Aansprakelijkheid van de moeder voor kartelinbreuken van haar dochteronderneming

Simon Vereecke
Europese monsterboetes tegen kartelinbreuken: onmenselijk of onvoldoende?Hoe vaak hoort men niet dat grote multinationals aan de hand van complexe juridische constructies hun verantwoordelijkheid proberen te ontlopen? Op deze problematiek denken de Europese mededingingsautoriteiten een antwoord te hebben gevonden bij de vaststelling van hun geldboetes. In plaats van te blijven vastklampen aan klassieke juridische obstakels, kiezen zij voor een meer realistische en economische aanpak bij de bestrijding van kartelinbreuken. Is hun controversiële kijk wel houdbaar?

Aansprakelijkheid van de moeder voor kartelinbreuken van haar dochteronderneming

Europese monsterboetes tegen kartelinbreuken: onmenselijk of onvoldoende?

Hoe vaak hoort men niet dat grote multinationals aan de hand van complexe juridische constructies hun verantwoordelijkheid proberen te ontlopen? Op deze problematiek denken de Europese mededingingsautoriteiten een antwoord te hebben gevonden bij de vaststelling van hun geldboetes. In plaats van te blijven vastklampen aan klassieke juridische obstakels, kiezen zij voor een meer realistische en economische aanpak bij de bestrijding van kartelinbreuken. Is hun controversiële kijk wel houdbaar? En misschien zelfs belangrijker, leidt hun aanpak wel tot de gewenste resultaten?

Het begrip onderneming: een Europese interpretatie

Het kartelverbod verbiedt alle samenwerking tussen ondernemingen die de vrije concurrentie vervalst, omwille van hun negatieve gevolgen op de economie. De Europese Commissie kan dit soort ondernemingen beboeten tot een bedrag van maximum 10% van hun totale omzet uit het vorige boekjaar. Maar wat verstaat men nu precies onder het begrip ‘onderneming’?

Voor een buitenstaander lijkt dit waarschijnlijk een vreemde vraag. Toch blijkt het niet zo eenvoudig om hierop een duidelijk antwoord te geven. Zo ziet de gemiddelde persoon of economist een multinational als één enkele entiteit, terwijl een onderneming zoals Starbucks vaak uit honderden vennootschappen bestaat. Hoewel wij telkens het gevoel hebben dat het hier gaat om één enkele onderneming, ziet het recht deze vennootschappen als aparte rechtspersonen, die elk een eigen arsenaal aan rechten en plichten hebben. We kunnen onszelf daarom de vraag stellen of grote ondernemingen hun aansprakelijkheid dan niet ontlopen, aangezien men deze verschillende vennootschappen ook steeds apart moet berechten.

Dankzij de rechtspraak van het Hof van Justitie zijn de Europese mededingingsautoriteiten niet meer gebonden door deze beperkende juridische visie. In plaats daarvan kunnen zij het begrip ‘onderneming’ nu ook uitbreiden tot alle verschillende vennootschappen die naar de buitenwereld toe een economische eenheid vormen. In zo’n gevallen blijft de boete niet beperkt tot die ene vennootschap die de effectieve kartelinbreuk heeft begaan, maar kan ze worden opgelegd aan de volledige economische groep. Bovendien kan men de 10%-grens toepassen op de wereldwijde omzet van de volledige ondernemingsgroep. Hierdoor zullen de bedragen van de geldboetes op exponentiële wijze stijgen.

Wanneer kan de Europese Commissie zo’n uitbreiding nu toepassen? Enkel als zij kan aantonen dat de ene vennootschap (de moeder) effectief op een beslissende wijze controle heeft uitgeoefend op een andere vennootschap (de dochter). In de praktijk betekent dit dat de Commissie aan de hand van verschillende feiten moet bewijzen dat deze moeder achter de schermen de uiteindelijke beslissingen maakte.

Om dit laatste struikelblok te overwinnen kan de Commissie in een groot deel van de gevallen deze bewijslast omzeilen door middel van een vermoeden. Indien een vennootschap 100% houdt van de aandelen van een dochteronderneming, wordt zij vermoed een beslissende invloed uit te oefenen. “Hoe kan het ook anders dan dat zij volledige controle uitoefent, wanneer zij met geen enkele andere aandeelhouder rekening hoeft te houden?”

De gevolgen: enkele cijfers

Inmiddels kan men stellen dat het huidige boetesysteem zijn vruchten heeft afgeworpen. Een aantal cijfers kunnen dit illustreren. Tussen 1995 en 1999 inde de Europese Commissie nog ongeveer 300 miljoen euro ten gevolge van kartelinbreuken. Voor de periode 2010-2014 is dit bedrag gestegen tot ongeveer 9 miljard euro. Uit onderstaande grafiek leiden we vervolgens af dat deze regeling het Europese mededingingsbeleid veel daadkrachtiger maakt dan bijvoorbeeld zijn Amerikaanse tegenhanger op vlak van geldboetes tegen kartelinbreuken.

Onmenselijk?

De Europese regeling stelt duidelijke vraagtekens bij de manier waarop wij omgaan met de multinationals die in grote mate onze vrije markt bepalen. Het is dan ook niet te verwonderen dat dergelijke revolutionaire zienswijze vele tegenstanders kent. Voornamelijk met betrekking tot het vermoeden van beslissende invloed bestaat veel kritiek in de juridische wereld. Ter verduidelijking werkt het vermoeden als volgt:

  • De Commissie bewijst dat een dochteronderneming een kartelinbreuk heeft gesteld;
  • De Commissie kan aantonen dat een moedervennootschap 100% houdt van de aandelen van die dochteronderneming;
  • De moedervennootschap wordt vermoed een beslissende invloed uit te oefenen op die dochteronderneming;
  • De moedervennootschap wordt medeaansprakelijk gesteld en betaalt daarom mee in de geldboete. Voor de berekening van deze geldboete past men de maximumgrens van 10% toe op de gezamenlijke jaaromzet van beide ondernemingen.

