “Soil surface crust formation: contribution of micromorphology”, in: A. J. Ringroase-Voase & G. S. Humphreys (eds.), Soil Micromorphology: Studies in Management and Genesis. Proceedings of the IXth International Working Meeting on Soils Micromorphology, Townsville, Australia, July 1992, Amsterdam, p. 737-762. (= Developments in Soil Science 22)
  • G. P. BROGIOLO, M. CREMASCHI & S. GELICHI 1988, “Processi di stratificazione in centri urbani (dalla stratificazione naturale alla stratificazione archeologica)”, in: Archeologia Stratigrafica in Italia Settentrionale. Atti del convegno in Brescia (1 marzo 1986), vol. 1 Como, p. 23-30.
  • R. BRULET, C. COQUELET, A. DEFGNÉE, F. PIGIÈRE & L. VERSLYPE 2004, “Les sites à “terres noires” à Tournai et le secteur des anciens cloîtres canoniaux. Études archéozoologique, palynologique et contextualisation”, in: L. VERSLYPE & R. BRULET (eds.): Terres Noires – Dark Earth. Actes de la table ronde internationale tenue à Louvain-la-Neuve, les 09 et 10 novembre 2001, Louvain-la-Neuve, p. 152-172. (= Collection d’archéologie Joseph Mertens XIV)
  • R. G. Bryant & D. A. Davidson 1996, “The Use of Image Analysis in the Micromorphological Study of Old Cultivated Soils: an Evaluation Based on Soils from the Island of Papa Stour, Shetland”, Journal of Archaeological Science 23, p. 811-822.
  • D. Callebaut 1987, “Enige suggesties in verband met het Xde- en XIde-eeuwse Antwerpen”, in: E. Warmenbol (ed.), Het ontstaan van Antwerpen. Feiten & fabels, Antwerpen, p. 185-194.
  • C. Cammas, F. Champagne, C. David, B. Desachy & L. Guyard 1955, “Le problème des ‘terres noires’ sur les sites urbains tardo-antiques et médiévaux: réflexions et propositions méthodologiques à partir de l’exemple du Collège de France à Paris”, Les Nouvelles de l’Archéologie 61, p. 22-29.
  • C. CAMMAS, M. A COURTY & N. FEDOROFF 1998, “Dynamique de la bio-structuration dans les sols cumuliques. Cas des “terres noires” de Paris. Symposium 18: Rôle et contributions des processus biologiques dans le fonctionnement et l’évolution des systèmes de sol”, in: Proceedings of 16th World Congress of Soil Science, Montpellier, 20-26 août 1998, webpublicatie (http://natres.psu.ac.th/Link/SoilCongress/bdd/symp18/674-t.pdf).
  • C. CAMMAS 2004, “Les “terres noires” urbaines du Nord de la France: première typologie pédo-sédimentaire”, in: L. VERSLYPE & R. BRULET (eds.): Terres Noires – Dark Earth. Actes de la table ronde internationale tenue à Louvain-la-Neuve, les 09 et 10 novembre 2001, Louvain-la-Neuve, p. 43-55. (= Collection d’archéologie Joseph Mertens XIV)
  • S. P. Carter & D. A. Davidson 1998, “An Evaluation of the Contribution of Soil Micromorphology to the Study of Ancient Arable Agriculture”, Geoarchaeology 13 (6), p. 535-547.
  • D. Celis 2010, De zandwal van Antwerpen in context. Een vergelijkend onderzoek naar de structuur van het verdedigingslichaam uit de hoge middeleeuwen. Onuitgegeven masterproef Vrije Universiteit Brussel.
  • M. A. COURTY, P. GOLDBERG & R. I. MACPHAIL 1989, Soils and Micromorphology in Archaeology, Cambridge. (= Cambridge Manuals in Archaeology)
  • M. CREMASCHI 1992, “Caratteristiche geoarcheologiche della succession stratigrafica posta in luce nello scavo archeologico di piazetta Castello”, in: S. GELICHI (ed.), Ferrara prima e dopo il castello. Testimonianze archeologiche per la storia della città, Ferrara, p. 58-65.