Volgens velen is deze regeling in strijd met de rechten van de mens, meer bepaald het vermoeden van onschuld. Dit fundamenteel recht impliceert dat een verdachte niet gestraft kan worden vooraleer zijn schuld wordt bewezen. Hierdoor mag geen enkele van deze vennootschappen veroordeeld worden tot een geldboete zonder dat hun effectieve inbreng in een kartelinbreuk wordt bewezen.

Door het vermoeden van beslissende invloed gebeurt nu eigenlijk het tegenovergestelde bij elke moedervennootschap die 100% houdt van de aandelen van haar dochteronderneming. In plaats van haar schuld te bewijzen, gaat men namelijk steevast uit van haar medeplichtigheid in de kartelinbreuken van haar dochteronderneming. Toch blijft deze positie houdbaar, zolang deze moeder in de positie verkeert om zich te verdedigen tegen deze beschuldigingen. Een regeling die niet in deze mogelijkheid voorziet creëert een onweerlegbaar vermoeden. Zo’n onweerlegbaar vermoeden is duidelijk “onmenselijk”: in strijd met de rechten van de mens.

Nu blijkt het schoentje vooral te knellen op vlak van de weerlegbaarheid van het vermoeden. De Europese instanties vinden het namelijk niet voldoende dat een moederonderneming haar onschuld bewijst. In plaats daarvan verwacht men een bewijs dat de moeder op geen enkele manier en op geen enkel vlak invloed heeft uitgeoefend op het bestuur van de dochteronderneming. Maar hoe kan een moedervennootschap op een overtuigende manier volledig uitsluiten dat zij op ook maar één moment invloed heeft uitgeoefend op haar dochteronderneming? Vooral wanneer deze moeder de enige controlerende aandeelhouder is, lijkt dit een onmogelijke opdracht. De oneindigheid van dit bewijs zal waarschijnlijk ook de reden zijn waarom dit vermoeden in de praktijk nog nooit een succesvol verweer heeft gekend…

… of onvoldoende?

Het systeem dat leidt tot monsterboetes zit duidelijk in een benarde situatie. Maar betekent dit ook dat de boetes in feite te hoog zijn? Want wat wil men nu eigenlijk bereiken met een sanctie? Dat de nadelige handeling, in dit geval de kartelinbreuk zich niet meer zal voordoen. Om dit te bereiken moet men ervoor zorgen dat de sancties steeds hoger blijven dan de winst die een onderneming verwacht te maken door het stellen van een kartelinbreuk. Wat zien we echter wanneer we er een aantal naslagwerken op nalezen? Dat deze boetes in de helft van de gevallen nog steeds lager liggen dan de extra winst voor een onderneming bij het stellen van een kartelinbreuk! Hierbij komt ook nog eens kijken dat een kartel slechts in 15% van de gevallen zal ontdekt worden. Een boete zou daardoor in principe nog eens 6,7 keer zo hoog moeten liggen om volgens deze theorie een echte afschrikwekkende werking te hebben.

Deze discussie bevat dus zeker nog meer stof tot nadenken dan men op het eerste zicht zou denken. Om die reden tracht mijn onderzoek aan de hand van het criterium “optimaal evenwicht” geen enkel juridisch, economisch, of ander aspect te vergeten bij de zoektocht naar een betere regeling.

  • Uit de masterscriptie “Aansprakelijkheid van de moeder voor kartelinbreuken van haar dochteronderneming”
  • Ingediend door: Simon Vereecke
  • Graad: Master in de Rechten, KU Leuven
  • Promotor: Prof. dr. W. Devroe
  • Behaald resultaat: 17/20
Bibliografie

Bibliografie

§1. Wetgeving

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950.

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van 25 maart 1957 (geconsolideerde versie), Pb.C. 26 oktober 2010, afl. 326.

Verdrag betreffende de Europese Unie van 7 februari 1992 (geconsolideerde versie), Pb.C. 26 oktober 2010, afl. 326.

Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007, Pb.C. 14 december 2007, afl. 303.

Verord.Raad nr. 1/2003, 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag, Pb.L. 4 januari 2003, afl. 1.

Verord.Raad nr. 139/2004, 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen, Pb.L. 29 januari 2004, afl. 24.

Code of Laws of the United States of America (U.S. Code), consulteerbaar op: http://uscode.house.gov/ 

§2. Administratieve Richtlijnen

Bekendmaking van de Commissie inzake overeenkomsten van geringe betekenis die de mededinging niet merkbaar beperken in de zin van artikel 81, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Pb.C. 22 december 2001, afl. 368.

Mededeling van de Commissie betreffende de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd, Pb.C. 1 september 2006, afl. 210.

§3. Rechtspraak

3.1. Europees Hof voor de Rechten van de Mens

EHRM 8 juni 1976, Engel e.a. v. Nederland, nr. 5100/71, 5101/71, 5102/71, 5354/72 en 5370/72.

EHRM 26 april 1979, Sunday Times v. Verenigd Koninkrijk, nr. 6538/74.

EHRM 7 oktober 1988, Salabiaku v. Frankrijk, nr. 10519/83.

EHRM 23 maart 2000, Haralambidis, Y. Haralambidis-Liberpa S.A. & Liberpa Ltd v. Griekenland, nr. 36706/97.

EHRM 23 juli 2002, Janosevic v. Zweden, nr. 34619/97.

EHRM 12 november 2002, Fortum Oil and Gas Oy v. Finland, nr. 32559/96.

EHRM 23 november 2006, Jussila v. Finland, nr. 73053/01.

EHRM 17 juni 2008, Synnelius & Edsbergs Taxi AB v. Zweden, nr. 44298/02.

EHRM 23 september 2008, Grayson & Barnham v. Verenigd Koninkrijk, nr. 19955/05 en 15085/06.

EHRM 20 januari 2009, Sud Fondi v. Italië, nr. 75909/01.

EHRM 27 september 2011, A. Menarini Diagnostics v. Italië, nr. 43509/08.

EHRM 29 oktober 2013, Varvara v. Italië, nr. 17475/09.

EHRM, Ooms Avenhorn Holding e.a. v. Nederland, appl. nr. 41490/11.

3.2. Europese Unie

1) Hof van Justitie van de Europese Unie

HvJ 25 november 1971, Béguelin Import v. S.A.G.L. Import Export, 22/71, Jur. 1971.

HvJ 14 juli 1972, Imperial Chemical Industries v. Commissie, 48/69, Jur. 1972.

HvJ 14 juli 1972, Geigy v. Commissie, 52/69, Jur. 1972.

HvJ 21 februari 1973, Europemballage Corporation en Continental Can v. Comissie, 6/72, Jur. 1973.

HvJ 6 maart 1974, Istituto Chemioterapico Italiano en Commercial Solvents v. Commissie, 6 en 7/73, Jur. 1974.

HvJ 31 oktober 1974, Centrafarm e.a. v. Sterling Drug, 15/74, Jur. 1974.

HvJ 16 december 1975, Suiker Unie, 40 t.e.m. 48, 50, 54 t.e.m. 56, 111, 113 en 114/73, Jur. 1975.

HvJ 12 juli 1979, BMW Belgium e.a. v. Commissie, 32 en 36 t.e.m. 82/78, Jur. 1979.

HvJ 29 oktober 1980, van Landewyck v. Commissie, 209/78, Jur. 1980.

HvJ 25 oktober 1983, AEG v. Commissie, 107/82, Jur. 1983.

HvJ 28 maart 1984, Zinkproducten, 29 en 30/83, Jur. 1984.

HvJ 12 juli 1984, Hydrotherm v. Compact, 170/83, Jur. 1984.

HvJ 1 oktober 1987, Vereniging van Vlaamse Reisbureaus v. Sociale Dienst van de Plaatselijke en Gewestelijke Overheidsdiensten, C-311/85, Jur. 1987.

HvJ 23 april 1991, Höfner en Elser, C-41/90, Jur. 1991.

HvJ 24 oktober 1995, VW-VAG, C-266/93, Jur. 1995.

HvJ 24 oktober 1996, Viho Europe, C-73/95P, Jur. 1996.

HvJ 18 maart 1997, Diego Calì & Figli Srl v. SEPG, C-343/95, Jur. 1997.

HvJ 18 juni 1998, Commissie v. Italië, C-35/96, Jur. 1998.

HvJ 8 juli 1999, Hüls v. Commissie, C-199/92P, Jur. 1999.

HvJ 16 september 1999, Becu, C-22/98, Jur. 1999.

HvJ 21 september 1999, Albany, C-67/96, Jur. 1999.

HvJ 12 september 2000, Pavlov, C-180/98 t.e.m. C-184/98, Jur. 2000.

HvJ 16 november 2000, Stora Kopparbergs Bergslags v. Commissie, C-286/98P, Jur. 2000.

HvJ 16 november 2000, Metsä-Serla v. Comissie, C-294/98P, Jur. 2000.

HvJ 25 oktober 2001, Ambulanz Glöckner, C-475/99, Jur. 2001.

HvJ 19 februari 2002, Wouters, C-309/99, Jur. 2002.

HvJ 2 oktober 2003, Siderurgica Aristrain Madrid v. Commissie, C-196/99P, Jur. 2003.

HvJ 28 juni 2005, Dansk Rørindustri v. Commissie, C-189, C-202, C-205 t.e.m C-208 en C-213/02P, Jur. 2005.

HvJ 29 juni 2006, Showa Denko v. Commissie, C‑289/04P, Jur. 2006.

HvJ 14 december 2006, Confederación Española de Empresarios de Estaciones de Servicio v. Compañía Española de Petróleos SA, C-217/05, Jur. 2006.

HvJ 8 februari 2007, Groupe Danone v. Commissie, C-3/06P, Jur. 2007.

HvJ 10 september 2009, Akzo Nobel, C-97/08P, Jur. 2009.

HvJ 1 juli 2010, Knauf Gips v. Commissie, C‑407/08P, Jur. 2010.

HvJ 16 december 2010, AceaElectrabel Produzione v. Commissie, C-480/09P, Jur. 2010.

HvJ 20 januari 2011, Generaal Química v. Commissie, C-90/09P, Jur. 2011.

HvJ 29 september 2011, Arkema v. Commissie, C-520/09P, Jur. 2011.

HvJ 29 september 2011, Elf Aquitaine v. Commissie, C-521/09P, Jur. 2011.

HvJ 19 juli 2012, Alliance One e.a. v. Commissie, C‑628/10P en C‑14/11P, Jur. 2012.

HvJ 22 januari 2013, Commissie v. Tomkins, C-286/11P, nog niet gepub.

HvJ 8 mei 2013, Eni SpA v. Commissie, C-508/11P, nog niet gepub.

HvJ 11 juli 2013, Commissie v. Stichting Administratiekantoor Portielje, C-440/11P, nog niet gepub.

HvJ 26 September 2013, EI du Pont de Nemours and Company v. Commissie, C‐172/12P, nog niet gepub.

HvJ 26 september 2013, The Dow Chemical Company v. Commissie, C‐179/12P, nog niet gepub.

HvJ 26 november 2013, Kendrion v. Commissie, C-50/12P, nog niet gepub.

HvJ 5 december 2013, Commissie v. Edison, C-446/11P, nog niet gepub.

HvJ 10 april 2014, Commissie v. Siemens AG Österreich e.a., C‑231 t.e.m. C‑233/11P, nog niet gepub.