  • H. Dalwood 1992, “The Use of Soil Micromorphology for Investigating Site Formation Processes”, in: K. Steane (ed.), Interpretation of Stratigraphy: a Review of the Art. Proceedings of a Conference held on Thursday 18th June 1992 at City of Lincoln Archaeology Unit, The Lawn, Lincoln, Lincoln. (= CLAU Archaeological Report 31)
  • C. David, C. Cammas, V. Durey-Blary, C. Féchant, S. Jesset, D. Josset & F. Naizet 2000, “Problématique archéologique. Méthodes et techniques appliqués à l’étude des terres noires: état de la recherche”, in: Terres Noires – 1, Tours, p. 15-38. (= Documents Sciences de la ville 6)
  • Collectief artikel onder leiding van C. David (ed.), “Terres noires urbaines. Collège de France (Paris 5e) – Boulevard Saint-Michel (Paris 5e). Procédures de fouilles: protocole analytique et protocole experimental (février 1997)”, in: Terres Noires – 1, Tours, 61-72. (= Documents Sciences de la ville 6)
  • C. DAVID 2004, “Les “terres noires”: outils méthodologiques, propositions analytiques et perspectives à partir de quelques examples de sites à “terres noires” de l’Antiquité tardive et du haut Moyen-Age du nord de la France”, in: L. VERSLYPE & R. BRULET (eds.), Terres Noires – Dark Earth. Actes de la table ronde internationale tenue à Louvain-la-Neuve, les 09 et 10 novembre 2001, Louvain-la-Neuve, p. 12-31. (= Collection d’archéologie Joseph Mertens XIV)
  • D. A. Davidson, P. M. C. Bruneau, L. C. Grieve & I. M. Young 2002, “Impacts of fauna on an upland grassland soil as determined by micromorphological analysis”, Applied Soil Ecology 20, p. 133-143.
  • B. Desachy 2000, “”Terres noires” du Collège de France (Paris): traitement par analyse factorielle des comptages en poids de fragment de matériaux de construction”, in: Terres Noires – 1, Tours, p. 77-82. (= Documents Sciences de la ville 6)
  • Y. DEVOS, L. VRYDAGHS, C. LAURENT, A. DEGRAEVE & S. MODRIE 2007, “L’anthropisation du paysage bruxellois au 10e-13e siècle. Résultats d’une approche interdisciplinaire”, in: On the Road Again. 4e Congrès International d’Archéologie Médiévale & Moderne (Medieval Europe Paris), webpublicatie (http://medieval-europe-paris-2007.univ-paris1.fr/Y.Devos%20et%20al.pdf).
  • Y. DEVOS, K. FECHNER, L. VRYDAGHS & A. DEGRAEVE, 2007. “Contribution of archaeopedology to the palaeoenvironmental reconstruction of (pre-)urban sites at Brussels (Belgium). The example of the Treurenberg site”, in: G. BOSCHIAN (ed.), Proceedings of the Second International Conference on Soils and Archaeology, Pisa, 12th-15th May, 2003, Pisa, p. 145-151. (= Atti della Società toscana di Scienze naturali, Memorie, Serie A, 112) Webpublicatie (http://www.stsn.it/serA112/18%20Devos.pdf).
  • Y. DEVOS & L. VRYDAGHS 2007, “L’identification des couches noires à Bruxelles. Un état de la question”, Archaeologia Medievalis Chronique/Kroniek 30, p. 53-56.
  • Y. DEVOS, L. VRYDAGHS, A. DEGRAEVE & K. FECHNER 2009, “An archaeopedological and phytolitarian study of the “Dark Earth” on the site of Rue de Dinant (Brussels, Belgium)”, Catena 78, p. 270-284.
  • Y. Devos, L Vrydaghs, A. Degraeve & S. Modrie, “Unravelling urban stratigraphy. The study of Brussels’ (Belgium) Dark Earth. An archaeolopedological perspective”, Medieval and Modern Matters 2.
  • M. FONDRILLON 2007, La formation du sol urbain: etude archéologique des terres noires à Tours (IVe-XIIe siècle). Doctoraatsverhandeling Université François Rabelais Tours, webpublicatie op Thèses en Ligne (http://tel.archives-ouvertes.fr/tel-00256362/en/).
  • M. FONDRILLON 2009, “À propos des recherches sur les terres noires urbaines: dépasser le concept d’attente”, Archéologie Médiévale 39, p. 1-16.
  • C. A. I. FRENCH 2003, Geoarchaeology in action : Studies in Soil Micromorphology and Landscape Evolution, London.
  • H. GALINIÉ 2002, “L’entre-deux: les terres noires des cités”, in: B. BEAUJARD (ed.), La naissance de la ville chrétienne. Mélanges en hommage à Nancy Gauthier, Tours, p. 97-106. (= Collection Perspectives “Villes et Territoires” 1)
  • H. GALINIÉ 2004, “L’expression “terres noires”, un concept d’attente”, in: L. VERSLYPE & R. BRULET (eds.), Terres Noires – Dark Earth. Actes de la table ronde internationale tenue à Louvain-la-Neuve, les 09 et 10 novembre 2001, Louvain-la-Neuve, p. 1-11. (= Collection d’archéologie Joseph Mertens XIV)
  • H. GALINIÉ 2004, “L’expression “terres noires”, un concept d’attente”, Les petits cahiers d’Anatole 15, p. 2-29. (http://www.univ-tours.fr/lat/pdf/F2_15.pdf)
  • L. Gébus & F. Gama 2004, “Le quartier de la Pierre-Hardie et l’îlot Turmel dans la ville de Metz en Lorraine: deux exemples d’études archéologiques des couches sombres attribuées aux IVe-XIIe siècles” in: L. VERSLYPE & R. BRULET (eds.), Terres Noires – Dark Earth. Actes de la table ronde internationale tenue à Louvain-la-Neuve, les 09 et 10 novembre 2001, Louvain-la-Neuve, p. 135-144. (= Collection d’archéologie Joseph Mertens XIV)
  • P. Goldberg & R. I. Macphail 2006, Practical and Theoretical Geoarchaeology, Oxford.
  • L. Guyard 2000, “Etudes quantitatives du mobilier contenu dans les terres noires d’un secteur de la fouille du Collège de France (Paris 5e)”, in: Terres Noires – 1, Tours, p. 73-76. (= Documents Sciences de la ville 6)
  • H. Hamerow, Y. Hollevoet, A. Vince 1994, “Migration Period Settlements and ‘Anglo-Saxon’ Pottery from Flanders”, Medieval Archaeology 38, p. 1-18.
  • K. Haneca 2009, “Eén paal onder en palenrij langs de burchtmuur, Antwerpen”, Rapporten natuurwetenschappelijk onderzoek VIOE, RNO.VIOE.2009-005.
  • J. Heimdahl 2005, Urbanised Nature in the Past. Site formation and environmental development in two Swedish towns, AD 1200-1800. Doctoraatsverhandeling Universiteit Stockholm (= Avhandling i kvartärgeologi 5), webpublicatie op dissertations.se. (http://www.dissertations.se/dissertation/a9fd78a1fd/).
  • H. L. Janssen & F. Verhaeghe, “Urban archaeology as a source for urban origins and early urban development in the Low Countries, 1980-1990”, in: N. C. F. Van Sas & E. Witte (eds.): Historical Research in the Low Countries, Den Haag, p. 1-17. (= Bibliografische Reeks van het Nederlands Historisch Genootschap 8)
  • A.-M. Jouquand 2000, “Les “terres noires” de la fouille préventive des abords de la cathédrale de Tours, Terres Noires – 1, Tours, p. 99-106. (= Documents Sciences de la ville 6)
  • P. KIDEN 2006, “De evolutie van de Beneden-Schelde in België en Zuidwest-Nederland na de laatste ijstijd”, BELGEO 3, p. 279-294.
  • J. Lafaurie 1987, “De gouden tremissis geslagen te Anderpus en andere Merovingische munten gevonden nabij Antwerpen”, in: E. Warmenbol (ed.), Het ontstaan van Antwerpen. Feiten & fabels, Antwerpen, p. 157-162.