HvJ 10 april 2014, Areva e.a. v. Commissie, C-247/11P, nog niet gepub.

HvJ 4 september 2014, YKK e.a. v. Commissie, C-408/12P, nog niet gepub.

2) Europees Gerecht van Eerste Aanleg

Ger.EU 10 maart 1992, Shell International Chemical Company v. Commissie, T-11/89, Jur. 1992.

Ger.EU 12 januari 1995, Viho Europe, T-102/92, Jur. 1995.

Ger.EU 14 mei 1998, Metsä-Serla e.a. v. Commissie, T-339 t.e.m T-342/94, Jur. 1998.

Ger.EU 14 mei 1998, Mo Och Domsjö v. Commissie, T-352/94, Jur. 1998.

Ger.EU 14 mei 1998, Stora Kopparbergslags v. Commissie, T-354/94, Jur. 1998.

Ger.EU 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a. v. Commissie, T-305, t.e.m. T-307, T-313 t.e.m T-316, T-318, T-325, T-328, T-329 en T-335/94, Jur. 1999.

Ger.EU 12 december 2000, Aéroports de Paris, T-128/98, Jur. 2000.

Ger.EU 18 september 2001, Métropole télévision e.a. v. Commissie, T-112/99, Jur. 2001.

Ger.EU 20 maart 2002, HFB Holding e.a. v. Commissie, T-9/99, Jur. 2002.

Ger.EU 30 september 2003, Michelin v. Commissie, T-203/01, Jur. 2003.

Ger.EU 11 december 2003, Marlines SA v. Commissie, T-56/99, Jur. 2003.

Ger.EU 11 december 2003, Minoan Lines v. Commissie, T-66/99, Jur. 2003.

Ger.EU 15 september 2005, DaimlerChrysler v. Commissie, T-325/01, Jur. 2005.

Ger.EU 27 september 2006, Coöperatieve Verkoop- en Productievereniging van Aardappelmeel en Derivaten Avebe v. Commissie, T-314/01, Jur. 2006.

Ger.EU 27 september 2006, Jungbunzlauer v. Commissie, T-43/02, Jur. 2006.

Ger.EU 12 december 2006, SELEX Sistemi Integrati v. Commissie, T-155/04, Jur. 2006.

Ger.EU 14 december 2006, Raiffeisen Zentralbank Österreich e.a. v. Commissie, T-259 t.e.m. T-264 en T‑271/02, Jur. 2006.

Ger.EU 26 april 2007, Bolloré e.a. v. Commissie, T-109, T-118, T-122, T-125, T-126, T-128, T-129, T-132 en T-136/02, Jur. 2007.

Ger.EU 12 december 2007, Akzo Nobel, T-112/05, Jur. 2007.

Ger.EU 8 oktober 2008, Schunk v. Commissie, T-69/04, Jur. 2008.

Ger.EU 30 september 2009, Hoechst v. Commissie, T-161/05, Jur. 2009.

Ger.EU 30 september 2009, Arkema v. Commissie, T-168/05, Jur. 2009.

Ger.EU 13 september 2010, Trioplast Industrier v. Commissie, T‑40/06, Jur. 2010.

Ger.EU 27 oktober 2010, Alliance One e.a. v. Commissie, T-24/05, Jur. 2010.

Ger.EU 24 maart 2011, Tomkins v. Commissie, T‑382/06, Jur. 2011.

Ger.EU 24 maart 2011, Pegler v. Commissie, T-386/06, Jur. 2011.

Ger.EU 17 mei 2011, Elf Aquitaine v. Commissie, T-299/08, Jur. 2011.

Ger.EU 7 juni 2011, Arkema France e.a. v. Commissie, T‑217/06, Jur. 2011.

Ger.EU 16 juni 2011, L’Air liquide v. Commissie, T‑185/06, Jur. 2011.

Ger.EU 16 juni 2011, Edison v. Commissie, T-196/06, Jur. 2011.

Ger.EU 16 juni 2011, Gosselin Group en Stichting Administratiekantoor Portielje v. Commissie, T‑208 en T‑209/08, Jur. 2011.

Ger.EU 12 juli 2011, Fuji Electric v. Commissie, T‑132/07, Jur. 2011.

Ger.EU 13 juli 2011, Schindler v. Commissie, T‑138/07, Jur.  2011.

Ger.EU 13 juli 2011, General Technic-Otis e.a. v. Commissie, T‑141, T‑142, T‑145 en T‑146/07, Jur. 2011.

Ger.EU 13 juli 2011, ThyssenKrupp Liften Ascenseurs v. Commissie, T-144, T-147 t.e.m. T-150 en T-154/07, Jur. 2011.

Ger.EU 14 juli 2011, Arkema v. Commissie, T-189/06, Jur. 2011.

Ger.EU 14 juli 2011, Total en Elf Aquitaine v. Commissie, T‑190/06, Jur. 2011.

Ger.EU 15 september 2011, Koninklijke Grolsch v. Commissie, T‑234/07, Jur. 2011.

Ger.EU 12 december 2012, 1.garantovaná v. Commissie, T-392/09, Jur. 2012.

Ger.EU 17 mei 2013, Parker ITR en Parker-Hannifin v. Commissie, T‑146/09, nog niet gepub.

Ger.EU 18 juni 2013, Fluorsid v. Commissie, T‑404/08, nog niet gepub.

Ger.EU 16 september 2013, Villeroy & Boch e.a. v. Commissie, T-373, T-374, T-382 en T-402/10, nog niet gepub.

Ger.EU 23 januari 2014, Evonik Degussa en AlzChem v. Commissie, T‑391/09, nog niet gepub.

3) Conclusies van Advocaten-Generaal

Concl. AG J.-P. Warner van 22 januari 1974 bij HvJ 6 maart 1974, Istituto Chemioterapico Italiano en Commercial Solvents v. Commissie, 6 en 7/73, Jur. 1974.