  • C. LAURENT 2004, “Études micro-archéologiques et carpologiques de sédiments sombres: arguments en faveur de l’extension chronologique de l’appellation “terre noire”, in: L. VERSLYPE & R. BRULET (eds.), Terres Noires – Dark Earth. Actes de la table ronde internationale tenue à Louvain-la-Neuve, les 09 et 10 novembre 2001, Louvain-la-Neuve, p. 56-74. (= Collection d’archéologie Joseph Mertens XIV)
  • É. LOUIS 2004, “’Terres noires’ rurales: le cas de l’abbaye mérovingienne et carolingienne de Hamage (France, Dépt. Nord)”, in: L. VERSLYPE & R. BRULET (eds.), Terres Noires – Dark Earth. Actes de la table ronde internationale tenue à Louvain-la-Neuve, les 09 et 10 novembre 2001, Louvain-la-Neuve, p. 97-101. (= Collection d’archéologie Joseph Mertens XIV)
  • É. LOUIS 2004, “Terres noires’ urbaines bas-médiévales et modernes (XIVe-XVIIIe siècles) à Douai (France, dépt. Nord)”, in: L. VERSLYPE & R. BRULET (eds.), Terres Noires – Dark Earth. Actes de la table ronde internationale tenue à Louvain-la-Neuve, les 09 et 10 novembre 2001, Louvain-la-Neuve, p. 145-149. (= Collection d’archéologie Joseph Mertens XIV)
  • C. LOVELUCK 2004, ”Terres noires and early medieval rural settlement sequences: conceptual problems, descriptive limitations and deposit diversity”, in: L. VERSLYPE & R. BRULET (eds.), Terres Noires – Dark Earth. Actes de la table ronde internationale tenue à Louvain-la-Neuve, les 09 et 10 novembre 2001, Louvain-la-Neuve, p. 86-96. (= Collection d’archéologie Joseph Mertens XIV)
  • C. Loveluck & D. Tys, “Coastal societies, exchange and identity along the Channel and southern North Sea shores of Europe, AD 600-1000”, Journal of Maritime Archaeology 1 (2), p. 140-169.
  • R. I. MACPHAIL 1981, “Soil and botanical studies of the “Dark Earth”, in: M. JONES & G. W. DIMBLEBY (eds.): The Environment of Man: the Iron Age to the Anglo-Saxon Period, Oxford, p. 309-331. (= British Archaeological Reports, British Series 87)
  • R. I. Macphail, M. A. Courty & A. Gebhardt 1990, “Soil Micromorphological Evidence of Early Agriculture in North-West Europe”, World Archaeology 22 (1), p. 53-69.
  • R. I. Macphail 1998, “A Reply to Carter and Davidson’s “An Evaluation of the Contribution of Soil Micromorphology to the Study of Ancient Arable Agriculture””, Geoarchaeology 13 (6), p. 549-564.
  • R. I. Macphail, H. Galinié & F. Verhaeghe 2003, “A future for Dark Earth?”, in: Antiquity 77, p. 349-358.
  • R. I. MACPHAIL, J. M. CRUISE, M. J. ALLEN, J. LINDERHOLM & P. REYNOLDS 2004, “Archaeological Soil and Pollen Analysis of experimental floor deposits; with special reference to Butser Ancient Farm, Hampshire, UK”, Journal of Archaeological Science 31, p. 175-191.
  • R. I. Macphail & J. Linderholm  2004, “’Dark earth’: recent studies on “Dark earth” and “dark-earth-like” microstratigraphy in England, UK”, in: L. VERSLYPE & R. BRULET (eds.), Terres Noires – Dark Earth. Actes de la table ronde internationale tenue à Louvain-la-Neuve, les 09 et 10 novembre 2001, Louvain-la-Neuve, p. 35-42. (= Collection d’archéologie Joseph Mertens XIV)
  • R. I. MACPHAIL, J. CROWTHER & J. M. CRUISE 2007, “Micromorphology and post-Roman town research: the examples of London and Magdeburg”, in: J. HENNING (ed.), Post-Roman Towns, Trade and Settlement in Europe and Byzantium, vol. 1: The Heirs of the Roman West, Berlin, p. 303-317. (= Millennium Studies in the culture and history of the first millennium C.E. 5/1)
  • R. I. Macphail & J. Crowther 2008, Freeschool Lane and Vine Street Leicester: Soil Micromorphology, Chemistry and Magnetic Susceptibility. Onuitgegeven rapport voor Leicester University Archaeology Service.