Concl. AG G. Slynn van 8 februari 1983 bij HvJ 7 juni 1983, Musique Diffusion française e.a. v. Commissie, 100 t.e.m. 103/80, Jur. 1983.

Concl. AG C.O. Lenz van 25 april 1996 bij HvJ 24 oktober 1996, Viho Europe, C-73/95P, Jur. 1996.

Concl. AG J. Mischo van 18 mei 2000 bij HvJ 16 november 2000, Stora Kopparbergs Bergslags v. Commissie, C-286/98P, Jur. 2000.

Concl. AG J. Mischo van 18 mei 2000 bij HvJ 16 november 2000, Metsä-Serla e.a. v. Commissie, C-294/98P, Jur. 2000.

Concl. AG J. Kokott van 19 februari 2009 bij HvJ 10 september 2009, Akzo Nobel, C-97/08P, Jur. 2009.

Concl. AG J. Mazák van 14 september 2010 bij HvJ 20 januari 2011, General Química e.a. v. Commissie, C-90/09P, Jur. 2011.

Concl. AG Y. Bot van 26 oktober 2010 bij HvJ 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg v. Commissie, C-201 en C-216/09P, Jur. 2011.

Concl. AG E. Sharpston van 10 februari 2011 bij Ger.EU 8 december 2011, KME v. Commissie, C-272/09P, Jur. 2011.

Concl. AG J. Kokott van 14 april 2011 bij HvJ 25 oktober 2011, Solvay v. Commissie, C-109/10P, Jur. 2011.

Concl. AG J. Kokott van 29 november 2012 bij HvJ 11 juli 2013, Commissie v. Stichting Administratiekantoor Portielje, C-440/11P, nog niet gepub.

Concl. AG E. Sharpston van 14 november 2013 bij HvJ 30 april 2014, Pfleger, C-390/12, nog niet gepub.

3.3. Verenigde Staten van Amerika

1) Supreme Court

U.S. Supreme Court 4 maart 1918, Board of Trade of City of Chicago v. United States, 246 U.S. 231, 38 S.Ct. 242.

U.S. Supreme Court 6 mei 1940, United States v. Socony-Vacuum Oil Co., 310 U.S. 150, 60 S.Ct. 811.

U.S. Supreme Court 3 december 1945, International Shoe Co. v. Washington, 326 U.S. 310, 66 S.Ct. 154.

U.S. Supreme Court 23 juni 1947, United States v. Yellow Cab Co., 67 S.Ct. 1565.

U.S. Supreme Court 26 april 1948, United States v. Scophony Corp., 333 U.S. 795.

U.S. Supreme Court 25 april 1978, National Society of Professional Engineers v. United States, 435 U.S. 692, 98 S.Ct. 1365.

U.S. Supreme Court 19 juni 1984, Copperweld v. Independence Tube, 467 U.S. 752, 104 S.Ct. 2741.

U.S. Supreme Court 20 mei 1985, Burger King Corp. v. Rudzewicz, 471 U.S. 462, 105 S.Ct. 2174.

U.S. Supreme Court 24 februari 1987, Asahi Metal Indus. v. Superior Court, 480 U.S. 102, 107 S.Ct. 1026.

U.S. Supreme Court 8 juni 1998, United States v. Bestfoods, 524 U.S. 51.

U.S. Supreme Court 24 mei 1999, California Dental Association v. FTC, 526 U.S. 756, 119 S.Ct. 1618.

U.S. Supreme Court 13 januari 2004, Verizon Communications v. Trinko, 540 U.S. 414.

U.S. Supreme Court 24 mei 2010, American Needle, Inc. v. National Football League, 130 S.Ct. 2209

2) Court of Appeals

U.S. Court of Appeals (Eighth Circuit) 27 augustus 1965, National Dairy Products Corp. v. United States, 350 F.2d 321.

U.S. Court of Appeals (Ninth Circuit) 24 juli 1979, Sherman v. British Leyland Motors Ltd., 601 F.2d 429.

U.S. Court of Appeals (Third Circuit) 6 augustus 1986, Behr v. Mercedes-Benz, 800 F.2d 1130.

3) District Court

U.S. District Court (Southern District of New York) 13 juli 1955, United States v. Watchmakers of Switzerland Inf. C., 133 F. Supp. 40.

U.S. District Court (Southern District of New York) 27 juni 1957, In Re Siemens & Halske A.G., 155 F. Supp. 897

U.S. District Court (Oregon) 28 augustus 1980, Cascade Steel Rolling Mills, Inc. v. Itoh & Co., 499 F. Supp. 829.

U.S. District Court (Southern District of New York) 19 maart 1990, Perfumer's Workshop v. Roure Bertrand Du Pont, 737 F. Supp. 785.

U.S. District Court (New York) 2 maart 2006, Arnold Chevrolet LLC v. Tribune Co., 418 F. Supp.2d 172.

3.4. Verenigd Koninkrijk

U.K. High Court 6 maart 2003, Provimi v. Aventis, EWHC 961.

U.K. High Court 27 oktober 2009, Cooper Tire & Rubber v. Shell Chemicals, EWHC 2609.

U.K. Court of Appeal (Civil Division) 13 september 2012, Toshiba Carrier Ltd v. KME Yorkshire Ltd, EWCA Civ 1190.

§4. Commissiebeschikkingen

Besch. Commissie 2 oktober 2001, Gluconate de sodium, COMP/E-1/36.756.

Besch. Commissie 3 december 2003, Electrical and mechanical carbon and graphite products, COMP/E-2/38.359.

Besch. Commissie 26 mei 2004, Souris-Topps, COMP/C-3/37.980.

Besch. Commissie 20 oktober 2004, Raw Tobacco Spain, COMP/C.38.238/B.2.

Besch. Commissie 9 december 2004, Choline Chloride, COMP/E-2/37.533.

Besch. Commissie 19 januari 2005, MCAA, COMP/E-1/.37.773.

Besch. Commissie 15 juni 2005, AstraZeneca, COMP/A. 37.507/F3.

Besch. Commissie 30 november 2005, Industrial bags, COMP/38.354.

Besch. Commissie 3 mei 2006, Hydrogen Peroxide and Perborate, COMP/F/38.620.

Besch. Commissie 31 mei 2006, Methacrylates, COMP/F/38.645.

Besch. Commissie 13 september 2006, Bitumen-NL, COMP/38.456.

Besch. Commissie 20 september 2006, Fittings, COMP/F-1/38.121.

Besch. Commissie 29 november 2006, Butadiene Rubber and Emulsion Styrene Butadiene Rubber, COMP/F/38.638.

Besch. Commissie 21 februari 2007, PO/Elevators and Escalators, COMP/E-1/38.823.

Besch. Commissie 28 november 2007, Flat glass, COMP/39165.

Besch. Commissie 5 december 2007, Chloroprene Rubber, COMP/38629.

Besch. Commissie 15 oktober 2008, Bananas, COMP/39188.

§5. Rechtsleer

5.1. Boeken

Andersen, W. en Rogers, C., Antitrust Law: Policy and Practice, New York, Matthew Bender & Co, 1999, 1141 p.

Blumberg, P., Strasser, K., Georgakopoulos, N. en Gouvin, E., Blumberg on Corporate Groups, New York, Wolters Kluwer, 2015, losbladig.

de Secondat baron de Montesquieu, C., Œuvres de Montesquieu: L'Esprit des lois, Parijs, A. Belin, 1817, 769 p.

Faull, J. en Nikpay, A. (eds.), The EC Law of Competition, Oxford, Oxford University Press, 2007, 1844 p.

Faull, J. en Nikpay, A. (eds.), The EU Law of Competition, Oxford, Oxford University Press, 2014, 2134 p. 

Hovenkamp, H., Federal Antitrust Policy. The Law of Competition and Its Practice, St. Paul, West Publishing Co., 2011, 906 p.

Joelson, M., An International Antitrust Primer: A Guide to the Operation of United States, European Union, and Other Key Competition Laws in the Global Economy, Alphen aan den Rijn, Kluwer Law International, 2006, 717 p.

Jones, A. en Sufrin, B., EU Competition Law, Oxford, Oxford University Press, 2014, 1331 p. 

Kestemont, L., Schoukens, P., Hendrickx, K. en Terryn, E., Rechtswetenschappelijk schrijven, Leuven, Acco, 2012, 135 p. 

Rose, V. en Bailey, D. (eds.), Bellamy & Child: European Union Law of Competition, Oxford, Oxford University Press, 2013, 3680 p.

Storme, M., De bewijslast in het Belgische privaatrecht, Gent, Story-Scientia, 1962, 475 p.

Vandekerckhove, K., Piercing the Corporate Veil, Alphen aan den Rijn, Kluwer Law International, 2007,  765 p.

5.2. Bijdragen in tijdschriften of verzamelwerken

Aaron, B., “The comparative labor law group: a personal appraisal”, Comparative Labor Law Journal 1977, vol. 2, 228-237.

Areeda, P., “Intraenterprise conspiracy in decline”, Harvard Law Review 1983, vol. 97, nr. 2, 451-473.

Atlee, L., “Joint Venture… Subsidiary… What’s the Difference for Cartel Liability and Fines?”, CPI Antitrust Chronicle 2012, nr. 1, 1-8.

Bailey, D., “Presumptions in EU competition law”, European Competition Law Review 2010, vol. 31, nr. 9, 20-27.

Baker, D., “The Use of Criminal Law Remedies to Deter and Punish Cartels and Bid-Rigging”, The George Washington Law Review 2001, vol. 69, nr. 5, 693-714.

Barbier de La Serre, E. en Lagathu, E., “The Law on Fines Imposed in EU Competition Proceedings: On the Road to Consistency”, Journal of European Competition Law & Practice 2014, vol. 5, nr. 6, 400-420.

Barbier de La Serre, E. en Winckler, C., “A Landmark Year for the Law on Fines Imposed in EU Competition Proceedings”, Journal of European Competition Law & Practice 2012, vol. 3, nr. 4, 351-370.

Barbier de La Serre, E. en Winckler, C., “A Survey of Legal Issues Regarding Fines Imposed in EU Competition Proceedings (2010)”, Journal of European Competition Law & Practice 2011, vol. 2, nr. 4, 356-370.

Barennes, M. en Wolf, G., “Cartel Recidivism in the Mirror of EU Case Law”, Journal of European Competition Law & Practice 2011, vol. 2, nr. 5, 423-440.

Beumer, A. en Van de Heyning, C., “Het EVRM en de handhaving in het mededingingsrecht: de zaak Menarini uitgelicht”, Markt & Mededinging 2012, nr. 1, 10-15.

Blumberg, P., “Accountability of Multinational Corporations: The Barriers Presented by Concepts of the Corporate Juridical Entity”, Hastings International & Competition Law Review 2001, vol. 24, 297-320.

Blumberg, P., “The Corporate Entity In An Era Of Multinational Corporations”, Delaware Journal Of Corporate Law 1990, vol. 15, 283-375.

Braeckmans, H., “Toerekening van het vennootschapsfaillissement aan de achterman of uitbreiding van het faillissement tot de meester van de zaak”, RW 1978-1979, 852-854.

Bronckers, M. en Vallery, A., “No Longer Presumed Guilty? The Impact of Fundamental Rights on Certain Dogmas of EU Competition Law” in J. Rivas (ed.), World Competition 34, Alphen aan den Rijn, Kluwer Law International, 2011, 535-571.