  • R. I Macphail 2010, “Dark earth and insights into changing land use of urban areas”, in: D. Sami & G. Speed (eds.), Debating Urbanism Within and Beyond the Walls A.D. 300-700. Proceedings of a conference held at the University of Leicester, 15th November 2008, Leicester, p. 145-165.
  • W. Matthews, C. A. I. French, T. Lawrence, D. F. Cutler & M. K. Jones 1997, “Microstratigraphic traces of site formation processes and human activities”, World Archaeology 29 (2), p. 281-308.
  • K. Milek 1997, “Micromorphology and the Medieval Urban Environment: Examples from Ely and Petersborough, Cambridgeshire, England”, in: Environment and Subsistence in Medieval Europe, p. 155-167. (= Papers of the ‘Medieval Europe Brugge 1997’ Conference 9)
  • K. MILEK & C. FRENCH 2007, “Soils and sediments in the settlement and harbour at Kaupang”, in: D. SKRE (ed.), Kaupang in Skiringssal, Aarhus, p. 321-360.
  • C. Nicosia 2006, Archaeopedological study of medieval ‘Dark Earth’ from Firenze, Italy. Onuitgegeven licenciaatsverhandeling Universiteit Gent.
  • E. Oakley (ingediend), “Settlement and economy in Early Medieval Antwerp: an assessment of pottery from St. Walburgis excavations 1957-61”, Medieval and Modern Matters 2.
  • T. Oost & J. Ackermans 1976, Archeologisch algemeen toezicht. Maandverslag mei 1976, 8 juni 1976, Antwerpen (Dossier A. Sp Stadsparking) Onuitgegeven rapport Stad Antwerpen, dienst archeologie.
  • T. Oost 1982, “2.1 De Gallo-Romeinse periode (ca. 150 – ca. 250/270)”, in: Van nederzetting tot metropool. Archeologisch – historisch onderzoek in de Antwerpse binnenstad (Volkskundemuseum, 3 december 1982 – 17 april 1983), Antwerpen, p. 13-18.
  • T. Oost, “De bewoning te Antwerpen tijdens de Gallo-Romeinse periode”, in: E. Warmenbol (ed.), Het ontstaan van Antwerpen. Feiten & fabels, Antwerpen, p. 107-126.
  • J. PLUMIER, S. PLUMIER-TORFS, R. VANMECHELEN, N. MEES & C. ROBINET 2006, “Namuco fit. Namur du Ve au VIIe siècle”, in: J. PLUMIER & M. REGNARD (eds.), Voies d’eau, commerce et artisanat en Gaule mérovingienne, Namur.
  • A. POLO DIAZ & J. FERNANDEZ ERASO 2010, “Same anthropogenic activity, different taphonomic processes: A comparison of deposits from Los Husos I & II (Upper Ebro Basin, Spain)”, Quaternary International 214, p. 82-97.
  • H. Rombaut 1989, “De Echternachteksten betreffende Antwerpen: nieuwe argumenten”, Bijdragen tot de Geschiedenis 72, 1-2, p. 3-26.
  • J.-C. Routier & B. Machut 2004, “Les “terres noires” à Cambrai: le site du Lycée Fénelon, rue Blériot”, in: L. VERSLYPE & R. BRULET (eds.), Terres Noires – Dark Earth. Actes de la table ronde internationale tenue à Louvain-la-Neuve, les 09 et 10 novembre 2001, Louvain-la-Neuve, p. 150-151. (= Collection d’archéologie Joseph Mertens XIV)
  • M. L. P. RUIVO, M. A. ARROYO-KALIN, C. E. R. SCHAEFER, H. T. COSTI, S. H. DE SOUZA ARCANJO, H. N. LIMA, M. M. PULLEMAN & D. CREUTZBERG 2003, “The use of micromorphology for the study of the formation and properties of Amazonian dark earths”, in: J. LEHMANN, D. C. KERN, B. GLASER, & W. I. WOODS (eds.), Amazonian Dark Earths: Origin, Properties, Management, Dordrecht, p. 243-254.
  • E. J. Sidell 2000, “Dark Earth and Obscured Stratigraphy”, in: J. P. HUNTLEY & S. STALLIBRASS (eds.), Taphonomy and Interpretation, Oxford, p. 35-42. (= Symposia of the Association for Environmental Archaeology 14)
  • I. Simpson, J. H. Barrett & K. Milek 2005, “Interpreting the Viking Age to Medieval Period Transition in Norse Orkney through Cultural Soil and Sediment Analyses”, Geoarchaelogy 20 (4), p. 355-377.