Burnley, R., “Group Liability for Antitrust Infringements: Responsibility and Accountability” in J. Rivas (ed.), World Competition 33, Alphen aan den Rijn, Kluwer Law International, 2010, 595-614.

Combe, E. en Monnier, C., “Fines Against Hard Core Cartels in Europe: The Myth of Over Enforcement”, The Antitrust Bulletin 2011, vol. 56, nr. 2, 235-275.

Cortese, B., “Piercing the Corporate Veil in EU Competition Law: The Parent Subsidiary Relationship and Antitrust Liability” in B. Cortese (ed.), EU Competition Law: Between Public and Private Enforcement, Alphen aan den Rijn, Kluwer Law International, 2014, 73-93.

Crane, D., “The economics of antitrust enforcement” in K. Hylton (ed.), Antitrust Law and Economics, Cheltenham, Edward Elgar Publishing, 2010, 1-22.

Crocco, L. en Scordamaglia-Tousis, A., “YKK v Commission: How the 10% Fining Cap Works in Cases of Corporate Restructuring”, Journal of European Competition Law & Practice 2014, 1-3.

Dari-Mattiacci, G., Gelderblom, O., Jonker, J. en Perotti, E., “The Emergence of the Corporate Form”, SSRN Working Paper 2013, http://ssrn.com/abstract=2223905, 1-33.

De Boeck, A. en Geens, H., “De bewijsmiddelen en hun hiërarchie, de bewijslastverdeling en de inpassing van e-commerce anno 2008: Geruisloze overgang van oud naar nieuw?”, in A. De Boeck, S. Stijns en R. Van Ransbeeck (eds.), Het vermogensrechtelijk bewijsrecht vandaag en morgen, Brugge, Die Keure, 2009, 43-96.

de Pree, J. en Molin, S., “Shareholder Liability for Joint Venture Infringements in the European Union”, Fordham International Law Journal 2011, vol. 34, nr. 3, 431-451.

Devlin, A. en Jacobs, M., “Antitrust Error”, William & Mary Law Review 2010, vol. 52, nr. 1, 75-132.

Fox, E., “U.S. and E.U. Competition Law: A Comparison” in E. Graham en J. Richardson (eds.), Global Competition Policy, Washington DC, Institute for International Economics, 1997, 339-354.

Geradin, D., “Antitrust Compliance Programmes & Optimal Antitrust Enforcement: A Reply to Wouter Wils”, SSRN Working Paper 2013, http://ssrn.com/abstract=2241452, 1-20.

Ginsburg, D. en Wright, J., “Antitrust Sanctions”, Competition Policy International 2010, vol. 6, nr. 2, 3-39.

Goldschmid, H. “Comment on Herbert Hovenkamp and the Dominant Firm: The Chicago School Has Made Us Too Cautious About False Positives and the Use of Section 2 of the Sherman Act” in R. Pitofsky (ed.), How the Chicago School Overshot the Mark, New York, Oxford University Press, 2008, 123-138.

Heimler, A. en Mehta, K., “Violations of Antitrust Provisions: The Optimal Level of Fines for Achieving Deterrence”, in J. Rivas (ed.), World Competition 35, Alphen aan den Rijn, Kluwer Law International, 2012, 103-119.

Hofstetter, K. en Ludescher, M., “Fines against Parent Companies in EU Antitrust Law: Setting Incentives for ‘Best Practice Compliance’” in J. Rivas (ed.), World Competition 33, Alphen aan den Rijn, Kluwer Law International, 2010, 55-76.

Hughes, P., “Competition Law Enforcement and Corporate Group Liability - Adjusting the veil”, European Competition Law Review 2014, vol. 35, nr. 2, 68-87.

Hummer, C., “Alliance One: General Court Overturned Parental Liability of a Pure Financial Holding Company”, Journal of European Competition Law & Practice 2011, vol. 2, nr. 2, 126-127.

Islentyeva, E., “Like Father Like Son - The Parental Liability Under the EU Competition Law Today”, Global Antitrust Review 2011, 99-115.

Jones, A., “The Boundaries of an Undertaking in EU Competition Law”, European Competition Journal 2012, vol. 8, nr. 2, 301-331. 

Joshua, J., Botteman, Y. en Atlee, L., “You Can’t Beat the Percentage - the Parental liability Presumption in EU Cartel Enforcement”, The European Antitrust Review 2012, 3-9.

Kaso-Howard, K., “American Needle, Inc. v. National Football League: Justice Stevens’ Last Twinkling of an Eye”, Loyola of Los Angeles Law Review 2011, vol. 44, 1163-1178.

Kennepohl, S., “Toerekening kartelinbreuk aan moeder in strijd met onschuldpresumptie”, Tijdschrift Mededingingsrecht in de Praktijk 2012, nr. 4, 138-143.

Kinsella, S. en Meier, A., “Why Shareholders Should Not Share the Blame in the EU”, GCP: The Antitrust Chronicle 2009, nr. 1, 1-4.

Leonardo, A., “Siemens Österreich, Areva, and Alstom: Joint and Several Liability in the Gas- insulated Switchgear Cartel”, Journal of European Competition Law & Practice 2014, 1-3.

Leupold, B., “Effective enforcement of EU competition law gone too far? Recent case law on the presumption of parental liability”, European Competition Law Review 2013, vol. 34, nr. 11, 570-582.

Merlino, P., “Edison: A Glimpse of Hope for Parent Companies Seeking to Rebut the Parental Liability Presumption?”, Journal of European Competition Law & Practice 2014, vol. 5, nr. 7, 463-466.

Molin, S., “Gelijke behandeling bij toerekening kartelinbreuken”, Nederlands tijdschrift voor Europees recht 2013, nr. 1/2, 24-27.

Montesa, A. en Givaja, A., “When Parents Pay for their Children's Wrongs: Attribution of Liability for EC Antitrust Infringements in Parent-Subsidiary Scenarios” in J. Rivas (ed.), World Competition 29, Alphen aan den Rijn, Kluwer Law International, 2006, 555-574.

Muller, F. en Verschuur, S., “Over moeders en dochters: het weerlegbaar vermoeden in de praktijk”, Markt & Mededinging 2009, nr. 6, 208-215.

Odudu, O. en Bailey, D., “The Single Economic Entity Doctrine in EU Competition Law”, Common Market Law Review 2014, nr. 51, 1721-1758.

Oliver, P. en Bombois, T., “Competition and Fundamental Rights Survey”, Journal of European Competition Law & Practice 2014, vol. 5, nr. 7, 498-507.

Schmitten, J., “Antitrust’s Single-Entity Doctrine: A Formalistic Approach for a Formalistic Rule”, Columbia Journal of Law and Social Problems 2012, nr. 46, 93-144.

Schwartz, J. “Piercing the Corporate Veil of an Alien Parent for Jurisdictional Purposes: A Proposal for a Standard That Comports with Due Process”, California Law Review 2008, vol. 96, nr. 3, 731-764.

Scordamaglia, A., “Cartel Proof, Imputation and Sanctioning in European Competition Law: Reconciling effective enforcement and adequate protection of procedural guarantees”, The Competition Law Review 2010, vol. 7, nr. 1, 5-52.

Shelanski, H., “Antitrust and regulation” in E. Elhauge (ed.), Research Handbook on the Economics of Antitrust Law, Cheltenham, Edward Elgar Publishing, 2012, 327-350.

Smallegange, S. en Bremmer, L., “Kartels en concernverhoudingen: extra zorgplicht voor moeders?”, Onderneming en Financiering 2012, vol. 20, nr. 4, 56-71.

Stanevicius, M., “Portielje: Bar Remains High for Rebutting Parental Liability Presumption”, Journal of European Competition Law & Practice 2014, vol. 5, nr. 1, 24-26.

Temple Lang, J., “How Can the Problem of the Liability of a Parent Company for Price Fixing by a Wholly-owned Subsidiary Be Resolved”, Fordham International Law Journal 2014, vol. 37, nr. 5, 1481-1524.

Thomas, S., “Guilty of a Fault that one has not Committed. The Limits of the Group-Based Sanction Policy Carried out by the Commission and the European Courts in EU-Antitrust Law”, Journal of European Competition Law & Practice 2012, vol. 3, nr. 1, 11-28.

Van Cleynenbreugel, P., “Single entity test in U.S. antitrust and EU competition law”, SSRN Working Paper 2011, http://ssrn.com/abstract=1889232, 1-39.

van den Berg, P. en Pliego Selie, A., “Aansprakelijkheid moeder en recidive”, Nederlands tijdschrift voor Europees recht 2012, nr. 1, 1-10.

van den Bossche, A., “Niet schuldig, wel verantwoordelijk. De toerekenbaarheid van inbreuken op het mededingingsrecht binnen groepen”, in A. Van Hoe en M. Vanmeenen (eds.), De vennootschapsgroep in de greep van het recht, Antwerpen, Intersentia, 2013, 23-75.

van den Muijsenbergh, W. en Rezai, S., “Corporations and the European Convention on Human Rights”, Global Business & Development Law Journal 2012, vol. 25, 43-68.

van Kempen, P., “Human Rights and Criminal Justice Applied to Legal Persons. Protection and Liability of Private and Public Juristic Entities under the ICCPR, ECHR, ACHR and AfChHPR”, Electronic Journal of Comparative Law 2010, vol. 14.3, 1-34.

VerLoren van Themaat, I.W. en van Heezik, M.C., “Het toerekeningsleerstuk: de balans opgemaakt”, Nederlands tijdschrift voor Europees recht 2010, nr. 3, 90-95.

Voss, K., “The Principle of Equality: A Limit to the Commission’s Discretion in EU Competition Law Enforcement?”, Global Antitrust Review 2013, 149-166.

Williamson, D., “Organization, Control and the Single Entity Defense in Antitrust”, Journal of Competition Law & Economics 2009, vol. 5, nr. 4, 723-745.

Wils, W., “Antitrust compliance programmes and optimal antitrust enforcement”, Journal of Antitrust Enforcement 2013, vol. 1, nr. 1, 52-81.

Wils, W., “Optimal Antitrust Fines: Theory and Practice”, in J. Rivas (ed.), World Competition 29, Alphen aan den Rijn, Kluwer Law International, 2006, 183-208.

5.3. Overige

Allen & Overy, Global Antitrust Enforcement: 2014 (Mid-Year) Cartel Report, 2014, http://www.allenovery.com/SiteCollectionDocuments/Global_Antitrust_Enfo…, 12 p. 

Beregovyi, D., Parental Liability for Competition Law Violations: Lessons for Emerging Markets, onuitg. masterproef Mededingingsrecht Central European University of Hungary, 2014, 74 p.

Europese Commissie (Directoraat-generaal Concurrentie), Naleving van de regels: wat kunnen ondernemingen doen om de EU-concurrentieregels beter na te leven?, Luxemburg, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2012, 21 p.

Harrington, J., Optimal Deterrence of Competition Law Infringements, presentatie te Brussel, 3 december 2012, http://assets.wharton.upenn.edu/~harrij/pdf/Deterring%20EU%20Competition%20Law%20Infringements12.12.pdf, 38 p.

Italianer, A., Fighting cartels in Europe and the US: different systems, common goals, toespraak op de bijkomst van de IBA te Boston, 9 oktober 2013, http://ec.europa.eu/competition/speeches/text/sp2013_09_en.pdf, 7 p.

Mariniello, M., “Do Euorpean Union Fines Deter Price Fixing?”, Bruegel Policy Brief 2013, http://www.bruegel.org/download/parent/780-do-european-union-fines-dete…, 8 p.