  • G. Stoops 2003, Guidelines for Analysis and Description of Soil and Regolith Thin Section, Madison (Wisconsin).
  • Terres Noires – 1, Tours. (= Documents Sciences de la ville 6)
  • D. Tys 2010, “The Scheldt Estuary as a Framework for Early Medieval Settlement Development” in: A. Willemsen & H. Kik (eds.), Dorestad in an international framework. New research on centres of trade and coinage in Carolingian Times, Turnhout, p. 168-176.
  • A. L. J. Van de Walle 1960, “De archeologische opgravingen in het oud stadscentrum te Antwerpen”, Antwerpen, tijdschrift der stad Antwerpen 6 (2), p. 1-16.
  • A. L. J. VAN de WALLE 1961, “Excavations in the Ancient Centre of Antwerp”, Medieval Archaeology 5, p. 123-136.
  • A. L. J. VAN dE WALLE s.d., Het archeologisch bodemonderzoek in het oud stadscentrum te Antwerpen 1952 - 1961. Verslag over de gevonden toestanden, s.l.
  • S. VANHOUTTE 2007, “Het Romeinse castellum van Oudenburg (prov. West-Vlaanderen) herontdekt: de archeologische campagne van augustus 2001 tot april 2005 ter hoogte van de zuidwesthoek. Interim-rapport”, in: Relicta. Archeologie, Monumenten- en Landschapsonderzoek in Vlaanderen 3, Brussel, p. 199-236.
  • J. Veeckman 1997, Speuren naar het oudste Antwerpen. Onderzoek op de Koraalberg. Stand van het onderzoek dd. 01.01.97, aanvullende gegevens dd. 05.02.97. (Dossier A134 Koraalberg/Hofstraat/Zirkstraat) Onuitgegeven rapport Stad Antwerpen, dienst archeologie.
  • F. Verhaeghe met C. Loveluck & J. Story 2005, “Urban developments in the age of Charlemagne”, in: J. Story (ed.), Charlemagne. Empire and Society, Manchester, p. 259-28
  • A.  Verhulst 1978, “Het ontstaan en de vroege topografie van Antwerpen van de Romeinse tijd tot het begin van de 12de eeuw”, in: L. Voet, A. Verhulst, G. Asaert, F. De Nave, H. Soly & J. Van Roey (eds.), De stad Antwerpen van de Romeinse tijd tot de 17de eeuw. Topografische studie rond het plan van Virgilius Bononiensis 1565, Antwerpen, p. 13-40.
  • L. VERSLYPE & R. BRULET (eds.) 2004, Terres Noires – Dark Earth. Actes de la table ronde internationale tenue à Louvain-la-Neuve, les 09 et 10 novembre 2001, Louvain-la-Neuve. (= Collection d’archéologie Joseph Mertens XIV)
  • P. Verstappen 2010, Aardewerk en werkhypotheses m.b.t. de datering van de middeleeuwse vondsten van Burcht 1. Onuitgegeven intern tussentijds rapport voor de Stad Antwerpen, dienst archeologie.
  • P. C. Vos & R. M. van Heeringen 1997, “Holocene geology and occupation history of the province of Zeeland”, in: Mededelingen Nederlands Instituut voor Geowetenschappen TNO 59, p. 5-109, Utrecht.
  • E. Warmenbol 1987,  “Hoe Romeins zijn de oudere Antwerpse vondsten wel?”, in: E. Warmenbol (ed.), Het ontstaan van Antwerpen. Feiten & fabels, Antwerpen, p. 93-105.
  • E. Warmenbol 1987, “Hoe Frankisch zijn de oudere Antwerpse vondsten wel?”, in: E. Warmenbol (ed.), Het ontstaan van Antwerpen. Feiten & fabels, Antwerpen, p. 151-156.
  • B YULE 1990, “The ‘dark earth’ and Late Roman London”, Antiquity 64, p. 620-628.
Universiteit of Hogeschool
Kunstwetenschappen en Archeologie
Publicatiejaar
2011
Kernwoorden
Share this on: